Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

Chapter 25

Chapter 253,588 wordsPublic domain

De _Ree_ (_Capreolus capraea_) wordt 1.3 M. lang en in het kruis op zijn meest 75 cM. hoog; het staartstompje is ternauwernood 2 cM. lang. Haar gewicht bedraagt 20 à 25, in zeldzame gevallen zelfs 30 KG.; het wijfje is kleiner. In vergelijking met het Edelhert heeft de Ree een gedrongen lichaamsbouw; haar kop is kort en afgeknot. Haar gewei onderscheidt zich door breede rozenkransen en door betrekkelijk dikke, met ver uitstekende knobbeltjes of parels bezette stangen. Gewoonlijk krijgt de hoofdstang slechts twee spitsen; hiermede is de ontwikkeling van het gewei echter nog niet afgeloopen, "Het bepalen van het aantal spitsen van het gewei, zooals dit door de jagers geschiedt," zegt Blasius, "is niet voldoende voor het leeren kennen van de natuurwet, volgens welke de geweivorming plaats vindt. Om deze wet te formuleeren, heeft men niet in de eerste plaats op het aantal spitsen, maar vooral op den algemeenen vorm van het gewei te letten; in verband hiermede is het aantal spitsen van beteekenis.--In den eersten winter krijgt de "smalbok" onverdeelde, slanke spitsen, met een onduidelijken rozenkrans aan den wortel van de stang.--Bij den "gaffelbok" is de stang ongeveer in het midden vertakt. De hoofdstang vormt dan een hoek, en neemt op de vertakkingsplaats een achterwaartsche richting aan, terwijl de zijspruit naar voren gericht is. Deze knievormige buiging van de hoofdstang is een veel belangrijker feit dan de aanwezigheid van de voorste zijspruit: men moet den bok, wat zijn leeftijd betreft, voor een "gaffelaar" houden, zelfs wanneer de zijspruit ontbreekt, indien slechts de buiging aanwezig is.--Bij den "zes-ender" verdeelt de naar achteren gebogen hoofdstang zich ten tweeden male, en is na de vertakking weder naar voren gericht, terwijl de tweede of hoogste zijspruit naar achteren wijst. De tweede knievormige buiging kenmerkt den zes-ender: men kan den bok volgens zijn leeftijd en gewei als een zes-ender beschouwen, als hij een hoofdstang met twee knievormige buigingen heeft, al zouden de beide zijspruiten ontbreken. Gewoonlijk is de ontwikkeling van het gewei hiermede afgeloopen; daar de reebok bij latere wisselingen van het gewei in den regel hetzelfde aantal spitsen behoudt. Soms komt het echter voor, dat het gewei voortgaat met zich volgens denzelfden regel te ontwikkelen.--Bij den "acht-ender" heeft de spits, die boven de tweede knievormige buiging naar boven of naar achteren gericht is, zich verdeeld en een zijspruit gekregen.--De "tien-ender" vertoont den hoogsten, mij bekenden trap van regelmatige ontwikkeling van het gewei der Ree. Hier zijn de beide bovenste spitsen van den "zes-ender" gaffelvormig vertakt; het gewei bestaat dan uit een naar voren wijzende middelspits, een naar boven gerichte eindgaffel en een naar achteren gekeerde bijgaffel. Geweien van dezen vorm zijn mij slechts uit het Slavonische graafschap Syrmië en uit Kroatië bekend.--Dikwijls merkt men bij de ree-geweien een neiging op, om aan iedere hoofdstang, en wel aan haar binnenzijde, onder de naar voren gerichte middelspits, een in 't oog vallend lange parel te vormen. Deze parel wordt soms wel 25 cM. lang, en kan dan volgens de regels van de jacht als een spits medegeteld worden."

Buitengewoon veelvuldig komen bij het ree-gewei allerlei misvormingen voor. In de verzamelingen ziet men stangen van de zonderlingste gedaante: sommige hebben een geheele reeks van spitsen, andere zijn schopvormig verbreed en langs den rand met spitsen bezet. Men treft reebokken met drie stangen en drie rozestokken, andere met een enkelen rozenkrans en een enkele stang aan; voorts bestaan er zoogenaamde "pruikengeweien" enz. Radde kreeg er een uit het Sajanische gebergte (op de Chineesch-Siberische grens), dat bij een wijfjes-ree midden op het voorhoofd groeide. Er waren vier lange, uit één voetstuk ontsprongen spitsen, aan op te merken, die in afwijkende richting groeiden. Een ander dergelijk geval wordt mij door Block medegedeeld. Het betreft een Ree met een gewei, dat uit twee, omstreeks 5 cM. lange stangen bestond. Zelfs een oude, ervaren jager werd er door op het denkbeeld gebracht, dat hij een reebok voor zich had. Toch bleek het dier later, toen het geschoten werd, een wijfje te zijn.

Het dichte haarkleed van de Ree verandert al naar het jaargetijde. De bovendeelen en de buitenzijde van de ledematen zijn in den zomer roestrood, in den winter bruingrijs; de onderdeelen van 't lichaam en de binnenzijde van de ledematen zijn lichter van kleur. In sommige gewesten komen kleurafwijkingen voor, die door verscheidene geslachten heen overerven: men ontmoet er zwarte, witte, gevlekte en zilverkleurige Reeën.

In de jagerstaal heet de mannelijke Ree in het eerste levensjaar "bokkalf" of "kitsbok," in het tweede jaar "spitsbok" of "smalrug," als het tweede jaar is afgeloopen, "gaffelbok", van het derde jaar af echter "bok"; de vrouwelijke Ree draagt achtereenvolgens in de hierboven genoemde levenstijdperken de namen "rekkekalf", of "kitskalf", daarna "smalree", eindelijk "rekke", "hille", of "reegeit".

De Ree is, met uitzondering van de noordelijkste landen, over geheel Europa en het grootste deel van Azië verbreid. In Nederland kwam de Ree vroeger, evenals het Hert, zeer veelvuldig voor; ongemeen talrijk was zij (volgens H. Junius, "Batavia") tusschen 's-Gravenhage en Egmond; thans wordt zij niet anders dan op de Veluwe aangetroffen, evenwel niet uitsluitend op de Hooge Veluwe, maar ook op de Neder-Veluwe en de Veluwe-zoom. Zij bewoont voorts België, Duitschland, Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk, Engeland en Schotland, Hongarije, Galacië, Zevenburgen, de Donau-laaglanden, het zuiden van Zweden, Polen, Littauen en de Oostzee-provinciën; zij is zeldzaam in Turkije en Griekenland, ontbreekt in het Noorden en midden van Rusland, maar komt in Ukraine en de Krim weer voor. Zij leeft verder in Kaukasië, Armenië, Klein-Azië, Palestina en Perzië, zoo ook in het midden en het zuiden van Siberië, voorzoover hier wouden zijn, oostwaarts tot aan de landstreken om de monding van den Amoer, zuidwaarts tot aan de Indisch-Mandsjoersche hooge gebergten; in de kale, niet met bosch begroeide, hooge steppen komt zij echter slechts zelden en in zeer kleinen getale voor.

Over het algemeen kan men zeggen, dat de Ree binnen haar verbreidingsgebied zoowel jonge boomaanplantingen, woudzoomen en kreupelbosschen als grootere wouden tot verblijfplaats kiest, indien de bosschen slechts rijk zijn aan kreupelhout; het is haar onverschillig of het houtgewas in het gebergte of in het vlakke land groeit, uit naaldboomen of uit loofboomen bestaat. Naar het schijnt, vestigt de Ree zich bijzonder graag in bosschen van breedgebladerde boomen, vooral in moerassige gewesten. In den winter begeeft zij zich van hoogere naar lager gelegen plaatsen, in den zomer volgt zij de omgekeerde richting. Hier te lande houdt zij zich bij voorkeur op in laagstammige bosschen, ook in zulke, die slechts los verbonden zijn met gesloten wouden, niet zelden ook in groote bebouwde vlakten; in den voorzomer vestigt zij zich voor goed op het bouwland en gaat over dag in het hooge graan liggen. Alleen van oorden waar zij zich volkomen veilig gevoelt, is zij een vaste bewoner; ook hier echter onderneemt zij gaarne lange zwerftochten, hetzij om het een of ander voedsel of om andere dieren van haar soort op te zoeken. Meer dan het Hert en veel meer dan het Damhert houdt de Ree er van, in alle opzichten vrij te zijn; zij verlangt daarom afwisseling van woonplaats, van voedsel en zelfs van gezelschap. Zij is niet alleen kieskeurig, maar zelfs echt wispelturig; heden bevalt het haar hier, morgen daar; soms getroost zij zich allerlei storingen, terwijl zij ze in andere gevallen zoo onaangenaam vindt, dat zij daarom niet zelden een streek voorgoed verlaat.

De bewegingen van de Ree zijn behendig en lieftallig. Zij kan verbazend groote, boogvormige sprongen doen en op deze wijze breede slooten, hooge heggen en struiken zonder merkbare inspanning overschrijden; ook zwemt en klimt zij goed. Zij hoort, ruikt en ziet voortreffelijk, is listig en voorzichtig, maar toch tevens zachtmoedig. "Vriendelijkheid en gezelligheid," zegt Dietrich aus dem Winckell, "zien haar de oogen uit; toch kan zij alleen getemd worden, wanneer zij sinds haar vroegste jeugd door den mensch kunstmatig is opgevoed; in 't tegenovergestelde geval behoudt zij zelfs bij de meest zorgvuldige behandeling de schuwheid en de vrees voor menschen en dieren, die haar in den wilden toestand eigen zijn. Dit gaat zoo ver, dat zij, wanneer zij verrast wordt, niet alleen door een kort geschreeuw haar schrik laat blijken, maar ook de poging om zich door de vlucht te redden dikwijls opgeven moet, daar zij licht haar tegenwoordigheid van geest verliest, en dan in een kleine ruimte, terwijl de angst aan hare bewegingen alle vastheid ontneemt, niet zelden een slachtoffer wordt van gemeene, volstrekt niet vlugge boeren-honden of wel van Roofdieren. Alleen in perken waar zij zeer weinig beschoten worden of altijd rust hebben, leggen zij haar vrees voor den mensch in zoo ver af, dat zij zich door iemand, die haar op een afstand van 20 of 30 schreden voorbijgaat, niet in 't grazen laten storen."

Van de "vriendelijkheid en gezelligheid", die Winckell zoo roemt, bespeurt men bij nadere kennismaking met de Ree meestal maar zeer weinig. Zoolang zij jong is, maakt zij wel is waar een zeer aangenamen indruk, op meer gevorderden leeftijd echter toont zij zich zeer eigenzinnig, weerspannig en boosaardig. Zelfs de oude reegeit is niet vrij van zulke kuren, hoewel haar lichaamskracht niet groot genoeg is om hare booze bedoelingen duidelijk te doen uitkomen; de reebok echter is een onverdraagzame, kwaadaardige, eigenlievende en heerschzuchtige klant, die zwakkere dieren van zijn slag en niet zelden ook de reegeit afschuwelijk behandelt; onmeedoogend mishandelt hij zijn kroost, zoodra hij meent, dat het hem in den weg zou kunnen staan bij 't streven naar bevrediging zijner begeerten; alle wezens, die hij niet behoeft te vreezen, of uit gewoonte niet meer vreest, bedreigt hij met zijn gewei, dat hoogst gevaarlijke wonden kan veroorzaken.

De Reeën vormen nooit zulke talrijke troepen als de Herten. Gedurende het grootste gedeelte van het jaar zijn zij vereenigd tot familiën, die meestal uit één bok, één geit en hare jongen bestaat; zeldzamer bevat een troep 2 of 3 geiten; alleen daar waar te weinig bokken zijn, treft men troepen van 12 à 15 individuën aan. In den winter komt het soms voor, dat verscheidene familiën zich bijeenvoegen en gedurende geruimen tijd samenleven. De kalveren blijven tot den volgenden bronsttijd bij de volwassen dieren, maar worden dan door deze verdreven, en vormen dikwijls afzonderlijke troepen. Over dag houdt de Ree verblijf op een rustig en met schuilplaatsen voorzien plekje van het tijdelijk door haar bewoonde gebied. Tegen den avond, in veilige oorden ook wel in de late middaguren, begeeft zij zich naar jonge boomaanplantingen, naar weidegronden in en buiten het woud, of naar akkers om er voedsel te zoeken; tegen den morgen keert zij naar het dicht begroeide deel van het bosch of naar het hooge koren terug, slaat met de voorpooten de laag mos of zoden weg, en maakt zich op deze wijze een bed of leger, waar zij kan rusten. Gaarne, maar niet altijd geregeld, volgt zij bepaalde paden. Zij gebruikt nagenoeg hetzelfde voedsel als het Hert: de Ree is evenwel kieskeuriger, en zoekt bij voorkeur de meest malsche planten op. Bladen en jonge uitspruitsels van allerlei breedgebladerde boomen, knoppen van naaldboomen, groene graangewassen en andere kruiden vormen de hoofdbestanddeelen van haar maal. Zeer gaarne lekt zij zout; zuiver water is voor haar een behoefte; als het regent of sterk dauwt, is zij echter tevreden met de droppels, die op de bladen liggen. Hier en daar komt zij soms ook wel in de tuinen, welker lekkere groenten haar behagen; zij springt daartoe koen en behendig over tamelijk hooge afschuttingen.

Opmerkelijk is het, dat men de voortplanting van de Ree eerst in den laatsten tijd behoorlijk heeft leeren kennen. Jaren lang heeft er verschil van meening bestaan over den juisten tijd, waarin de bronst van de Ree inviel. Er was sprake van een "waren" en een "valschen" bronst; de eerste zou in Augustus, de laatste in November plaats vinden. Nauwkeurige onderzoekingen hebben echter tot de uitkomst geleid, dat de Reeën alleen in Augustus paren. Evenwel doet zich hierbij het merkwaardig verschijnsel voor, dat de ontwikkeling van het jonge dier eerst na November merkbare vorderingen maakt, en dat de geheele draagtijd 40 weken duurt, hetgeen voor een dier van deze grootte buitengewoon lang mag heeten.

Vier of vijf dagen vóór het werpen zoekt de reegeit in een eenzaam, afgelegen deel van het woud een stil plekje op, en brengt daar hare jongen ter wereld. Jonge wijfjes krijgen maar één enkel kalf, oudere twee, bij uitzondering zelfs drie kalveren. De moeder verbergt haar kroost zorgvuldig voor iederen naderenden vijand, en waarschuwt het bij den geringsten zweem van gevaar, door met een poot op den grond te stampen of door een kort, sjirpend geluid. In hun vroegste jeugd gaan de kalveren onmiddellijk liggen, zoodra zij deze signalen hooren; later nemen zij met hun moeder de vlucht. Gedurende de eerste levensdagen van de kalveren, zoolang deze nog te hulpbehoevend zijn om zich op de genoemde wijze te redden, tracht de reegeit den vijand om den tuin te leiden en hem van het spoor harer jongen af te brengen. Als haar een jong ontroofd wordt, zonder dat zij het verhinderen kan, ijlt zij den roover, ook den mensch, langen tijd na, en geeft aan haar bekommernis lucht door angstig heen en weer te loopen en door geschreeuw. "Meer dan eens," zegt Dietrich aus dem Winckell, "hebben deze bewijzen van moederliefde mij genoopt om het kalf, dat ik reeds medegenomen had, weder in vrijheid te stellen; de moeder beloonde mij hiervoor ruimschoots door de zorg waarmede zij onderzocht, of haar kind al of niet een ongeluk was overkomen. Vroolijk sprong zij om het jong heen, zoodra zij dit onbeschadigd had bevonden, en scheen het met liefkoozingen te overstelpen, terwijl zij het te gelijker tijd de uiers aanbood om het te laten zuigen." Omstreeks 8 dagen na hun geboorte worden de kalveren door de reegeit medegenomen naar de weideplaats, na 10 à 12 dagen zijn zij sterk genoeg om haar snel te volgen. Nu keert zij met hen naar haar vorige verblijfplaats terug, als 't ware met het doel om den vader zijn kroost te toonen.

Reeds tegen het einde van de vierde maand komt er een verhevenheid op het voorhoofdsbeen van den jongen bok; in de volgende weken ontstaan er kleine, voortdurend hooger wordende knobbels, en in de wintermaanden komen de eerste, 8 à 10 cM. lange "spiesen" te voorschijn. In Maart "veegt" de jonge bok, in de volgende Decembermaand werpt hij de "spiesen" af. Voordat er drie maanden verloopen zijn, is het tweede gewei gevormd. Dit wordt iets vroeger dan in den vorigen herfst afgeworpen en door het derde gewei vervangen.

De jacht op de Ree geschiedt nagenoeg op dezelfde wijze als die op ander groot wild, hoewel men haar tegenwoordig in districten, die niet volgens de jagers-regels behandeld worden, meer met hagel dan met kogels schiet. Behalve door den mensch wordt de Ree vervolgd door Lossen, Wolven, Wilde Katten en Vossen; de drie eerstgenoemde roofdiersoorten maken jacht op de oude dieren zoowel als op de jonge; de laatste tracht vooral de kalveren buit te maken; deze worden, naar men zegt, soms ook door de kleine, maar bloedgierige Wezel omgebracht.

Het nut, dat de Ree den mensch aanbrengt, is niet onbelangrijk; de schade die zij aanricht, betrekkelijk gering, hoewel altijd nog grooter dan het nut. Vooral jonge aanplantingen worden soms erg door haar beschadigd; in weinige dagen verijdelt zij den jarenlangen, moeitevollen arbeid van den houtteler. Als wildbraad wordt de Ree hoog geschat: bovendien maakt men gebruik van haar huid, hetzij als leder of als bont, en van haar gewei.

In het wildpark zoowel als in de diergaarde of in een andere beperkte ruimte gedijt de Ree minder goed dan andere Herten, omdat haar vrijheidlievende aard haar van iederen dwang afkeerig maakt. Zij is veeleischend, prikkelbaar en moeielijk te bevredigen, bovendien biedt zij weinig weerstand aan ongunstige omstandigheden; zij plant zich daarom volstrekt niet geregeld voort in den gevangen staat en bezwijkt niet zelden tengevolge van onbeduidende bezwaren. Jong gevangen Reeën kunnen gemakkelijk getemd worden en zijn dan vriendschappelijk gezind jegens menschen en dieren: zij gedragen zich als echte huisdieren en loonen de aan haar bestede moeite. Op den duur beleeft men echter alleen van de geit en niet van den bok genoegen; wijl deze langzamerhand zijn waren aard laat zien, m. a. w. driest, lastig en onbeschaamd wordt, terwijl de geit in den regel zachtzinnig blijft.

Tot besluit moeten wij nog een blik werpen op het geslacht der _Muntsjakherten_ (_Cervulus_), die zich door geringe grootte, door de korte en onvolkomen geweien, de in 't oogloopend lange hoektanden, de diepere en breede traangroeven en het gemis van den haarlok aan de achtervoeten onderscheiden. De soorten van dit geslacht bewonen van Zuid-China af de zuidelijke en zuidoostelijke gedeelten van het vasteland van Azië, benevens de naastbijgelegen eilanden.

De _Muntsjak_ of _Kiedang_, de _Rippface_ ("skeletgelaat") der Engelschen (_Cervulus muntjac_), de bekendste soort van zijn geslacht, is een weinig kleiner dan onze Ree; zijn lengte bedraagt 115 à 124 cM. (waarvan 15 à 18 cM. op den staart komen), zijn schouderhoogte 65 à 70 cM. De beharing is kort, glad en dicht; de kleur van de bovendeelen is verzadigd geelbruin of donkerder, tot kastanjebruin; de achterbuik, de binnenzijde van de pooten, het achtervlak en het onderste deel van den staart zijn wit, het voorste deel van den buik en de borst geelachtiger. De stangen rusten op zeer lange rozestokken, zijn schuin naar achteren gericht, bij den oorsprong een weinig naar buiten en voren gebogen en daarna plotseling in de nabijheid van den top haakvormig naar achteren en binnen gekromd. Zeer eigenaardig zijn de rozestokken, die van onderen tamelijk dicht bijeengeplaatst zijn, weldra echter uiteenwijken en zich 8 à 10 cM. hoog verheffen; tot aan den rozenkrans zijn zij bekleed met een dichtbehaarde huid, welker haren langs den bovenrand in bosjes bijeengroeien; de rozenkrans zelf is zeer smal en bestaat uit één enkele kring van groote paarlen. Het wijfje draagt op de plaats van het gewei kuifvormige haarbosjes.

Sumatra, Java, Borneo, Banka en Hainan benevens het Maleische Schiereiland, Birma en Engelsch-Indië vormen het vaderland van den Muntsjak. Niet al te hoog gelegen gewesten, waar heuvels met dalen afwisselen, en in nog meerdere mate landstreken, die aan den voet van hooge gebergten grenzen, of in de nabijheid van groote wouden gelegen zijn, bevredigen, naar het schijnt, alle door dit wild aan zijn woonplaats gestelde eischen. Hier treft men den Kiedang afzonderlijk of bij paren aan. Op plaatsen, die bovendien waterrijk en onbewoond of schaars bevolkt zijn, gedijt dit Hert het best; hij kruipt of sluipt met omlaaggehouden kop als een Wezel door dicht begroeide, verwarde wildernissen heen en tusschen neergestorte boomen door; behendig weet hij zelfs door zeer kleine ruimten heen te dringen. Over dag zoowel als 's nachts wordt zijn stem gehoord, die uit een rauw, schel, luidklinkend geschreeuw of geblaf bestaat, en in vele streken aanleiding gegeven heeft tot den naam, waarmede hij daar wordt aangeduid. De Muntsjak is een zeer moedig dier, dat zijn klein gewei en zijne hoektanden krachtig en op doeltreffende wijze weet te gebruiken. Vele Honden ondervinden dit; wanneer zij hem aanvallen, krijgen zij soms aan den nek en de borst of aan het onderlijf wonden, die hun het leven kunnen kosten.

De gevangenschap verdraagt de Kiedang in zijn vaderland zonder eenig bezwaar en ook in Europa tamelijk goed. Dikwijls treft men hem getemd in het bezit van Europeanen en inboorlingen aan. Over 't algemeen gezellig en gehecht aan zijne verzorgers, is hij toch, evenals de meeste Herten, zeer prikkelbaar en in dit geval boosaardig.

Naar men zegt, smaakt het wildbraad van dit dier goed, hoewel het mager is. De huid wordt niet gebruikt.

Door sommige dierkundigen worden eenige kleine, zeer sierlijk gebouwde Herkauwers, die volgens onze meening twee afzonderlijke familiën--de Muscusdieren en de Dwergmuscusdieren--behooren uit te maken, bij de familie der Herten gevoegd; wij zullen ze op deze laten volgen; zij bevatten onder andere ook de kleinste vertegenwoordigers der geheele orde.

De _Muscusdieren_ (_Moschidae_) hebben geen gewei, geen traangroeven, geen op een borstel gelijkende haarbekleeding aan de achtervoeten (zooals bij de meeste Herten voorkomt) en een zeer onbeduidenden staart. De mannetjes van deze en van de volgende groep onderscheiden zich van alle overige Herkauwers door het bezit van lange, buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. De hooge gebergten van China en Tibet zijn het vaderland van deze dieren. Daar bewonen zij meestal rotsachtige gewesten, zelden dalen, waarheen zij zich eigenlijk alleen dan begeven, wanneer de strenge winter hen van hunne hoogten verdrijft en voedselgebrek hen dwingt om naar meer begunstigde oorden de wijk te nemen.

De familie omvat slechts één geslacht, dat uit slechts één soort beslaat, n.l. het _Muscusdier_ (_Moschus moschiferus_). Het is een sierlijke Herkauwer van 90 à 100 cM. lichaamslengte en 50 à 55 cM. schouderhoogte, gedrongen gebouwd, van achteren hooger dan van voren, met slanke pooten, korten hals, langwerpigen, aan den snuit stomp afgeronden kop, waaraan middelmatig groote, door lange wimpers overschaduwde oogen met zeer bewegelijke pupil, en eivormige ooren, half zoo lang als de kop, voorkomen. Tamelijk kleine, lange en spits toeloopende hoeven beschutten de teenen; deze kunnen, omdat zij door een huidplooi vereenigd zijn, ver van elkander verwijderd worden; geholpen door de tot op den bodem reikende bijhoeven, maken zij het loopen op sneeuwvelden en gletschers veilig en gemakkelijk. De kleur kan zeer verschillend zijn; sommige exemplaren zijn van boven zeer donker, van onderen echter vuil wit, andere roodbruin, weer andere van boven geelachtig bruin, van onderen wit, nog andere hebben een overlangsche reeks van lichte vlekken op den rug. De hoektanden steken bij het mannetje 5 à 7 cM. ver buiten den bek uit en zijn eerst flauw buitenwaarts, daarna sikkelvormig naar achteren gebogen. Het wijfje heeft eveneens hoektanden, doch deze blijven binnen den mond verborgen.