Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 26
De muscuszak, waaraan deze dieren hun naam ontleenen, komt alleen bij het mannetje voor; hij ligt aan den achterbuik en vertoont zich bij uitwendig onderzoek als een afgeronde verhevenheid van ongeveer 6 cM. lengte, 3 cM. breedte en 4 à 5 cM. hoogte. Aan beide zijden is hij begroeid met stijf aanliggende haren met uitzondering van een onbehaarde kringvormige plek in het midden. Hier liggen achter elkander twee kleine openingen, die door korte buizen met de holte in den zak verbonden zijn; de voorste is halvemaanvormig, van buiten met grovere, van binnen met fijne, lange, verwarde haren bezet; de achterste is omgeven door een bundel van lange borstels. Kleine klieren binnen in den zak scheiden de muscus af; door de eerstgenoemde buis wordt de zak geledigd, wanneer hij te vol is. Eerst bij het volwassen Muscusdier heeft deze zak zijn volle grootte bereikt en is de muscusafscheiding het sterkst. Gemiddeld kan men aannemen, dat de zak 30 gram van deze kostbare stof bevat; bij sommige dieren heeft men echter meer dan het dubbele van deze hoeveelheid gevonden. Jonge bokken leveren ongeveer het achtste deel er van. In verschen toestand is de muscus week als zalf; gedroogd is zij een korrelige of poedervormige massa, die aanvankelijk een roodbruine kleur heeft, maar mettertijd donkerder en eindelijk koolzwart wordt.
Zoomin de Grieken als de Romeinen kenden het Muscusdier, hoewel zij groote liefhebbers waren van welriekende zalven en deze meestal uit Arabië en Indië ontvingen. De Chineezen daarentegen maken reeds sinds eeuwen van muscus gebruik. De eerste berichten over het Muscusdier zijn door tusschenkomst van de Arabieren tot ons gekomen.
Het verbreidingsgebied van het Muscusdier strekt zich uit van den Amoer tot aan de Kaspische Zee en van 60° N. B. tot China en Achter-Indië. Het veelvuldigst komt het voor in de omstreken van het Baikal-meer en in de gebergten van Mongolië als ook in den Himalaja, waar het, naar men bericht, in den zomer zelden beneden de hoogte van 2500 M. afdaalt; in sommige van deze gewesten is het nog zoo talrijk vertegenwoordigd, dat beroepsjagers in één winter verscheidene honderden exemplaren kunnen dooden. Steile berghellingen en bosschen vormen de eigenlijke woonplaatsen van dit beroemde dier; het leeft er eenzaam of hoogstens bij paren. Zijn levenswijze wordt door Kinnloch met die van den Haas vergeleken, omdat het zich op dezelfde wijze een leger maakt, waarin het over dag nagenoeg voortdurend blijft. Bij het zoeken van voedsel geeft het de voorkeur aan hellingen, waarop grasrijke weideplaatsen met kleine kreupelboschjes afwisselen; eerst in de schemering of in de morgenuren komt het op weidegronden die vrij zijn van struiken. Zijne bewegingen zijn vlug en vast. Het loopt met de snelheid van een Antilope, springt even behendig als een Steenbok en klimt met de stoutmoedigheid van een Gems. Over sneeuwvelden, waar iedere Hond inzinkt en een mensch zich bijna niet bewegen kan, draaft het Muscusdier nog gemakkelijk heen, bijna zonder een zichtbaar spoor achter te laten. Als het vervolgd wordt, springt het, zonder zich te beschadigen, van een aanzienlijke hoogte naar beneden en loopt het langs wanden, die bijna geen gelegenheid bieden om vasten voet te vatten; in geval van nood zwemt het zonder aarzeling over breede stroomen.
De zintuigen van dit dier zijn voortreffelijk, zijne geestesvermogens echter gering. Het Muscusdier is schuw, maar mist schranderheid en overleg. Als het door een ramp overvallen wordt, ziet het dikwijls in 't geheel geen kans om zich te redden, en rent als zinneloos in 't rond. Op dezelfde wijze gedraagt zich het dier, dat pas gevangen is.
Zes maanden na de paring werpt het wijfje één of twee jongen, die aanvankelijk bont gevlekt zijn. De moeder behoudt ze met trouwe liefde bij zich tot aan den volgenden paartijd, maar drijft ze dan weg. Aan het einde van het derde jaar zijn de jongen volwassen.
De jacht op dit zoo belangrijke en winstgevende wild levert, althans in Siberië, vele bezwaren op. Wegens zijn buitengewone schuwheid komt het den jager zelden op behoorlijken afstand voor 't geweer. Gewoonlijk plaats men, om den gewenschten buit te behalen, strikken op de "wissels" van het dier. Dikwijls verhinderen de Veelvraat, de Siberische Wezel en de Raven deze wijze van vangst. De behaarde Roofdieren gaan het spoor van het Muscusdier na, en vreten het op, als het in den strik is vastgeraakt. De Baardgier en de Arend maken bovendien jacht op het jonge, de Panther en de Gepard op het volwassen dier. In den Himalaja wordt dit wild door Engelsche jagers "op den zoek" en gedurende drijfjachten gedood.
Het vleesch van het Muscusdier wordt zelfs door de Europeanen in Indië lekker gevonden; de muscuszak heeft een waarde van 6 à 18 gulden. De meeste muscus komt uit China in Engeland ter markt; men krijgt haar echter slechts zelden zuiver; van oudsher maken de sluwe bewoners van het Hemelsche Rijk zich schuldig aan het vervalschen van dit kostbare artikel. De reizigers uit vroegere eeuwen doen zonderlinge verhalen over de hevigheid van den muscusreuk. Tavernier en Chardin berichten, dat de jagers vóór het afsnijden van den muscus-zak zich den mond en den neus moesten dichtstoppen, omdat het onvoorzichtig inademen van de uitwaseming aanleiding zou geven tot doodelijke bloedingen. Chardin verzekert, dat hij nooit in staat geweest is om zelf de muscushandelaars te bezoeken, maar de inkoop van dit artikel steeds aan zijne handelsvrienden moest overlaten. De reuk is, naar hij verzekert, onverdraaglijk en voor Europeanen, die er niet aan gewoon zijn, zelfs gevaarlijk.
Over de levenswijze van het gevangen dier ontbreken tot dusver uitvoerige berichten. In het jaar 1772 kwam een Muscusdier, nadat het drie jaar lang onderweg was geweest, levend te Parijs aan en bleef hier nog drie jaar in leven. Het stierf aan een haarbal, die ontstaan was uit de haren, die het door zich te lekken in de maag had gekregen en die het spijskanaal in de nabijheid van de portier (waar de maag met den dunnen darm verbonden is) verstopt had. Vóór dien tijd was het altijd zóó gezond en flink geweest, dat het volgens het oordeel van de Fransche dierkundigen, op de hooge gebergten van Europa geacclimatiseerd zou kunnen worden.
De laatste familie van de Herkauwers omvat de _Dwergmuscusdieren_ (_Tragulidae_), waardoor de genoemde onderorde met die van de Niet-herkauwende Evenvingerigen (en meer bepaaldelijk met de familie van de Zwijnen) verbonden is. De hiertoe behoorende dieren bewonen West-Afrika en Zuid-Azië en zijn buitengewoon lieftallige schepsels. Men stelle zich een sierlijk, op een Ree gelijkend diertje voor, met tamelijk dikken romp, slanken, goed gevormden kop, fraaie, heldere oogen, pooten, die weinig dikker zijn dan een potlood en in zeer bevallige hoeven eindigen, een klein, aardig staartstompje, een zacht, tegen de huid aanliggend haarkleed van aangename kleur, zoo heeft men een denkbeeld van een Dwergmuscusdier. Van de Muscusdieren verschilt het, doordat de maag slechts uit drie afdeelingen bestaat; de boekmaag is van de lebmaag niet te onderscheiden; ook mist dit dier den muscuszak; de middelvoet is met een onbehaarden, eeltachtigen rand voorzien; het staartje is tamelijk lang behaard. Evenals in de vorige familie onderscheiden de mannetjes zich door het bezit van lange, buiten den bek uitstekende, benedenwaarts gerichte hoektanden in de bovenkaak. Die van de onderkaak blijven, evenals die van beide kaken bij de wijfjes, binnen de mondholte verborgen.
De _Kantsjil_ (_Tragulus kanchil_ of _Tragulus pygmaeus_) is ongeveer 45 cM. lang, waarvan slechts 4 cM. op den staart komen; de schofthoogte bedraagt 20, de kruishoogte 22 cM. Het tamelijk fijne haar is aan den kop roodachtig vaal, aan de zijden lichter, op de kruin donker, bijna zwart, aan de bovenzijde van het lichaam roodachtig geelbruin, langs den rug sterk met zwart gemengd, naar de zijden lichter, aan de bovenzijde van den hals wit gesprenkeld en aan de onderzijde wit. De volwassen mannetjes hebben in de bovenkaak sterk gekromde hoektanden, die ongeveer 3 cM. buiten het tandvleesch uitsteken. De kleine, fijne hoeven zijn lichtbruinachtig hoornkleurig. De jonge dieren hebben dezelfde kleur als de volwassene.
Java, Singapoer en het Maleische Schiereiland zijn het vaderland van dit bekoorlijke dier; op Sumatra, Borneo en Ceylon wordt het, evenals in Indië, van de zuidspits tot aan den Himalaja op hoogten van hoogstens 600 M., door verwante soorten vervangen. Op Java vindt men het meer in het gebergte dan in de vlakte, aan den benedenrand van de oerwouden, die alle gebergten bedekken, meer bepaaldelijk in het daaraan grenzende kreupelhout, vanwaar het de met gras begroeide hellingen binnen weinige minuten bereiken kan. Nooit treft men het in troepen aan: het leeft eenzaam en hoogstens gedurende den bronstijd bij paren. Over dag rust en herkauwt het, verborgen tusschen dicht struikgewas; met het aanbreken van de schemering gaat het fourageeren en gebruikt dan allerlei bladen, kruiden en bessen als voedsel. Water is voor zijn welzijn onontbeerlijk.
Alle bewegingen van dit vlugge en lenige dier geschieden op, een buitengewoon sierlijke en lichte wijze. Het kan betrekkelijk groote sprongen doen en weet behendig alle moeielijkheden, die het op zijn weg ontmoet, te overwinnen. Daar de fijne ledematen echter weldra den dienst weigeren, zou het allicht een buit worden van zijne vijanden, als het hun niet door een eigenaardige list wist te ontkomen. Gewoonlijk tracht het zich bij dreigend gevaar in het struikgewas te verbergen; zoodra het echter gevoelt, dat het niet verder kan komen, gaat het rustig op den grond liggen en houdt zich dood, evenals de Opossum in dergelijke omstandigheden doet. De vijand nadert en meent met een greep zijn doel te zullen bereiken, maar op eens, nog voordat hij bij het diertje is gekomen maakt dit één of twee sprongen en rent bliksemsnel weg.
In den laatsten tijd worden exemplaren van deze of andere soorten van Dwergmuscusdieren dikwijls naar Europa overgebracht, en hier gedurende geruimen tijd in 't leven gehouden. De eigenaars van rondreizende menagerieën zijn reeds overal geweest met den eenen of anderen vertegenwoordiger van deze diergroep, en hebben hem aan 't publiek vertoond. Het dier trekt de aandacht door zijn lief en aardig voorkomen; het is zeer zindelijk; het poetst en likt zich aanhoudend. De groote, fraaie oogen zouden doen vermoeden, dat het ook door de ontwikkeling zijner geestvermogens zeer hoog staat, wat echter niet het geval is; het geeft op geenerlei wijze blijken van een groot verstand, maar is veeleer rustig, stil en vervelend. Het kent geen ander gebruik van den dag dan eten, herkauwen en slapen. Zelden hoort men zijn fijn, zacht stemmetje: een geluid, dat met een zwak geblaas vergeleken kan worden.
De Javanen maken, naar men zegt, ijverig jacht op dit dier en houden veel van zijn zacht en zoetachtig vleesch. Ook worden de fijne pootjes op sommige plaatsen met een gouden of zilveren beslag voorzien en daarna bij 't stoppen van tabakspijpen gebruikt.
De tweede onderorde van de _Evenvingerigen_ omvat de _Niet_-_herkauwers_, die over twee familiën worden verdeeld: de _Zwijnen_ en de _Nijlpaarden_.
Bij de _Borsteldieren_ of _Zwijnen_ (_Suidae_) eindigt de zijdelings samengedrukte romp in een dunnen, langen en gekrulden staart; de nagenoeg kegelvormige, van voren afgeknotte kop loopt uit in een langwerpigen snuit, die van voren verbreed is tot een wroetschijf, waarin de neusgaten geplaatst zijn; de ooren zijn middelmatig groot en staan gewoonlijk rechtop; de oogspleten hebben een scheeve richting en laten betrekkelijk kleine oogen zien; de pooten zijn slank en dun, de teenen bij paren gegroepeerd; de 2 middelste, die het lichaam dragen, zijn aanmerkelijk grooter dan de 2 buitenste. De huid is bedekt met een meer of minder dicht borstelkleed. De talrijke op 2 reeksen geplaatste melktepels van 't wijfje komen aan den buik voor. Het geraamte is licht gebouwd en sierlijk van vorm. Bij alle Zwijnen zijn in de boven- zoowel als in de onderkaak alle drie soorten van tanden aanwezig. Het aantal snijtanden wisselt af van 1 tot 2 in elke bovenkaakshelft, en van 2 tot 3 in elke onderkaakshelft; niet zelden vallen deze tanden echter op lateren leeftijd uit. De hoektanden, die altijd voorhanden zijn, hebben een zeer eigenaardige gedaante: driekantig, sterk gekromd en bovenwaarts gebogen. De kiezen, welker aantal verschilt, zijn deels zijdelings samengedrukt, deels breed en met vele knobbels bezet. Van de spieren verdienen vermelding die, welke de lippen bewegen; vooral de spieren van de bovenlip zijn zeer forsch ontwikkeld, en verleenen den snuit voor 't wroeten de noodige kracht. Bij overvloedige voeding vormt zich onder de huid een speklaag, die een dikte van verscheidene centimeters kan bereiken.
Met uitzondering van Australië, waar alleen tamme Varkens voorkomen, bewonen de Borsteldieren bijna alle landen van de overige werelddeelen. In groote, moerassige wouden van bergachtige of vlakke gewesten, in vochtige wildernissen of andere ruig begroeide plaatsen, op met lang gras bedekte, drassige vlakten en op akkers houden zij verblijf. Alle zijn zeer gesteld op de nabijheid van water; zij zoeken moerassen, poelen en de oevers van rivieren en meren op; hier maken zij door in de modder te wroeten een leger, waarin zij gedurende hun rusttijd dikwijls half in 't water liggen; enkele soorten vinden ook wel een schuilplaats in groote gaten onder boomwortels. Voor 't meerendeel zijn deze dieren gezellig van aard; de door hen gevormde troepen zijn echter zelden zeer talrijk. Zij hebben een nachtelijke levenswijze, want ook op plaatsen, waar zij geen gevaar behoeven te vreezen, beginnen zij hunne werkzaamheden eerst, als de schemering aanvangt. Zij zijn volstrekt niet zoo plomp en onbeholpen, als zij er uitzien; integendeel, hunne bewegingen zijn betrekkelijk vlug. Hun gang is tamelijk snel, zij draven flink, hun galop bestaat uit een opeenvolging van eigenaardige sprongen, die alle gepaard gaan met een veel beteekenend geknor. Alle zwemmen voortreffelijk; zij trekken zelfs zeearmen over, om van het eene eiland op het andere te komen. Ook de zintuigen van de Zwijnen, vooral de reuk en het gehoor, zijn goed ontwikkeld; zij speuren en hooren uitmuntend. Naar het schijnt, ziet het kleine en flauwe oog niet bijzonder scherp, en zijn ook de smaak en het gevoel weinig ontwikkeld. Hoewel zij ieder gevaar in den regel voorzichtig en schuw ontvlieden, zullen zij toch, in 't nauw gebracht, zich dapper te weer stellen en dikwijls zelfs zonder eenige aarzeling hunne tegenstanders aanvallen. Zij trachten deze dan omver te loopen en met hunne scherpe hoektanden of "houwers" te wonden; zij weten deze vreeselijke wapens werkelijk met zoo veel behendigheid en met zoo groote kracht te gebruiken, dat zij zeer gevaarlijk kunnen worden. De mannetjes (beren) verdedigen hunne wijfjes (zeugen) en deze hare jongen (biggen) met veel zelfopoffering. De zwijnen zijn onleerzaam en koppig en, naar het schijnt, voor geen hoogeren graad van ontwikkeling vatbaar; over 't geheel genomen kan men hunne eigenschappen niet bepaald innemend noemen. Hun stem is een merkwaardig geknor, dat veel welbehagen en tevredenheid verraadt, en dus van een blijmoedige levensopvatting getuigt. Van oude "beren" hoort men ook wel een zwaar gebrom.
De Zwijnen zijn alleseters in de ruimste beteekenis van het woord. Alle eetbare voorwerpen, die zij vinden, zijn van hun gading. Weinige soorten voeden zich uitsluitend met plantaardige stoffen: wortels, kruiden, veld- en boomvruchten, bollen, paddestoelen enz.; de overige verslinden bovendien ook nog Insecten en hunne larven, Slakken, Wormen, Kikvorschen, Muizen, ja zelfs Visschen, en bijzonder gaarne krengen. Hun vraatzucht is zoo algemeen bekend, dat het niet noodig is hierover uit te wijden; deze eigenschap beheerscht eigenlijk alle overige, met uitzondering alleen van de voorbeeldelooze onzindelijkheid, die hun de verachting van den mensch op den hals heeft gehaald.
Slechts bij zeer weinige soorten werpt de zeug een gering aantal jongen (of slechts één); de overige brengen vele jongen ter wereld, soms wel 24: dus meer dan eenig ander Zoogdier. De biggen zijn alleraardigste, vroolijke, vlugge schepsels, waarin iedereen behagen zou scheppen, indien zij niet van den eersten levensdag af de onzindelijkheid van hunne ouders lieten blijken. Zij groeien merkwaardig snel en zijn reeds op éénjarigen leeftijd voor de voortplanting geschikt; in alle landen waar het leven hen vroolijk tegenlacht, krioelt het dan ook van deze dieren; zelfs daar, waar men ze volstrekt niet ontziet, kunnen zij hoogst moeielijk uitgeroeid worden.
Door hun buitengewoon sterk voortplantingsvermogen en hun onverschilligheid voor gewijzigde omstandigheden zijn zij uitnemend geschikt voor huisdieren. Weinige dieren laten zich zoo gemakkelijk temmen, weinige verwilderen echter ook weer zoo licht als zij. Een jong Wild Zwijn geraakt meestal spoedig aan de gevangenschap, aan het leven in den smerigsten stal, gewoon; een als huisdier geboren Zwijn wordt reeds, nadat hij weinige jaren in vrijheid heeft doorgebracht, een wild en boosaardig dier, dat ternauwernood nog van zijne wilde voorouders verschilt, en in den regel reeds bij den eersten worp jongen voortbrengt, die volkomen op de echte Wilde Zwijnen gelijken.
Alle Wilde Zwijnen voegen den landbouwer zooveel schade toe, dat zij niet geduld kunnen worden in gewesten waar de bodem bebouwd wordt. Overal waar de mensch zich voor goed gevestigd heeft, worden zij daarom zoo ijverig mogelijk vervolgd. De jacht op deze dieren wordt als een der edelste jachtbedrijven aangemerkt, en heeft werkelijk zeer veel aantrekkelijks, daar zij wezens betreft, die hun leven soms zeer duur weten te verkoopen.
Alleen in de noordelijkste gewesten trouwens is de mensch de ergste vijand van de in 't wild levende Zwijnen. De soorten, die in de keerkringslanden wonen, worden aanhoudend vervolgd door de groote leden van de familie der Katten en Honden, die soms een groote slachting onder de zwijnenkudden aanrichten. Vossen, kleine Katten en Roofvogels durven alleen biggen aanvallen; zij doen dit steeds met groote voorzichtigheid, daar de zeug haar kroost krachtdadig weet te verdedigen.
Alle soorten van Zwijnen gelijken op elkander, wat lichaamsbouw en aard betreft. Het geringe verschil, dat tusschen hen bestaat, berust op de meerdere of mindere slankheid van het lichaam, het aantal teenen en tanden en de ontwikkeling der slagtanden. 44 tanden, 4 teenen aan iederen voet en meestal 10 (minstens 8) tepels aan den buik van 't wijfje, eivormige, behaarde ooren en een middelmatig langen, aan de spits ruig behaarden staart kenmerken de _Zwijnen_ in de meest beperkte beteekenis van het woord (_Sus_), waarvan het Europeesche _Wilde Zwijn_ (de _Ever_, _sus scrofa_) een waardige vertegenwoordiger is. Dit sterk, forsch en weerbaar dier bereikt een totale lengte van ruim 2 M. (1.8 M. zonder den 25 cM. langen staart), een schouderhoogte van 95 cM. en een gewicht van 150 à 200 KG.; de grootte en het gewicht verschillen evenwel aanmerkelijk naar de verblijfplaats, het jaargetijde en het voedsel. De Wilde Zwijnen, die in moerassige streken leven, zijn altijd grooter dan die, welke in droge wouden voorkomen; die, welke op de eilanden van de Middellandsche Zee thuis behooren, staan altijd achter bij die van het vasteland. Door zijn gestalte gelijkt het Wilde Zwijn op zijn getemde afstammeling; zijn romp is echter korter en meer gedrongen; de pooten zijn steviger, de kop iets langer en slanker, de ooren staan meer overeind en zijn een weinig langer en spitser; bovendien worden de slagtanden grooter en scherper bij het Wilde dan bij het Tamme Zwijn. De kleur is verschillend, over 't algemeen rechtvaardigt zij echter den jagersterm "Zwartwild"; want grijze, roestkleurige, witte en gevlekte Wilde Zwijnen zijn zeldzaam. De jongen hebben op grijs roodachtigen grond geelachtige strepen, die tamelijk recht van voren naar achteren loopen, maar reeds in de eerste levensmaanden verdwijnen. Het haarkleed bestaat uit stijve, lange en spitse, aan den top dikwijls gespleten borstels; daartusschen staan korte, fijne wolharen, die, in verband met het jaargetijde, meer of minder overvloedig zijn. Aan den onderhals en den achterbuik zijn de borstels naar voren, aan de overige lichaamsdeelen naar achteren gericht; op den rug vormen zij een soort van kam of manen. Zwart of roetkleurig bruin is hun gewone kleur, de spitsen zijn echter geelachtig, grijs en roodachtig, hierdoor wordt de algemeene tint iets lichter. De ooren zijn zwartbruin, de snuit en de onderste helft van de pooten en klauwen zwart; aan het voorste gedeelte van het aangezicht is het borstelkleed gewoonlijk gesprenkeld. De roestkleurige en witgevlekte of half-zwarte en half-witte Zwijnen, die op sommige plaatsen voorkomen, houdt men voor afstammelingen van verwilderde Huiszwijnen, die indertijd losgelaten zijn om deze soort van wild te vermeerderen.
Vroeger was het Wilde Zwijn over geheel Europa verbreid; in het midden en in het zuiden van dit werelddeel kwam het overal veelvuldig voor. In Nederland trof men het vooral aan in de bosschen van het oostelijke gedeelte (o. a. in 't Groesbeeksche en 't Soerensche bosch); in sommige was het zelfs tot in het begin dezer eeuw vrij talrijk; sedert ruim 50 jaar is het van hier verdwenen; het exemplaar dat in November 1861 te Wehl, nabij 's Heerenberg, in de heerlijkheid van den graaf Van Golst geschoten werd, kan men als een overlooper uit de naburige Pruisische Rijnprovincie aanmerken. Ook in verscheidene andere Europeesche landen en gewesten is het tot vreugde van allen, die in land- en boschbouw belangstellen, en tot verdriet van alle jagers geheel uitgeroeid, of leeft het nog maar alleen in wildparken. Zijn verbreidingsgebied reikt niet verder dan tot 55° N.B. In Duitschland komt het in een staat van volslagen wildheid steeds nog talrijker voor, dan den boer lief is. Zoo vindt men het in den Elzas en in de Rijnlanden, in Hessen, Nassau, Hannover, Pommeren, Oost- en West-Pruisen, ook hier en daar in Brandenburg en Opper Silezië, Anhalt, Saksen en Thuringen; het is dus eigenlijk alleen in de vlakten, die arm aan bosschen zijn en in eenige kleine Duitsche Middelgebergten geheel verdelgd. Veelvuldiger nog dan in Duitschland treft men het aan in enkele wouden van de Fransche en Belgische gebergten, alsook in Polen, Galicië, Hongarije, de lage landen van het Donau-gebied, Zuid-Rusland, het Balkan-Schiereiland, Spanje en Portugal. In Azië wordt het gevonden van den Kaukasus tot den Amoer en van 55° N.B. tot aan de noordelijke helling van den Himalaja; in Afrika bewoont het alle voor zijn levenswijze geschikte oorden van den geheelen noordelijken rand van dit werelddeel. Eerst aan de overzijde van de hier aangeduide verbreidingsgrenzen wordt het door andere soorten vervangen. Deze zijn gedeeltelijk nog niet voldoende onderzocht en kunnen dus nog niet met zekerheid als goed omschreven soorten aangenomen worden. Op het vasteland van Indië heeft men het _Manenzwijn_ (_Sus cristatus_), op de Andamanen het _Andamanische Zwijn_ (_Sus andamanensis_), op Borneo het _Baardzwijn_ (_Sus barbatus_), het _Gestreepte Zwijn_ (_Sus vittatus_) en het Wrattenzwijn (_Sus verrucosus_); het Baardzwijn komt ook op Java en Ceram voor; op Celebes leeft het _Celebes_-_zwijn_ (_Sus celebensis_), op Timor het _Timor_-_zwijn_ (_Sus timorensis_), op Nieuw-Guinea het _Papoea_-_Zwijn_ (_Sus papuensis_) en het _Zwarte Zwijn_ (_Sus niger_), in Japan en op Formosa het _Witbaardzwijn_ (_Sus leucomystax_), in het binnenland van Noordoost-Afrika eindelijk het _Sennaar_-_zwijn_ (_Sus sennarensis_). De sterke Indische Ever schuwt den strijd met den Tijger in 't geheel niet en komt niet zelden als overwinnaar van de kampplaats; trouwens alleen een zeer onervaren Tijger durft een strijd met zulk een oud gediende aan te binden.