Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen

Chapter 23

Chapter 233,780 wordsPublic domain

Het _Damhert_ (_Dama vulgaris_) is aanmerkelijk kleiner dan het Edelhert. Met inbegrip van den 16 à 19 cM. langen staart bereikt het eene totale lengte van ongeveer 1.6 M., een schouderhoogte van 85 à 90 cM. en een kruishoogte van 90 à 95 cM.; zijn gewicht zal zelden meer dan 100 à 120 K.G. bedragen. Het wijfje is kleiner. Door gestalte en beweging herinnert het Damhert aan de Geit; van het Edelhert onderscheidt het zich door de kortere en minder forsche pooten, het naar verhouding forschere lichaam, den korteren hals, de kortere ooren en den langeren staart, bovendien door de kleur. Geen van de hier te lande in 't wild of in parken voorkomende Herten biedt zoovele, deels van het jaargetijde, deels van den leeftijd afhangende kleursverscheidenheden aan als het Damhert. In den zomer zijn de bovendeelen, de schenkels en de spits van den staart roodachtig bruin, de zijden van het lichaam met witachtige vlekken bedekt, de onderdeelen en de binnenzijde van de pooten daarentegen wit; zwartachtige ringen omranden den mond en de oogen. Ieder haar van den rug is van onderen witachtig, roodbruin in 't midden en zwart aan de spits. In den winter hebben de bovenzijde van den kop, de bovenhals en de ooren een bruingrijze kleur; de rug en de zijden zijn dan zwartachtig, bijna zonder vlekken; de onderzijde is aschgrauw, dikwijls met roodachtige tint. Zuiver witte exemplaren, die in geen der jaargetijden van kleur veranderen en zich in den winter slechts door hun langere beharing onderscheiden, zijn niet bijzonder zeldzaam. Verscheidene mannetjesherten hebben in de jeugd een geelachtige vacht; zeldzamer treft men zwarte exemplaren aan.

De levenswijze en de bewegingen van het Damhert komen in vele opzichten met die van het Edelhert overeen. De zintuigen van beide dieren staat op nagenoeg gelijken ontwikkelingstrap, ook de geestvermogens zijn ongeveer dezelfde. Het Damhert is echter minder schuw en voorzichtig dan zijn edele stamgenoot; het krijgt op minder grooten afstand (ongeveer 300 schreden) de lucht van den mensch; dikwijls houdt het op klaarlichten dag verblijf op open plekken in het woud; van hier verwijdert het zich minder geregeld en minder ver dan het Edelhert. Het Damhert beweegt zich minder snel en behendig en kan minder goed springen; bij 't loopen licht het de pooten hooger op. Zoolang het bij het vluchten nog niet de grootst mogelijke snelheid ontwikkelt, maakt het evenals de Geiten korte sprongen; alle vier pooten zijn dan tegelijk boven den grond en de staart is omhoog gericht. Het kan over hindernissen van ongeveer 2 M. hoogte "heen vliegen". Ook kan het, zoo noodig, goed zwemmen; nooit wentelt het zich echter in het water zooals het Edelhert. Beide soorten gebruiken hetzelfde voedsel; het Damhert maakt echter meer gebruik van schors, en wordt vooral hierdoor schadelijk. Zeer opmerkelijk is het, dat dit dier soms vergiftige planten eet en zich hierdoor den dood op den hals haalt.

De Damherten zijn ongeduriger en onrustiger dan de Edelherten. Te dezen aanzien bestaat tusschen de beide soorten ongeveer hetzelfde verschil als tusschen het Konijn en de Haas. Toch zijn de Damherten over 't algemeen meer gehecht aan hun standplaats; zij volgen trouwer hunne gewone paden; ook vereenigen zij zich gewoonlijk tot grootere troepen.

Het Damhert draagt 8 maanden en kalft meestal in Juni; het aantal jongen is in den regel één, zelden twee. Het jong is in de eerste dagen van zijn leven zeer hulpbehoevend; het moet daarom door de oude dieren zorgvuldig beschermd en behoed worden. Door slagen met de voorpooten verdrijft de moeder kleine Roofdieren, die zich belust toonen op het bonte kalf; groote Roofdieren lokt zij weg van de plaats, waar haar kind zich schuil houdt, door langzaam voor hen langs te gaan en vervolgens snel te vluchten, om ten slotte met tallooze haken en schijngangen naar de oude plaats terug te keeren. Als het damhertkalf 6 maanden oud is, worden bij het mannetje verhevenheden op den rozenstok zichtbaar, waaruit zich tegen het einde van de eerstvolgende Februari-maand de "spiesen" ontwikkelen, die tot aan het "vegen", in Augustus, groeien. Nu heet het kalf een _Spiesbok_ of _Spitser_, in het tweede levensjaar wordt het een _Gaffelbok_ of _Gaffeler_. Eerst in het vijfde jaar begint de vorming van het platte gedeelte van het gewei, dat mettertijd niet slechts in grootte toeneemt, maar ook meer randspruiten verkrijgt. Zulke Herten worden onderscheiden naar de grootte van dit deel van het gewei. Een kalf van het vrouwelijk geslacht heet, als het één jaar oud is, een _Smaldier_, na de eerste paring een _Ouddier_; een wijfjes-hert wordt door den jager in 't algemeen _Dier_ genoemd. De oude Herten werpen in Mei, de spitsers in Juni hun gewei af; in den regel verliezen zij niet beide stangen te gelijk; maar het eene 2 à 3 dagen na het andere. In Augustus of September is het nieuwe gewei volkomen ontwikkeld.

Het Damhert wordt op groote drijfjachten of door bekruipen gejaagd: daar het zeer nauwgezet zijne "wissels" volgt, kan ook het "op den aanstand" (op de loer) jagen een goede uitkomst opleveren. De huid wordt wegens hare lenigheid en zachtheid hooger geschat dan die van het Edelhert. Het Damhert levert een uitmuntend wildbraad op, vooral van Juni tot in het midden van September, omdat de bok dan veel vet vormt.

Dit wild is beter dan eenige andere soort van Herten geschikt om in hertenparken gehouden te worden; het wordt zeer mak, staat ook over dag op open ruimten, is vroolijk, zelfs speelsch en zeer geneigd tot grappen. In een opzicht kan het ook als weerprofeet dienst doen; als het zeer onrustig en ongedurig is, kan men er tamelijk goed op aan, dat er guur, vooral stormachtig weer in aantocht is. Het Damhert geraakt ook aan de opsluiting in een meer beperkte ruimte gewoon en behoudt ook dan zijn vroolijkheid. Naar het schijnt, houdt het bijzonder veel van muziek; zelfs het in de vrije natuur levende dier komt, als het op den hoorn hoort blazen, al nader en nader om te luisteren.

De _Herten_ in de meest beperkte beteekenis van het woord--de _Edelherten_--komen voor in de beide noordelijke faunistische rijken; ook bij deze groep dragen _alleen de mannetjes geweien_; deze hebben ronde stangen. Van de meer of minder talrijke spitsen--"enden" of takken--zijn er minstens drie naar voren gericht; de oogspits en de middelspits zijn steeds aanwezig, de ijsspits komt minder standvastig tot ontwikkeling. Aan de buitenzijde van den middelvoet bevinden zich haarbosjes. De traangroeven zijn duidelijk. Bij oude mannetjes (zeldzamer ook bij zeer oude wijfjes) steken de hoektanden in de bovenkaak ver beneden de andere uit.

Een der statigste en edelste vormen van dit ondergeslacht--voor ons de belangrijkste van alle soorten--is het _Gewoon Hert_ of _Edelhert_ (_Cervus elaphus_). Hoewel slank, is het toch krachtig en fraai gebouwd; zijn houding is zoo edel en fier, dat het zijn naam met het volste recht draagt. Zijn grootte wisselt zeer af, al naar het gewest, waar het inheemsch is. Het bereikt een totale lengte van 1.85 à 2.15 M. (waarvan ongeveer 15 cM. op den staart komen), een schouderhoogte van 1.2 à 1.5 M. en een totaal gewicht van 160 à 270 KG.; soms treft men buitengewoon forsche Herten aan, die 300 KG. of meer wegen. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook anders van kleur. In grootte staat ons Hert alleen bij den Wapiti en het Perzische Hert achter; het overtreft alle andere bekende soorten van zijn geslacht te dezen aanzien. Het heeft een gestrekten, in de flanken ingetrokken romp met breede borst en sterk naar buiten tredende schouders, een rechten en platten rug, die in de schoft een weinig verheven, aan het kruis bol afgerond is, een langen, slanken, zijdelings samengedrukten hals, een langen, aan 't achterhoofd hoogen en breeden, naar voren sterk versmalden kop, met een vlak, tusschen de oogen uitgehold voorhoofd, en een rechten neusrug. De oogen zijn middelmatig groot en levendig, en hebben een langwerpig ronde pupil. De tamelijk groote traangroeven zijn schuins benedenwaarts naar de mondhoeken gericht; het zijn smalle, langwerpige sleuven, door welker binnenwand een vette, brijachtige massa wordt afgescheiden, die het dier later door wrijving tegen boomstammen er uit veegt. Middelmatig hooge, slanke, maar toch krachtige pooten dragen den romp; de teenen zijn met rechte, spitse, smalle en slanke hoeven voorzien; de bijhoeven zijn langwerpig rond, aan de spits plat afgeknot en hangen recht naar beneden; zij raken den bodem niet. De staart is kegelvormig en wordt naar de spits smaller. De romp is bedekt met fijn wolhaar en grof bovenhaar; de vacht ligt tamelijk dicht tegen de huid aan; alleen aan 't voorste deel van den hals komen langere haren voor. De stijve, niet overhangende bovenlip draagt drie reeksen van dunne, lange borstels; dergelijke haren staan ook boven de oogen. De kleur van het Gewone Hert--dat ook wel namen draagt, die "Roodhert" en "Roodwild" beteekenen--is verschillend al naar het jaargetijde, het geslacht en den leeftijd. De borstelharen zijn bruin, in den winter meer grijsachtig, in den zomer meer roodachtig; het wolhaar is aschgrauw met bruinachtige spitsen. Alleen bij de kalveren komen in de eerste maanden witte vlekken op de roodbruine grondkleur voor.

Het gewei rust op een korten rozenstok ("gewas"); het is enkelvoudig vertakt, heeft vele spitsen en staat rechtop. De stangen maken van haar oorsprong af een tamelijk sterke bocht, in dezelfde richting als het voorhoofd, naar achteren en naar buiten; van boven krommen zij zich weder in een flauwe bocht naar binnen, zoodat de uiteinden eenigszins naar elkander toegekeerd zijn. Van onderen ontspringt aan de voorzijde, van de stang de "oogspits", die eerst naar voren en verder op naar boven gericht is; hierboven, nu eens wat naderbij, dan weer wat verder af, komt de "ijsspits" te voorschijn; van het midden van de stang gaat de "middelspits" uit; aan het einde bevindt zich de "kroon", uit verscheidene spitsen bestaande, welker plaatsing en grootte op verschillenden leeftijd en ook wel bij individuën van gelijken ouderdom veel verscheidenheid aanbiedt. De stangen zijn rond, maar oneffen, met meer of minder knobbeltjes (parels) bezet (vooral aan de onderste gedeelten) en met talrijke, deels rechte, deels gekronkelde, overlangsche groeven voorzien. De toppen der spitsen zijn glad afgeslepen en vuil wit of geelachtig van kleur; terwijl het gewei overigens--al naar de plantensappen waarmede het in aanraking kwam--allerlei tinten van bruin, van licht runkleurig tot zwartbruin, kan vertoonen. Een flink gewei weegt 5 à 8 KG.; bij uitzondering worden ook thans nog geweien gevonden, die een gewicht van 10 à 12 KG. hebben, of zelfs nog zwaarder zijn. De stangen kunnen, langs de krommingen gemeten, 80 à 120 cM. lang worden, in zeer zeldzame gevallen nog langer.

In de jagerstaal worden de volgende uitdrukkingen gebruikt: Het mannelijke Hert heet _Hert_, _Edelhert_ of _Roodhert_; voor het wijfje gelden de bij het Damhert genoemde namen; ook noemt men het wel _Rooddier_ of _Hinde_; het jong heet _Kalf_, al naar het geslacht echter _Hertkalf_ of _Hindekalf_. Het Hertkalf wordt, als het één jaar oud geworden is, _Spieshert_ of _Spitser_ genoemd, in het tweede jaar krijgt het den naam _Gaffelhert_ of _Gaffeler_ in het derde heet het _Zesender_ enz., naar het aantal spitsen van beide stangen te zamen. Als het gewei volkomen regelmatig ontwikkeld is, noemt men het Hert een _even_-_ender_,--als de eene stang van de andere verschilt, _oneven_-_ender_ (_mismaakt_ gewei). In sommige gewesten wordt volgens jagersgebruik reeds de acht-ender, in andere eerst de tien-ender een "jaagbaar" Hert genoemd.

Ook thans nog bewoont het Hert bijna geheel Europa, met uitzondering van de allernoordelijkste landstreken; na verwante soorten bewonen een groot deel van Azië. In Europa reikt de noordelijke grens van zijn verbreidingsgebied tot 65, in Azië tot 55° N.B.; zuidwaarts reikt het tot aan Kaukasus en tot aan de gebergten van Mandsjoerije. In alle dicht bevolkte landen is het aantal Herten zeer verminderd of zijn zij geheel uitgeroeid, b.v. in Zwitserland en in vele deelen van Duitschland en Nederland. Volgens Van Bemmelen waren zij "vroeger in vele deelen van ons land menigvuldig, bijv. in de dicht begroeide duinstreken; onder anderen kwamen zij in zeer groote menigte voor tusschen 's Gravenhage en Egmond, waar men er nu sedert een eeuw geen enkel meer vindt; tegenwoordig zijn zij bijna geheel beperkt tot één streek, namelijk de lange rij van bosschen, die zich van Sonsbeek af tot aan de Soerensche wouden uitstrekt; nu en dan loopen evenwel enkele naar de naburige bosschen over."--"In vroegere tijden schijnt ook de Eland ons land bewoond te hebben, hoogst onwaarschijnlijk is dit van het Rendier."

Het veelvuldigst komt het Hert nog voor in Polen, Galicië, Bohemen, Moravië, Hongarije, Zevenburgen, Karinthië, Stiermarken en Tirol; veel algemeener dan in, deze landen treft men het echter aan in Azië, vooral in den Kaukasus en in het boschrijke zuiden van Siberië. Het Edelwild houdt meer van bergachtige dan van vlakke gewesten; het geeft de voorkeur aan groote, samenhangende wouden, vooral aan wouden van loofboomen. Hier vereenigen de Herten zich tot meer of minder groote troepen, waarin zij naar ouderdom en geslacht gesorteerd zijn: de "oude dieren", kalveren, spitsers, gaffelers en smaldieren blijven gewoonlijk met elkander vereenigd; de forschere "herten" vormen kleine afzonderlijke troepen; de grootste mannetjes ("kapitale herten") leven tot aan den bronsttijd meestal eenzaam. In den winter keert het Hert van de bergen naar lagere landstreken terug, in den zomer stijgt het tot de hoogste toppen van de Middelgebergten; over 't algemeen echter blijft het, zoolang het ongestoord leven kan, aan zijn woonplaats getrouw; alleen in den bronsttijd of bij het "opzetten" van de nieuwe geweien of eindelijk bij gebrek aan voedsel verlaat het vrijwillig zijn oorspronkelijk gebied.

Alle bewegingen van het Hert zijn licht en sierlijk, maar tevens fier en waardig; vooral het mannetje onderscheidt zich door zijn edele houding. Reeds bij het begin van de vlucht beweegt het zich zeer snel; als de nood dringt, verplaatst het zich echter met bijna ongeloofelijken spoed. Verbazend groote sprongen doet het met gemak als 't ware spelenderwijs; hindernissen van allerlei aard komt het zonder oponthoud te boven, in tijden van gevaar zwemt het zonder aarzeling over breede stroomen, ja zelfs (in Noorwegen niet zelden) over zeearmen. Reeds in den ouden tijd heeft men alle verschijnselen, die ons het Hert doen kennen, nauwkeurig waargenomen. De ervaren jager kan na een kortstondig onderzoek van het spoor van het Hert met onfeilbare gewisheid zeggen, of het van een mannetje, dan wel van een wijfje afkomstig is, en bepaalt hiernaar zelfs tamelijk juist den leeftijd. De kenteekenen van het spoor worden "deugdelijk" genoemd, als zij tot geen vergissing aanleiding kunnen geven; naar hen regelt de jager zijne handelingen. Onze voorouders kenden 72 zulke teekens; Dietrich aus dem Winckell is echter van oordeel, dat men ze tot 27 zou kunnen verminderen. Voor den ongeoefende is het geen gemakkelijke zaak om de sporen van het mannetje en van het oude wijfje, zelfs wanneer hij ze kort te voren naast elkander heeft gezien, een paar schreden verder weder te onderscheiden.

Onder de zintuigen van het Edelhert zijn het gehoor, de reuk en het gezicht uitmuntend ontwikkeld. Tot op een afstand van 600 schreden krijgt het de lucht van een mensch. Ook het gehoor is buitengewoon scherp; niet het geringste gedruisch dat in het woud voorkomt, ontsnapt er aan. Over den aard en de geestvermogens van het Edelhert loopen de meeningen tamelijk ver uiteen. Volgens de waarnemingen uit den laatsten tijd is dit dier niet schranderder of beminnelijker dan andere in 't wild levende Herkauwers. Het is zeer angstig en schuw, maar niet loos en verstandig. Zijn geheugen schijnt zwak, zijn bevattingsvermogen gering te zijn. Langzamerhand doet ook dit dier ervaringen op en maakt er geen ongeschikt gebruik van; als zijne hartstochten opgewekt zijn, vergeet het dikwijls de zorg voor zijn veiligheid, die in andere gevallen altijd in de eerste plaats zijn aandacht in beslag neemt.

Het lijdt geen twijfel, dat de vreesachtigheid van het Hert een gevolg is van de ervaring, dat de mensch zijn gevaarlijkste vijand en in hooge mate te vreezen is. Op plaatsen waar het Hert zich volkomen veilig kan achten, wordt het zeer mak. In het Prater bij Weenen stonden vroeger groote troepen van deze statige dieren, die volkomen gewend waren geraakt aan het gewemel der wandelaars, en die, naar ik op grond van persoonlijke ervaring verzekeren kan, een man tot op afstand van 30 schreden lieten naderen. Een van deze herten was langzamerhand zoo stoutmoedig geworden, dat het onbeschroomd naar de uitspanningsplaatsen ging, tusschen de tafeltjes doorliep en aan de dames de hand likte, waarmede het te kennen wilde geven, dat het bereid was de klontjes suiker of de koekjes in ontvangst te nemen, waarop de bezoekers het dier gewoonlijk tracteerden. Bij de voederplaatsen worden de Edelherten dikwijls merkwaardig tam.

Anders is het gesteld, wanneer het Hert in een nauwe ruimte opgesloten wordt, of wanneer de bronsttijd aangevangen is. In deze beide omstandigheden wordt het dier dikwijls door de geringste kleinigheid tot toorn vervoerd en valt ook de menschen aan. In oude en nieuwere jachthoeken worden vele gevallen vermeld van Herten, die menschen, dikwijls zonder dat deze er eenige aanleiding toe gaven, te lijf gingen en hen wondden of doodden.

"De bronsttijd van het Hert," zegt _Dietrich aus dem Winckell_, "begint in den aanvang van September en duurt tot aan het midden van October.

"'s Avonds en 's morgens weergalmt in het woud het geschreeuw ("burlen") der bronstige mannetjes, die zich ternauwernood den tijd gunnen om het noodige voedsel te gebruiken en slechts nu en dan zich verfrisschen in een naburigen plas of vijver, waarheen de wijfjes hen vergezellen. Andere, minder gelukkige mededingers beantwoorden vol nijd dit geschreeuw en naderen met het voornemen alles te wagen om door dapperheid of list de ook door hen begeerde plaats te veroveren. Nauwelijks heeft de bij de wijfjes staande bok zijn tegenstander in 't oog gekregen, of hij gaat hem gloeiend van ijverzucht te gemoet. Thans begint een strijd, die dikwijls aan één der strijders, soms aan beide het leven kost. Woedend gaan zij met benedenwaarts gerichten kop op elkander af; ieder tracht met bewonderenswaardige behendigheid zijn tegenstander te wonden en diens stooten te pareeren. Tot in het woud weerklinkt het geluid van de tegen elkander botsende geweien; wee den strijder, die door ouderdomszwakte of door een toeval zich bloot geeft! Zijn tegenpartij zal stellig gebruik maken van de gelegenheid om hem de scherpe oogspitsen in 't lijf te booren. Het is wel eens gebeurd, dat de geweien bij den strijd zoo onwrikbaar in elkander verward geraakten, dat de beide dieren niet meer los konden komen en ellendig om 't leven kwamen. Ook na hun dood was geen menschelijke kracht in staat om de stangen, zonder beschadiging van de takken van een te scheiden. Dikwijls blijft de strijd uren onbeslist en eindigt eerst als een der partijen, geheel uitgeput door vermoeienis, zich overwonnen geeft en het veld ruimt."

"Het wijfje draagt 40 of 41 weken. Tegen het einde van Mei of in Juni brengt het één kalf ter wereld, zelden twee. Als de werptijd nadert, zoekt het eenzaamheid en rust in het dichtst van het woud. De kalveren zijn gedurende de drie eerste levensdagen zoo hulpbehoevend, dat zij hun plaats niet verlaten. Men kan ze zelfs met de hand opnemen. Slechts zelden en gedurende korten tijd verlaat de moeder hare jongen, terwijl deze haar hulp zoozeer behoeven. Zelfs wanneer zij van 't leger verjaagd wordt, verwijdert zij zich slechts zoover, als noodig is om door een voorgewende vlucht het werkelijke of denkbeeldige gevaar af te wenden. Zoodra het kalf een week oud geworden is, zou het vergeefsche moeite zijn het zonder net te willen vangen. Het volgt nu de moeder overal heen en "drukt zich" onmiddellijk in het hooge gras, zoodra deze "gewag maakt," d.w.z. een kreet van schrik laat hooren of met de voorpooten snel en krachtig op den grond stampt. Het kalf zuigt tot aan den volgende bronsttijd en wordt van zijn jeugd af door de moeder onderricht in de keuze van het voor hen geschikte voedsel."

Nu vangt het aan afwisseling zoo rijke leven van het Edelhert aan. Het "hindekalf" is reeds in het derde levensjaar volwassen. Voordat het "hertkalf" alle rechten op de alleenheerschappij kan doen gelden, moeten er een reeks van jaren verloopen. Als het zeven maanden oud geworden is, neemt de vorming van het eerste gewei een aanvang; na dien tijd wisselt het ieder jaar zijn kopsieraad. De hoofdstang heeft in den beginne slechts één enkele, gelijkmatige en zwakke kromming. Bij den zes-ender heeft zij een knievormige bocht naar achteren gekregen tegenover de plaats, waar de middelspits ontspringt. Een tweede knievormige bocht krijgt zij bij den twaalf-ender aan den voet van de hier driespitsige kroon. (Deze heeft het reeds bij den acht-ender aanwezige gaffelvormig eindstuk van het gewei van den tien-ender vervangen). Een derde knievormige bocht ontstaat bij den veertien-ender, een vierde bij den twintig-ender, telkens in hoogere gedeelten van de kroon. Bij al deze veranderingen blijft de spits van de hoofdstang steeds naar binnen gericht. Ieder van de genoemde krommingen behoudt gedurende alle volgende ontwikkelingstijdperken van het gewei denzelfden stand ten opzichte van de spitsen, maar neemt telkens in duidelijkheid toe.--Intusschen ondergaat de oogspits eenige niet minder opmerkelijke veranderingen. In 't eerst staat zij tamelijk hoog aan de hoofdstang, bij latere geweien komt zij steeds nader bij den "rozenkrans" (het verdikte onderste gedeelte van het gewei, dat als 't ware uit een krans van knobbeltjes bestaat). De hoek, dien de oogspits met de hoofdstang maakt, is aanvankelijk scherp, maar neemt allengs in grootte toe; bij den tien-ender is hij reeds stomp geworden. Soortgelijke veranderingen ondergaan de middelspits, de ijsspits en de kroon. Van een kroon is, zooals hierboven gezegd is, voor 't eerst sprake bij den twaalf-ender; haar binnenste spits (de top van de hoofdstang dus) groeit in 't volgende gewei tot een gaffel uit; de kroon van den veertien-ender bestaat derhalve uit twee gaffels; de bovenste van deze is bij den zestien-ender door drie spitsen vervangen; nu bestaat de kroon dus uit een gaffel en een driespitsige vork; de buitenste spits van deze is bij den achttien-ender weder tot een gaffel uitgegroeid; dit gewei heeft dus een uit drie boven elkander geplaatste gaffels samengestelde kroon; bij den twintig-ender eindelijk is in de plaats van den laatstgevormden gaffel een driespitsige vork gekomen. Meer dan twintig op normale wijze ontwikkelde spitsen komen aan een gewei vermoedelijk zeer zelden voor; achtien-enders ziet men reeds in iedere matig groote verzameling; onder de levende Herten zijn zestien-enders ook thans nog geen zeldzaamheid. Bij overvloedige voeding kan het gebeuren, dat bij de vorming van een nieuw gewei den toestand van zes-ender en van tien-ender overgesprongen wordt; nog veelvuldiger echter komt het voor, dat in een nieuw gewei het vorige aantal spitsen herhaald wordt, en even dikwijls keert het terug tot een geringer aantal. In dit opzicht vormt de toestand van tien-ender een opmerkelijk keerpunt in 't leven van een Hert: als het eens een "kroon" gedragen heeft, zal het nooit meer een gewei krijgen met minder dan tien spitsen.