Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren
Part 4
De naam is ontleend aan den vorm der voelers: twee platte, driehoekige worden in nagenoeg horizontale richting vooruitgestoken en dienen voor het zoeken van den weg en het betasten van 't voedsel; de beide andere staan overeind en gelijken sprekend op een paar hazenooren. De oogen zijn vóór de achterste voelers gelegen. Op het midden van den rug ligt de schildvormige mantel, die een flauw gewelfde, soms geheel hoornachtige, soms verkalkte schelp bevat. De mantelholte eindigt van achteren in een korte buis; hierdoor komt het water bij de kieuw, welker buitenste slippen gewoonlijk aan de rechterzijde buiten de mondholte uitsteken, maar, evenals het grootste deel van den rug, bedekt kunnen worden door twee vleugelvormige huidplooien, die het dier gewoonlijk naar boven gericht houdt en golvend beweegt. Ook zijn zij uitstekend geschikt voor 't zwemmen, een bewegingswijze, waarvan het dier slechts zelden gebruik maakt. Wanneer de Zeehaas ongestoord over steenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid gespannen. Zoodra men hem aanvat en in een glas met water overbrengt, werpt hij, behalve het vocht, dat zijn lichaam deed opzwellen, ook een donkerviolette vloeistof uit, die zich gelijkmatig door het water verdeelt en in zoo groote hoeveelheid uit de randen van den mantel ontwijkt, dat het dier geheel onzichtbaar wordt. Ziegler noemt deze vloeistof een sterke oplossing van anilinerood en analineviolet en zegt, dat zij op drieërlei wijze als verdedigingsmiddel dient: zij onttrekt het dier aan de oogen zijner vijanden door het water troebel te maken, bezit giftige eigenschappen en verbreidt een walgelijken reuk. De stank van Aplysia depilans, den 20 à 25 cM. langen Zeehaas der Zuid-Europeesche kusten, is echter volgens andere onderzoekers, niet zoo hevig, als veelvuldig beweerd wordt; ook werd door hen volstrekt geen brandig gevoel waargenomen aan de deelen van de huid, die met den Zeehaas in aanraking kwamen. Blijkbaar is het dier beter dan zijn reputatie; zeer zeker verdient het niet den naam depilans (de "ontharende"), daar de bewering der Italiaansche visschers, dat het hoofdhaar van den persoon, die de Zeehaas aanraakt, uitvalt, ongegrond is. Wel schijnt het waar te zijn, dat verwante soorten, die de tropische zeeën bewonen, door de prikkeling, die zij bij aanraking teweegbrengen, aan brandnetels herinneren.
De Aplysiën herinneren niet slechts door hun uitwendige gedaante en hun voedsel, maar ook door de in vele afdeelingen gescheiden maag aan plantenetende Zoogdieren. Steeds vindt men den Zeehaas dan ook grazend, meestal op grove wieren. Aplysia depilans komt dikwijls zoo hoog op het strand, dat zij bij eb in kleine plasjes achterblijft, die haar ternauwernood kunnen bevochtigen; zij komt echter ook op diepten van verscheidene vademen voor.
Bij de Zijdekieuwigen (Pleurobranchiaceae) ligt de kieuw niet verborgen onder den schildvormigen mantel, maar bijna vrij in de groeve tusschen den voet en den mantelrand, waaronder zij bij het saamgetrokken dier verborgen is; evenals bij de vorige familiën, is zij vedervormig en rechts gelegen. Bij sommige soorten ontbreekt de schelp, bij de overige is zij schildvormig en plat, nu eens uitwendig en verkalkt, dan weer inwendig en hoornachtig. Het laatstgenoemde geval doet zich voor bij Pleurobranchus. Deze heeft een platten, nagenoeg eivormigen voet, die bij sommige soorten breeder is en aan alle zijden uitsteekt voorbij het door een vleezig mantelschild bedekte lichaam, dat er als een eivormig gewelf op rust. Minder breed dan het lichaam is de voet bij Pleurobranchus aurantiacus en P. ocellatus, die de Middellandsche Zee bewonen. Onder den voorrand van het mantelschild ontspringen twee holle voelers, die uit een opgerolde, dunne plaat bestaan, waarop bij den oorsprong twee zeer kleine, zwarte stipjes (de oogen) voorkomen. Onder de voelers, doch nog boven den mond, ligt een driezijdige, naar voren zich verbreedende huidplooi (het mondscherm).
De kruipende Slak vervormt haar lichaam in overeenstemming met alle oneffenheden van het voorwerp, waarover zij zich voortbeweegt; de weekheid van de weefsels maakt deze telkens herhaalde gedaanteveranderingen mogelijk. In dezen toestand zijn de voelers, het mondscherm en de kieuw steeds gestrekt. Het mondscherm is rijk aan zenuwen en dient als tastorgaan. De zoogenaamde rugvoelers ziet men nooit iets betasten en blijven steeds achterwaarts gericht. Zij worden, zooals reeds vroeger gezegd is, als reukorganen beschouwd. Daar zij den vorm hebben van een aan beide einden geopende buis, waardoor onophoudelijk een stroom water wordt geleid, ten gevolge van de werking der microscopische trilharen, die de binnenste oppervlakte bekleeden, beantwoorden deze voelers in hooge mate aan de voorstelling, die men door beschouwing van andere dieren van reukorganen verkrijgt.
Pleurobranchus heeft de gewoonte bij aanraking en bij 't opheffen van den steen, waaronder hij verborgen is, tot een bol in te krimpen en zich te laten vallen. Den verzamelaar komt dit goed te pas, daar het hem onmogelijk zou zijn, deze teere Slak onbeschadigd van de steenen en uit hunne spleten op te nemen, indien zij, gelijk zoovele andere Weekdieren, zich trachtte te redden door de stevige vasthechting van den voet.
Soortenrijker dan de vorige onderorde is die der Naaktkieuwigen (Nudibranchiata). Zij hebben gedurende het embryonale leven in den larvetoestand een fijne schelp, maar verliezen deze reeds vroegtijdig; het volkomen ontwikkelde dier is naakt, bezit geen spoor van een schelp. De meeste hebben op den rug kwast-, boom- of bladvormige kieuwen, die echter altijd onbedekt blijven.
Bij de Doris-achtige Naaktkieuwigen (Dorididae) vormen de veder- of bladvormige kieuwen een fraaie ster of rozet om de aarsopening, die zich midden op het achterste deel van den rug bevindt. Vele soorten kunnen de kieuwen in een gemeenschappelijke holte terug trekken. Terugtrekbaar in afzonderlijke holten zijn ook de rugvoelers, althans bij de Sterslakken (Doris), een van de soortenrijkste geslachten van de geheele onderorde. Deze dieren hebben een langwerpig rond lichaam, aan de rugzijde bol en geheel bedekt door den mantel, die zich tot vóór den kop en voorbij den rand van den voet uitstrekt. Hun huid bevat kalkkorrels van eigenaardigen vorm.
Een drietal soorten van dit geslacht werden in de Noordzee bij onze kust waargenomen, o.a. de 3 cM. lange, grauwwitte Wrattige Sterslak (Doris stellata), door Bomme in de vorige eeuw ontdekt en als "Egeltje met een ster op den snuit" beschreven. De hierachter afgebeelde soort kan een lengte van ruim 20 mM. bereiken en werd vooral in de lente en den herfst op een zandigen en steenachtigen bodem in de Bocht van Kiel aangetroffen op wieren en zeegras. Hier vindt men in September en October hare eieren, tot snoeren vereenigd door een helder slijm.
Bij een aantal geslachten, die gezamenlijk de familie der Aeolididen vormen, zijn de kieuwen over den geheelen rug verdeeld, op reeksen geplaatst en van zeer verschillende gedaante: bij sommige geslachten vertakt, bij andere enkelvoudig.
De Boompjesslakken (Dendronotus) hebben op den rug symmetrisch gerangschikte, boomvormig vertakte aanhangsels. Een van de fraaiste Naaktkieuwigen is de Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens), die een lengte van bijna 35 mM. kan bereiken. Zij valt duidelijk in 't oog door haar vleeschroode grondkleur. Haar zeer slank en naar achteren allengs spitser wordend lichaam bekoort het oog het meest door de daarboven uitstekende, boomvormig vertakte kieuwen, die ten getale van 7 à 9 dicht bij den voorrand van den kop in een halven cirkel gerangschikt zijn en waarvan ook nog 5 of 6 paar langs den rug verspreid liggen. Ook de voelers hebben een vertakten stam, waarin zij teruggetrokken kunnen worden. Deze Slak kruipt liever op de dunne spitsen der algen dan op den bodem rond. Dikwijls zit zij aan de uiterste spits van een tak met vrij naar boven gericht voorlijf en wendt dit, als een Spanrups, nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde om een vast voorwerp te zoeken, waarop zij verder kan kruipen. Wanneer zij bij den waterspiegel zwemt, wordt de voet afwisselend zooveel mogelijk verbreed en gootvormig opgevouwen, zoodat de zijranden dicht bij elkander liggen. De boomvormige kieuwen, die bij 't zwemmen naar buiten en naar onderen overhangen, hellen een weinig achterover, als het dier met gestrekt lichaam rechtuit kruipt, en wijken in alle richtingen uiteen, als het lichaam zich kromt. Algemeen wordt deze Slak wegens haar slanke gestalte, teere kleur, zachte, sierlijke beweging en niet het minst wegens de fijne, gemakkelijk in schommeling gerakende boompjes, die haar rug versieren, als een van de bekoorlijkste zeedieren beschouwd. Aan alle noordelijke kusten komt zij vrij algemeen voor; door Bomme werd zij "Hartshoorn-gelijk getakt Zeeslakje" genoemd. Bij Kiel vond men haar het veelvuldigst in den winter op de boomen, die ten behoeve van de mosselteelt in het binnenste deel van de Bocht zijn geplaatst. In een aquarium met rottende en versche planten kan men haar lang in 't leven houden.
De kern van de geheele familie wordt gevormd door het geslacht der Draadslakken (Aeolis), die zich vooral kenmerken door het bezit van symmetrisch gerangschikte papillen op den rug. Deze uitwassen zijn, behalve als ademhalingsorganen, ook in andere opzichten van zeer groot belang. In iedere papil dringt n.l. een buis door, die van onderen met het boomvormig vertakte spijskanaal samenhangt en door zijn samenstelling zich doet kennen als een deel van de lever, welk orgaan hier dus op een zeer eigenaardige wijze uiteengespreid is. De leverbuis staat in gemeenschap met een zakje in het bovenste deel van de papil, welk zakje gevuld is met "netelcellen", nietig kleine blaasjes, waaruit een draad te voorschijn kan komen, die een prikkelende werking uitoefent op het wezen, dat er door getroffen wordt. Waarschijnlijk treden deze netelcellen door een opening aan 't einde van de papil in grooten getale naar buiten om als wapens te dienen, wanneer de Slak andere dieren aanvalt, of zich tegen hen moet verweren.
De Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa), wordt in de Kielsche Bocht ruim 5, aan onze en de Engelsche kust echter wel 15 cM. lang. Meestal is zij bruinachtig grijs van kleur. Zij kruipt langzaam en zit dikwijls stil. Zeldzamer dan andere Draadslakken begeeft zij zich naar de oppervlakte om te zwemmen. Haar voedsel bestaat uit dierlijke stoffen, vooral uit Actiniën (Zee-anemonen). Kleine exemplaren van Actinia plumosa vat zij aan bij den rand van den voet en vreet hun een halvemaanvormig gat in 't lijf, dat zij aanhoudend vergroot. Eindelijk omgeeft zij met den sterk uitgezetten mond het geheele overschot van den buit en verzwelgt het langzamerhand zonder eenige uitwendig zichtbare slikbewegingen.
Uitsluitend in het Middellandsche-Zee-gebied leeft de Sluierslak (Tethys fimbria) zoo genoemd wegens haar groot, niervormig "kopscherm"; dit is ontstaan uit het bewegingswerktuig, dat bij de Weekdieren gedurende den larvetoestand algemeen voorkomt, meestal gedurende de volgende ontwikkelingsperioden groote wijzigingen ondergaat, minder sterk groeit dan de overige lichaamsdeelen en bij vele groepen zelfs spoorloos verdwijnt. De Sluierslak, die door de plaatsing harer kieuwen aan Dendronotes herinnert, kan 30 cM. lang worden. Van haar leven in de gevangenschap geeft Grabe, naar aanleiding van een door hem te Triëst waargenomen exemplaar, de volgende aanschouwelijke beschrijving: "Het volkomen gave dier bezat aan de zijden van den rug alle aanhangsels, die vroeger als parasieten werden beschouwd. Deze waren ongeveer peer- of peenvormig, sterk gezwollen, aan den oorsprong een weinig ingesnoerd, onmiddellijk voor de kieuwen langs de zijden van den rug bij paren gerangschikt, namen naar achteren in grootte af en werden als roeiorganen uitgespreid en bewogen. Het eveneens gezwollen lichaam, dat, gelijk de kieuwen, bijna kleurloos en doorzichtig was, stak vreemd af bij de aanhangsels met hun lichtrooden top en donker-, bijna zwartachtig roode middenvlek en bij de zwartachtige, door een onregelmatigen, witten rand omringde oogvlekken der bovenzijde. Op den rug liggend, wentelde het dier zich onophoudelijk en met een zekere gratie heen en weer, waarbij het zich zoo sterk kromde, dat het uiteinde van het lichaam de zijranden van het kopscherm aanraakte. Het groote kopscherm was bijna geheel naar boven en naar achteren omgeslagen; de zijranden der van onderen geheel holle voetschijf waren benedenwaarts en naar binnen gekromd en zoo dicht bijeengelegen, dat er hoogstens een smalle groeve tusschen overbleef, zoo zij elkander niet aanraakten. In deze houding geleek het dier op een hamer, waarvan het ineengekrompen kopscherm den kop en de steel den romp voorstelt. Toen het tot kalmte kwam, breidde het den voet uit en gaf aan dit orgaan den vorm van een diepen, ovalen schotel, welks rand aan de zijden hooger was dan van voren en van achteren. In het donker verbreidde het een sterk phosphoresceerend licht, niet slechts als ik het dier aanraakte, maar ook als ik eenvoudig de hand door het water bewoog. Ieder die de heftige bewegingen van deze Tethys heeft gezien, zal niet meer, gelijk gewoonlijk geschiedt, alle Weekdieren flegmatisch noemen."
De Fluweelslakken (Elysia) bezitten geen als kieuwen dienende aanhangsels; de voet is smal; twee aan 't achtereinde ineenvloeiende huidplooien aan de zijden van het lichaam spelen bij de ademhaling een belangrijke rol. De onduidelijk begrensde kop draagt twee voelers, die overlangs opgerold zijn en dus een van boven en aan de zijde geopende buis vormen.
Van de Middellandsche Zee tot bij de kusten van Noord-Europa ontmoet men de prachtig getooide Groene Fluweelslak (Elysia viridis). De kop, de voelers en de voorrug zijn, evenals de buitenhelft der bladachtige uitbreidingen van den achterrug, grootendeels fluweelachtig zwart, soms met groene, soms met bruine tint; de hoofdkleur van den voet is olijfgroen. Hier en daar komen sneeuwwitte vlekken voor; metaalachtig glinsterende, groenachtig blauwe en roodachtig witte stipjes zijn over de geheele oppervlakte verspreid; bij honderdvoudige vergrooting blijkt, dat dit verschijnsel teweeggebracht wordt door dunwandige cellen, welker inhoud het licht met een prachtige, smaragdgroene en saffierblauwe kleur terugkaatst. Twee andere soorten van kleine cellen veroorzaken een zilverachtigen of een helder koperachtigen glans.
Bij zijne bewegingen neemt dit diertje zeer verschillende vormen aan. Terwijl het over den bodem kruipt, strekt het zich gewoonlijk recht uit, en glijdt betrekkelijk snel voort. Wanneer het daarentegen langs den loodrechten wand van een aquariumbak omhoogkruipt, dienen dikwijls de huidlappen met een deel van de zool voor de aanhechting; dikwijls zelfs wordt het lichaam kurketrekkervormig gewrongen, zoodat deelen van den buik en van den rug gelijktijdig den weg aanraken. Deze Slak scheidt veel slijm af, die men, na aanraking van haar huid met een staafje of penseel, in lange draden tot boven het water kan uittrekken. Aan zulke slijmdraden hangt zij soms vrij te midden van het water.
DERDE ORDE.
DE LONGSLAKKEN (Pulmonata).
Alle Landslakken en de meeste Zoetwaterslakken ademen lucht. De mantel vormt in de nekstreek een holte, welke bij de Naakte Slakken en bij de Huisjesslakken met rechts gewonden schelp lucht ontvangt door een aan de rechterzijde gelegen opening; de zolder van deze holte, de binnenste laag van den mantel, bevat een dicht netwerk van bloedvaten. Terwijl de Slak kruipt, is het ademgat duidelijk zichtbaar. Het wordt nauwer en verdwijnt, wanneer men de Slak aanraakt en in haar huisje drijft; kort nadat zij zich teruggetrokken heeft, ziet men dit gat echter opnieuw verschijnen in de buurt van den spilrand. Natuurlijk moeten de in 't water levende Longslakken aan de oppervlakte komen om te ademen; evenals de Landslakken, stikken zij, indien men haar de gelegenheid beneemt op deze wijze haar behoefte aan lucht te bevredigen.
Dat de lichaamsbouw van de Naakte Slakken met die van de Huisjesslakken overeenstemt, hoewel beide in uitzicht zeer verschillen, blijkt spoedig uit de nadere vergelijking van een Limax-soort met een Tuinslak of Wijngaardslak (Helix). Bij Limax is het achter den kop gelegen deel van den voet van boven niet vrij, maar verbonden met den zak, die de ingewanden bevat. Dit deel van het lichaam nu is bij Helix spiraalsgewijs gewonden en blijft steeds verborgen in het huisje; met de schelp is het slechts door één spier verbonden; deze, de spilspier, ontspringt boven de eerste winding aan de spil; door haar samentrekking keert het dier in het huisje terug.
Om een Slak te ontleden doode men haar bij voorkeur onder water door haar op een glazen plaat te laten kruipen, deze om te keeren en hiermede een tot boven den rand gevuld glas water te bedekken; men kan haar ook in volkomen uitgestrekten toestand gedurende 10 à 12 seconden aan de werking van kokend water blootstellen. Zeer ondoelmatig is het haar in spiritus te dooden, daar zij hierdoor te sterk inkrimpt. De Huisjesslakken, die in kokend water gelegen hebben, kan men gemakkelijk uit haar schelp draaien, daar de spilspier er nu niet meer aan vastzit. Het ontleden moet onder water geschieden, in een ondiep bakje, welks platte bodem bedekt is met een plaat kurk, waaraan het doode dier in uitgestrekten toestand met spelden wordt vastgestoken. Daar wij reeds aan het levende dier het ademgat hebben leeren kennen, gaan wij van hier uit en knippen de mantelholte open. De dikke ader, die haar bloed ontvangt uit de talrijke fijnere vaten, welke een netwerk vormen in den zolder van de long, volgen wij tot aan de linkerzijde, waar zij uitmondt in de voorkamer van het hart. Het bloed begeeft zich van de voorkamer naar de kamer en wordt van hier door de aorta en hare takken naar alle deelen van het lichaam gevoerd. Alle Weekdieren hebben een arterieel hart: dit orgaan ontvangt het bloed uit de ademhalingsorganen. Het hart van de Visschen daarentegen zendt het bloed, dat voor het onderhouden van het lichaam gediend heeft, naar de ademhalingsorganen en heet daarom "veneus".
De mondholte met de haar omgevende dikke spiermassa heet slokdarmhoofd; aan het gehemelte, achter de lip, is de bijna halvemaanvormige, overlangs gerimpelde kaak vastgehecht. Het zeer samengestelde orgaan, dat men wegens zijn ligging op den bodem van de mondholte tong noemt, draagt een wrijfplaat (radula); deze kan gemakkelijk verwijderd worden uit de scheede, waarin zij zich terugtrekt en levert dan een fraai microscopisch preparaat op. Zij is n.l. bezet met een groot aantal dwarse reeksen van tandjes, grootendeels samengesteld uit chitine. Alle Koppootigen en Slakken hebben zulk een wrijfplaat, van welker aanwezigheid en doel men zich het best kan overtuigen door te letten op inheemsche Zoetwaterslakken, die men in slootwater houdt. De binnenste oppervlakte van het glas is na verloop van eenige dagen bedekt met een laag van microscopisch kleine, groene plantjes; bijna aanhoudend ziet men de Slakken bezig, de bedoelde algen, die haar tot voedsel dienen, van het glas af te likken of liever af te vijlen door de tong beurtelings uit te steken en terug te trekken. Wegens de belangrijkheid van dit orgaan voor het leven van de Slakken zijn de hieraan ontleende kenmerken uitmuntend geschikt voor de onderscheiding van familiën en geslachten. De verschillende gedaante en rangschikking van de tandjes, staat in verband met de soort van voedsel en de levenswijze. De wrijfplaat kan gemakkelijk bewaard en nog na vele tientallen van jaren uit het intusschen verdroogde dier afgezonderd worden.--Op het slokdarmhoofd volgt de dunne slokdarm, die in de onverdeelde maag eindigt. Hierop liggen de speekselklieren. Onmiddellijk achter de maag bevindt zich de lever; deze omhult eenige kronkelingen van den darm, die zich als endeldarm naar voren richt en naast het ademgat eindigt. Hier mondt ook de afvoerbuis van de nier uit. De toestellen tot het bevredigen van gastronomische neigingen zijn dus bij de Slakken goed ontwikkeld.--De oogen aan den top der groote voelhorens werden reeds door Swammerdam zorgvuldig beschreven. Twee gehoorblaasjes liggen tegen den onderkant van den slokdarmring. Deze bevat 3 paar zenuwknoopen: de bovenslokdarmknoopen, de voetknoopen en de kieuwknoopen; de beide laatste paren bevinden zich onder den slokdarm.--Alle Longslakken zijn tweeslachtig (hermaphrodiet) en leggen na paring eieren.
Ook voor de levensverrichtingen der Landslakken is een vochtige omgeving volstrekt noodig. De Naakte Slakken--en de Slakken welker schelp het lichaam slechts voor een klein deel bedekt (b.v. Testacella)--bezwijken spoedig in een droge ruimte; in een kartonnen doos b.v. kunnen de kleine soorten geen 24 uur in 't leven blijven. Over 't algemeen schijnen de bewoners van glanzige, doorschijnende schelpen (Vitrina b.v.) veel vocht noodig te hebben. Ook alle Slakken welker huisjes een harige opperhuid hebben (b.v. vele Helix-soorten van de groep Fruticicola), houden van een natte woonplaats. Daarentegen onderscheiden zich de Landslakken, die goed aan de droogte weerstand bieden, door een ondoorzichtige, doffe schelp, waaraan de opperhuid nagenoeg ontbreekt.
Over 't algemeen oefent de warmte, binnen zekere grenzen, op de Slakken een gunstigen invloed uit, voorzoover zij het uitdrogen niet bevordert. In enkele warme bronnen leven sommige soorten nog bij een temperatuur van meer dan 50° C., andere kunnen een zeer lagen warmtegraad verdragen. In koude en gematigde gewesten weten de Slakken aan den schadelijken invloed van den winter te ontkomen door het afsluiten van de schelp met deksels en door het verblijf in een doelmatige schuilplaats, waar zij in winterslaap verkeeren. Een hierop gelijkende zomerslaap hebben de Landslakken der keerkringsgewesten evenals vele Reptiliën en Insecten. Ook in dit geval kruipen zij in den grond of maken gebruik van toevluchtsoorden onder steenen en takken.
Daar alle slakkenhuizen verkalkt zijn en de hiervoor benoodigde materiaal in het voedsel aan het organisme moet worden toegevoerd, kunnen op plaatsen waar de bodem volkomen vrij van kalk is, geen Huisjesslakken bestaan. Op den omvang van het verbreidingsgebied der soort, op de talrijkheid der individuën, op de stevigheid, kleur en doorschijnendheid van de schelp heeft daarom de geaardheid van den bodem grooten invloed. De Slakken, die op graniet en dergelijke weinig kalk bevattende gesteenten leven, hebben huisjes, die wegens hun grooter gehalte aan organische stoffen levendiger gekleurd, doorschijnender en dunwandiger zijn, dan die van leden van dezelfde soort, welke op kalkvrije gronden leven. De opperhuid, die veel meer organische stof bevat dan de daaronder liggende parelmoerlaag, is bij beide nagenoeg even sterk, de parelmoerlaag daarentegen bij exemplaren op granietgrond veel minder sterk ontwikkeld.
De schelpenverzamelaar vindt nuttige wenken in hetgeen Roszmäszler van de verblijfplaatsen en van het verzamelen der Landslakken zegt: "Vele soorten kruipen bij voorkeur op planten rond en houden zich het meest op aan de onderzijde van bladen en in de hoekpunten van takken; andere leven op en onder afgevallen bladen, nog andere meer verborgen onder het dichte moskleed, dat steenen en boomstammen bedekt; eenige treft men zelfs aan in gezelschap van Aardwormen en Duizendpooten, dikwijls onder een zoo grooten steen, dat het moeielijk te begrijpen is, hoe een teer dier met brooze schelp onder dit zware voorwerp geraakt. Sommige Slakken schijnen zich hier nog niet veilig te achten en leiden een volkomen onderaardsch leven.