Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren
Part 10
De Oesters zijn tweeslachtig, brengen zoowel eieren ("melk") als spermatozoïden voort, doch doen dit niet terzelfder tijd. De geslachtsklier levert aanvankelijk uitsluitend mannelijke, later, doch bij jonge exemplaren dikwijls eerst in een volgend jaar, geen andere dan vrouwelijke cellen. Reeds in het eerste of tweede jaar begint deze verrichting. Bij oudere individuën treft men, nadat het eierenleggen heeft opgehouden, nog in den loop van hetzelfde jaar spermatozoïden aan. Een deel van de Oesters gedragen zich dus gedurende een zekeren tijd geheel als mannetjes, terwijl de overige dan feitelijk wijfjes zijn. Zelfbevruchting kan niet voorkomen; de eieren worden bevrucht door spermatozoïden, die met het water in de mantelholte van de moeder doordringen. De ontwikkeling van de kiem begint reeds in het afvoerkanaal van het geslachtsorgaan, dat het "broed" uitstort in de kloakkamer van de mantelholte, vanwaar het door het water wordt medegevoerd; het verlaat echter de schelp niet, maar blijft achter in de ruimte tusschen mantelzoom en kieuwen. Hier, in den "baard", vindt men het reeds bij twee- en zelfs bij éénjarige, het talrijkst echter bij vier- of vijfjarige individuën. In warme en vroege zomers begint de voortplanting reeds in Mei, in late zomers duurt zij tot in het begin van September voort. Aanvankelijk (bij de "melkoester") gelijkt het broed op een witte, slijmerige vloeistof, die korreltjes (eieren) van 0.1 mM. middellijn bevat. Deze komen uit en ontwikkelen zich ten koste van de hem omgevende eiwitachtige stof, die vermoedelijk aan de oppervlakte van de kieuwen der moeder uitgescheiden wordt. Later, als het broed een blauwgrijze kleur heeft aangenomen, heeten de Oesters, waarin het voorkomt, "zaadoesters". De oesterlarve bewoont langer dan een maand de kieuwkamer van haar moeder en ontwikkelt zich niet verder, wanneer haar vóór het einde van dit tijdperk een andere woonplaats wordt verschaft. Zij is in het bezit van een met trilharen bezet "kopscherm", dat hoofdzakelijk als bewegingsorgaan dient, doch tevens bij de ademhaling en waarschijnlijk ook bij het toevoeren van voedsel aan het spijskanaal een rol speelt. De larve heeft bij het verlaten van de moederschelp een middellijn van 0.15 à 0.18 mM. bereikt, is omhuld door een schelpje, dat uit twee gelijke, bolle kleppen bestaat en vertoont bij de aars een beginsel van een voet. Met het kopscherm vrij rondzwemmend in de bovenste waterlaag, wordt zij soms door stroomingen ver weggevoerd. Hoe lang dit vrije leven duurt, is niet bekend, volgens sommigen niet langer dan 2 dagen, volgens anderen wel een week. Gaandeweg neemt de larve meer kalk in haar schelp op en verkrijgt een grooter soortelijk gewicht. Wanneer haar middellijn tot minstens 0.24 mM. is toegenomen, zinkt zij naar den bodem, hecht zich hier vast en begint het ware oesterleven, gesteld n.l., dat zij het zeldzame geluk had aan te komen op een plaats, die voor haar verdere ontwikkeling geschikt is. De meeste oesterlarven zijn zoo gelukkig niet. Tegenover de ontzaglijk groote sterfte onder de jongen, staat echter de verbazende vruchtbaarheid der volwassenen. Het aantal nakomelingen, dat een groot exemplaar in één jaar voortbrengt, werd door Davaine op 1¼ millioen begroot. (Leeuwenhoek sprak van 20 millioen.) Men houde hierbij in het oog, dat de jongere en oudere Oesters aanmerkelijk minder vruchtbaar zijn dan die van 4- of 5-jarigen leeftijd, dat het aantal als wijfjes fungeerende Oesters op de oesterbanken hoogstens 30 percent en dikwijls niet meer dan 10 percent van alle geslachtsrijpe exemplaren bedraagt. Ook het kweeken op een niet door het dier zelf gezochte woonplaats schijnt een nadeeligen invloed uit te oefenen op zijn vruchtbaarheid.
In den regel vindt men de Oesters in grooten getale bijeen op zoogenaamde "oesterbanken", op vele plaatsen ook wel sporadisch. Op beide wijzen bewonen zij verschillende deelen van de Adriatische Zee, van Venetië en Triëst tot Brindisi en de golf van Tarente. Minder sterk schijnt haar verspreiding te zijn langs de kusten der Middellandsche Zee, zoowel in het oostelijk als in het westelijk gedeelte; sporadisch ontmoet men ze in de Zwarte Zee en bij de zuidkust van de Krim. De oesters van Zuid-Europa en van Portugal behooren niet tot de bij ons gewone soort (Ostrea edulis). Deze komt voor in den Atlantischen Oceaan, van Vigo in Spanje tot Finistère in Frankrijk, in het Kanaal en langs de Engelsche, Iersche en Schotsche kusten tot bij de Shetlandsche eilanden. Dezelfde soort vertoont zich op verschillende plaatsen in de Noordzee, gewoonlijk niet ver van de kust, doch ook wel in de open zee. Te ver af, om als een Nederlandsche oesterbank aangemerkt te worden, is die, welke zich benoorden de eilanden Vlieland, Terschelling, enz. tot Helgoland uitstrekt. Men vindt de Gewone Oester verder: langs de westkust van Sleeswijk en Denemarken, in de Limfjord, de Aalbekbaai in het Kattegat (bij Frederikshavn of Fladstrand) en langs de oostkust van Jutland tot bij de Horsensfjord, van een punt ten zuiden van Götheborg, aan den overkant van 't Kattegat, tot aan de Baai van Christiania en langs de zuid- en westkust van Noorwegen tot de Thren-eilanden dicht bij den poolcirkel. Het klimaat en de fauna worden in alle deelen van het genoemde gebied beheerscht door den Golfstroom. De temperatuur en het zoutgehalte zijn er hoog en onafhankelijk van plaatselijke invloeden. Er komen geen Oesters voor bij de kusten van de Far-öer en IJsland, daar deze bespoeld worden door een zeestroom, die direct uit het Bahama-kanaal komt en dus geen oesterbroed bevat. Dat in het zuidelijke deel van het Kattegat en in de Oostzee tegenwoordig geen Oesters meer kunnen leven, hangt samen met het geringe zoutgehalte van het water. In de Bothnische Golf kan het water nagenoeg zoet heeten; in de Finsche Golf bevat het 6 per duizend, in de Kleine Belt ongeveer 17 per duizend, in de open oceaan echter 35 à 36 per duizend zout. Een duidelijk bewijs voor de stelling, dat het Oostzeewater eertijds meer zout bevatte (en een grond voor het vermoeden, dat er directe gemeenschap heeft bestaan tusschen de Bothnische Golf en de Poolzee) is gelegen in de zoogenaamde "Kjökkenmöddinger" ("keukenafval"), uitgestrekte opeenhoopingen van schelpen (Oesters, Mossels, Zandschelpen, Alikruiken, enz.), vischgraten, beenderen van Vogels en Zoogdieren, gemengd met asch en houtskool, potscherven, vuursteenen werktuigen en uit been of hertshoorn vervaardigde voorwerpen. Een 50-tal van deze hoopen (dikwijls slechts 1 M. hoog, bij een lengte van ongeveer 100 en een breedte van 50 M., soms echter 3 M. hoog en 300 M. lang) zijn langs de oostkust van Jutland en op de Deensche eilanden gevonden en door Deensche geleerden nauwkeurig onderzocht. Zij hebben het bewijs geleverd, dat duizenden van jaren geleden de Oesters het Kattegat bewoonden (althans het zuidelijke deel) en er talrijk genoeg waren om een hoofdbestanddeel te zijn van het voedsel der oerbewoners dezer kusten.
Niettegenstaande haar verre verbreiding in noordelijke richting moet Ostrea edulis beschouwd worden als een zuidelijke soort, aangezien zij het veelvuldigst is (zich het sterkst ontwikkelt en voortplant) in het Kanaal en verder zuidwaarts. Bij de Engelsche en Fransche kusten schijnen de rijkste, natuurlijke oesterbanken voor te komen. Die van de Hollandsche en Sleeswijksche kusten komen eerst in de tweede plaats in aanmerking. Het is niet zoozeer de lage wintertemperatuur, die voor de Oesters in noordelijker streken nadeelig wordt, daar zij een tamelijk lagen warmtegraad kunnen verdragen en zich in 't noorden op grootere diepten vestigen dan in het zuiden. Meer schade doet haar de te lage zomertemperatuur; deze moet eenige dagen achtereen 18 à 20° C. bedragen, opdat er overvloedig broed worde voortgebracht.
Ook de gesteldheid van den zeebodem heeft een zeer grooten invloed op de ligging der oesterbanken. De Oesters vestigen zich nooit op plaatsen, die sterk begroeid zijn met planten, evenmin daar waar een dikke laag slib of beweeglijk zand aan de oppervlakte ligt, of waar de grond geheel uit rotsblokken of steenen bestaat. Daar echter de slib aan deze dieren veel voedsel kan leveren, bewonen zij gaarne een harden bodem, die met een dunne laag slijk bedekt is. Om dezelfde reden gedijen zij op derrie (veengrond, die door de zee overstroomd is en bedekt werd met een kleilaag, welke later weer wegspoelde). Voor een deel is het hieraan toe te schrijven, dat zij zoo veelvuldig gevonden worden (of werden) in de Oosterschelde, in het noordelijke deel van de Zuiderzee, in de Lauwers en aan de monden van de Eems (bij Borkum en Juist). Met uitzondering van de Oosterschelde, zijn deze oestergronden thans grootendeels leeggevischt en zullen, ondanks de thans geldende verordening, dat er van 1o April tot 1o October geen Oesters mogen worden geraapt of gekord, niet licht hun vroegeren rijkdom herkrijgen. Hierdoor vermaard was nog in de vorige eeuw het terrein, dat zich van de lijn Medemblik-Stavoren tot de zachte waardgronden ten zuidoosten van Terschelling uitstrekt. "Dit gebied," schrijft Dr. P. P. C. Hoek [1], "bestaat uit ondiepe vaak zeer vlakke platen (men noemt ze "zand", "waard", "wal" of "plaat"), door geulen van elkander gescheiden. Langs de meeste dezer geulen treft men nog Oesters aan: zoo in den Balg, het Amsteldiep, den Texelstroom, de Pan, enz. enz. Een der rijkste punten is nog het zoogenaamde Waardje op den zuidwesthoek van Wieringen. Het is een vlakke bank, ongeveer 2 KM. in doorsnede. Bij laag water komt het water op deze plaats niet hooger dan de knie; de Oesters worden dan ook niet gekord, maar geraapt. Elke raper is voorzien van een fleschje met olie, waarin een veertje, dat aan de kurk bevestigd is; deze olie wordt met behulp van de veer op het wateroppervlak gesprenkeld: de golfslag wordt hierdoor gestild en de raper in staat gesteld de voorwerpen op den bodem behoorlijk waar te nemen. Tot de rijkere plaatsen in de Zuiderzee schijnen vervolgens ook de ten zuidoosten van Terschelling gelegen Riepel (of Reepel) en het zoogenaamde Zuiderrak te behooren." "De Oester, die hier verzameld werd, was groot van stuk en als Texelsche Oester bekend. Verreweg het grootste deel er van werd uitgevoerd naar Hamburg, doch ook Amsterdam werd van hieruit voorzien. Het is echter zeer de vraag, of niet als zoogenaamde Texelsche Oesters ook zulke verkocht werden, die uit de open Noordzee afkomstig waren. In het midden der vorige eeuw rustten de Texelaars jaarlijks 60, de bewoners van Schiermonnikoog evenveel en de bewoners van de Zoutkamp 25 schuiten ter oestervangst uit. Op de zoogenaamde waarden vischte men al loopende, in de diepere geulen werden de Oesters gekord. Het eerste was meer het werk der Texelaars; vandaar dat deze den naam hadden van oesterzoekers; het laatste werd voornamelijk door de visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp (de zoogenaamde oesterkorders) in praktijk gebracht." Slechts bij uitzondering werden de Oesters direct naar de markt vervoerd; in den regel werden zij tijdelijk op zoogenaamde "oesterbedden" uitgestrooid, die met wilgenstokken werden afgetuind. De visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp brachten de gevonden Oesters naar Terschelling en wierpen ze bij de reede van Midsland neder; die van Texel stortten ze benoordoosten van Texel, bijzonder gaarne op de plaat, genaamd het Middelzand. Eenig denkbeeld van den rijkdom der banken geeft het bericht van Paludanus, dat iedere schuit 100000 Oesters aan de markt moest brengen om den eigenaar een bestaan op te leveren. De meeste dezer eens zoo rijke oestergronden zijn thans uitgeput. De pogingen om ze bij Wieringen, in het Noorden (tusschen Eierland en Texel) en in de Lauwers (onder Oostmahorn, tusschen den Babbelaar en het Dokkumer-diep) opnieuw te bevolken, zijn mislukt.
Bezuiden Texel ontbreken de Oesters langs de geheele Noordzeekust van Holland. Wel worden op Zuidhollandsch gebied, onder Herkingen en Goedereede, terreinen gebezigd voor het "planten" en vetmesten van Fransche Oesters (afkomstig van Bretagne, Auray en Morbihan). Van oudsher worden echter Oesters gevischt langs beide oevers van de Oosterschelde. De vroeger zeer groote opbrengst is in de eerste helft dezer eeuw allengs afgenomen; maar bedroeg toch, volgens een waarschijnlijk te lage schatting, nog in 1850 een millioen stuks. In 1870 is men begonnen op deze toen nog niet geheel uitgeputte banken de oestercultuur uit te oefenen. Onderzoekingen, die in de jaren 1882 en 1883 met behulp van duikertoestellen verricht zijn op de steenbestortingen langs den voet der schaardijken, hebben geleerd, dat ook buiten de min of meer kunstmatig bevolkte terreinen tal van Oesters leven. Deze worden met rust gelaten en vermenigvuldigen zich zoo sterk als de beschikbare ruimte en de aanwezige voedselvoorraad toelaten; het korren is hier van wege de waterstaat verboden en zou trouwens op de hier gestorte granietblokken gevaar opleveren voor de vischtoestellen.
Op plaatsen waar, zooals in het Kanaal, de Oesters groot worden en veel broed voortbrengen, verkrijgen zij echter niet de grootste handelswaarde. Reeds voor lang heeft men opgemerkt, dat deze dieren het vetst en smakelijkst worden na overbrenging op terreinen, die door eilanden of banken tegen den onmiddellijken invloed van den Oceaan beschut zijn, waar het zoutgehalte van 't water getemperd is, hetzij door een groote rivier, die zich hier in de zee stort, of door een aantal kleinere stroompjes, die in een golf uitmonden. In ons vaderland heeft men reeds voor lange jaren putten ingericht, waarin men naar verkiezing versch zout water kan doen stroomen; het overbrengen van de in zee gekorde Oesters in deze putten heet "spenen." Hierdoor is men tevens in staat om, voordat het ruwe seizoen de vangst te zeer bemoeielijkt, de voorraad te verzamelen, die, naar verwacht wordt, in den winter kan worden gesleten. Op groote schaal geschiedt dit o.a. bij Londen door de "Whistable Free Dredgers Oyster Company", welke aan niet minder dan 3000 personen (mannen, vrouwen en kinderen) werk verschaft en zich uitsluitend bezighoudt met het koopen van broed, van half of geheel volwassen Oesters uit de open zee (natives), die, op hare oestergronden aan den zuidelijken oever van den mond der Theems neergelegd, weldra de gewenschte grootte en vetheid bereiken. Het verblijf in zulke inrichtingen, waaraan het zoetwater en de vloedgolf afwisselend groote hoeveelheden organische stof toevoeren als voedsel voor de Oesters, geeft aanleiding tot een sterkeren groei dezer dieren. Ook de schelp wordt er door gewijzigd, neemt een regelmatiger vorm aan en blijft, wegens het geringer zoutgehalte, dunner. Daarentegen neemt het voortplantingsvermogen af: de voor 't vetmesten bestemde oesterparken kunnen op den langen duur onmogelijk zich zelf in stand houden. Reeds een vermindering van zoutgehalte met 5 per duizend brengt een geringere vruchtbaarheid teweeg; in dezelfde richting voortgaande, zal men eindelijk een watermengsel verkrijgen, waarin de Oester nog wel kan leven, maar ophoudt zich voort te planten. Zonder voortdurenden aanvoer van broed uit zee kunnen dus de oesterparken op plaatsen, waar het zoutgehalte gering is, niet blijven bestaan.--Een eigenaardig verschijnsel in sommige van deze inrichtingen is de groene kleur, die de weeke deelen van de Oester er verkrijgen; o.a. de Oesters van het park te Marennes aan de Fransche kust zijn om deze reden beroemd. De kleur is te danken aan Diatomeën (Kristalwieren) van het geslacht Navicula, die in het bedoelde water voorkomen en tot voedsel voor de Oesters dienen.
Het verbruik van Oesters, dat b.v. te Parijs minstens 75 millioen stuks en te Londen meer dan tweemaal zooveel bedraagt, zou geen merkbare vermindering van den rijkdom der natuurlijke banken teweegbrengen, indien niet andere oorzaken medewerkten. Een daarvan is het groot aantal dieren, uit alle klassen, die op de door ons zoo hoog geschatte Weekdieren belust zijn. Tallooze Visschen verslinden het jonge broed, dat trouwens in ontzaglijke menigte de zee in de nabijheid van de banken bevolkt. Krabben en Kreeften wachten het oogenblik af, waarop de Oester haar schelp opent, om zich te vergasten aan haar smakelijk vleesch; dit kunnen zij zonder bezwaar doen, daar de sterk gepantserde schaar bestand is tegen de drukking, die de Oester er bij 't sluiten van de schelp op uitoefent. De Zeesterren zien kans de inhoud van de schelp op te zuigen. Verscheidene Slakken, vooral Murex tarentinus, Murex erinaceus, Purpura lappillus en Nassa reticulata, in Frankrijk "perceurs" genoemd, boren met de slurf gaten in de schelp en verslinden op deze wijze den buit. Op andere plaatsen hebben Mossels (Mytilus edulis) zich in zoo grooten getale op de oesterbanken gevestigd, dat zij de oorspronkelijke bewoners uitroeiden. Voorts heeft men nog een ander dier, in Frankrijk "Maërle" genaamd, waarschijnlijk een Kokerworm uit het geslacht Sabellaria, als vijand van het kostelijke Weekdier leeren kennen. Indien deze wezens geen verdelgingskrijg tegen de Oesters voerden, indien niet milliarden van jongen door de golven opgenomen en verbrijzeld, of onder zand en slijk verstikt werden, zouden vele zeeën reeds sinds lang goed gevulde oesterbedden geworden zijn. De grootste schade hebben de oesterbanken echter geleden door de ondoelmatige wijze van inzameling hunner bewoners door den mensch. Waar de banken te diep liggen om bij eb de Oesters te "rapen", maakt men gebruik van een net, waarvan de opening gevormd wordt door een zwaar ijzeren raam, welks over den bodem sleepende kant bij wijze van een eg van tanden voorzien is. Dit net is met een touw aan een boot bevestigd, die langzaam voortzeilt, zoodat het raam diep in den grond doordringt en bij zijn beweging diepe gaten en groeven in de banken scheurt. Daar deze kuilen zich binnen korten tijd met slib vullen, kunnen zich hier geen Oesters meer vasthechten, terwijl bovendien ook de omliggende dieren, die aan het net ontkomen zijn, bedolven geraken. Op deze wijze wordt een oesterbank in korten tijd uitgeput.
Tallooze jonge Oesters bezwijken, omdat de bodem, waarop zij neervallen, haar geen gelegenheid tot aanhechting biedt. De oestercultuur heeft zich tot taak gesteld het grootst mogelijke aantal van deze dieren in 't leven te behouden en op te kweeken tot een handelsartikel. Met dit doel worden buiten de Oosterschelde van half Juni tot begin Juli, of van Juli tot half Augustus zoogenaamde "collecteurs" aangebracht op de door lange ervaring bekende terreinen, waarover het van de oesterbanken afkomstige broed gewoonlijk door de zeestroomingen wordt verspreid. Hiervoor dienen meestal vorstpannen. Daar deze met een dikke laag metselkalk bestreken zijn, kan men de jonge dieren er naderhand afsteken, zonder de nog brooze schelp te beschadigen; te gelijk met deze geraakt n.l. een deel van de kalklaag los. Indien men de Oester op de pan had laten blijven, zou zij wegens haar platten vorm niet gewild zijn. Van de "panperceelen" worden de collecteurs vóór 1 December naar de "oesterputten" overgebracht om te overwinteren; het afsteken heeft aan den vasten wal plaats, meestal in 't voorjaar; de afgestoken Oesters vinden aanvankelijk een ligplaats in de "kweekbakken" of "hospitalen"; ondiepe bakken, bestaande uit een rand van hout of ijzer en een bodem van metaalgaas of doorboord zink, die de vrije doorstrooming van het water toelaat. Hier zijn de jonge dieren veilig tegen hunne talrijke vijanden en tegen het gevaar van verstikking onder zand of slib,--ook tegen de koude, bij tijdige overbrenging dezer bakken van de ondiepe "zaaiperceelen" naar de "putten". De Oesters worden daarna vrij op diepere "zaaiperceelen" neergelegd om er te blijven, tot zij verkoopbaar zijn. Bovendien zijn voor den "broedval" nog zoogenaamde "natuurperceelen" in gebruik, die men, voornamelijk door er schelpen op te brengen, voor de aanhechting der oestertjes geschikt maakt. In den regel laat men het op deze perceelen aangeslagen broed gedurende den winter liggen en brengt het niet naar de putten over. De putten zijn afgeperkte terreinen, die hun water bij eb behouden. Sommige (de "vloeiputten") liggen op een deel van den oesterbank, dat bij eb droog loopt en behouden dan hun water, daar zij door een laag walletje omgeven zijn. Andere (de "overloopsche putten") zijn tegen den voet van den dijk aangebracht en aan de openwaterzijde afgesloten door een dijk, die bij vloed overstroomd wordt, hetgeen noodig is voor de waterverversching. Door duikers kan men, zoo noodig, al het water er bij eb uit laten wegvloeien en de put zorgvuldig reinigen. De diepte is voldoende om de pannen met de jonge oesters te beschermen tegen de nadeelige gevolgen van koude en stormweer. Sommige oesterondernemingen hebben binnendijks groote putten, welker vloer geheel gemetseld is en waarvan de wanden met sterke houten beschoeiingen bekleed zijn.
In 1886 schreef Dr. Hoek: "Thans is het geheele oestergebied van de Oosterschelde voor een gezamenlijk bedrag van ruim f 500000 aan verschillende pachters afgestaan. Het rijkste gedeelte is echter ongetwijfeld de ongeveer 1000 bunders groote bank, die men de Yersche oesterbank noemt. Deze is oorspronkelijk voor 10 jaren verpacht geweest; in 1880 werd den pachters vergund de pacht met 5 jaren te verlengen. Van 1870 tot 1885 heeft deze oesterbank ruim f 2000 's jaars aan pacht opgebracht. In 1883 heeft de nieuwe publieke verpachting, die met 1 April 1885 zou ingaan, plaats gehad. Hoewel het mogelijk, en voor sommige perceelen zelfs zeker is, dat grootere sommen besteed zijn, dan in alle opzichten door de opbrengst gebillijkt wordt, zoo mag het toch ongetwijfeld als een welsprekend bewijs voor den bloei van dezen tak van nijverheid gelden, dat diezelfde bank voortaan niet minder dan f 379000 aan jaarlijksche pacht opbrengt." Het vervoer van Oesters langs de spoorwegen naar verschillende binnen- en buitenlandsche markten, dat in 1890 tot ruim 4.5 millioen KG. gestegen was, is sedert dien tijd aanmerkelijk afgenomen en bedroeg in 1892 weinig meer dan 1 millioen. Hoewel het in 1896 weer tot nagenoeg 2 millioen KG. vermeerderde, waren de financieele resultaten ook in 't laatstgenoemde jaar ongunstig. Het Verslag van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Bergen op Zoom over 1896 bevat hierover de volgende mededeeling: "De concurrentie met Fransche en Engelsche Oesters nam belangrijk toe. Daar deze, vooral door de aanzienlijke mindere pachtsommen der gronden, voordeeliger gekweekt kunnen worden, vonden zij, behalve in hun eigen land, in België en Duitschland grooten aftrek. Dit had ten gevolge, dat het Zeeuwsche product slechts tot veel te lagen prijs van de hand te doen was. Daarbij kwam, dat vele kweekers, door concurrentiezucht en geldbehoefte gedreven, inferieure soorten naar verschillende vischmarkten in consignatie afzonden, waardoor gevaar voor vermindering van de renommée en de waarde der Zeeuwsche Oesters kan ontstaan. Deze tak van nijverheid verkeert in staat van verval; zoo niet spoedig zeer ingrijpende hervormingen plaats hebben, is het te vreezen, dat de tijd weldra zal komen, waarin deze industrie met ondergang wordt bedreigd."