Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren
Part 12
De beroemdste woonplaats van deze rotsbewoners is de Serapis-tempel te Puzzuoli aan de Golf van Napels, welks ruïnen in 1749 door opgravingen werden blootgelegd. Hiertoe behooren drie marmeren zuilen van ongeveer 13 M. hoogte, die nog steeds op hare voetstukken rusten. Op een hoogte van 4 à 5 M. boven den tegenwoordigen zeespiegel bevindt zich een 1 M. breeden gordel van gaten, die door Steendadels gemaakt zijn, gelijk blijkt uit de schelpen, die thans nog 15 cM. diep in vele van deze gaten voorkomen. De zee moet dus, toen deze dieren leefden, 6 M. hoog in de bouwvallen van dezen tempel gestaan hebben. Hieruit valt af te leiden, dat de kuststreek in de nabijheid van Puzzuoli na het bouwen van den tempel aanmerkelijk gedaald is en dat de bodem na geruimen tijd overstroomd te zijn geweest, zich opnieuw tot de tegenwoordige hoogte verheven heeft.
De Riviermossels (Dreyssena of Tichogonia) verschillen van de leden van het geslacht Mytilus, doordat de mantelhelften aan den rand nagenoeg overal met elkander vergroeid zijn; er blijven slechts drie enge openingen over: een voor het uittreden van den voet en den byssus, een tweede voor het binnenlaten van voedsel en ademhalingswater, de derde voor het afvoeren van de uitwerpselen en van het water, dat voor de ademhaling gediend heeft. De schelp is gelijkkleppig en driehoekig; de spits is aan den scherpen hoek gelegen. Aan de buitenzijde is iedere klep van de spits tot den achterrand gekield, van binnen bij de spits tusschen rug- en buikrand van een plaatvormige lijst voorzien, waarop het indruksel van de voorste sluitspier voorkomt. Van de 6 hedendaagsche soorten is vooral de Europeesche Dreyssena polymorpha merkwaardig wegens de groote uitbreiding, die haar gebied in buitengewoon korten tijd ondergaan heeft. Deze bij de lagere dieren zoo zeldzame gebeurtenis kan nog het best vergeleken worden met den zegetocht van de Grauwe Rat door alle landen van West-Europa en met de verspreiding van dit Knaagdier over alle werelddeelen.
De natuuronderzoekers van de vorige eeuw kenden de Dreyssena slechts als bewoonster van de rivieren van Zuid-Rusland. Het oudste bericht over een andere woonplaats van dit dier is afkomstig van C. E. von Bär, die het in 1825 in ontzaglijk grooten getale in het Frische en het Koerische Haff en, op vele mijlen afstands van de zee, in de naburige groote rivieren aantrof, bij hoopen met den byssus vastgehecht aan steenen en aan schelpen van andere Weekdieren. Terzelfder tijd vond men het plotseling in de Havel, niet ver van Potsdam, en in de naburige meren. Eenige jaren later, in 1835 ongeveer, ontsierde het in groote massa's de in 't water staande palen bij het Pauweneiland, niet ver van Potsdam. Nog altijd is deze soort in de Havel en het Tegel-meer zeer talrijk vertegenwoordigd, ook heeft zij zich in de Spree, dicht bij Berlijn, vertoond. Men weet zeker, dat zij in 1824 in den benedenloop van de Donau voorkwam, maar niet, of zij er reeds vroeger leefde; in 1868 werd zij bij Regensburg waargenomen, nog later bij Vilshofen. Uit den Havel, die tot het stroomgebied van de Elbe behoort, is zij stroomopwaarts tot Maagdenburg en Halle doorgedrongen. In onze riviermonden werd zij voor 't eerst in 1826 opgemerkt, thans vindt men haar overal in den Rijn, van de Zwitsersche grenzen tot aan de zee, ook in den Neckar en de Main. Van Nederland uit heeft zij zich over België en Noord-Frankrijk tot Parijs verbreid en is vervolgens uit het stroomgebied van de Seine in dat van de Loire overgegaan. In Engeland heeft men haar voor 't eerst in 1824 in de dokken van Londen gezien; thans bewoont zij verscheidene rivieren van Engeland en Schotland. De verspreiding van deze Mossel geschiedde ongetwijfeld door schepen en houtvlotten, waaraan zij zich had vastgehecht, langs de gewone waterwegen; de scheepvaartkanalen brachten haar van 't eene stroomgebied naar 't andere. Gedurende de zeereis naar de monden van den Rijn en naar Engeland was zij waarschijnlijk niet aan de buitenste oppervlakte van het schip vastgehecht, maar aan de lading, aan het voor den scheepsbouw bestemde hout. Te midden van een grooten klomp dezer Weekdieren kunnen enkele exemplaren ongetwijfeld verscheidene dagen buiten water leven, langer althans dan in zeewater, dat voor zoetwaterdieren in den regel schadelijk is. Ten onrechte heeft men wel eens beweerd, dat Dreyssena zoowel in zoetwater als in de zee kan leven. In de Oostzee komt zij uitsluitend binnen, niet buiten de Haffen voor; bij Swinemunde vindt men enkele exemplaren tot aan de binnenzijde van den dam, geen enkele echter aan den buitenkant.
De Gelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Homomyaria) hebben een gelijkkleppige schelp en twee sluitspieren, van nagenoeg gelijke dikte; de mantelhelften zijn gescheiden of aan den achterrand onder de kloakopening door een brugje vereenigd; de voet is goed ontwikkeld. De belangrijkste hiertoe behoorende familie is die der Najaden (Najades of Unionidae), waarvan onze groote, algemeen bekende Zoetwatermossels vertegenwoordigers zijn. Alle hebben een gesloten schelp, samengesteld uit een dikke, donkergroene of bruinachtige opperhuid, een dunne, prismatische kalklaag en een dikke parelmoerlaag. De slotband is uitwendig. De beide spierindruksels zijn nagenoeg even ver van den rand verwijderd; achter de voorste komen twee voetspierindruksels voor, vóór de achterste één.
Bij de Stroommossels (Unio) is de schelp dikwandig en de top veel dichter bij het vooreinde dan bij het achtereinde gelegen; de rechter schelpklep heeft vóór den top een korten, stevigen middeltand en er achter, onder den slotband, een langen, aan den rand evenwijdig loopenden zijtand; tegenover deze bevinden zich aan de linker schelpklep twee stevige middeltanden en twee lange zijtanden. Van dit geslacht zijn ongeveer 500 levende soorten uit alle werelddeelen en alle aardgordels bekend.
De Unioniden, die men meer bepaaldelijk Zoetwatermosselen noemt (Anodonta), komen door lichaamsbouw en levenswijze met de reeds genoemde overeen, doch zijn meer dan deze tot slijkerig, stilstaand en langzaam stroomend water beperkt. Enkele soorten of verscheidenheden treft men echter ook in groote, zeldzamer in kleine rivieren aan, op plaatsen waar zij eenigszins tegen den stroom beschut zijn. Vooral in de afvoergeulen van groote plassen schijnen zij zich gaarne te vestigen. De naam Anodonta (die "tandeloos" beteekent) is gerechtvaardigd door het volkomen gemis van slottanden; wel komt onder den zeer dikken slotband een stompe, overlangsche lijst voor; de slotrand is dun, evenals de geheele brooze schelp. Zoowel van de Unionen als van de Anodonten, zijn een groot aantal vormen als afzonderlijke soorten beschreven, die hoogstens op den rang van verscheidenheden aanspraak kunnen maken. Iedere beek, rivier of plas geeft schelpen van eigenaardige gedaante te aanschouwen; bovendien gaan wijzigingen van de breedte en diepte van het stroombed, van de grondgesteldheid en van de stroomsnelheid niet zelden gepaard met verandering van den vorm der schelp. De ondiepe, aan de heerschende windrichting tegenovergestelde zijde van groote plassen of binnenmeren wordt dikwijls bewoond door geheel andere verscheidenheden dan de meestal diepere overkant. Ieder, die eigenhandig honderden van Anodonten en Unionen in verschillende oorden verzamelde, of in grooten getale van anderen kreeg met nauwkeurige vermelding van de vindplaats, zal zich minder verwonderen over de ontvangst van eigenaardige variaties van sommige soorten dan over het nu en dan waarnemen van vormen, gelijk aan die, welke hem reeds van elders bekend zijn.
De Anodonten, die in Duitschland (en Nederland) voorkomen, worden door Clessin tot 2 soorten gebracht: de Bolle Zoetwatermossel (Anodonta mutabilis) en de Platte (A. complanata). Van de talrijke variëteiten der eerstgenoemde soort is de Zwanenmossel (var. cygnea), die plassen met slibrijken, weinig humus bevattenden bodem bewoont, de grootste, daar zij soms bij 190 mM. lengte, 80 mM. breedte en 60 mM. dikte heeft. Een van de kleinste rassen is de Eendenmossel (var. anatina), die in langzaam stroomende beken leeft en 90 mM. lang, 48 mM. breed en 30 mM. dik kan worden. Gelijke lengte, doch een geringere breedte en dikte heeft de meest gewone Unio-soort, de Verfmossel (Unio pictorum); haar schelp is langwerpig met nagenoeg evenwijdigen boven- en onderrand.
Vele soorten van Unioniden brengen parels voort; bijzonder rijk aan dit kostbare product is echter de in Nederland ontbrekende Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera), die hoofdzakelijk wegens het gemis van zijtanden niet meer tot het geslacht Unio wordt gerekend. Van de reeds genoemde Unioniden verschilt zij door de dikwandigheid van haar schelp, die in sommige gewesten (Saksen, het noorden en oosten van Beieren) een lengte van 110 à 140 mM. kan bereiken. (Bij 120 mM. lengte is zij 50 mM. breed en 30 mM. dik.) Deze soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied: zij leeft in de rivieren van de westkust van Ierland en in die van den Oeral, bewoont Skandinavië en Noord-Rusland tot aan de IJszee, houdt zich op in de monden van den Don zoowel als in de snelstroomende beken der Pyreneën en komt ook in Noord-Amerika voor. Hoewel het kalkgehalte van den bodem een gunstigen invloed uitoefent op de verbreiding der meeste Weekdieren, gedijt juist deze soort het best in stroomen, die in graniet- of gneiss-lagen (gesteenten met veel kiezelzuur, doch zeer weinig kalk) ontspringen en verder uitsluitend door gewesten vloeien, welker bodem eveneens deze samenstelling heeft, in Duitschland o.a. in het Beiersche Woud, het Fichtelgebergte en het Saksische Vogtland. Daar de Parelmossels zich bijna uitsluitend voeden met rottingsproducten van waterplanten, die de geringe hoeveelheid kalk van het water in hare weefsels ophoopen, kunnen zij in kalkarm water een dikwandige schelp verkrijgen. Hoewel de Parelmossels bijna voortdurend in flegmatische rust verkeeren, merkt men bij hen duidelijke bewijzen van geschiktheid tot beweging op. Die welke na bezichtiging weer in 't water werden geworpen, waren den volgenden dag tot in het midden van de beek voortgeschreden, zooals bleek uit de groeven, die zij in 't zand hadden achtergelaten. Zij bewegen zich echter zeer langzaam en over een geringen afstand: gemerkte exemplaren vond men dikwijls na verloop van 6 à 8 jaren tamelijk dicht bij hun oorspronkelijke ligplaats terug.
Het grootendeels in apathische rust doorgebrachte leven dezer dieren duurt zeer lang, wanneer het niet door een noodlottig toeval wordt verkort. In de lente loopen zij gevaar, dat de sterk gezwollen stroom hen onder gruis en steenen bedelft; 's winters hebben zij in kleine beken veel van de vorst te lijden; voortdurend wordt hun leven door de hebzucht van den mensch en door de vraatzucht van Otters, Eksters, Raven en Kraaien bedreigd. Hunne weeke deelen leveren een goed lokaas voor de vangst van Visschen en Kreeften, een geschikt voedsel voor het mesten van Eenden en Zwijnen. De dikwandigheid der schelp in het zoo weinig kalk bevattende water getuigt van den hoogen leeftijd dezer dieren; dat zij 70 of 80 jaar oud kunnen worden, is gebleken uit het vinden van schelpen, die met een jaartal gemerkt waren. De berichten over een nog hoogeren ouderdom (200 jaar) berusten op geen vasten grond.
Een even rustig leven als de Parelmossels leiden onze Unionen en Anodonten. Zij brengen in de zomermaanden een verbazend groot aantal eieren voort; deze worden door trilhaarbeweging vervoerd naar de tijdelijk als broedzakken dienende holten van de buitenste (soms ook van de binnenste) kieuwen, die hierdoor tot een aanmerkelijke dikte opzwellen. De ontwikkeling van de kiem in deze eieren werd voor 't eerst door Leeuwenhoek waargenomen en beschreven. Hij zag haar reeds op zeer jeugdigen leeftijd met trilharen uitgerust en in draaiende beweging te midden van de vloeistof, die de eihuid vult. Wanneer men dit merkwaardige verschijnsel nagaat na het ontstaan van de eerste beginselen der schelp en de dunne eihuid breekt, zoodat het embryo vrij in het water komt te liggen, ziet men de schelp eensklaps opengaan, daar de sluitspier (het embryo heeft er slechts één) nog niet sterk genoeg is om de spanning van den slotband te overwinnen. Van tijd tot tijd doet het arme dier vruchtelooze pogingen om door spiersamentrekking de beide schelpkleppen weder bij elkander te brengen. In dit stadium van ontwikkeling verkeert het embryo als de moeder hare eieren uitwerpt; kort daarna worden de met een kopscherm uitgeruste larven vrij, hechten zich door middel van een byssusdraad aan de huid van Zoetwatervisschen en brengen hier 2 à 3 maanden door; nu is de gedaantewisseling afgeloopen en neemt het leven op den bodem een aanvang.
De parels bestaan, evenals de schelp, uit fijne, organische vliezen en de daartusschen afgezette koolzure kalk. Een zuivere, vlekkelooze parel heeft geen bepaalde kleur, vertoont geen anderen weerschijn dan de parelmoerlaag en komt met deze in samenstelling overeen. Parels van het zuiverste "water" hebben een onbeschrijfelijk zachte, melkwitte, zilverheldere glans, waarmede nagenoeg geen regenboogskleuren gemengd zijn. Het iriseerend vermogen hangt af van de wijze, waarop de kalk tusschen de organische vliezen is afgezet; aan de dikte dezer vliezen dankt de parel de zachtheid van het teruggekaatste licht, waardoor zij het oog nog het meest bekoort. De Oostersche parels munten boven alle andere uit, omdat bij haar zelfs de prismatische kalk, die niet minder dikwijls dan het parelmoer als bestanddeel van de parel optreedt, bijna geen spoor van kleur vertoont en dus het licht beter doorlaat dan de gekleurde, prismatische kalk der door Unioniden voortgebrachte parels. Een prachtige, zuiver ronde, Oostersche parel van 27 7/8 karaat, die Von Heszling in de verzameling naturaliën en kunstvoorwerpen van de Gebroeders Zosima te Moskou zag, rolde als een groote, fraai glinsterende kwikzilverdruppel over het fijne batist, waarop zij tentoongesteld werd. Alle parels ter grootte van een walnoot of van een duivenei waren afkomstig van Zeepareloesters uit den Perzischen zeeboezem of van de Amerikaansche kust. De Europeesche en meer bepaaldelijk de Beiersche parels kunnen den omvang van een groote erwt of van een kleine boon bereiken, maar zijn dikwijls niet grooter dan een speldekop en nog vaker veel kleiner.
De parel heeft haar ontstaan te danken aan den prikkel, die een fijnkorrelig, vreemd lichaam op het kalkafscheidende deel van den mantel uitoefent; rondom deze kern worden concentrische lagen van organische stof en koolzure kalk afgezet, die, wanneer zij vrij tusschen den mantel en de schelp liggen, de kostbare parel vormen. Dikwijls zijn de parels met de schelp vergroeid, of vertoont deze uitwassen, die op parels gelijken. De vreemde lichaampjes ter grootte van 0.02 à 0.1 mM., die als kernen optreden, zijn meestal kwartskorreltjes, plantendeeltjes of schilfertjes van de opperhuid der schelp. De parels groeien zeer langzaam. Een vol jaar nadat in de Mossel een vreemd lichaam was gebracht, had de hierop afgezette laag nog geen meetbare dikte. Volgens ervaringen, door visschers bij gemerkte Parelmossels opgedaan, bereiken parels van speldekopgrootte in ongeveer 12 jaar den omvang van een erwt. Hieruit vloeit voort, dat het parelvisschen alleen met tusschenruimten van vele jaren op dezelfde plaats met voordeel kan geschieden.
De parelvisscherij is in Europa een kroondomein; haar opbrengst is in de meeste landen zeer gering. In Saksen werden van 1826 tot 1836 140 parels gevonden ter waarde van nog geen f 150. De parelvisscherijen van Beieren leverden in 43 jaar, van 1814 tot 1857, 158880 parels op. De opbrengst aan parels uit de Moldau, over den 8 mijlen langen afstand van Rosenberg tot Moldautein, wordt op 8000 à 12000 gulden per jaar geschat. Gemiddeld vindt men in 103 Parelmossels één parel van geringe waarde, in 2215 één middelmatige, in 2708 een goede parel.
Reeds sinds een paar duizend jaar wenden de Chineezen middelen aan om de Parelmossels te nopen in minder tijd meer arbeid te verrichten. Met dit doel worden vreemde lichamen gebracht tusschen de schelp en den mantel. "De uitoefening van deze industrie is," volgens Mac-Gowan, "beperkt tot twee bijeengelegen plaatsen in het noorden van de provincie Tsjekiang. Gedurende de maanden Mei en Juni worden in korven groote hoeveelheden Mossels (Anodonta plicata) uit het meer Thai-hoe ingezameld en hiervan de grootste exemplaren uitgekozen. Daar zij gewoonlijk door de reis eenigszins geleden hebben, gunt men haar in bamboes-mandjes, die in het water gedompeld worden, eenige dagen rust, voordat men ze ter wille van de menschelijke ijdelheid kwelt. Dit geschiedt door het plaatsen van korrels of matrijzen in de voorzichtig geopende Mossel. De hiervoor dienende korrels zijn gewoonlijk vervaardigd van klei, dat met sap van den kamferboom tot een deeg is aangemengd. De matrijzen die het best een bekleeding met parelmoer aannemen, worden uit Canton ingevoerd, waar men ze, naar het schijnt vervaardigt door onregelmatige stukjes parelmoer van de Zeepareloesters (Meleagrina margaritifera) in een ijzeren bak zoo lang met zand te schuren, totdat zij glad en rond zijn. Ook dienen als matrijzen kleine figuurtjes van lood, die meestal Boeddha in zittende houding of Visschen voorstellen. Deze voorwerpjes worden na het openen van de schelp met een parelmoeren spatel in twee evenwijdige reeksen neergelegd op de buitenste oppervlakte van den vooraf eenigszins opgelichten mantel, eerst op de eene, vervolgens ook op de andere mantelhelft. De hierdoor veroorzaakte pijn noopt het dier den mantel krampachtig tegen de schelp te drukken, zoodat de voorwerpjes op hun plaats blijven. De dus voorbereide Mossels worden (soms ten getale van 50000) op den 7 à 17 dM. diepen bodem van kanalen, plassen of vijvers, op 10 à 14 cM. afstand van elkander neergelegd. Eenige dagen later zijn de vormen door een vliezige uitscheiding aan de schelp bevestigd; later vindt men dit vliesje met kalk doordrongen en eindelijk hebben zich rondom de kern lagen parelmoer gevormd. In November, volgens andere berichtgevers eerst na 10 maanden of zelfs eerst na 3 jaar, worden de Mossels geopend, de weeke deelen er uitgesneden en de parels met een scherp mes losgemaakt. De parelmoeren kernen laat men er in blijven; die van klei of metaal worden weggenomen, de holte met gesmolten hars gevuld en met een stukje parelmoer gesloten. In dezen toestand gelijken zij op halfbolvormige parels en staan in glans en schoonheid bij de massieve niet achter, hoewel zij voor een veel lageren prijs verkrijgbaar zijn".
Von Heszling heeft de bruikbaarheid van de Chineesche handelwijze op de Europeesche Parelmossel beproefd, doch ongunstige uitkomsten verkregen.
TWEEDE ORDE.
DE PLAATKIEUWIGEN MET MANTELBUIZEN (Siphonida).
De vergroeiing van de mantelhelften langs een groot deel van den rand, waarmede het bezit van siphonen gepaard gaat, is een hoofdkenmerk van deze groep. Alle Siphoniden hebben twee krachtig ontwikkelde sluitspieren. In de onderorde der Gaafmanteligen (Integripalliata) vereenigt men die, welker siphonen kort zijn en niet teruggetrokken kunnen worden; in dit geval heeft de mantellijn geen bocht aan 't achtereinde.
Bij de Tridacnaceën zijn de beide sluitspieren (zie de afbeelding bij c) zoo dicht bij elkander gelegen, dat men ze als een uit twee afdeelingen bestaande, enkelvoudige spier zou kunnen beschouwen. De mantel is op drie openingen na geheel gesloten. Door de middelste (a) worden het ademhalingswater en het voedsel aangevoerd. Op tamelijken grooten afstand van de aanvoeropening, ongeveer tegenover het slot, ligt de kloak (b). De voorste opening--een tamelijk groote spleet (d), waardoor de kleine voet en de baard (e) die aan zijn basis is gehecht, uittreden--is gelegen daar, waar men aan de gesloten schelp het zoogenaamde "maantje" opmerkt. Bij de meeste Plaatkieuwigen komt in deze onmiddellijk vóór de spitsen gelegen plek geen opening voor; bij de Tridacnaceën is dit wel het geval, zoodat de schelp tot het uitsteken van den voet niet geopend behoeft te worden. De schelp is gelijkkleppig en langwerpig ruitvormig met afgeronde hoeken; zij bestaat uit een zeer dichte en harde stof; elke klep heeft één zijtand; de slotband is uitwendig. De zeer dikke schelpkleppen hebben grove, dikwijls geschubde ribben, welker uiteinden bij 't sluiten van de schelp als groote tanden in elkander passen. Alle Tridacnaceën bewonen de Chineesche Zee, den Indischen Oceaan (met de Roode Zee) en den Grooten Oceaan. Tot deze familie behoort de grootste van alle schelpen, de Reuzenschelp (Tridacna gigas), die in vele kerken als wijwaterbak gebruikt wordt en daarom ook wel Wijwaterschelp, Bénitier of Bakschelp heet. Sommige exemplaren hebben een gewicht van meer dan 250 KG. en een lengte van meer dan 1 M.; de weeke deelen, die niet meer dan 10 KG. zwaar zijn, worden gegeten, vooral de sluitspieren.
Met een tweede, in de Roode Zee zeer veelvuldig voorkomende, kleinere soort, Tridacna elongata, heeft Vaillant merkwaardige proeven genomen om de weerstand te bepalen, die door de sluitspieren overwonnen kan worden. Daar de randen niet geheel op elkander passen, kon men aan iedere schelpklep een haak bevestigen: aan de eene werd de schelp opgehangen, de andere kreeg een bak te dragen, waarin men water goot, totdat de schelp zich opende. Bij het gewicht van den bak met water moet men natuurlijk nog voegen dat van de onderste schelpklep en den weerstand van den slotband, daar deze de sluitspier tegenwerken. Dit in aanmerking nemend, bleek de spierkracht van een exemplaar van 24 cM. lengte 7 KG. te zijn, waaruit men kan afleiden, dat, naar verhouding, een Reuzenschelp van 250 KG. gewicht een spierkracht meer dan 900 KG. ontwikkelen zou.
De Tridacna's, houden zich gedeeltelijk in 't zand verborgen. Van Tridacna elongata steekt alleen de getande rand van de schelp boven het zand uit. Vaillant roemt zeer het prachtige schouwspel, dat de bijna altijd zichtbare mantelzoom van dit Weekdier bij stil water op een diepte van 3 à 4 M. oplevert.
De familie der Zandschelpen of Hartschelpen (Cardiaceae) heeft nagenoeg geen andere hedendaagsche vertegenwoordigers dan het gelijknamige, omstreeks 200 soorten omvattende geslacht Cardium. De wetenschappelijke naam is ontleend aan den vorm van de steeds gelijkkleppige, meestal buikig gezwollen schelp, die wegens de binnenwaarts gekromde spitsen van voren of van achteren gezien, nagenoeg hartvormig is. Men vindt overblijfselen van deze Weekdieren in alle aardlagen, te beginnen bij de Silurische; de hedendaagsche soorten leven in alle zeeën, doch vooral in die van den heeten aardgordel. Verscheidene soorten bewonen de Zwarte en de Kaspische Zee en het meer van Aral, zelfs water met gering zoutgehalte in de nabijheid van riviermonden; deze hebben belangrijke wijzigingen van lichaamsbouw ondergaan. De siphonen, die bij de typische, in zee levende soorten kort en gescheiden zijn, hebben bij de brak- en zoetwatervormen een veel grootere lengte en zijn vergroeid, hetgeen gepaard gaat met het optreden van een korte mantelbocht en met het geopend blijven van de schelp aan den achterrand; bovendien is in dit geval de voet korter en breeder en het slot onduidelijk of niet getand. Bij de typische vormen sluiten de dikwandige schelpkleppen langs den geheelen, gewoonlijk gekorven of getanden rand aaneen en zijn voorzien van ribben of strepen, die, straalswijs uiteenwijkend (en niet zelden stekels of knobbeltjes dragend), van den top naar den rand loopen. Iedere klep heeft, behalve 2 dikke, schuine, kegelvormige slottanden, één voorsten en één achtersten zijtand. De mantelhelften zijn van voren tot over de helft van de lengte gescheiden, van achteren aan den zoom met talrijke, lange franjes bezet, die eveneens aan de siphonen voorkomen. De voet is zeer lang, cilindervormig en knievormig gebogen.