Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren
Part 11
De Mantelschelpdieren (Pectinidae) hebben, evenals de Oesters, slechts één sluitspier en een geheel open mantel. Zij bezitten echter steeds een kleinen voet, die bij vele soorten in verband staat met een eigenaardigen, voor 't spinnen van draden geschikten toestel, het byssusorgaan. Aan den bovenachterrand van den voet bevindt zich n.l. een kleine verhevenheid met een kuiltje er in, dat den "byssusstam" bevat; een van hier uitgaande, gootvormige groeve zet zich voort over de achterzijde van den voet tot dicht bij de spits, waar zich de "byssusklier" bevindt, die een kleverige, onder water spoedig verhardende stof afscheidt. Om een draad te spinnen, buigt het dier den voet achterover naar de "byssusholte" en raakt den hier reeds aanwezigen "byssusstam" aan met de kleverige vloeistof, die door de afvoeropening van de klier naar buiten treedt. Door vervolgens den voet te strekken, wordt in diens overlangsche groeve een draad gevormd, welks uiteinde, vastgehecht aan het een of ander voorwerp, zich tot een schijfje afplat of tot een bolletje verdikt. De op deze wijze gevormde bundel van draden wordt byssus of baard genoemd.
"Toen ik," verhaalt Oscar Schmidt, "gedurende de maanden Mei en Juni van 1850 in de Bergener-fjord zeedieren verzamelde met het sleepnet, vond ik hierin eens een 12 cM. dikke kluit van zeer onregelmatigen vorm, welks bestanddeelen, steentjes en schelpgruis, door een groot aantal in allerlei richtingen dooreengewarde, geelachtige en bruine draden bijeen gehouden werden. "Een mosselnest!" riepen mijne roeiers, en werkelijk, toen ik de kluit omdraaide, blonk mij uit een tamelijk nauwe spleet de schitterend witte schelp van de Vijlmossel (Lima hians) te gemoet. Deze is langwerpig en gelijkkleppig; zij gaapt aan beide einden, het meest echter van voren. De talrijke oranjekleurige randdraden van den mantel, die door de openingen naar buiten treden, maken, zelfs wanneer het dier overigens rustig is, allerlei wormvormige bewegingen en worden, als het dier op zijn hoogst zonderlinge wijze zwemt, als een vurige staart medegesleept. Zoodra men n.l. de Mossel uit haar omhulsel verwijderd en in 't water gezet heeft, opent en sluit zij hare schelpkleppen beurtelings met kracht en zwemt op deze wijze bij rukken in elke richting. Bij haar bevrijding uit het nest zijn enkele van de fraaie randdraden losgescheurd; deze schijnen hierdoor eerst recht levendig geworden te zijn, kronkelen zich op den bodem van den waterbak als Aardwormen en kunnen, wanneer men het water frisch houdt, zich een paar uren achtereen als levende wezens gedragen. Terwijl het dier zich in 't nest bevindt, steken de draden--die van den naar binnen gekeerden rand van den (bijna overal open) mantel uitgaan en hieraan een dichte franje vormen--buiten de opening van 't nest uit, zoodat er bijna niets van de schelp te zien is. De manteldraden zijn aan haar oppervlakte met wimpers bezet, die door haar aanhoudende beweging aan de mondopening kleine microscopische dieren en aan de kieuwen ademhalingswater toevoeren. Waarom een Schelpdier, dat zich zoo flink kan bewegen, een nest bewoont, waaruit het blijkbaar nooit te voorschijn komt, is niet recht duidelijk. Wanneer men het nest van nabij beschouwt, kan men zich een voorstelling vormen van de wijze, waarop het vervaardigd wordt. Het dier maakt allerlei voorwerpen, die het in zijn nabijheid vindt, door grove byssusdraden aan elkander vast, totdat de ruwe buitenwanden van de woning zijn opgebouwd; de hierbinnen overblijvende holte wordt bekleed met fijnere draden; ook in dit opzicht gelijkt dit bouwwerk op een kunstig en gemakkelijk vogelnest, dat van buiten weinig de aandacht trekt. De Mossel, die door haar gapende schelp onvoldoende beschut wordt, omgeeft haar woning met een vesting, die zelfs de vraatzuchtigste roofvisschen niet graag zullen verzwelgen. De draden, die de bouwstoffen van het nest verbinden, worden door het drogen zeer broos; daarom kan dit merkwaardige en volstrekt niet zeldzame gebouw moeielijk in een naturaliën-kabinet bewaard worden."
Het typische geslacht der Mantelschelpen of Kamoesters (Pecten) is den lezer misschien bekend door het gebruik dat van de schelpen der grootste soorten gemaakt wordt als schotel voor fijne ragouts (ragout fin en coquilles). Met dezelfde schelpen zijn de pelgrims, die uit het Oosten terugkeeren, gewoon hoed en kleederen te versieren. Bij alle soorten is de schelp regelmatig en niet aan andere voorwerpen vastgegroeid; vele zijn ongelijkkleppig, daar de eene klep als een plat deksel op de andere ligt en deze schotelvormig is. Opmerkelijk zijn ook de ooren, die aan weerszijden van den top voorkomen, en de ribben, die zich bij de meeste soorten straalsgewijs van den top naar den rand uitstrekken. De mantel is aan den rand verdikt en met verscheidene rijen van vleezige tasters bezet, waartusschen een groot aantal oogen geplaatst zijn. Deze trekken bij de Mantelschelpdieren door hun diamant- of smaragdachtigen glans meer dan bij andere Plaatkieuwigen de aandacht. Zij zijn in de buurt van het slot (en meer bepaaldelijk er achter) het dichtst bijeen gezeten en worden op de convexe of onderste mantelhelft minder talrijk gevonden dan op de platte, bovenste. Bij de grootste soorten bereiken zij een middellijn van 1 mM.; tusschen deze groote oogen zijn kleinere gezeten; alle vertoonen echter een merkwaardigen glans, veroorzaakt door een eigenaardige gesteldheid van het regenboogsvlies, dat de lichtstralen terugkaatst. Het dier kan met deze oogen geen verafgelegen voorwerpen zien; zij dienen voor het doel, waarvoor wij kleine lenzen gebruiken en zijn alleen voor het waarnemen van voorwerpen in de onmiddellijke nabijheid geschikt. Als schildwachten hebben zij aan den rand van den mantel een geschikte plaats. Verkeerd zou het zijn, het gezichtsvermogen van de Mantelschelpdieren met hun geschiktheid tot springen en zwemmen in verband te brengen. Evenals bij de Vijlmossels, geschiedt de laatstgenoemde beweging door het plotseling sluiten van de schelp met behulp van de krachtige sluitspier.
Dat er geen reden bestaat om verband te zoeken tusschen de bedoelde bewegingen en het gezichtsvermogen, blijkt ook uit de aanwezigheid van oogen bij de nauw verwante Klepoesters (Spondylus). Deze groeien n.l. met de bolle schelpklep aan onderzeesche voorwerpen vast. Zij onderscheiden zich door het bezit van lange stekels op de ribben der schelp. In de Middellandsche Zee vindt men op betrekkelijk groote diepte veelvuldig de Lazarusklep (Spondylus gaederopus), die een purperkleurige bovenste klep heeft.
Verscheidene Mantelschelpdieren worden gegeten en munten uit door fijnheid van smaak.
Twee sluitspieren, waarvan de achterste groot, de voorste daarentegen zeer klein en onder het slot gelegen is, vindt men bij de Ongelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Heteromyaria); zij hebben den voet weinig, het byssusorgaan meestal krachtig ontwikkeld.
De Vleugelschelpdieren (Aviculidae) heeten zoo wegens de oor- of vleugelvormige uitbreiding, die in den regel naar voren en naar achteren (of althans in een van deze beide richtingen) van het slot uitgaan en den slotrand rechtlijnig maken. De schelp is dikwijls eenigszins ongelijkkleppig; de (in dit geval meer uitgeholde) rechter klep is naar den bodem gekeerd; voor vasthechting dienen byssusdraden, die door een insnijding onder het voorste oor van de rechter klep (of door een haar vervangende opening onder den top) naar buiten treden. De slottanden zijn klein of ontbreken. De schelp bestaat uit een binnenste parelmoerglanzige en een buitenste, soms bladerige, prismatische kalklaag; haar opperhuid is onbeduidend. Het indruksel van de achterste (grootste) sluitspier is op korten afstand boven het midden der schelp gelegen. Het voorste spierindruksel bevindt zich gewoonlijk bij de basis van het voorste oor. Het ontbreekt geheel bij de Hamerschelpen (Malleus), welke dezen naam ontleenen aan het ruggedeelte van de schelp, langs den rechtlijnigen slotrand. Dit gelijkt op een hamerkop en bestaat uit een vóór en een achter den top gelegen, lang en smal uitsteeksel; de steel van den hamer wordt dan voorgesteld door het zeer korte, lepelvormige buikgedeelte van de schelp, dat onder den top aanvangt en loodrecht naar beneden gericht is. Soorten van dit geslacht vindt men bij de kusten van Ceylon, China en Australië.
Van de levenswijze der Aviculiden valt niets bijzonders op te merken. Sommige, vooral de Pareloesters (Meleagrina) spelen echter een belangrijke rol wegens de kostbare producten (parels en parelmoer), die zij aan den handel leveren. De slotrand is bij alle Meleagrina-soorten naar voren, bij vele ook naar achteren oorvormig verlengd. Het slot is volkomen tandeloos, of heeft in elke klep een stompen tand. De rechter klep is vóór het voorste oor uitgesneden tot het doorlaten van den baard. Men kent een 30-tal soorten van dit geslacht, die alle de keerkringszeeën bewonen, met uitzondering van één in de Middellandsche Zee levende soort. Gewoonlijk zijn alle exemplaren, die op een bepaalde standplaats voorkomen, leden van dezelfde soort. Haar uitzicht verschilt zeer in verband met de gesteldheid van den tamelijk diepen zeebodem, waarop zij wonen, en met de planten en dieren, die zich op hare schelpen vestigen; hiernaar worden zij met verschillende namen aangeduid. De dikte van de laag schelpen, die den bodem bedekt, is ongelijk; volgens de verzekering van betrouwbare duikers bedraagt zij niet meer dan 1.5 à 2 voet; de banken zijn op een diepte van 3 à 15, gewoonlijk 5 à 8 vademen gelegen.
De belangrijkste en verst verbreide soort is de Echte Pareloester (Meleagrina meleagris). Zij wordt gevonden in den Perzischen zeeboezem, aan de kusten van Ceylon, bij de eilanden van den Grooten Oceaan, in de Roode Zee, in de Golf van Panama en van Mexico en aan de Californische kust. Verscheidene variëteiten komen voor, die vooral door de grootte en de dikte van de parelmoerlaag van elkander verschillen: de Ceylonsche heeft een kleine, voor den handel onbruikbare schelp; de Soendaneesche wordt 0.5 à 1 KG. zwaar en bevat een dikke, prachtig glinsterende parelmoerlaag.
"De kostbaarste parels," schrijft Von Heszling, "worden gewoonlijk gevonden in het gespierde deel van den mantel dicht bij het slot; in alle andere lichaamsdeelen, aan de binnenste oppervlakte van de schelp en in de sluitspier kunnen echter parels voorkomen. Zij verschillen zeer in omvang; zelden overtreft haar grootte die van een kers; die welke een kleinen speldeknop evenaren, zijn zeer talrijk en heeten "seedpearls". Kapitein Stuart vond 67, Cordiner 150 parels in één Oester; niet zelden komt het echter voor, dat men honderden schelpen achtereenvolgens opent, zonder een enkele parel te vinden. Opmerkelijkerwijze hebben de visschers van Pareloesters dezelfde ervaring opgedaan als die van Zoetwaterparelmossels: zij verwachten n.l. nooit fraaie parels in volkomen ontwikkelde, gladde schelpen, maar rekenen er vast op, ze te zullen vinden in dieren met verdraaide en misvormde schelpen en in die, welke op de diepste gedeelten van den zeebodem liggen."
De parelvisscherijen aan de Perzische Golf zijn tegenwoordig in het bezit van den Sultan van Maskate; de parelhandel wordt bijna uitsluitend gedreven door Banianer groothandelaars, die in Maskate een eigen handelsgilde vormen. Het belangrijkste parelgebied strekt zich van de havenplaats Sjardsja westwaarts tot aan Biddulph's eiland uit; langs deze kust mag ieder vrij visschen. In het gunstigste jaargetijde, van Juni tot het midden van September, houden zich hier ruim 30000 menschen in 4000 à 5000 vaartuigen, van gemiddeld 10 à 18 ton inhoud, met de parelvisscherij bezig. Geen hunner werkt voor een vast loon, alle krijgen een zeker aandeel in de winst. De visschers verdeelen zich vooraf in twee groepen: sommige blijven in de booten om de overige, die onderduiken, weer op te trekken. Iedere duiker heeft een kleinen korf bij zich, springt over boord en zet de voeten op een steen, die aan een touw bevestigd is. Op een door hem gegeven teeken laat de visscher, die in de boot zit, het touw los, waarna het met den duiker naar den zeebodem zinkt. Indien hij aankomt op een plaats, waar de Pareloesters dicht opeengepakt zijn, is het hem mogelijk er in éénmaal 8 à 10 los te scheuren. Door een ruk aan het touw noodigt hij de lieden in de boot uit om hem zoo snel mogelijk weer op te trekken. Gemiddeld vertoeft hij 40 seconden achtereen onder water. Ongelukken door Haaien komen niet dikwijls voor; meer vrees boezemt de Zaagvisch in: het is wel eens voorgekomen, dat dit gevaarlijke dier een duiker letterlijk doormiddensneed. Om beter den adem te kunnen inhouden, zet de duiker zich een hoornen knijper op den neus. Hij acht het niet noodig, bij iedere verschijning aan de oppervlakte aan boord te gaan, maar rust uit, terwijl hij zich vasthoudt aan de touwen, die van de boot afhangen; meestal zijn 3 minuten verpoozing voldoende om hem van de vermoeienis van 't duiken te doen bekomen, waarna hij zich opnieuw in de diepte stort.
De parels worden in den regel door rotting van de weeke deelen uit de schelpen te voorschijn gebracht. Dit geschiedt te Aripo op Ceylon in vierhoekige, door hooge muren omgeven ruimten, welker hellende bodem van groeven is voorzien voor het laten wegvloeien van het vocht uit de met water gevulde reservoirs, waarin de Pareloesters liggen te rotten. De parels, die door het met rottingsproducten beladen water worden medegevoerd, blijven achter voor schotten van gaas, die in de geulen zijn aangebracht.
In 1889 bedroeg de opbrengst van de parelvisscherijen aan den Perzischen zeeboezem f 3600000. Op Ceylon, waar de Engelsche regeering het monopolie van de vangst heeft, worden ieder jaar bepaalde banken bevischt, die vervolgens 6 à 7 jaar achtereen onaangeroerd blijven liggen. Hierdoor is de jaarlijksche opbrengst aan groote afwisseling onderhevig; zij bedraagt soms niet meer dan f 300000 en stijgt in andere jaren tot f 2400000.--De parelvisscherij in Mexico leverde in 1889 een bedrag van 85000 dollars op.--Bij scheepsladingen worden van verschillende oorden de parelmoerschelpen naar Europa vervoerd.
De schelp van de Steekmossels (Pinnidae) is, in tegenstelling met die der Pareloesters, nagenoeg geheel door de dunne prismatische kalklaag gevormd en slechts aan haar voorste en oudste gedeelte met een nauwelijks waarneembare parelmoerlaag bekleed. Hare gelijke, van buiten meestal geschubde kleppen zijn langwerpig, driezijdig: aan het scherphoekige vooreinde bevindt zich de rechte spits; het achtereinde is breed en gapend. De voorste helft van de langste rechte zijde wordt door den smallen, inwendigen slotband ingenomen. Onder de spits treft men de kleine, voorste, op korten afstand van het midden de groote, achterste sluitspier aan. De mantel is geheel open. De slanke, wormvormige voet heeft den dichten bundel van byssusdraden gesponnen, die aan de buikzijde op korten afstand van den top uit de schelp te voorschijn komt. De Steekmossels bewonen de zeeën van de heete en gematigde aardgordels; vooral in stille zeeboezems met slikgrond leven zij, op een diepte van eenige voeten, meestal in grooten getale bijeen. De grootste soort is de (soms wel 80 cM. lange) Geschubde Steekmossel (Pinna squamosa) der Middellandsche Zee. Evenals de 20 à 30 cM. lange Edele Steekmossel (Pinna nobilis), wordt zij, vooral in de golf van Tarente, veelvuldig gevischt. Haar vleesch levert een niet bijzonder smakelijk gerecht. De 10 à 25 cM. lange, geelachtig bruine byssus wordt o.a. in Tarente, Reggio en Cagliari (al of niet met zijde gemengd) tot draden versponnen en vervolgens tot allerlei fraaie en duurzame voorwerpen (handschoenen, beurzen, enz.) verwerkt, die echter niet als artikelen voor dagelijksch gebruik, maar veeleer als curiositeiten beschouwd worden. In de schelpen van Pinna-soorten worden dikwijls zoogenaamde Mosselkrabbetjes (Pinnotheres), gevonden.
De Mossels i.e.z. (Mytilidae) hebben, evenals de leden der vorige familie, een gelijkkleppige, meestal dunwandige schelp met een aan (of dicht bij) het vooreind gelegen spits en een langen, smallen, min of meer inwendigen slotband. De schelp is bij sommige geslachten driehoekig, bij andere langwerpig eivormig, steeds van buiten met een dikke, hoornachtige opperhuid bekleed, van binnen parelmoerglanzig. Het slot is tandeloos, of heeft een nauwelijks merkbaar tandje. De kloak is steeds door een strookje, dat de mantelranden van achteren verbindt, van de aanvoer-opening der mantelholte gescheiden. Soms zijn beide openingen tot een korte buis verlengd. De voet is in den regel cilindervormig, de byssus of baard sterk ontwikkeld. De beide laatstgenoemde deelen kan men bij de Gewone Mossel (Mytilus edulis) onzer zeeën gemakkelijk nagaan. Ieder die Mossels plukt, zal zich over de stevigheid der baarddraden verwonderen; zij zijn tegen de sterkste strooming en branding bestand. Met deze draden kan de Mossel echter ook nog iets anders doen dan zich vasthechten; zij wordt er door in staat gesteld van plaats te veranderen. Door samentrekking van de spieren voor het terugtrekken van den voet vermindert zij zoo veel mogelijk den afstand die haar van de plaats van aanhechting van den byssus scheidt, zendt met den voet eenige draden uit naar een punt, gelegen op den weg, dien zij wil volgen, schuift, zoodra deze vastzitten, den voet tusschen de oude draden en scheurt ze met een plotselingen ruk een voor een, los. Zij hangt nu aan de pas gesponnen draden en gaat hiermede op dezelfde wijze te werk, na zich vooraf op nieuw voor anker te hebben gelegd.
Deze Mossel gedijt het best in de Noordzee en in de zeeën van Noord-Europa, doch ook in de Middellandsche Zee overal, waar zij geschikte plaatsen vindt om zich vast te hechten. Zij is een van de weinige Schelpdieren (of liever Zeedieren in 't algemeen), die uit de zeeën met normaal zoutgehalte, zooals de Noordzee, in de zeeën en binnenzeeën met geringer zoutgehalte, zooals de Oostzee, overgaan. Ook in de Kaspische Zee treft men haar en eenige andere soorten van Plaatkieuwigen aan, hoewel zij zich in dit minder zoute water niet zoo krachtig ontwikkelen.
Overal waar de Gewone Mossel voorkomt, gebruikt men haar hetzij als lokaas bij de vischvangst, hetzij als spijs voor den mensch; met het oog op het laatstgenoemde doel heeft men op vele plaatsen maatregelen genomen om geregeld aan de vraag naar dit artikel te kunnen voldoen, door inrichtingen voor mosselteelt. De bewoners van Ellerbeck, een oud, schilderachtig gelegen visschersdorp, tegenover Kiel, hebben op perceelen, die bij hunne woningen behooren, mosselpalen onder water in den zeebodem geplant. Hiervoor worden bij voorkeur elzen gebruikt, omdat zij goedkooper zijn dan eiken en beuken, die echter ook wel voor genoemd doel dienen. De visschers nemen de dunste twijgen weg, snijden het jaartal in den stam, hakken er van onderen een punt aan en bevestigen hem met behulp van een touw en een in een gaffel eindigenden stok op 2 of 3 vademen diepte in het met levend of dood zeegras bedekte deel van den zeebodem in den grond. Het "zetten" van de mosselboomen heeft plaats in ieder jaargetijde; "getrokken" worden zij uitsluitend in den winter, omdat in dezen tijd, vooral als de zee met ijs bedekt is, de Mossels het smakelijkst zijn en haar gebruik dan geen nadeelige gevolgen heeft. De visschers vinden hunne mosselboomen terug door merkteekens op de kust, die van uit de zee zichtbaar zijn. Ter rechter plaatse aangekomen, maken zij de schuit vast aan een in den grond gestoken staak en trekken vervolgens den mosselboom boven water aan een touw met een haak, dat zij om den stam slingeren. Bij bundels en klompen hangen er groote Mossels aan, die door middel van de byssusdraden aan het hout of aan de schelpen harer buren vastgehecht zijn; tusschen en op de schelpen wemelt het van allerlei zeedieren.
In de Bocht van Kiel worden ieder jaar ongeveer 1000 mosselpalen gezet en een even groot aantal getrokken, nadat zij 3 à 5 jaren gestaan hebben. Op de markt te Kiel komen per jaar ongeveer 800 ton Mossels, die ieder gemiddeld 42000 stuks bevatten; in 't geheel worden dus in iederen winter bijna 3.5 millioen van deze Weekdieren verzameld. Het eene jaar is voordeeliger dan het andere, niet slechts wat de hoeveelheid, maar ook wat de kwaliteit van het product betreft.
Op onze kusten, doch vooral in de Westerschelde, wordt de mosselkweekerij uitgeoefend door op hiervoor bestemde perceelen de van elders aangevoerde jonge Mossels (zoogenaamd "mosselzaad") uit te strooien (te "planten"). Het van ondiepe plaatsen verkregen mosselzaad verdient de voorkeur boven dat, hetwelk van diepe plaatsen (b.v. uit de Grevelingen) afkomstig is, daar zich hierbij meer "zaad" van Vijfhoeken (Zeesterren) bevindt, waarmede dan de kunstmatige mosselbanken worden aangestoken. Van deze dieren en ook van de felle ooste- en noordoostewinden hebben de banken veel te lijden.
De mosselvisscherij wordt vooral uitgeoefend te Philippine, vanwaar in 1896, vooral naar België, uitgevoerd werden 800 000 ton (à 90 KG.) mosselen; de gemiddelde opbrengst per ton was f 2. Van Bruinisse bedroeg de uitvoer 108 000 ton. In sommige provinciën worden Mossels gebruikt ter bemesting van het land; o.a. door Wieringer visschers worden zij met dit doel gekord en voor f 0.30 per HL. verkocht.
Het eten van Mossels schijnt niet ieder goed te bekomen; bij sommigen veroorzaakt deze spijs een soort van huiduitslag (ook Kreeften brengen soms een dergelijk verschijnsel teweeg). Soms heeft het gebruik van Mossels, evenals dat van vele andere Schelpdieren (Oesters, Kokkels, Kreukels, Wijngaardslakken, enz.) ernstiger ziekteverschijnselen en zelfs sterfgevallen ten gevolge. Volgens de onderzoekingen van Salkowski en Brieger behoort het "mosselgif" (mytilotoxin), evenals het "lijkengif" en het "worstgif", tot de zoogenaamde ptomaïnen, die een op curare (Indiaansch pijlgif) gelijkende werking op het organisme uitoefenen. Het ontstaat echter niet door rotting, maar komt reeds in de levende Mossel voor, vooral in de lever, en wel bij dieren, die uit onzuiver, stilstaand water opgehaald zijn, niet bij die, welke op zuiveren zandgrond in de open zee leefden.
Tot de Mytilaceën behooren ook de Steendadels (Lithodomus), welker bijna cilindervormige, aan beide einden afgeronde schelp met een zeer dikke opperhuid bedekt is. Alle soorten van dit geslacht leven en zitten onbeweeglijk vast in zelf gemaakte gaten in steenen, steenkoralen en dikwandige schelpen. Gedurende haar jeugd zijn zij door byssusdraden vastgehecht. Door korte siphonen aan het achtereinde hebben de aanvoer en de afvoer van het water plaats.
Het meest bekend is de Gewone Steendadel (Lithodomus lithophagus), die de Middellandsche Zee bewoont. Dit dier levert een zeer gewilde spijs; hoewel bijna overal aanwezig in de door kalksteen gevormde kusten, komt het nooit in groote hoeveelheid op de markt, daar het openen van zijn hol een moeielijken en tijdroovenden arbeid vereischt. Op een geheel andere wijze dan de Steenborers of Pholaden dringen de Steendadels in het gesteente door: hun schelp is glad, vertoont geen spoor van tandjes, die als vijl of rasp zouden kunnen dienen. Men moet dus wel aannemen, dat zij de door hen bewoonde holen maken en allengs verlengen en verwijden door de bestanddeelen van het gesteente op te lossen; de stof die zij met dit doel uitscheiden, heeft men nog niet kunnen ontdekken; zoowel over haar scheikundige samenstelling als over het orgaan, waarin zij gevormd wordt, verkeert men dus nog in onzekerheid. Het vermoeden is geopperd, dat hierbij het door de ademhaling geleverde koolzuur in 't spel zou zijn; de dikke opperhuid kan de brooze schelp tegen de oplossende werking van het koolzuurhoudend water beschutten.