Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

Chapter 24

Chapter 243,618 wordsPublic domain

De vijanden van het Edelhert zijn de Wolf, de Los en de Veelvraat, zeldzamer de Beer. Van deze zijn de Wolf en de Los wel de gevaarlijkste. Benden Wolven vervolgen het Edelhert als er veel sneeuw ligt, jagen het na en maken het af; de Los springt van boven af op den hals van het niets kwaads duchtende dier, wanneer het de schuilplaats van den in hinderlaag liggenden roover voorbijgaat. De ergste vijand van het Edelhert is en blijft echter in alle omstandigheden de mensch, ofschoon deze het tegenwoordig niet meer op even gruwelijke wijze vervolgt en doodt als vroeger. Ik acht het wenschelijk niet verder over de hertenjacht uit te wijden, omdat een nauwkeurige beschrijving ons te ver zou voeren en belangstellenden hierover andere boeken kunnen raadplegen. Tegenwoordig is de gelegenheid voor dit edele vermaak reeds zeer schaarsch geworden; de meeste der thans bestaande beroepsjagers hebben nog nooit een Hert geschoten: dit wild blijft voor voornamere heeren bewaard. Dat de veel omslag vereischende "parforce-jachten" en andere dergelijke wijzen van hertenvangst van vreemden oorsprong zijn, kan ieder onmiddellijk afleiden uit hun met onzen volksaard zoo weinig overeenkomende inrichting. Onze voorvaders gebruikten voor het dooden van het Hert eenvoudig de buks.

Evenals andere Herkauwers, heeft ook het Edelhert veel te lijden van eenige soorten van Horzels (_Hypoderma Diana_ en _H. Actacon_). Deze leelijke Insecten leggen bij deze en andere soorten van Herten (Rendier, Ree enz.) hunne eieren op de huid, vooral van den rug; de pootlooze larven of maden, die uit deze eieren komen, boren zich door de huid heen en vatten post in het onderhuidsbindweefsel; hierdoor ontstaan ten slotte groote, uitwendig zichtbare etterbuilen; ongeveer een jaar na haar geboorte verlaat de Horzel-larve haar woonplaats, om in den poptoestand over te gaan, hetwelk in den grond geschiedt. Bovendien wordt ons wild nog hevig geplaagd door een soort van luis, die zich tusschen de haren nestelt, en door verschillende Muggen en Vliegen, o.a. door de Bremzen (_Tabanus_).

Ongelukkig is de schade, die het Hert aanricht, veel grooter dan het nut, dat het oplevert. Vooral om deze reden is het in vele gewesten van Europa uitgeroeid. Hoewel het vleesch, de huid en het gewei duur betaald worden, en men het genoegen, dat de jacht oplevert, ook op hoogen prijs moet stellen: de door het wild veroorzaakte schade wordt hierdoor niet opgewogen. De wenschen van den jager zijn nu eenmaal niet in overeenstemming te brengen met de belangen van den landbouwer.

In het noordwesten van Afrika leeft een Hert, dat men onder den naam _Cervus barbarus_ van het Edelhert onderscheiden heeft, maar dat niet algemeen als een afzonderlijke soort wordt erkend, maar veeleer als een verscheidenheid van ons Hert. Van de overige soorten van het ondergeslacht verdient nog vermelding de in Noord-Amerika levende _Wapiti_ (_Cervus canadensis_), daar hij de grootste soort is van het geheele geslacht: hij bereikt een lichaamslengte van 2.6 en een schouderhoogte van 1.6 M.

Onder de Indische Herten verdient in de eerste plaats het _Axis_-_Hert_, het _Dappled Deer_ (= Gestippeld Hert) der Engelschen (_Axis axis_), onze aandacht. Het vertegenwoordigt een afzonderlijk ondergeslacht en bereikt bij een lichaamslengte van 135 à 150 cM. een schouderhoogte van slechts 90 à 95 cM. Wat zijn kleur betreft, mag het beschouwd worden als een der fraaiste, zoo niet als het fraaiste van alle Herten. De grondkleur, grijsroodachtig bruin, maakt een aangenamen indruk; de rugstreep steekt er zeer donker bij af, op de schoft is zij nagenoeg zwart; de keel, de gorgel, de buik en de binnenzijde der pooten zijn geelachtig wit, de buitenzijde der pooten is geelachtig bruin. Zeven reeksen van witte, tamelijk onregelmatig gerangschikte vlekken op elke zijde vormen de teekening van het dier.

Het verbreidingsgebied van den Axis omvat geheel Indië en Ceylon, met uitzondering van Pandsjab, en de landen oostwaarts van hier tot aan Cosjin-China. Hij bewoont zoowel vlakke als heuvelachtige gewesten, komt voor in de bergreeksen, die aan den Himalaja voorafgaan en in de Sandarbands, in het echte hoogstammige woud zoowel als in de dsjungels, gewoonlijk echter in de nabijheid van het water. Waar de omgeving hem aanstaat, is hij zeer menigvuldig en vormt groote troepen, die tot aan den morgen op de open plaatsen van het woud grazen, gedurende den dag echter gewoonlijk beschaduwde oorden van het woud opzoeken. De inboorlingen en de Engelschen maken ijverig jacht op den Axis; waarschijnlijk is het een gevolg van deze veelvuldige vervolgingen, dat hij daar, waar hij vervolgingen heeft te vreezen, minstens even schuw is, als onze Herten. Dit neemt niet weg, dat de gevangen Axis spoedig volslagen tam wordt. Reeds vóór jaren heeft men hem naar Engeland overgebracht en de ervaring opgedaan, dat hij in dit zachte klimaat uitmuntend gedijt, en zich er ook voortplant; van Engeland is hij naar andere Europeesche landen verzonden, o. a. ook naar Duitschland. In een park bij Ludwigsburg houdt men hem sinds 50 jaren.

De meeste overige Herten van Indië hebben een eigenaardig uiterlijk, waardoor zij zich zeer onderscheiden van hunne, in Europa of in Amerika levende verwanten, maar dat moeielijk te omschrijven is. Over 't algemeen kan men zeggen, dat de bedoelde dieren [die gezamenlijk het ondergeslacht _Roesa_ (_Rusa_) vormen, welks naam aan het Maleisch ontleend is en "Hert" beteekent] meer of minder klein gebouwd zijn, krachtige ledematen, een korten hals en korten kop, maar een betrekkelijk langen staart hebben; hun vacht bestaat uit grove, brooze, dun geplaatste haren; het gewei, dat _alleen de mannetjes_ versiert, heeft in den regel niet meer dan zes spitsen (drie aan elke stang).

Het _Groote_, _Sumatraansche_ of _Maleische Waterhert_, de _Samboer_ van de bewoners van het Indische vasteland (_Rusa Aristotelis_, _Rusa equina_) werd reeds door Aristoteles duidelijk beschreven onder den naam "_Paardhert_" ("_Hippelaphus_") van welken naam men gebruik heeft gemaakt voor het aanduiden van de op Java voorkomende, verwante soort. Mijns inziens is de Samboer het statigste en edelste lid van zijn geslacht. Hij bereikt minstens de grootte van het Edelhert; Duvaucel beweert zelfs, dat enkele exemplaren, die hij op Sumatra heeft gezien, voor het grootste Paard niet onderdeden. Indië, de kusten van Malabar en Koromandel, Sylhet, Nepal, Malaka en Sumatra, misschien ook Borneo, vormen het vaderland van dit in Indië veelvuldig voorkomende en tegenwoordig ook in onze diergaarden niet zeldzame Hert, dat wegens zijn zeer donkere kleur ook wel het _Zwarte Hert_ wordt genoemd.

Het _Javaansche Waterhert_ of _Manenhert_ (_Rusa hippelaphus_) staat niet veel in grootte achter bij het Edelhert en wordt in geheel Indië waarschijnlijk alleen door den Samboer overtroffen [in de gebergten van 't zuidwesten van Azië ook nog door het _Perzische Manenhert_ (_Cervus Wallichi_)]. De lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt ruim 2 M., waarbij 30 cM. voor den staart, de schofthoogte ongeveer 1 M. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en mist de lange manen aan den hals en de kin, die het mannetje kenmerken. Beide zijn vaal grijsachtig bruin met een donkere, overlangsche streep op het midden van den rug. De jongen hebben geheel dezelfde kleur als de ouders, hetgeen zeer opmerkelijk is, daar zij bij andere geslachten van Herten aanvankelijk gevlekt zijn.

Voor zoover men weet, is Java het oorspronkelijk vaderland van dit Hert; van hier is het door jachtliefhebbers overgebracht naar Borneo, waar het bekend is onder den naam _Mindjangan Djawa_ ("het Javaansche Hert"); vermoedelijk geldt deze verklaring ook voor de aanwezigheid van deze diersoort op de Molukken en Timor. Dit zeer gezochte wild komt voor in zeer talrijke troepen, die aan de opene, op steppen gelijkende vlakten de voorkeur geven boven de bosschen. Gedurende het heetste gedeelte van den dag ligt het verborgen tusschen gras en riet of in het struikgewas; vóór zonsondergang begeeft het zich naar de plassen, waarin het zich verfrischt; met het vallen van den avond begint het voedsel te zoeken. Deze Herten houden zeer veel van het water: dit kan men ook waarnemen aan gevangen exemplaren, die men geen grooter genoegen kan doen, dan door hen in staat te stellen een modderbad te nemen.

De bewegingen van het Manenhert verdienen in 't kort besproken te worden. Geen der mij bekende Herten stapt zoo waardig, zoo fier langs den weg als deze soort. Zijn gang gelijkt volkomen op een aangeleerden pas, op den zoogenaamden Spaanschen stap van een schoolpaard. Iedere beweging van dit Hert komt overeen met die, welke een Paard in de genoemde omstandigheden maakt. Men zou kunnen meenen, dat het doordrongen is van de fierheid, die het aan den dag schijnt te leggen. Het licht den poot omzichtig op, steekt hem naar voren uit geheel op dezelfde wijze als het circus-paard en zet hem sierlijk weder op den grond; elke stap gaat gepaard met een passende beweging van den kop. Het is echter niet goed uit te maken, of deze gebaren fierheid of toorn moeten te kennen geven; want deze waardige gang gaat geregeld vergezeld van een verdacht omkrullen van de bovenlip, hetgeen bij alle soorten van Herten een teeken van groote opgewondenheid is. Nog wil ik doen opmerken, dat men, vooral gedurende deze bewegingswijze, bij het Manenhert een sterk geknetter hoort, evenals bij de Rendieren.

Wanneer het geoorloofd is uit de levenswijze van gevangen exemplaren een besluit te trekken dat geldig is voor de in 't wild levende, moeten de wintermaanden aangemerkt worden, als die, waarin deze Herten bronstig zijn. In de diergaarden werpen zij in Mei hun gewei af en "vegen" in September.

Bij de op groote schaal uitgevoerde drijfjachten van de Maleische vorsten worden dikwijls vele honderden Manenherten gedood, hoewel men geen vuurwapen, maar alleen zwaarden en speren gebruikt om ze te vellen, of strikken bezigt om ze levend te vangen. Volgens Junghuhn wordt dit Hert uitsluitend om zijn vleesch gejaagd; dit wordt in dunne schijven gesneden, met zout ingewreven en in de zon gedroogd; het heet dan "Djendeng" en wordt de meest gewilde toespijs geacht bij de rijstgerechten, die aan den disch der Javaansche hoofden nimmer ontbreken; ook op de Europeesche tafel wordt het als een uitmuntende spijs beschouwd. Het vel wordt niet gebruikt.

Het _Zwijnshert_ der Engelschen (_Rusa porcinus_) is een der meest algemeene Indische soorten en behoort tot de plompste vormen van de geheele familie; het heeft een tamelijk loggen lichaamsbouw, een dikken romp, korte pooten, een korten hals en een korten kop. In den regel is de algemeene kleur fraai koffie-bruin, bij het mannetje ook wel donkerder soms zelfs zwartbruin, bij 't wijfje vaak lichter, zelfs lederbruin. Het gewei van het mannetje heeft in den regel zes spitsen; de stangen zijn dun, staan op tamelijk hooge rozenstokken en bereiken een lengte van 35 à 40 cM.

Het Zwijnshert is in het grootste gedeelte van Britsch Indië en van Birma inheemsch. Het algemeenst is het in de oeverlanden van den Ganges, zeldzamer in Centraal-Indië. Gewoonlijk leven deze dieren eenzaam, nu en dan worden zij echter ook ten getale van twee of drie bijeen gevonden. Zij houden zich liever op in gewesten, die met gras en verspreide heesterboschjes begroeid zijn, dan in de dsjungels of in het echte woud, hoewel zij ook hier van tijd tot tijd op groote open plekken aangetroffen worden. Over dag liggen zij verborgen in hunne schuilplaatsen, 's nachts gaan zij voedsel zoeken; als zij opgejaagd worden, vluchten zij met omlaag gehouden kop op de eigenaardige, tamelijk onbeholpen wijze waaraan zij hun naam te danken hebben.

De meeste Zwijnsherten, die in onze diergaarden leven, komen uit Bengalen. Zij verdragen ons klimaat zeer goed, maar verlangen een beschutte plaats om hierin bij ruw weder een toevlucht te zoeken; zij planten zich gemakkelijk voort en vermenigvuldigen zich sterk, zelfs in een beperkte ruimte.

In Noord-Amerika en in het noorden van Zuid-Amerika wonen de _Mazama_-_herten_ (_Cariacus_), sierlijke, lieftallige dieren, die zich zoowel door hun lichaamsbouw als door de _geweien der mannetjes_ onderscheiden. Hun gestalte is zeer slank; de hals en de kop zijn lang, de pooten middelmatig hoog, maar zwak; de staart is tamelijk lang. De geweien zijn gaffelvormig verdeeld, of krommen zich boogvormig van achteren naar buiten en voren; elke stang heeft 3 à 7 spitsen, die alle binnenwaarts gebogen zijn; de oogspits is aanwezig, de ijsspits en de middelspits ontbreken. Het haarkleed bestaat uit dicht bijeengeplaatste, zachte haren van een levendige kleur; zij verlengen zich tot manen bij het mannetje en bovendien tot een staartkwast bij beide geslachten.

Een der meest bekende soort van deze groep, het _Virginia_-_hert_ (_Cariacus virginianus_), gelijkt in sommige opzichten op ons Damhert, waarmede het ook in grootte ongeveer overeenkomt; het kan er echter onmiddellijk van onderscheiden worden door zijn sierlijken bouw en vooral door den langwerpigen, fijnen kop, die misschien de schoonste van alle hertekoppen genoemd mag worden. Volgens de verzekering van den _Prins_ Von Wied wordt het Virginische Hert dikwijls aanmerkelijk grooter dan ons Damhert en staat niet ver achter bij het Edelhert. De kleur wisselt af overeenkomstig de jaargetijden. In het zomerkleed is een fraai, gelijkmatig geelrood, dat op den rug donkerder, naar de zijden lichter wordt, de heerschende kleur; de buik en de binnenzijde van de pooten zijn bleeker. De lengte van een middelmatig groot, mannelijk Hert bedraagt 1.8 M., de lengte van den staart 30 cM., de hoogte van het gewei 30 cM. en de lengte van elke hoofdstang, volgens de kromming gemeten, ongeveer 50 cM. In de schoft is zulk een Hert 1 M. hoog. Het aanmerkelijk kleinere wijfje wordt slechts 1.3 M. lang en niet meer dan 80 cM. hoog. Het kalf is op donkerbruinen grond zeer sierlijk wit of geelachtig wit gevlekt, maar gelijkt overigens op zijne ouders.

Volgens de mededeelingen der Amerikaansche dierkundigen bewoont dit fraaie Hert alle bosschen van Noord-Amerika, met uitzondering van die, welke het verst noordwaarts gelegen zijn. Naar gezegd wordt, komt het in de pelterijdistricten niet voor, maar wel in Canada. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van de oostkust van Noord-Amerika tot aan het Rotsgebergte en zuidwaarts tot in Mexico. Vroeger moet het overal in zeer grooten getale geleefd hebben; tegenwoordig is het uit de sterk bevolkte gewesten reeds bijna geheel verdrongen, of heeft althans naar de groote wouden van het gebergte de wijk moeten nemen. Over 't algemeen gelijkt zijn levenswijze op die van ons Edelhert.

"Dit wild," zegt Audubon, "is zeer gehecht aan de eens gekozen woonplaats en keert na vervolgingen altijd weer derwaarts terug. Wel is waar rust het niet iederen dag op hetzelfde leger, maar toch wordt het steeds in dezelfde streek gevonden, dikwijls geen 50 schreden verwijderd van de plaats waar het vroeger opgejaagd werd. Zijne lievelingsplaatsen zijn voormalige akkers, die gedeeltelijk weer met kreupelhout overwoekerd zijn en dit dier derhalve beschutting verschaffen. In de zuidelijke staten bezoekt het, vooral in den zomer, als het minder vervolgd wordt, dikwijls de hagen, die de plantages omringen, en staat hier gedurende den dag in een donkere wildernis tusschen riet, wilde wijnstokken en doornstruiken, in allen gevalle zoo dicht mogelijk bij zijn weideveld. De voorliefde voor zulke plaatsen is echter geen algemeen verschijnsel: dikwijls treft men talrijke sporen van deze Herten aan in velden, die slechts van veraf bezocht kunnen worden. In de bergstreken bespeurt men er nu en dan een, dat zich op soortgelijke wijze als een Steenbok of een Gems op een uitstekende rotspunt heeft neergevleid. Gewoonlijk echter verbergt dit wild zich tusschen allerlei lage struiken, naast omgevallen boomen en op dergelijke plaatsen. In het koude jaargetijde houdt het zich het liefst in beschutte en droge oorden op; het staat dan onder den wind en koestert zich in de zonnestralen. In den zomer trekt het zich gedurende den dag in de schaduwrijke gedeelten van het woud terug en kiest dan een verblijfplaats in de nabijheid van kleine rivieren of koele stroomen. Om de kwelling der Muggen te ontgaan, zoekt het dikwijls een toevlucht in een rivier of in een vijver en ligt hier tot aan den neus onder water.

"De wijze waarop dit Hert zich voedt, verschilt al naar den tijd van 't jaar. In den winter eet het de twijgen en bladen van het kreupelhout; in de lente en in den zomer zoekt het, en wel met zeer groote kieskeurigheid, het meest malsche gras uit, en komt dikwijls, door de jonge maïs- en andere graanplanten gelokt, op de akkers. Het houdt bijzonder veel van allerlei soorten van bessen, noten en dergelijke vruchten. Bij een zoo rijke keuze van voedsel zou men kunnen verwachten, dat dit Hert voortdurend een goed wildbraad zal opleveren; dit is echter niet het geval, want met uitzondering van een gedeelte van het jaar zijn deze dieren zeer slecht gevleescht. Van Augustus tot November zijn de mannetjes vet. Eigenhandig hebben wij er geschoten, die nagenoeg 80 KG. zwaar waren; men verhaalt, dat enkele een gewicht van meer dan 90 KG. bereiken. De bronst begint, in Carolina althans, in November, dikwijls trouwens iets vroeger.

"De wijfjes zijn het vetst van November tot Januari, vallen hierna af, en wel des te meer, naarmate de werptijd nadert, om weder toe te nemen, terwijl zij de kalveren zoogen. Deze worden in Carolina in April geboren; de wijfjes, die voor de eerste maal jongen werpen, doen dit echter gewoonlijk eerst in Mei of Juni. Als de kalveren nog slechts eenige dagen oud zijn, slapen zij dikwijls zoo vast, dat zij gevangen kunnen worden, voordat zij de komst van een mensch opmerken. Zij laten zich zeer spoedig temmen, en gaan reeds na verloop van weinige uren vertrouwelijk met hunne vangers om. Een vriend van ons bezat een wijfjeskalf, dat, toen het gevangen werd, bij een geit gebracht en door deze gezoogd werd; wij hebben andere van deze hert-kalvers door koeien zien grootbrengen. In de gevangenschap gedijen zij goed; het is ons echter gebleken, dat zij lastige huisgenooten zijn. Een paar, dat wij verscheidene jaren gehad hebben, had zich aangewend, onze studeerkamer door het open venster te bezoeken, en deed dit ook nog, zonder zich om de glasruiten te bekommeren, als de vensters gesloten waren. Over 't algemeen schenen deze dieren vernielzuchtig te zijn; zij likten en knabbelden aan de omslagen van de boeken en brachten dikwijls een groote verwarring in onze papieren. Geen struik in den tuin, hoe kostbaar ook, was veilig voor hen; zij knaagden zelfs aan onze paardentuigen, en vielen ten slotte ook de jonge Eenden en Hoenderen aan, beten hun den kop en de pooten af, en lieten daarna het verminkte lichaam liggen.

"Dit wild is smakelijker dan eenige diersoort, waarvan wij het vleesch geproefd hebben. Het is fijner dan dat van den Wapiti of van de Europeesche soorten van Herten; het smakelijkst was het echter in de hierboven genoemde maanden, waarin de dieren vet zijn.

"De Indianen hadden al hun list en hun geduld noodig om dit wild buit te maken, voordat hun jachtveld betreden werd door den blanke, met zijn geweer, zijn Paard en zijne Honden. De wilde bestreed dezen buit aan den Wolf en den Poema, en paste zeer verschillende jachtwijzen toe. De meest gebruikelijke list was het nabootsen van het geroep van het kalf of van het geschreeuw van den bok. Soms kleedde de wilde zich met het vel van een Hert, wiens gewei hij aan zijn hoofd had vastgebonden en deed trouw den gang en alle overige bewegingen van het dier na; op deze wijze gelukte het hem te midden van een kudde te sluipen, waar hij verscheidene Herten achtereenvolgens met den boog kon dooden voordat het wild zich uit de voeten maakte. Nadat de vuurwapenen hun bekend geworden zijn, hebben echter de meeste stammen het gebruik van pijl en boog laten varen en het geweer als wapen aangenomen."

De Mazama-herten, die ik onder mijn hoede had, naderden vol vertrouwen de personen die hun bekend waren, en namen niet alleen de hun geboden lekkernijen vriendelijk aan, maar lekten den gever bovendien dankbaar de hand. Ongelukkig is er een bezwaar tegen het houden van deze Herten in een beperkte ruimte: dikwijls breken zij hunne fijne pooten; gewoonlijk geschiedt dit op zulk een ongelukkige wijze, dat de genezing moeielijk of zelfs onmogelijk is. Zulk een verwonding kan het gevolg zijn van een onhandigen sprong in den stal.

Bij de in Zuid-Amerika inheemsche _Spruitherten_ (_Blastocerus_), die het Virginiahert en zijne verwanten het meest nabij komen, zijn de rechtopstaande geweien gaffelvormig vertakt; de voorste hoofdtak, die zich steeds zwakker ontwikkelt dan de achterste, is somtijds, de achterste altijd gegaffeld.

De meest bekende soort van dit geslacht--het _Pampas-hert_, de _Goeazoeï_ (_Blastocerus campestris_)--is in vergelijking met de andere leden der familie middelmatig groot: zijn lichaamslengte bedraagt 1.1 à 1.3 M., waarbij 10 cM. voor den staart; de schoft is 70, het kruis 75 cM. hoog. Door gestalte en kleur gelijkt het op ons Edelhert; zijn gewei herinnert aan dat van onze Ree, maar is slanker en heeft langere spitsen.

Paraguay, Uruguay en Noord-Argentinië zijn het vaderland van dit overal veelvuldig voorkomend Hert. Volgens Rengger wordt het hoofdzakelijk op open en droge velden in de weinig bevolkte gewesten gevonden; het vermijdt, zelfs wanneer het hevig vervolgd wordt, de nabuurschap van moerassen en de wouden. Het leeft paarsgewijs en in kleine troepen; de oude bok zondert zich af. Over dag rust dit Hert in 't hooge gras en houdt zich zoo stil, dat men dicht bij het dier langs kan rijden, zonder dat het zich beweegt. Na zonsondergang gaat het voedsel zoeken en zwerft dan den geheelen nacht rond. Het wijfje brengt slechts één jong ter wereld; dit geschiedt in de lente of in den herfst.

Jong gevangen Pampas-herten worden buitengewoon tam. Het dier leert alle bewoners van het huis onderscheiden, volgt hen overal, komt, als zij het roepen, speelt met hen en likt hun de handen en het gelaat; met de Huishonden en Paarden leeft het in goede verstandhouding, zelfs zoo, dat het ze soms met zijn gewei plaagt; het gaat echter voor vreemde personen en vreemde Honden uit den weg. Men kan het met allerlei rauwe en gekookte planten voeden; evenals zijne verwanten houdt het zeer veel van zout. Als het weder gunstig is, vermaakt het zich in de vrije natuur; in de middaguren herkauwt het; als het regent zoekt het onder dak een schuilplaats.

De _Ree_ vertegenwoordigt een afzonderlijk geslacht (_Capreolus_), dat gekenmerkt is door het rolronde, weinig (en dan gaffelvormig vertakte) gewei, dat een oneffen oppervlakte heeft en geen oogspits bezit.