Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren

Part 2

Chapter 23,461 wordsPublic domain

"Ontegenzeggelijk getuigden de handelingen van den Achtarm van veel overleg. Op indirecte wijze tot het besluit gekomen, dat een voor hem onzichtbare prooi zich aan de andere zijde van den scheidingsmuur bevindt, aarzelde hij niet dezen te overschrijden, hoewel dit niet kon geschieden zonder voor een oogenblik het water te verlaten.--Bovendien valt nog te vermelden, dat de hier bedoelde Achtarmen sinds geruimen tijd in de beste verstandhouding leefden met twee Kreeften en eenige Visschen, die gelijktijdig met hen in het reservoir waren gebracht. Hieruit blijkt, dat geen roofzucht één van hen tot het plegen van den moord had vervoerd, maar haat tegen den indringer, die ongenood, een deel kwam nemen van de ruimte en van het voedsel, die zij als hun uitsluitend eigendom hadden leeren beschouwen. Dat dit hun drijfveer was, bleek uit de ontvangst, die ten deel viel aan een anderen Achtarm, die later in hetzelfde bassin werd gebracht; ook deze werd gedood en verslonden. Dat blinde haat en moordlust geen kenmerkende eigenschappen van den Octopus zijn, valt af te leiden uit de gehechtheid van hierboven bedoelde dieren aan hun oppasser. Streelend omstrengelden zij zijne bloote armen en namen hem omzichtig het voedsel uit de hand. Zonder boosheid te toonen, speelden zij met hun verzorger, die de voor hun maal bestemde brokken nu en dan plagend terugtrok."

Het geslacht Eledone verschilt van Octopus vooral door het bezit van slechts één rij zuignappen op iederen arm. De meest gewone soort is de Muscus-eledone (Eledone moschata), die haar romp willekeurig van vorm kan doen veranderen, zoodat deze zakvormig, langwerpig, eivormig, van achteren afgerond of spits, aan de oppervlakte glad of met wratten bedekt kan zijn. De kleine, uitpuilende oogen kunnen geheel door de oogleden bedekt worden en hebben een zeer veranderlijke iris. De grijze grondkleur neemt nooit een rozeroode of andere roodachtige tint aan. Symmetrische, zwartachtige vlekken en een blauwachtige zoom aan het scherm, dat de armen verbindt, zijn verdere kenmerken van deze soort, die haar naam dankt aan de muscuslucht, die van haar uitgaat, ook wel bij andere soorten voorkomt, doch bij haar bijzonder duidelijk is. Zij schijnt tot de Middellandsche Zee beperkt te zijn, maar is hier aan alle kusten een zeer gewone verschijning. Het meest vindt men haar op een slijkerigen bodem van 10 à 100 M. diepte, in alle jaargetijden echter ook op zand- en grintgrond, minder dikwijls op rotsen.--Ondanks hun muscuslucht worden deze dieren in menigte op de markt gebracht om tot spijs te dienen.

Een derde, reeds in overouden tijd beroemden, herhaaldelijk beschreven vorm van de Achtarmige Tweekieuwigen is de Papier-nautilus (Argonauta argo). Alleen het wijfje is met de afgebeelde, fraaie en dunwandige schelp uitgerust. Het veel kleinere mannetje bezit geen schelp. Beide hebben een afgerond lichaam met kleinen kop en ver vooruitstekenden, langen trechter; het wijfje kenmerkt zich door de vliezige verbreeding van het bovenste paar armen en door een zeer fraaie, schitterende kleur. De romp is van onderen en onder aan de zijden bruinachtig met zilverglans en met een lichte weerschijn, die, al naar de richting en de sterkte der invallende lichtstralen, blauwachtig, grijsachtig of roodachtig is. Bovendien komen op deze van kleur wisselende oppervlakte een groot aantal glinsterende stipjes voor, sommige geel en kastanjebruin, andere rozerood; hoe sneller beweging, hoe fraaier kleuren. De rug en het bovenste deel van de zijden zijn met een fraaie, lichtgroene kleur getooid, die, vooral tegen den avond, pistache-groen wordt. De zilverkleur van de onderdeelen breidt zich in den vorm van strepen ook over de (overigens groenachtige) bovenste gedeelten der zijden uit, zoodat beide kleuren hier met elkander afwisselen. Dergelijke kleuren vertoonen de kop en de armen.

De sierlijke, papierdunne, hoogstens 20 cM. lange schelp van het wijfje is naar verhouding rijk aan organische stof en daarom tamelijk veerkrachtig, althans veel buigzamer dan de veel dunnere schelpen van andere Weekdieren, b.v. van de Vinpootigen. Zij bevat slechts één holte, geen door dwarsschotten gescheiden kamers, gelijk de schelp van Nautilus welker spiraalwindingen in zooverre met de hare overeenkomen, dat iedere omgang den vorigen geheel bedekt. In één opzicht verschilt de Argonauta-schelp echter van iedere andere, n.l. doordat het dier er op geenerlei wijze mede vergroeid is en een vorm vertoont, welke in 't geheel niet overeenkomt met die van de holte, waarin het zich ophoudt. Men meende daarom vroeger, dat deze schelp door een nog onbekend Weekdier gevormd en na diens dood door den Papier-nautilus in bezit genomen werd. Thans weet men, dat de vliezig verbreede armen geschikt zijn voor de taak, die bij andere Weekdieren verricht wordt door den mantel. Zij hebben een achterwaartsche richting en krommen zich, naar onderen en naar voren, zoodat hunne vliezige lobben de schelp aan weerszijden bedekken. Het dier kan deze woning verlaten en eenigen tijd daarbuiten leven.

Men heeft de Papier-nautilus dikwijls afgebeeld in een houding, die zij onmogelijk kan hebben; deze onjuiste voorstelling berust op de reeds door Aristoteles verkondigde meening, dat het dier, aan de oppervlakte van de zee drijvend, zijne beide vliezig verbreede armen naar boven richt en als zeilen gebruikt. Waar is het, dat de Papier-nautilus zich bij windstilte aan den waterspiegel ophoudt en dan met de achterste armen zich voortroeit. Onder water zwemt dit dier, dat vooral op de kust van Sicilië en in de golf van Tarente veelvuldig voorkomt, door het uitspuiten van water uit den trechter.--9 andere soorten bewonen de tropische zeeën.

De onderorde der Tienarmigen (Decapoda) omvat de van zuignappen voorziene Cephalopoden, die, behalve 8 bewegingsorganen, welke met die der Achtarmigen overeenstemmen, nog 2 sterk verlengde organen bezitten, bestaande uit een gladden, langen steel en een aan diens einde geplaatste, zuignappen dragende plaat of knots. In den regel bevinden deze beide afwijkend gebouwde grijparmen zich in voor hen bestemde scheeden, waarin zij grootendeels teruggetrokken kunnen worden. Zij dienen niet als bewegings-, maar als grijporganen. Alle Tienarmigen hebben aan de rugzijde een door de huid bedekte, verkalkte of hoornachtige plaat. De meeste soorten leven in de open zee en trekken slechts in sommige omstandigheden, tot groote scholen vereenigd, naar de kustwateren. Om aan de vervolging door groote Visschen te ontkomen, springen zij boven den waterspiegel uit en stranden hierdoor dikwijls op booten of aan den oever. Daar zij door uiterlijk en levenswijze zeer uiteenloopen, geven wij ook hier aan afzonderlijke beschrijvingen de voorkeur boven een algemeen overzicht.

De leden van het geslacht der Dwerginktvisschen (Sepiola) onderscheiden zich door een kort, afgerond lichaam met een half cirkelvormige vin aan weerszijden van den romp. De rugplaat is hoornachtig en buigzaam, slechts half zoo lang als het lichaam. De afgebeelde Sepiola Rondeleti, die de geheele Middellandsche en Adriatische Zee bewoont, is een van de kleinste Cephalopoden, daar exemplaren, welker totale lengte, van het achtereinde tot aan den top der uitgestoken grijparmen, 16 cM. bedraagt, reeds tot de zeldzaamheden behooren. Het levende dier levert wegens zijn teere, rozeroode kleur en groote doorschijnendheid een bekoorlijk schouwspel op. Het zwemt door middel van de vinnen op zeer sierlijke wijze, naar verkiezing vooruit en achteruit; de grijparmen zijn dan gewoonlijk teruggetrokken en de kop is als 't ware tusschen de schouders gezeten.--

Een van de belangrijkste geslachten is dat der Inktvisschen i.e.z. (Sepia), zoo genoemd naar het product van den inktzak en de daaruit verkregen schildersverf; hun verkalkte rugplaat kwam vroeger in alle apotheken voor onder den naam van os sepiae ("sepiabeen", c) en wordt door de kustbewoners zeeschuim genoemd. De Inktvisschen hebben een langwerpig, eivormig, eenigszins afgeplat lichaam, welks romp geheel door een vin omzoomd is. De verst verbreide en talrijkst vertegenwoordigde soort, de Gewone Inktvisch (Sepia officinalis), is aan onze kust bekend onder den naam van Zeekat. Hare armen zijn middelmatig lang; slechts de grijparmen zijn langer dan het lichaam; hun zuignappen dragend uiteinde is lanspuntvormig. Aan de platte, ovale rugschelp, die met het smalste, afgeronde uiteinde naar den kop is gericht, zijn drie lagen te onderscheiden: de buitenste, een dunne, stevige kalkplaat, heeft een segrijnachtige, (met fijne knobbeltjes bezette) oppervlakte; de middelste laag is een dunne, hoornachtige plaat; de grootste ruimte wordt echter ingenomen door de derde laag, die uit zeer talrijke schuins naar bovengerichte, sponsachtige kalkplaatjes bestaat en, fijngewreven als tandpoeder en als polijstmiddel dienst doet.

In den toestand van rust is de hoofdkleur van de iriseerende rugzijde geelachtig rozerood, met witte vlekken langs de middellijn. De kop is een weinig donkerder van kleur; de oogen zijn blauwachtig; de witte vlekken der groenachtige armen verschillen in aantal en wijze van rangschikking op ieder paar. Ten teeken van opgewondenheid verschijnen op den rug een menigte onregelmatige knobbels van fraaie, donker kastanjebruine kleur, met roodachtigen, aan koper herinnerenden metaalglans. De kop en de armen schitteren intusschen met groenachtige nuancen; de zilverglanzige oogbol weerspiegelt rozeroode, blauwe en groene tinten; terwijl de vroeger witte vlekken op de armen de kleur van rood koper aannemen. Bij alle Cephalopoden, en niet het minst bij de Sepia's, brengen gemoedsaandoeningen groote veranderingen in de uitdrukking der oogen teweeg. Deze hebben een zeer eigenaardig uitzicht. Door de zeer smalle pupil, die ongeveer den vorm van de Grieksche letter omega heeft, ziet men het donkerzwarte vaatvlies. Van den bovenrand der oogkas gaat een huidplooi uit, die kleurstofcellen bevat en als een bovenste ooglid tot op het middelste gedeelte van de pupil over den oogbol heenhangt.

Zeekatten van gemiddeld 15 cM. lengte ziet men veelvuldig in de nabijheid van de kust, het meest op kleiachtige en zandige gronden; op zulke plaatsen worden zij in groote sleepnetten gevangen. In 't voorjaar maakt men als lokmiddel dikwijls gebruik van een wijfje, dat aan een touw vastzit. Het zwemmend of op den grond liggend mannetje zal, zoodra een wijfje in zijn nabijheid verschijnt, pijlsnel op haar toeschieten en haar met de armen omklemmen. De visscher trekt het paar voorzichtig naar zich toe, vangt het onder water in een schepnet, behoudt het mannetje en laat het wijfje opnieuw te water. Het best gelukt deze jacht bij maanlicht. Geheel op dezelfde wijze heeft de vangst plaats met behulp van een stuk hout, dat den vorm heeft van een Sepia en met stukjes spiegelglas behangen is.

De Inktvisschen geraken in de groote waterbakken van het aquarium te Napels zeer spoedig gewoon aan hun nieuwe omgeving. Wanneer de oppasser aan het publiek wil laten zien, dat deze dieren door het rijkelijk uitwerpen van inkt hun ontevredenheid toonen, moet hij hen op onzachte wijze met een stok aanraken. Zij houden niet van beweging; even als de Achtarmen, zoeken zij hun buit niet zwemmend op, maar loerend van uit een hinderlaag. Op soortgelijke wijze en met hetzelfde doel als de Schollen en Roggen bedekken zij zich met zand en steentjes, die zij met de vinnen opwerpen. Te gelijkertijd verschijnen groenachtige en grijze vlekken op den rug, welks kleur nu zoo uitmuntend overeenstemt met die der omgeving, dat zoowel menschen als dieren er door bedrogen worden en den Inktvisch eerst opmerken, wanneer hij plotseling op zijn slachtoffer toeschiet.--

Een ander belangrijk geslacht is dat der Kalmars of Pijlinktvisschen (Loligo), zoo genoemd, omdat het achterste deel van den cilindervormigen, van achteren toegespitsten romp door de vinnen, die op den rug samenkomen, meestal den vorm van een gevleugelde pijlspits heeft. De naam Calamaro, dien men in Italië aan deze dieren geeft, wordt afgeleid van 't nieuw-Latijnsche woord calamarium, dat een koker met schrijfgereedschap aanduidt; het doelt op het rolronde lichaam, dat een pen (de vedervormige, buigzame, hoornachtige rugplaat) en inkt (in den inktzak) bevat. Bij den Gewonen Pijlinktvisch (Loligo vulgaris) vormen de vinnen te zamen een rhomboïd, dat zich over 2/3 van den romp uitstrekt. De langste armen zijn die van het eerste paar; naar de lengte gerangschikt, volgen dan die van het 4e, 2e en 3e paar. De hierbij niet medegerekende grijparmen zijn 1½ maal zoo lang als het lichaam; hunne knotsvormig verdikte en verbreede uiteinden dragen 4 reeksen van zeer ongelijke zuignappen. Een in 't oog vallend kenmerk van dit dier zijn de zeer sterk uitkomende karmijnroode tinten.

Zeer algemeen ontmoet men deze soort van Pijlinktvisschen in de Middellandsche Zee en in den Atlantischen Oceaan, vooral in den herfst, wijl zij dan, tot groote scholen vereenigd, rondzwerven. Soms komen zij in groote menigte in de netten, die voor de Tonijnen-vangst dienen. Het geheele jaar door worden zij van slijkerige en zandige gronden met het treknet opgehaald, het talrijkst bij volle maan. Hun beweging staat in verband met die der scholen van kleine Visschen, waarmede zij zich voeden. Niet zelden wordt de Kalmar 10 KG. zwaar; nu en dan vindt men nog grootere exemplaren (in den regel dood en op het strand): een van deze had een rugplaat van 75 cM. Gemiddeld bedraagt de lengte van het geheele dier (zonder de grijparmen) niet meer dan 20 cM.; de wijfjes worden iets grooter dan de mannetjes. De middelmatig groote Pijlinktvisschen zijn wegens hun fijneren smaak en malscher vleesch meer gezocht dan de Sepia's en de meeste andere op de markt komende Cephalopoden.

Ook den Gewonen Pijlinktvisch zal men geregeld in het aquarium te Napels aantreffen, ofschoon hij het hier niet lang uithoudt. Als bewoner van de open zee gedraagt hij zich geheel anders dan zijne reeds genoemde in een hinderlaag loerende verwanten. Op sierlijke wijze roeit hij zich voort met de op vleugels gelijkende vinnen: bij het achteruitzwemmen helpt hem de schok van het door den trechter uitgeperste water. Hij vermijdt zorgvuldig elke aanraking met de wanden van den bak; de geheele school verandert bijna in 't zelfde oogenblik van richting.--

Bij verscheidene door vorm en levenswijze op de Pijlinktvisschen gelijkende geslachten, die men Hakenkalmars kan noemen, zijn de armen, behalve met zuignappen, ook nog met hoornachtige haken gewapend. Deze komen bij het soortenrijke geslacht Onychoteuthis alleen aan de grijparmen voor.

Aan de rugplaat van de Zeekat (fig. c) kan men (boven *), behalve de eigenlijke plaat ook nog een veel kleiner en harder, zeer licht afbrekend deel (de snavel of stekel) onderscheiden, dat aan vele op het strand liggende schelpen van deze Sepia niet meer voorkomt. Het voorste deel van den stekel is aan de binnenzijde uitgehold en bevat het nietig kleine beginsel van een zeer flauw gekromde, gekamerde schelp. Dit deel nu is duidelijk ontwikkeld bij de zoogenaamde Posthoorntjes (Spirula), waarvan 3 soorten bekend zijn, die de zeeën van den keerkringsgordel bewonen (in grooten getale worden hunne schelpjes o.a. op de kust van Nieuw-Zeeland gevonden). Spirula fragilis bewoont den Atlantischen Oceaan en de Moluksche Zee. Uit den aan 't achtereind gespleten mantel van het langwerpig rolronde dier komt de hierboven afgebeelde, spiraalsgewijs gewonden schelp (die geheel uit parelmoer bestaat) gedeeltelijk te voorschijn. De omgangen liggen in één vlak, raken elkander niet en zijn cirkelrond op de doorsnede. De schelp is door van achteren bolle tusschenschotten in een groot aantal kamertjes verdeeld, die naar voren allengs wijder worden. In de voorste of laatst gevormde kamer is een deel van den ingewandenzak opgenomen: de overige kamers zijn met lucht gevuld. Aan de holle zijde van de omgangen zijn alle dwarsschotten van een opening voorzien, waarin een tamelijk wijde buis (sipho) voorkomt, die zich door alle kamers uitstrekt.

Alle drie deelen van de inwendige schelp (plaat, stekel en gekamerde schelp) waren goed ontwikkeld bij de Belemnieten, die van de aanvang der lias-formatie tot in het begin van het tertiaire tijdvak leefden. Vooral in de oudste krijtlagen treft men hunne stekels (bekend onder den naam van "dondersteenen" of "duivelsvingers") in overgroot aantal aan. Sommige hebben 0.6 à 0.8 M. lengte, waaruit valt af te leiden, dat hunne bezitters in 't geheel 2 à 2.5 cM. lang waren. Men kent ongeveer 350 soorten van deze fossielen.

De voortplanting van de Tweekieuwige Koppootigen kunnen wij nu in 't algemeen bespreken. Eerst in deze eeuw heeft men ontdekt, dat het voornaamste onderscheid tusschen het mannetje en het wijfje bestaat in den afwijkenden bouw van een der armen. Dit verschil is van meer belang, dan sommige andere sexueele eigenaardigheden, b.v. de witte streep op de vinnen, waaraan het mannetje van Sepia kenbaar is, de grootere lengte van het lichaam bij het wijfje der Loliginen, enz. Bij Argonauta is de 3e arm links, bij Octopus de 3e arm rechts, bij Sepia en Loligo de 4e arm links, zooals men het noemt, "gehectocotyliseerd"; de gewijzigde arm doet bij de paring dienst.

De eieren zijn gewoonlijk ieder afzonderlijk, of verscheidene tegelijk, omhuld door een kapsel of schaal; door de stof, waaruit deze hulsels bestaan, zijn zij tevens onderling verbonden tot trossen, snoeren, bundels, enz. De Sepia bevestigt hare zwarte eikapsels, ieder afzonderlijk, of bij groepen, aan polypenstokken, algen, zeegras, stukken hout of in 't water drijvende takken. Terwijl het eierenleggende dier deze voorwerpen met de armen omvat, wordt het uiteinde van den kapselsteel in nog weeken toestand er omheen gelegd, zoodat het een ring vormt. De eikapsels van Loligo zijn lange buizen, die ieder 30 à 40, op 3 of 4 rijen geplaatste eieren bevatten; zij worden in grooten getale aan een onderzeesch voorwerp vastgehecht, zoodat zij er in alle richtingen van uitstralen; een enkele eierenhoop bevat soms 40000 eieren.

TWEEDE ORDE.

DE VIERKIEUWIGEN (Tetrabranchiata).

Van den vroegeren bloei dezer orde getuigen, in alle uit zee bezonken aardlagen, te beginnen bij de onderste Silurische talrijke fossielen. Deze vormen 6500 soorten, waarvan 2500 behooren tot de (reeds in den Cambrischen tijd vertegenwoordigde) onderorde der Nautiloïden en 4000 tot de jongere, doch sedert den aanvang der krijtperiode geheel uitgestorven onderorde der Ammonoïden, zoo genoemd naar het soortenrijk geslacht der Ammonshoorns (Ammonites), dat tegenwoordig in een groot aantal geslachten is gesplitst. Als laatst overgebleven leden van dezen stam, verdienen de 6 soorten van het geslacht Nautilus in hooge mate onze belangstelling. Hunne weeke deelen krijgt een deskundige slechts zelden in handen; veelvuldig ontmoet men echter in de verzamelingen hun fraaie, spiraalswijs gewonden schelp, die een middellijn van ongeveer 25 cM. kan bereiken en gewoonlijk afkomstig is van Nautilus pompilius uit den Indischen Oceaan. Bij deze is de schelp van buiten porseleinachtig wit en met roode dwarsstrepen geteekend; hare oudste windingen zijn door de jongste volkomen bedekt. De voorste, van binnen parelmoerglanzige ruimte is van achteren gesloten door een concaaf dwarsschot. Het dier bewoont uitsluitend de korte, maar wijde, laatste afdeeling van de schelp: zijn lichaam strekt zich niet, evenals dat van de Slakken, door alle omgangen uit. Aan het bedoelde dwarsschot, dat in het midden een opening heeft, gaan, zooals uit de achterstaande afbeelding blijkt, een groot aantal dergelijke dwarsschotten vooraf, die de geheele inwendige ruimte in kamers verdeelen en, door welker openingen zich een deels vliezige, deels verkalkte buis of sipho uitstrekt.

In hoofdtrekken komt de bouw van Nautilus met dien der overige Cephalopoden overeen: ook bij hem bestaat het lichaam uit een kop met aanhangsels, die den mond omgeven en een door den mantel omhulden ingewandenzak, die aan de buikzijde voorzien is van een trechter. De aanhangsels van den kop dragen echter geen zuignappen; zij heeten voelers of tentakels en kunnen teruggetrokken worden in scheeden, die gezamenlijk om de mondopening twee concentrische kringen vormen, welke aan de buikzijde bij den trechter een gaping vertoonen. De scheeden van de beide bovenste voelers zijn uitgegroeid tot een breede kopkap, die als een deksel de opening van de schelp sluit, zoodra het dier zich teruggetrokken heeft. De trechter is aan de buikzijde overlangs gespleten en kan dus alleen door het tegen elkander aanvoegen van de randgedeelten zijner beide lobben gesloten worden, waaruit voortvloeit, dat hij een veel minder krachtige beweging zal veroorzaken dan die der Tweekieuwigen. Onder in de mantelholte zijn aan iedere zijde twee kieuwen gelegen. Het achterste deel van het dier is langwerpig en afgerond, zooals reeds blijkt uit den vorm van de kamer, die het bewoont. Daar de trechter aan de convexe zijde van de schelp gelegen is, moet men zich in de afbeelding den buik bij *, den rug bij ** voorstellen.

Voor het terugtrekken van het lichaam in de schelp dienen twee krachtige spieren, die onder de oogen aan den kop zijn gehecht; de plaatsen waar zij ontspringen, zijn aan de binnenste oppervlakte van de schelp door flauwe indruksels aangeduid. Terzelfder hoogte is een eenigszins verdikte ring van den mantel met de schelp vergroeid; hierdoor wordt de ruimte tusschen romp en schelp in twee afdeelingen gescheiden en de achterste volkomen afgesloten van de daarvoor gelegene. Gene zal naarmate het dier groeit, zich vullen met lucht, welke wordt uitgescheiden door het achter den ring gelegen deel van den mantel, terwijl het voorste deel van den mantel voortdurend parelmoer vormt en de spiraalwinding vergroot door toevoeging van een nieuwe strook (groeiring) aan den vrijen rand van de opening. Het dier wordt gedurende het tijdperk van groei door de lucht, die zich achter zijn romp ophoopt, al verder en verder naar buiten geperst; het trekt zich uit het nauwste deel van de kamer niet geheel terug, maar blijft met het laatst gevormde dwarsschot verbonden door een dunne, buisvormige voortzetting (sipho) van de achtervlakte van den mantel.