Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 21
Reeds sedert oude tijden is de _Elk_ of _Eland_ (_Alces palmatus_) hoog beroemd. Over den oorsprong van den naam verkeert men nog in 't onzekere: Sommigen beweren, dat hij van het oude woord "elend" of "elent" is afgeleid, en "sterk" beteekent, anderen nemen aan dat hij uit het Slavische woord "jelen" (= "hert") ontstaan is. Reeds de oude Romeinsche schrijvers kennen den Eland als een Germaansch dier. "In het Hercynische Woud", zegt Julius Caesar, "leven de Alces, dieren, die in gestalte en verscheidenheid van kleur op Geiten gelijken, hoewel grooter en zonder hoornen, de voeten zonder gewrichten. Zij gaan ook niet liggen om te rusten, en kunnen niet opstaan, als zij gevallen zijn. Om te slapen leunen zij tegen boomen; daarom worden deze door de jagers uitgegraven en zoo afgehouwen, dat zij licht omvallen, zoodra het dier er tegen leunt." In de Middeleeuwen wordt dit dier dikwijls genoemd, o.a. ook in het Nibelungen-lied, waar het onder den naam "Elk" voorkomt. Als de sage waarheid behelst, moet in dezen tijd de Eland in geheel Duitschland en Nederland tot aan het uiterste westen geleefd hebben, want bij de beschrijving van de jacht van Siegfried in Wasgau wordt gezegd:
"Daarna versloeg hij weder een Wisent en een Elk, Vier sterke Auers en een boosaardigen Schelk".
Een verordening van Keizer Otto _den Grooten_ van het jaar 943 houdt in, dat niemand zonder verlof van den bisschop in de bosschen van Drente aan den Neder-Rijn, Herten, Beren, Reeën, Evers en de wilde dieren die in de Duitsche taal _Elo_ of _Schelo_ heeten, zou mogen jagen.
In de laatste eeuwen is het aantal Elanden in Europa overal zeer snel afgenomen. Nog in de 17e en misschien zelfs nog in de 18e eeuw kwam de Eland hier en daar in Saksen en Silezië voor. In Saksen werd de laatste Eland in het jaar 1746, in Silezië de laatste in het jaar 1776 gedood. In het woud Ibenhorst bij Tilsit is dit wild, door koninklijke voorschriften beschermd, tot in onzen tijd blijven bestaan. Wel was het aantal exemplaren in het jaar der jachtvrijheid 1848 ook hier tot op 16 stuks en in het volgende jaar zelf tot op 11 stuks verminderd; strenge beschermende maatregelen en het invoeren van Zweedsche Elanden in het begin van de jaren 1860-1870 hebben echter den wildstand weder uitgebreid, zoodat hij thans tot nagenoeg 100 stuks is toegenomen. Bovendien bevinden zich in de bosschen van het regeeringsdistrict Koningsbergen nog 70 à 80 stuks Elanden. Derhalve mogen wij ook thans nog deze soort van Herten tot de Duitsche dieren rekenen.
Behalve in deze onder zeer streng toezicht geplaatste wildparken vindt men den Eland in alle op hoogeren breedtegraad gelegen, boschrijke landen van Europa en Azië. In ons werelddeel is hij beperkt tot de Baltische laaglanden, derhalve tot Oost-Pruisen, Littauen, Koerland en Lijfland, en bewoont bovendien Zweden en Noorwegen en eenige streken van Rusland. Men treft hen aan in de oostelijke provinciën van het zuiden van Noorwegen en in de hieraan grenzende westelijke provinciën van Zweden, met andere woorden in de ontzaglijke wouden, die het Kjölengebergte bedekken. Veel overvloediger dan in Europa komt de Eland in Azië voor. Hij bewoont hier het geheele noorden boven den 59en graad N.B. tot aan den Amoer en wordt overal gevonden, waar uitgestrekte wouden zijn.
De Eland is een buitengewoon groot dier. De lichaamslengte van een volwassen exemplaar bedraagt 2.6 à 2.9 M., de lengte van den staart ongeveer 10 cM., de schofthoogte 1.9 M. Zeer oude dieren kunnen een gewicht van 500 KG. bereiken; als hun gemiddeld gewicht kan men echter 300 à 400 KG. rekenen. De Eland heeft een betrekkelijk korten en dikken romp; hij is breed aan de borst, hoog, bijna bultig van schoft, recht van rug, laag in het kruis. Hij rust op zeer hooge en forsche pooten van gelijke lengte, welker hoeven smal, recht, diep gespleten en door een rekbaar spanvlies verbonden zijn; de bijhoeven komen licht met den bodem in aanraking. De korte, forsche en krachtige hals draagt den grooten, langwerpigen kop, die vóór de oogen versmald is, en in een langen, dikken, gezwollen, van voren zeer breed afgeknotten snuit eindigt. Het gewei van het volwassen mannetje bestaat uit een groote, enkelvoudige, zeer uitgebreide, driehoekige, platte, schopvormige, gegroefde plaat ("de kroon"), die aan haar buitenrand met talrijke takken bezet is en door korte, dikke, afgeronde, met weinige knobbeltjes ("paarlen") bezette stangen gedragen wordt; deze rusten op korte rozenstokken en zijn van hun oorsprong af zijwaarts gebogen. Het gewei kan wel 20 KG. zwaar worden. Het wijfje is slechts weinig kleiner, maar heeft geen gewei.
De Eland is met lange en stijve haren dicht bekleed. De kleur van de vacht is tamelijk gelijkmatig roodachtig bruin, gaat aan de manen en de zijden van den kop in glanzig donker zwartbruin, aan het voorhoofd in roodachtig bruin en aan het einde van den snuit in grijs over; de pooten zijn witachtig aschgrauw, de oogringen grijs.
Wilde, eenzame bosschen, die rijk zijn aan broekland en ontoegankelijke moerassen, bij voorkeur die, welke wilgen, berken, espen en andere breedgebladerde boomen bevatten, leveren geschikte woonplaatsen voor den Eland. Moerassen en venen schijnen volstrekt noodig te zijn voor zijn leven en welvaren. Het plompe dier houdt zich gedurende den zomer in de lager gelegen, natte gewesten op, in den winter in de hoogere, die niet onderhevig zijn aan overstroomingen en niet met ijs bedekt worden. Bij helder weer houdt hij zich het liefst in bosschen van loofboomen, bij regen, sneeuw en nevel daarentegen in dichte naaldboomwouden op. Bij gebrek aan rust of schaarschte van voedsel verandert hij licht van woonplaats.
De levenswijze van de Elanden wijkt in vele opzichten van die van de Edelherten af. Evenals deze vereenigen gene zich tot meer of minder talrijke troepen en eerst tegen den werptijd scheiden de oude mannetjes zich af, en vormen gewoonlijk afzonderlijke gezelschappen.
Meer nog dan de overige Herten heeft de Eland een innigen hekel aan stoornissen van allerlei aard. Hij verlangt een volstrekte rust en verlaat een streek, waar hij herhaaldelijk lastig gevallen werd. Op plaatsen, waar hij verzekerd is niet gestoord te zullen worden, slaapt hij, korte rustpauzen misschien uitgezonderd, niet anders dan in de vóór- en namiddaguren en zwerft eerst na 4 uur 's namiddags gedurende den avond en in de eerste uren van den nacht, van den ochtend en van den morgen rond; in 't tegenovergestelde geval gebruikt hij den nacht om te laveien. Zijn voedsel bestaat uit bladen en spruiten van de rozemarijnbladige wilg, van berken, esschen, espen, lijsterbessen, van spitsbladige eschdoornen, van linden, eiken, dennen, sparren, uit heide, jong riet en jonge zeggen, uit jonge graangewassen en vlas. Bij 't schillen van een boom slaat hij zijne snijtanden als een beitel in de schors, maakt hiervan een stukje los, pakt dit met de tanden en lippen aan en scheurt dan in bovenwaartsche richting lange strooken schors af; hij doet dit zoo goed, dat hij niet zelden zelfs zeer dikke espen nog volledig ontschorst. Sommige stammen buigt hij met den kop naar beneden en breekt dan de kroon er af. Zooals licht te begrijpen is, geeft hij bij het ontschorsen de voorkeur aan alle boomen en struiken met saprijke schors, zooals espen, esschen, wilgen en populieren.
De bewegingen van den Eland zijn veel minder evenredig en licht dan die van het Edelhert. Hij is niet in staat tot langdurig hollen, maar maakt zich toch zeer snel en met ongeloofelijke volharding uit de voeten; sommige schrijvers beweren, dat hij in één dag 30 mijlen kan afleggen.
Een hoogst zonderlinge bewegingswijze in waterrijke veengronden wordt door Wangenheim beschreven. De Eland buigt daar, waar de bodem hem niet meer dragen kan, de achterpooten op zulk een wijze, dat de geheele achtervoet recht uitgestrekt op den grond rust, schuift het lichaam naar voren door met de voorhoeven te trekken, en met de sterke pezen der achterpooten te duwen en glijdt zoo over de slijkerige vlakte. Daar waar de bodem geheel en al week is, gaat hij zelfs op zijde liggen en werkt zich vooruit door met de pooten te slaan en te schoppen. In het zwemmen is de Eland een meester. Hij gaat te water, ook wanneer hij er niet door den nood toe gedrongen is; hij doet dit, evenals vele Rundersoorten, uit eigen aandrift, voor zijn genoegen, om te baden en zich te verfrisschen; in Oost-Siberië zoekt hij zelfs de diepste bergkloven op, waarin de sneeuw lang liggen blijft, om zich hierop rond te wentelen. Op glad ijs, dat niet met sneeuw bedekt is, kan hij niet lang gaan; als hij op de spiegelgladde baan gevallen is, komt hij niet gemakkelijk weer op de pooten. Gedurende het loopen merkt men een hoorbaar tikken van de bijhoeven tegen de hoefballen op; dit gedruisch noemt de jager "schellen". Een Eland, die eenmaal aan den loop is, laat zich door niets van den weg afbrengen, zoomin door de wildernissen van het woud, als door de rivieren, meren of moerassen, die hij ontmoet.
De Eland kan uitstekend hooren; voor 't kijken, speuren en de lucht van iets krijgen zijn zijne zintuigen echter minder geschikt. Zijne geestvermogens logenstraffen zijn dom en plomp uiterlijk niet. Uit zijne handelingen kan men afleiden, dat zijn verstand gering is. Hij is niet bijzonder schuw en nog minder voorzichtig; ternauwernood leert hij werkelijk bestaande gevaren van denkbeeldige onderscheiden. Van een band tusschen de leden van den troep bemerkt men niets: ieder individu handelt naar eigen inzicht; het kalf alleen volgt zijn moeder, niet echter de geheele troep een aanvoerder, zooals bij de meeste andere Herten het geval is. De paartijd vangt in de Oostzeelanden tegen het einde van Augustus aan, in Aziatisch Rusland in September of October. Omstreeks dezen tijd zijn de mannetjes in de hoogste mate opgewonden, zij dagen alle concurrenten die zij ontmoeten, tot een tweestrijd uit en bevechten hen met woede en kwaadaardigheid; zij vallen dikwijls ook menschen aan; rusteloos en zonder bepaald doel loopen zij rond, over dag zoowel als 's nachts. Zeer groot is de gehechtheid en de liefde van de moeder voor hare jongen. Zij verdedigt ze zelfs na hun dood en dwaalt, wanneer zij haar ontroofd zijn, dikwijls nog dagen lang op de plaats van het onheil rond, om ze te zoeken.
Behalve van den mensch, heeft de Eland, in weerwil van zijn lichaamskracht, van verscheidene andere vijanden gevaar te vreezen: vooral van den Wolf, den Los, den Beer en den Veelvraat. De Wolf overmeestert den Eland gewoonlijk in den winter, als er veel sneeuw ligt; de Beer besluipt gewoonlijk slechts alleenloopende dieren en valt een troep niet aan. De Los en soms ook de Veelvraat bespringen een onder hen doorloopenden Eland van boven af, slaan hem de klauwen in den hals en bijten hem de slagaders door. Zij kunnen als de gevaarlijkste vijanden van dit weerbare wild aangemerkt worden; de Wolven en Beren daarentegen mogen wel voorzichtig zijn, want de Elanden kunnen, zelfs wanneer zij geen gewei hebben, met goed gevolg voor hun verdediging gebruik maken van de harde en scherpe hoeven der voorpooten.
De Elanden worden tam, als zij jong gevangen zijn en kunnen dan zelfs zonder bezwaar losloopen; bij ons blijven zij in de gevangenschap echter niet lang leven. In Zweden heeft men zeer jonge gevangen dieren wel eens zoo goed afgericht, dat men ze voor het trekken der sleden kon gebruiken; het gebruik van zulke trekdieren werd echter bij de wet verboden, "omdat hunne snelheid en onvermoeidheid de vervolging van misdadigers onmogelijk zou kunnen maken." Latere pogingen, om Elanden tot huisdieren op te voeden zijn mislukt. Wel scheen het, dat de jongen in den beginne goed opgroeiden, later vermagerden zij echter hoe langer hoe meer en stierven in den regel kort daarna.
De omheining van het perk, waarin men een Eland houdt, moet hoog zijn; want in weerwil van de plompheid van al zijn bewegingen, springt hij zonder moeite over een staketsel van 2 M. hoogte; het is hiervoor niet eens noodig, dat hij een aanloop neemt. Hij loopt bedaard naar de bedoelde omheining, gaat plotseling op de achterpooten staan, steekt de voorpooten, na ze gebogen te hebben, over het hek heen, springt vervolgens naar voren, terwijl hij intusschen het achterstel opheft en de lange achterpooten bijtrekt. Tegen andere dieren toont de gevangen Eland zich zeer onverschillig; hij bekommert zich volstrekt niet om de Honden, hoewel andere Herten door het zien van deze dieren zeer opgewonden worden. Met Runderen kan hij zeer goed overweg, misschien omdat hun rustige aard hem bevalt. Daarentegen kan hij de vlugge en dartele soorten van Herten niet lijden; hij tracht ze te slaan en duldt hen zonder bewijzen van vijandschap te geven eerst, nadat hij zich overtuigd heeft van de nutteloosheid zijner pogingen om ze te verjagen.
Het voordeel dat een gedoode Eland den mensch kan opleveren, is belangrijk. Het vleesch, het vel en de geweien worden op gelijke wijze gebruikt als die van het Edelhert. Het vleesch is taaier, het vel echter vaster en beter. Elandsleer werd vooral in de Middeleeuwen hooggeschat en duur betaald. Al het nut echter, dat de Eland kan opleveren, is echter op lange na niet voldoende tot vergoeding van de schade, die hij aanricht. Hij is een echte boomenvernieler en wordt voor bosschen, die op een geregelde wijze geëxploiteerd worden, zoo nadeelig, dat hij nergens beschermd en eigenlijk niet eens tijdelijk gespaard mag worden, daar waar de boschkultuur volgens de eischen van den tegenwoordigen tijd beoefend wordt.
De _Amerikaansche Eland_--door de Engelschen _Moosedeer_, door de Amerikanen van Franschen afkomst _Orignal_ genoemd (_Alces americanus_)--onderscheidt zich van den Gewonen hoofdzakelijk doordat de oogspitsen duidelijk gescheiden zijn van de diep ingesneden, platte geweikroon, door den zwak behaarden kossem aan de keel en door de donkerder kleur van het vel. Nog zijn de dierkundigen het er niet over eens, of hij als een afzonderlijke soort moet worden beschouwd, hoewel sommigen niet alleen aan het vel, maar zelfs aan de gerookte achterbouten van het dier verschil meenen te bespeuren. De geweien van het "Moshert" zijn forscher en zwaarder dan die van onzen Eland; zij bereiken zelfs een gewicht van 30 à 40 KG.
Tegenwoordig wordt deze Eland nog gevonden in het noorden van Noord-Amerika, vooral in Canada, Nieuw-Brunswijk en aan de Fundy-baai. Franklin vond hem aan den mond van de Mackenzie-rivier en verder oostwaarts nog bij de Kopermijn-rivier op 65° N.B. Mackenzie trof hem ook aan in het Rotsgebergte en bij de bronnen van de Elk-rivier. De Amerikaansche Eland werpt het gewei eerder af dan de Europeesche, gewoonlijk in Januari en Februari, in strenge winters echter eerst in Maart. Zijn voedsel is waarschijnlijk hetzelfde als dat van onzen Eland.
De wilden maken ijverig jacht op het "Moshert" en doen dit op verschillende wijzen. Eén daarvan is, dat zij het wild in het water drijven, waar zij het met hunne booten telijf gaan en zonder groote moeite doodslaan kunnen. Jonge dieren kunnen gemakkelijk getemd worden, leeren in weinige dagen hun oppasser kennen en volgen dezen dan met groot vertrouwen. Op lateren leeftijd worden ook zij echter wild, oploopend en gevaarlijk.
Bij de _Rendieren_ (_Rangifer_) dragen _beide geslachten_ geweien, die van de korte rozenstokken af boogvormig van achteren naar voren gekromd, aan hunne einden bladvormig uitgebreid, vingervormig ingesneden en zwak gevoord zijn. Deze Herten onderscheiden zich bovendien door breede hoeven en langwerpige, maar stomp toegespitste bijhoeven. Hun gestalte is tamelijk plomp, vooral de kop is niet bijzonder fraai; de pooten zijn betrekkelijk kort, de staart is zeer kort. Alleen de oude mannetjes hebben in de bovenkaak kleine hoektanden, hoewel deze ook wel eens ontbreken.
Het Rendier mag men het belangrijkste van alle Herten noemen. Geheele volken hebben aan dit dier hun levensonderhoud te danken; zij zouden zonder dit (tamelijk vreemd gekozen) huisdier niet kunnen bestaan. Voor de Lappen en Finnen is het Rendier veel noodzakelijker dan het Rund of het Paard voor ons, dan het Kameel of de Geit voor den Arabier, want het moet dezelfde diensten bewijzen als bijna alle overige huisdieren te zamen genomen. Het tamme Rendier geeft vleesch en vel, beenderen en pezen om zijn geweldenaar te kleeden en te voeden; het levert melk, laat zich als lastdier gebruiken en sleept op de lichte slede het gezin en het huisraad van de eene plaats naar de andere; kortom: het Rendier is voor het nomadische leven van de noordelijke volken onontbeerlijk.
Mij is geen tweede dier bekend, waaraan de last der dienstbaarheid, de vloek der slavernij, zoo duidelijk zichtbaar is als aan het Rendier. Zonder eenigen twijfel is de thans nog in het wild voorkomende "Renn" van de Skandinaviërs de stamvader van dit huisdier. Tamme Rendieren, die niet meer onder de hoede van den mensch leven, verwilderen in zeer korten tijd en worden reeds na eenige geslachten weder volkomen gelijk aan de wilde. Er kunnen echter moeielijk twee wezens aangewezen worden, die zoo innig verwant zijn en toch in gestalte en aard zoo buitengewoon veel van elkander verschillen als het Tamme Rendier en het Wilde. Gene is een ellendige slaaf van een armen, ellendigen meester, deze een fiere heerscher in het hooge gebergte, een Hert, dat als een Gems leeft, met alle adel, dien dit schoone wild bezit. Hij, die vrij levend "Renn"-wild in troepen en tam Rendieren-vee in kudden gezien heeft en beide vergelijkenderwijs nagaat, kan bijna niet gelooven, dat zoowel het eene dier als het andere kinderen zijn van denzelfden stam.
Het _Rendier_ (_Rangifer tarandus_) is een statig dier, wel zoo groot, maar niet zoo hoog als een Edel-hert. Zijn lengte bedraagt 1.7 à 2 M., de lengte van den staart 13 cM., de schofthoogte 1.08 M. Hoewel zijn gewei bij dat van 't Edelhert achterstaat wat grootte en meer nog wat schoonheid betreft, is het toch wel degelijk een indrukwekkend kopsieraad. De romp van het Rendier verschilt van dien van 't Edelhert misschien alleen door de grootere breedte van het achterdeel; de hals en de kop zijn echter veel plomper en minder fraai gebouwd, de pooten aanmerkelijk korter, de hoeven veel leelijker. Ook mist het Rendier in alle omstandigheden de fiere houding van het Edelhert; zijn houding is veel minder schoon dan die van dit prachtige wezen. De hals is ongeveer zoo lang als de kop, hij is forsch en zijdelings samengedrukt, nagenoeg niet bovenwaarts gebogen. De kop wordt naar voren slechts weinig smaller en heeft een plompen snuit, o. a. wegens het rechte beloop van den rug van den neus. De ooren zijn korter dan bij het Edelhert, maar van soortgelijken vorm, de oogen groot en fraai, de traansleuven klein en met bosjes haar bedekt. De schenkels zijn dik, de pooten forsch en tevens kort, de hoeven zeer groot, breed, platgedrukt en diep vaneengescheiden; de bijhoeven reiken tot op den bodem. Bij de tamme Rendieren is de breedte van de hoeven zooveel grooter dan bij de wilde, dat men, alleen op dit lichaamsdeel lettend, voldoende reden zou hebben om deze beide vormen als verschillende soorten te beschouwen. Over 't geheel genomen is de lichaamsbouw van de wilde Rendieren veel sierlijker en bevalliger dan die van de tamme; met gene vergeleken wekken deze den indruk van misvorming.
De vacht is dichter dan bij eenigen anderen Geweidrager. Aan de voorzijde van den hals bevinden zich manen, die soms tot op de borst afhangen; ook aan de wangen komen langere haren voor. In den winter worden de haren overal minstens 6 cM. lang; zij vormen dan wegens hun dicht opeengedrongen plaatsing een laag van minstens 4 cM. dikte, waardoor het zeer verklaarbaar wordt, dat het Rendier gemakkelijk een zeer lage temperatuur verdragen kan. De algemeene kleur verschilt in verband met de woonplaats en is in nog hoogere mate afhankelijk van het jaargetijde. Bij de wilde Rendieren hebben de haarwisseling en de hiermede gepaard gaande kleursverandering tamelijk geregeld tweemaal 's jaars plaats. In het begin van de lente valt het dichte winterhaar uit en wordt vervangen door korte, effen grijze haren; hiertusschen komen langzamerhand andere haren te voorschijn, welker witte spitsen het grijze haar meer en meer verdringen, totdat eindelijk het geheele dier witachtig grijs, bijna vaal, geworden is, en zijn kleur in hooge mate overeenkomt met die van vuile sneeuw bij dooiweder. Het tamme Rendier is 's zomers donkerbruin. In den winter verdwijnt de bruine kleur, waarna ook hier het witte haar meer op den voorgrond treedt; er zijn echter ook vele Rendieren, welker wintervacht alleen door de grootere lengte der haren van de zomervacht verschilt, maar in kleur er niet van afwijkt. Het gewei van het wijfje is kleiner en minder getakt dan dat van het mannetje.
Eenige dierkundigen beschouwen de in Amerika voorkomende Rendieren als een afzonderlijke soort en voeren tot steun voor hun meening aan, dat ook het Europeesche Rendier in Amerika voorkomt en zich door grootte, kleur en levenswijze van zijn naamgenoot onderscheidt. Volgens hen is deze--de _Kariboe_ (_Rangifer caribu_)--grooter en donkerder van kleur dan het Rendier; hij heeft kleinere geweien en leeft meer afgezonderd, bij voorkeur in wouden.
Het Rendier was reeds bij de ouden bekend. Julius Caesar heeft er een tamelijk juiste beschrijving van gegeven. "In het Hercynische woud", zegt hij, "treft men een Rund aan met de gestalte van een Hert; midden op het voorhoofd heeft het hoornen, veel grooter dan die, welke bij de andere voorkomen, en welker kroon zich handvormig in vele takken splitst. Het wijfje heeft net zulke horens." Latere beschrijvingen van het Rendier bevatten een mengsel van waarheid en verdichtselen; de groote Linnaeus was de eerste, die het dier op grond van eigen onderzoek zeer nauwkeurig beschreven heeft.
Het verbreidingsgebied van het Rendier omvat de noordelijkste gewesten van de Oude Wereld (en wanneer men den Kariboe niet als een afzonderlijke soort beschouwt) ook het hooge noorden van Amerika. Men treft het aan in alle landen benoorden 60°, in vele gewesten zelfs nog op 52° N.B.; in tegenovergestelde richting ontmoet men het nog aan gene zijde van den 80en graad N.B. In 't wild leeft het in de gebergten van Skandinavië en Lapland, in Finland, in 't geheele noordelijke deel van Siberië, in Groenland en op de noordelijkste gebergten van het Amerikaansche vasteland. Ook op Spitsbergen komt het voor. Op IJsland, waar het ruim een eeuw geleden werd ingevoerd, is het volkomen verwilderd en heeft zich reeds in grooten getale over alle gebergten van het eiland verbreid. In Noorwegen vond ik het op den Dovrefjeld nog vrij veelvuldig. Men treft het echter ook in de hooge gebergten van het Bergensche Stift aan, waar zijn gebied zich ongetwijfeld tot 60° N.B. uitstrekt.
Evenals de Gems is het Rendier een echte bergbewoner; men vindt het slechts op de boomlooze, met mos en weinige Alpenplanten begroeide breede ruggen van de Noorsche gebergten, die de bewoners van dit land met den zoo karakteristieken naam van "Fjelds" aanduiden. In Noorwegen houdt het zich gewoonlijk op in den gordel tusschen 1600 en 2000 M. hoogte. Nooit daalt het hier tot den woudgordel af; over 't geheel genomen vermijdt het angstvallig de bosschen. De kale bergvlakten en glooiingen, tusschen welker gesteenten enkele planten groeien, of de uitgestrekte vlakten, die schraal met rendierkorstmossen oversponnen zijn, moeten als vaste verblijfplaatsen van dit dier beschouwd worden; alleen dan, wanneer het zich van den eenen bergrug naar een anderen begeeft, trekt het door de tusschenliggende, drasse, op moerassen gelijkende, lage vlakten; ook bij deze verandering van woonplaats vermijdt het steeds angstvallig het woud. Pallas bericht, dat het in het noorden van Siberië soms in bosschen voorkomt, en Von Wrangel bevestigt deze mededeeling. Van deze beide schrijvers vernemen wij, dat het in Siberië geregeld uitgestrekte reizen onderneemt.