Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 22
"Tegen het einde van Mei", zegt Von Wrangel, "verlaat het wilde Rendier in groote kudden de wouden, waar het in den winter eenige beschutting tegen de felle koude zoekt, en trekt naar de verder noordwaarts gelegen vlakten, gedeeltelijk omdat daar (in de mossteppen) beter voedsel te vinden is, gedeeltelijk echter ook om te ontkomen aan de Vliegen en Muggen, die, zoodra de lente aanvangt, in verbazend groote zwermen de lucht verduisteren. De trek in de lente levert aan de volkstammen, die deze gewesten bewonen, geen voordeel op; want in dit jaargetijde zijn de dieren mager en door de steken van de Insecten geheel met builen en wonden bedekt; in Augustus en September echter, als de Rendieren uit de vlakten naar de wouden terugkeeren, zijn zij gezond en goed gevoed en verschaffen zij den jager een smakelijke, krachtige spijs. In gunstige jaren bestaat de rendierentrek uit verscheidene duizenden exemplaren, die, hoewel zij in kudden van 200 à 300 stuks gegroepeerd zijn, toch altijd tamelijk dicht bijeenblijven, zoodat het geheel een ontzaglijk groot leger vormt. Steeds volgen zij denzelfden weg. Voor 't overtrekken van een rivier kiezen zij een plaats uit, waar een droge dalweg naar den oever leidt, en een zandbank hen het beklimmen van den tegenovergestelden oever gemakkelijk maakt. Hier dringen de leden van iedere kudde dicht opeen, en de geheele waterspiegel is met zwemmende dieren bedekt." Op het vasteland van Amerika verhuizen deze dieren op soortgelijke wijze als in Siberië van de gebergten naar de kust en omgekeerd.
In Noorwegen trekken de Rendieren niet, maar verwisselen hoogstens den eenen bergrug voor den anderen. Deze gebergten zijn trouwens van zulk een aard, dat zij hun alle voordeelen verschaffen, die hunne Siberische verwanten door het trekken deelachtig worden. In den tijd van de Muggen begeven de wilde Rendieren zich omhoog naar de gletschers en sneeuwvelden; in den herfst, den winter en de lente zoeken zij lager gelegen bergstreken op. Alle wilde Rendieren houden zeer veel van gezelligheid. Hunne troepen zijn veel grooter dan die van andere Herten; eenzaam levende dieren treft men slechts zelden aan; dit zijn dan steeds oude mannetjes, die door de andere leden van den troep in de ban gedaan zijn.
De Rendieren zijn uitmuntend geschikt om deze noordelijke landen te bewonen, die in den zomer één en al moeras, in den winter een uitgestrekt sneeuwveld zijn. Hunne beide hoeven stellen hen in staat om even goed over moerassige plaatsen en sneeuwlagen te gaan, als bij steenachtige berghellingen op en af te klauteren. De gang van het Rendier is een tamelijk snelle pas of een vlugge draf. Men hoort bij iedere beweging een eigenaardig geknetter, dat nog het meest overeenkomt met het geluid, dat een electrische vonk veroorzaakt. Dit is ook het geval, wanneer zij de pooten op den grond laten rusten en zich eenvoudig een weinig naar voren of zijwaarts buigen. Ik meen er voor te kunnen instaan, dat bij deze buigingen de bijhoeven niet tegen de ware hoeven tikken. Men hoort het gedruisch echter niet, wanneer de hoeven en bijhoeven met een lap linnen omwikkeld zijn. Van jonge Rendieren verneemt men het niet en ook niet van oude, als zij door de sneeuw waden. Deze feiten zijn in strijd met de meening van de Lappen, die dit geluid vergelijken met het bekende knappen van de vingers en dus de oorzaak hiervan in het gewricht zoeken.
Wanneer het Rendier langzaam over een moerassige vlakte gaat, breidt het zijne hoeven zoover uit, dat het hierdoor ontstaande spoor eerder op dat van een Rund dan op dat van een Hert gelijkt. Op dezelfde wijze loopt het over de sneeuw: zoodra deze een weinig beklonken is, zal het er niet meer in wegzakken. In het zwemmen zijn de Rendieren goed ervaren; zonder aarzeling trekken zij over breede stroomen. De Lappen drijven geheele kudden door de fjords van het eene eiland naar het andere.
Alle zintuigen van het Rendier zijn voortreffelijk. Het heeft een fijnen neus: ik heb mijzelf er van kunnen overtuigen, dat het op een afstand van 500 à 600 schreden de lucht van iets krijgt. Het hoort minstens even goed als het Hert, en heeft zulk een scherp gezicht, dat de jager, zelfs wanneer hij onder den wind het dier besluipt, zich wel terdege mag schuil houden. Voor de ontwikkeling van het smaakzintuig pleit de kieschkeurigheid, die het bij het grazen toont; het weet steeds de beste Alpenplanten uit te kiezen. Alle jagers, die wilde Rendieren hebben leeren kennen, schrijven hun schranderheid, ja zelfs een zekere listigheid toe: zonder eenigen twijfel zijn zij in de hoogste mate schuw en voorzichtig. Tegenover andere dieren zijn zij volstrekt niet schroomvallig: vol vertrouwen naderen zij de Runderen en Paarden, die op hunne bergen grazen; ook voegen zij zich zeer gaarne bij tamme dieren van hun soort, hoewel zij zeer goed beseffen, dat zij niet met huns gelijken te doen hebben. Hieruit blijkt, dat hunne schuwheid en vrees voor den mensch op ervaring berusten; men moet hun dus een zekere mate van verstandelijke ontwikkeling toeschrijven.
In den zomer voedt het wilde Rendier zich met saprijke Alpenkruiden, vooral met de bladen en bloemen van sneeuwranonkels, rendierzuring, boterbloemen, zwenkgrassen enz., gedurende den winter met korstmossen.
In Noorwegen vangt de bronsttijd van het Rendier tegen het einde van September aan. In het midden van April worden de jongen geboren; de drachtigheid duurt dus 30 weken. Nooit brengen de wilde Rendieren meer dan één kalf ter wereld. Dit is een fraai diertje, dat door zijn moeder liefderijk verzorgd en langen tijd gezoogd wordt.
Voor de jacht op het wilde Rendier zijn alleen hartstochtelijke liefhebbers van de jacht geschikt of echte natuuronderzoekers die niet tegen moeite en ontberingen opzien. In Noorwegen is het besluipen van het wild voor hen die hierin geoefend zijn, de beste wijze van jagen. Niet zelden is een troep Rendieren, die men beslopen heeft, na het eerste schot zoo verbijsterd, dat zij nog een geruimen tijd verwonderd blijven staan. Eerst nadat zij den jager in 't oog gekregen hebben, nemen zij de vlucht. De Noorsche jagers weten dit en gaan daarom liefst met hun tweeën, drieën of vieren op de jacht; als zij het wild beslopen hebben, mikken zij volgens afspraak op bepaalde dieren; één hunner schiet het eerst, daarna schieten de anderen ook.--Voor vele Siberische volksstammen is de rendierenjacht een hoogst belangrijk bedrijf. "De Joekahieren en de overige bewoners van de landstreek langs de Anioej-rivier in Siberië," zegt Von Wrangel, "hangen geheel van het Rendier af, dat hier, evenals in Lapland, bijna uitsluitend in de behoefte aan voedsel, kleeding, voertuigen en woningen voorziet. De uitslag van de rendierenjacht beslist, of bij deze stammen hongersnood of welstand zal heerschen; voor hen is het belangrijkste tijdperk van het geheele jaar dat, waarin de Rendieren trekken. Zoodra deze dieren gedurende hunne op bepaalde tijden plaats hebbende verhuizingen bij rivieren komen en gereed zijn om ze over te zwemmen, komen de jagers in hunne kleine bootjes pijlsnel van achter struiken, rotsen enz., waar zij zich tot dusver verborgen hielden, te voorschijn, omringen den zwemmenden troep en trachten hem tegen te houden, terwijl twee of drie van hen, met een korte lans gewapend, zich in hunne bootjes te midden van de Rendieren begeven en in ongeloofelijk korten tijd er een groot aantal van dooden of althans zoo zwaar wonden, dat zij hoogstens den oever kunnen bereiken, waar zij in de handen vallen van de hier wachtende vrouwen, meisjes en kinderen. Deze jacht is trouwens met groot gevaar verbonden. Te midden van het ontzaglijk gewoel van dicht bij elkander zwemmende dieren is de kleine, lichte boot ieder oogenblik op het punt van om te slaan; bovendien verweren de vervolgde dieren zich op alle mogelijke wijzen, de mannetjes met de geweien en tanden, de wijfjes meestal door met de voorpooten op den rand van de boot te springen. Als deze omslaat, is de jager gewoonlijk verloren; het is voor hem bijna onmogelijk uit het gedrang te komen."
Verscheidene Indiaansche volksstammen in Noord-Amerika leven eveneens, bijna uitsluitend, naar King bericht, van de rendierenjacht. Groote kudden van vele duizenden stuks trekken in de lente noordwaarts naar de IJszee en in den herfst weder zuidwaarts. Zij hebben dan een vetlaag van 7 à 12 cM. dikte onder de huid van den rug en van de schenkels en zijn daarom juist in dezen tijd het hoofddoel van de jacht. Men schiet het wild met vuurwapens, vangt het in strikken, doodt het met spiesen, terwijl het de rivieren overzwemt, graaft diepe valkuilen, of bouwt van takken en struiken twee schuttingen, beide met smalle openingen voorzien, die ieder een strik bevatten, drijft den troep tusschen de heiningen door zoodat de dieren, die ontsnappen willen in de strikken blijven hangen, of als zij aan het einde van de afgeschutte ruimte zijn gekomen, doodgestoken kunnen worden.
De Indianen maken een soortgelijk gebruik van de lichaamsdeelen van het wilde Rendier als de Lappen van het tamme. Van de geweien en beenderen vervaardigen zij hunne voor de vischvangst dienende speren en haken, met het overlangsch gespleten scheenbeen schaven zij de huiden af om ze te bevrijden van vleesch, vet en haar; met rendierhersenen smeren zij de huiden in om ze lenig te maken. Met het leer, dat door het blootstellen van deze huiden aan den rook van rottend hout verkregen wordt, bekleeden zij het uit palen bestaande geraamte van hun tent; de ongelooide huiden verschaffen hun koorden voor hunne bogen en netten; de pezen van den rug worden gespouwen in vezels, die als naaigaren dienst doen; de zachte, op pelzen gelijkende vellen van de kalveren leveren de grondstof voor hunne kleederen. Van 't hoofd tot aan de voeten bekleeden zij zich met rendiervellen, leggen een ander, zachtgelooid vel op de sneeuw, dekken zich met een dergelijk vel toe, en zijn op deze wijze in staat om weerstand te bieden aan de felste koude. Geen stukje van het Rendier blijft ongebruikt, niet eens de spijsbrij in zijn maag. Nadat deze eenigen tijd bewaard geworden is en een soort van gisting ondergaan heeft, wordt zij als een zeer smakelijk gerecht beschouwd.
Het wilde Rendier heeft, behalve den mensch, nog vele andere vijanden. De gevaarlijkste van deze is de Wolf. Steeds waart hij in de nabijheid van de troepen Rendieren rond, met de meeste volharding doet hij dit echter in den winter. In Noorwegen moesten de rendierfokkerijen, die men op de gebergten van het zuiden wilde aanleggen, wegens de Wolven opgegeven worden. Ook de Veelvraat, de Los en de Beer maken jacht op de Rendieren. Naast deze groote roovers moeten eenige kleine, schijnbaar machtelooze Insecten, als de ergste vijanden van de Rendieren beschouwd worden.
Jong gevangen Rendieren worden zeer spoedig tam; men zou zich echter een verkeerde voorstelling vormen van een tam Rendier, wanneer men het, wat zijn onderworpenheid aan den mensch betreft, met onze huisdieren ging gelijkstellen. Niet eens de nakomelingen van de Rendieren, die sedert onheugelijke tijden in gevangenschap leven, zijn zoo tam als onze huisdieren, maar verkeeren nog steeds in half wilden toestand. Alleen de Lappen en hunne Honden zijn in staat om zulke kudden te leiden en te beheerschen.
Trouwens niet alleen de Lappen houden zich bezig met het fokken van Rendieren, maar ook de Finnen en vele Siberische volksstammen. Het tamme Rendier is de steun en de trots, de lust en de rijkdom, de plaag en de last van den Laplander; in zijn schatting staat hij, die zijne Rendieren bij honderden telt, op het toppunt van menschelijke gelukzaligheid. Enkele Lappen hebben er 2000 à 3000; de meesten echter hoogstens 500 stuks.
Met minachting ziet de Fjeld-Laplander, de eigenlijke rendierfokker, neer op alle zijne stamgenooten, die het nomadenleven opgegeven hebben, en zich als visschers in de nabijheid van het water vestigden, of zich zelfs als knechts bij de Skandinaviërs verhuurden; hij alleen acht zich een werkelijk vrij man; hij kent niets verheveners dan zijn "meer" (zoo noemt hij een groote rendierkudde). Alleen zijn leven komt hem bekoorlijk voor; hij meent, dat hem het beste lot op aarde ten deel gevallen is.--En hoe is nu het leven van deze menschen? Niet zij beschikken het, maar hun kudde: de Rendieren gaan, waar het hun goeddunkt; de Lappen moeten hen volgen. De Fjeld-Lap leidt een echt hondenleven. Maandenlang brengt hij het grootste deel van den dag in de vrije natuur door. 's Zomers wordt hij gekweld en gepijnigd door de Muggen, 's winters door de koude, waartegen hij zich niet beschermen kan. Dikwijls kan hij niet eens een vuur aanleggen, omdat op de hoogte, waar zijne kudden grazen, geen hout is; dikwijls moet hij honger lijden, omdat de kudde verder voorttrekt dan hij wil. Slecht gekleed, aan weer en wind blootgesteld, is hij door zijn levenswijze bijna aan een dier gelijk. Hij wascht zich niet; hij gebruikt als voedsel allerlei afschuwelijke spijzen, die alleen door den honger eetbaar worden; hij heeft geen ander gezelschap dan zijn trouwen Hond, met wien hij eerlijk zijn sober maal deelt. En dit alles verdraagt hij met blijdschap ter wille van zijn vee.
Een rendierkudde levert een zeer eigenaardig schouwspel op. Zij gelijkt volkomen op een wandelend bosch, natuurlijk alleen dan, als de boomen hunne bladeren hebben laten vallen. De Rendieren blijven gedurende den marsch dicht bijeen, zooals de Schapen; zij loopen met vlugge, veerkrachtige schreden, sneller dan een van onze herkauwende huisdieren. Naast de kudde wandelt de herder met zijne Honden, die ijverig in de weer zijn om de dieren bijeen te houden.
Daar waar goede weidegronden in de nabijheid zijn, maken de Lappen een omheind perk, waarin zij iederen avond de Rendieren bijeendrijven om ze gemakkelijker te kunnen melken. Door hun heen en weer loopen en door hun voortdurend geblaat herinneren deze dieren aan Schapen, hoewel hun geluid eerder met het geknor van een Zwijn overeenkomt. Verreweg de meeste leden van de kudde zijn zeer klein; er zijn slechts weinige forsche exemplaren bij. Bovendien maakt de onregelmatigheid van de geweien een onaangenamen indruk. Als men de omheining nadert, hoort men in de eerste plaats een aanhoudend geblaat, en voorts, wegens de rustelooze beweging van de dieren, een geknetter, alsof daarbinnen honderden van electrische batterijen tegelijk vonken geven. In het midden van het perk liggen verscheidene groote boomstammen, waaraan de Rendieren vastgebonden worden gedurende het melken. Zonder lasso is het niet mogelijk een Rendier te melken, daarom heeft iedere Laplandsche man of vrouw er steeds een bij zich. Deze bestaat uit een langen riem of een touw, dat, in ringen opgerold aan de beide einden vastgehouden en zóó geworpen wordt, dat de lus den hals of het gewei van het dier omgeeft; dit zal genoodzaakt zijn den herder te naderen, als deze den lasso langzamerhand inpalmt en hem het dier, zoodra het in zijn onmiddellijke nabijheid is, met een schippersknoop om den bek bindt. Het op deze wijze stevig getoomde en tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gedwongen Rendier wordt aan het blok hout vastgebonden, waarna het melken begint. Intusschen doet het vee allerlei pogingen om los te komen en weg te loopen, maar de Lappen weten hiertegen wel raad; bij zeer weerspannige dieren wordt de strik om den neus zoo stevig aangehaald, dat aan alle tegenstribbeling een einde komt. Nu gaat de persoon, die met het melken belast is, dicht achter het Rendier staan, strijkt herhaaldelijk met de vlakke hand over de uier en ledigt deze. De melk heeft een aangenamen zoeten smaak en is zoo vet als room; in den regel is zij echter vol vuil en haren. Onmiddellijk na het melken wordt de omheining geopend en begeeft het vee zich weer naar de weide, onverschillig of het in den vroegen morgen of 's avonds laat bijeengedreven werd, want het grazen gaat dag en nacht door.
Velerlei ziekten veroorzaken dikwijls een groote sterfte onder de Rendieren; bovendien draagt het gure klimaat er veel toe bij, dat de kudden niet zoo sterk aangroeien, als men met het oog op de vruchtbaarheid van het Rendier zou kunnen verwachten. Jonge en zwakke kalveren bezwijken door de koude, of hebben zooveel te lijden van de hevige sneeuwstormen, dat zij, doodelijk vermoeid, de kudde niet meer kunnen volgen. Oudere dieren kunnen, als de sneeuwlaag zeer dik is, niet genoeg voedsel vinden; de Laplander doet dan wel zijn best hen in de wouden eenig voedsel te verschaffen door boomen te vellen, die met korstmossen rijkelijk begroeid zijn, maar kan toch op deze wijze geen voldoende hulp bieden. Gevaarlijk wordt de toestand, wanneer op het met sneeuw bedekte land een enkele regenbui valt en hierdoor een harde korst op de sneeuwlaag ontstaat. Deze stelt het Rendier buiten staat om de sneeuw te verwijderen, waaronder zijne voederplanten bedolven zijn. Dan heerscht er dikwijls groote ellende onder de Lappen; menschen, die volgens de bij hen geldende maatstaf rijk heeten te zijn, worden in zulke omstandigheden dikwijls in een enkelen winter doodarm. Zij vervallen dan soms tot veediefstal en komen hierdoor in strijd met de eigenaars van rendierkudden; op heeterdaad betrapte veedieven worden zonder eenigen vorm van proces doodgeslagen. Elke eigenaar heeft een bepaald teeken, waaraan hij zijne dieren herkennen kan; dit wordt hun in de ooren gebrand. Nooit mogen twee veehouders hetzelfde teeken gebruiken. Ook mag niemand een nieuw teeken aannemen, maar moet dat van een uitgestorven kudde zien te koopen.
Het voordeel, dat de tamme Rendieren aan hun eigenaar opleveren, is buitengewoon groot. Al wat het dier voortbrengt, wordt gebruikt: niet alleen de melk, de hiervan bereide smakelijke kaas, het vleesch en het bloed, maar ook ieder ander deel van zijn lichaam. De geweien worden, zoolang zij nog kraakbeenig zijn, even graag gegeten als de nog jeugdige geweien van den Eland; de zachte vellen van de rendierkalveren dienen ter vervaardiging van kleedingstukken; de van het wolhaar gesponnen draden worden tot stoffen samengeweven; van de beenderen maakt de bewoner der poolgewesten allerlei werktuigen; de pezen doen als garen dienst. Bovendien moet het dier ook nog, vooral gedurende den winter, de geheele familie, met have en goed, van de eene plaats naar de andere vervoeren. In Lapland dient het Rendier vooral voor het trekken van de slede, minder tot het dragen van lasten, omdat deze arbeid voor het dier te zwaar is, wegens de zwakheid van zijn kruis. De Toengoesen en Korjaken gebruiken evenwel de sterkste mannelijke Rendieren ook om er op te rijden; hiertoe wordt een klein zadel vlak boven de schouderbladen geplaatst; om de beweging van de voorpooten niet te bemoeilijken, zit de ruiter met zijwaarts gerichte beenen op zijn vreemdsoortig rijdier. In Lapland rijdt niemand op Rendieren; hier worden alleen de sterkste bokken--de "renossen", zooals de Noren ze noemen--voor het trekken van de sleden gebruikt. Voor goede trekdieren betaalt men gaarne 18 à 20 gulden; de gewone Rendieren kosten 7 à 11 gulden. Het Rendier wordt niet opzettelijk voor het trekken afgericht; zonder eenige voorbereiding wordt het eene of het andere sterke dier uit de kudde genomen, en voor een hoogst doelmatige slede gespannen, die aan den toestand van het land en den aard van het Rendier volkomen geëvenredigd is. Deze slede verschilt trouwens aanmerkelijk van die, welke bij ons gebruikt wordt; zij gelijkt veeleer op een boot van zeer dunne, berken planken, die in den vorm van bootplanken gekromd, aan een breeden kiel en aan elkaar gespijkerd worden, en zoo een soort van trog vormen, waarvan het voorste gedeelte bedekt is. Het spreekt van zelf, dat slechts één persoon in zulk een bootvormige slede kan zitten. Voor het vervoeren van huisraad en handelswaren dienen sleden, die van boven met schuifdeksels gesloten kunnen worden, maar overigens volkomen op de andere gelijken. Een goed Rendier kan met een slede van 120 à 140 K.G. in 1 uur ongeveer 10 K.M. afleggen; gewoonlijk heeft het echter een veel minder zware last te trekken. In den zomer gebruikt men het in Noorwegen niet voor 't trekken van de slede. Als men sterke, goed doorvoede Rendieren geen te zwaren arbeid laat verrichten--ze alleen gedurende den morgen en den avond eenige uren trekken, des namiddags en des nachts echter grazen laat--kan men met hem een buitengewoon lange reis doen, zonder dat zij zich overwerken.
Een enge gevangenschap bevalt het rendier zeer slecht; toch verdraagt dit dier het verblijf in onze diergaarden zeer goed, zoolang het behoorlijk behandeld wordt; ook plant het zich voort in ons klimaat. De bij ons in 't laagland heerschende zomerwarmte is voor dit vee niet gunstig. Daar het Rendier volkomen onverschillig is voor de felste winterkoude, zou het meer dan eenig ander uitheemsch Hert geschikt zijn om geacclimatiseerd te worden op de boomlooze hoogvlakten van alle gebergten, waar rendier-korstmossen groeien. Hier zou het zeer goed gedijen, in korten tijd aan de verandering van woonplaats gewoon raken en zich voortplanten; de jacht op dit wild zou voordeelig en aangenaam zijn. Reeds voor jaren heb ik hierop gewezen en mijn best gedaan de overtuiging te vestigen, dat het Rendier op de hooge gebergten van Middel-Europa goed gedijen zal. Hoewel de proefnemingen in deze richting mijne wenschen niet bevredigden, hebben zij mijn onderstelling bevestigd. Wanneer met de noodige ernst en de vereischte kennis van zaken nieuwe proeven worden genomen, zal het gewenschte gevolg niet uitblijven.
Het smakelijk wildbraad van het Rendier is ook in Duitschland niet onbekend; het wordt daar in het gunstige jaargetijde geregeld van uit Skandinavië ter markt gebracht.
Op grond van hun verwantschap moeten wij op het Rendier de _Damherten_ (_Dama_) laten volgen. De kenteekenen van dit geslacht zijn gelegen in de van onderen ronde, twee takken dragende geweistangen, die zich van boven verbreeden tot een langwerpig, plat gedeelte met randspruiten, die naar boven en naar achteren gericht zijn.
De Damherten houden meer van gematigde dan van koude gewesten, en zijn hierom in de kustlanden van de Middellandsche Zee van oudsher veelvuldig geweest. Hun verbreidingsgebied strekt zich zuidwaarts uit tot aan den noordrand van de Sahara, noordwaarts tot in het zuiden van Zweden en Noorwegen. Cuvier kreeg een wild Damhert uit de wouden ten zuiden van Tunis; Belon vond het op de Grieksche Eilanden; op Sardinië is het, naar men meent, van oudsher veelvuldig geweest. Reeds de oude schrijvers maken melding van dit dier als standvastig bewoner van hun vaderland; Aristoteles noemt het _Prox_, Plinius _Platyceros_. Tegenwoordig is dit wild in Midden-Europa, waar het werd ingevoerd, misschien nog overvloediger dan in Spanje, Frankrijk en Italië; het meest algemeen is het waarschijnlijk in Engeland, waar het in de parken van de groote grondeigenaars in menigte geteeld wordt. Heuvelachtige gewesten, waar zacht glooiende dalen met geringe verheffingen van het terrein afwisselen, landstreken met boomgroepen, akkermaalshout en bosschen van breedgebladerde boomen, waar de bodem met kort gras begroeid is, vallen bijzonder in den smaak van de Damherten. Zij zijn voor de hertenparken als 't ware geschapen; groote plantsoenen kunnen trouwens bezwaarlijk op een meer doeltreffende wijze verfraaid worden dan door het houden van deze dieren, die, naar men zegt, hun naam hieraan ontleenen, dat zij het wild van de dames zijn.