Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 20
De Gnoe bewoont Zuid-Afrika, doch in 't Kaapland is hij uitgeroeid. Volgens de berichten van geloofwaardige onderzoekers trekken deze dieren ieder jaar; mijns inziens geeft gebrek aan voedsel, evenals bij andere Antilopen, aanleiding tot deze verhuizingen. Het zijn hoogst beweeglijke, dartele dieren, die uitmuntend in staat zijn om uitgestrekte vlakten te verlevendigen.
Gordon Cumming vernam, dat het Wildebeest, zelfs wanneer het door een groot aantal jagers vervolgd wordt, zijn woonplaats niet verlaat. Steeds blijven deze ruige, vreemdsoortige en woeste gestalten in kringen om hunne vervolgers heen rennen en intusschen allerlei zonderlinge sprongen maken. Terwijl eenige jagers naar hen toe rijden om er een van te schieten, zetten zij hunne kringvormige bewegingen om de ter rechter en ter linkerzijde achtergebleven menschen voort, hoewel hun weg dan leidt over plaatsen, waar hunne vervolgers weinige minuten te voren reden. Afzonderlijk en bij troepen van 4 of 5 stuks ziet men soms de oude Wildebeest-bokken op eenigen afstand van elkander den geheelen voormiddag onbeweeglijk in de vlakte staan en met starende blikken op de bewegingen van het overige wild letten; intusschen hoort men van hen aanhoudend een luid, snuivend gedruisch en een eigenaardig, kort en scherp gesnork. Verscheidene reizigers noemen den Gnoe een toonbeeld van onbegrensden vrijheidszin en beschouwen hem als een buitengewoon moedig en krachtig dier.
Zijn zonderlinge gedaante heeft waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de fabelen, die de inboorlingen van hem verhalen, en heeft misschien ook invloed gehad op vele van Europeanen afkomstige, zonderlinge berichten. Waar is het trouwens, dat de gewoonten van den Gnoe ons niet minder raadselachtig voorkomen, dan zijn gestalte. Al zijne bewegingen zijn snel, uitgelaten wild en vurig. Bovendien is hij meer dan eenige andere Herkauwer speelsch en tot plagerij geneigd. Als er ernstige gevechten geleverd moeten worden, toonen de mannetjes evenveel moed als de wijfjes. Hun stem gelijkt op het geloei van Runderen. De Zuid-Afrikaansche boeren van Hollandsche afkomst bootsen het eigenaardige geschreeuw van de jonge dieren na door de woorden "Nonja, g'n avond!" en beweren door dit geluid dikwijls in de waan gebracht te zijn, dat zij in hun taal aangesproken werden. In gevangenschap zijn deze dieren dikwijls onhandelbaar en wild, ongevoelig voor liefkoozingen en ongeschikt om getemd te worden, maar ook tamelijk onverschillig voor het verlies van hun vrijheid. De vrouwelijke Gnoe's brengen soms in de eene, soms in een andere maand van het jaar één jong ter wereld, dat reeds weinige dagen na de geboorte behagen schept in dezelfde sprongen en grappen als zijne ouders, en dat wegens zijn geringere grootte een nog veel potsierlijken indruk maakt dan deze. De moeder is met innige liefde aan haar kroost gehecht en stelt zich om het te verdedigen, zonder aarzelen aan gevaren bloot.
De jacht op den volwassen Gnoe biedt bezwaren aan wegens de ongeloofelijke snelheid en volharding van dit dier. De vluchtende Gnoe's hebben een opmerkelijke overeenkomst met vervolgde Wilde Runderen. Slechts toevallig vangt men een Gnoe in een valkuil of een strik. Dieren, welke oud gevangen zijn, gedragen zich, alsof zij dol en onzinnig zijn; de jonge daarentegen worden, als men ze met koemelk voedt en zich veel met hen bemoeit, weldra zoo tam, dat men ze met de kudden kan laten weiden en hen alle vrijheden van een huisdier toestaan kan.
Het nut van den gedooden Gnoe is van denzelfden aard als dat, hetwelk andere Afrikaansche soorten van wild opleveren. Zijn vleesch wordt gegeten, omdat het sappig en malsch is; de huid wordt voor allerlei lederwerk gebruikt; van de hoornen vervaardigt men meshechten en andere voorwerpen.
Op de Holhoornigen laten wij een Herkauwer volgen, die tot in den laatsten tijd als een Antilope werd beschouwd, hoewel de eigenaardige ontwikkeling van zijne hoornen, die zich van de wapens van alle Holhoornigen onderscheiden, deze meening weerspreekt. Een wetenschappelijke beschrijving van dit merkwaardige dier, dat waarschijnlijk reeds door Hernandez (lijfarts van den Spaansche koning Philips II) onder den naam "Teutlamazane" als een bewoner van Mexico werd genoemd--had eerst in 1815 plaats. Eerst in den laatsten tijd echter werd een wetenschappelijke dwaling uit den weg geruimd, waardoor aan dit dier tot dusver een verkeerde plaats in het stelsel was aangewezen.
Het bedoelde dier, de _Gaffelbok_, verschilt van alle leden zijner orde, doordat zijne hoornen, welke evenals die der Holhoornigen uit hoornpit en hoornscheede bestaan, gaffelvormig vertakt zijn; zij groeien niet, zooals die der Holhoornigen, aanhoudend door, maar worden van tijd tot tijd, evenals het gewei der Herten (hoewel op een eigenaardige wijze) afgeworpen en opnieuw gevormd. Andere bijzonderheden, zooals het aanwezig zijn van zekere klieren, de vorm der hoeven, de gesteldheid van het haar enz., gaven Murie, die het dier ontleedde, aanleiding het een "kortkoppige, giraffe-hoevige, geit-klierige, schaap-harige Antilope" te noemen, een uitdrukking die niets anders kan beteekenen, dan dat de Gaffelbok geen Antilope is. Alle kenmerken van den bedoelden Herkauwer zijn zoo eigenaardig en belangrijk, dat men hem met geen der van oudsher aangenomen familiën zijner orde vereenigen kan, maar hem als vertegenwoordiger eener afzonderlijke familie, die der _Gaffelhoornigen_ beschouwen moet.
De _Gaffelbok_, ook wel _Gaffel_-_antilope_, _Gaffel_-_gems_ of _Kabri_ genaamd (_Antilocapra americana_), heeft over 't algemeen de gestalte van een forsche Antilope en een totale lengte van ongeveer 1.5 M., waarvan 17 à 20 cM. op den staart komen, bij een schofthoogte van 80 cM. De kop is niet fraai, maar schaapachtig en langwerpig, het oog groot, donker en vol uitdrukking, het oor middelmatig lang en toegespitst. De hals is middelmatig lang; de romp schijnt minder krachtig dan hij werkelijk is, daar hij op zeer slanke en meer dan middelmatig hooge pooten rust. Drie verschillende, meestal scherp bij elkander afstekende kleuren, roestkleurig-isabel, wit en donkerbruin, maken zijn vacht zeer bont. De hoornen en de hoeven zijn zwart. De _bij beide geslachten_ voorkomende, doch alleen bij den bok gegaffelde, steil opstijgende en aan de spits scherp binnenwaarts en achterwaarts gebogen _hoornen_ zijn bij den ouden bok bijna dubbel zoo breed als dik, merkwaardig oneffen en knobbelig, op sommige plaatsen onregelmatig bezet met korte, puntige uitwassen. Bij 't mannetje worden de hoornen 25 à 30, bij 't wijfje slechts 8 à 12 cM. hoog.
Het verbreidingsgebied van dit dier strekt zich uit over het westen van Noord-Amerika, van den Saskatschewan in het noorden ongeveer tot den Rio Grande in het zuiden en van den Missouri tot aan de kusten van den Stillen Oceaan. Hij bewoont echter geenszins, zooals men meende, uitsluitend de effene vlakten; men heeft hem eveneens in de kale, hooge dalen van het Rotsgebergte tot op 2500 M. hoogte aangetroffen.
Allen, die de Gaffelbokken hebben leeren kennen, bewonderen eenstemmig hunne snelheid en behendigheid. Het moge zijn, dat enkele Antilopen in deze opzichten meer bevoorrecht zijn, de dieren der prairie staan alle bij hen achter. Licht en lenig, de hooge pooten ver vooruitplaatsend "jagen zij als de stormwind over de vlakte" en stellen bovendien ieder ander Amerikaansch Zoogdier in de schaduw door hun volharding. "Een opgeschrikte kudde van Gaffelbokken levert een onvergelijkelijk en onvergetelijk schouwspel op." Deze dieren bewegen zich, terwijl zij over de heuvels vluchten, bergop en bergaf met dezelfde behendigheid en zekerheid als op den vlakken bodem; de voorpooten worden hierbij zoo snel achtereen verplaatst, dat men hunne verschillende deelen niet meer onderscheiden kan, evenmin als de spaken van een ronddraaiend rad. De Gaffelbokken hebben uitmuntende zintuigen: zij kunnen op grooten afstand zien, hebben een zeer fijn gehoor en krijgen de lucht van een onder den wind hen bekruipenden vijand op een afstand van verscheidene honderden schreden. Waakzaam en schuw, tot op zekere hoogte ook schrander en in allen gevalle voorzichtig, kiezen zij hunne standplaatsen--en meer bepaaldelijk die, waar zij op 't midden van den dag gewoon zijn te herkauwen en te rusten--altijd op zulk een wijze, dat zij een vrij uitzicht hebben; ook weten zij voortreffelijk gebruik te maken van de heerschende windrichting; bovendien zetten zij opzettelijk schildwachten uit. Nederzettingen van den mensch worden met zorg door hen gemeden; daarentegen bekommeren zij zich weinig om het vee, niet eens om Paarden en Runderen, in welker nabijheid men ze dikwijls zelfs onbeschroomd ziet grazen.
Op zijn vroegst in Mei, op zijn laatst in het midden van Juni werpt het wijfje jongen, gewoonlijk twee. Evenals alle Herkauwers groeien ook de jonge Gaffelbokken betrekkelijk zeer schielijk. Reeds tegen het einde van Juli breken bij den bok evenals bij de geit de hoornen door; in den beginne zijn dit korte, stomp kegelvormige spitsen, die in December 2 à 5 cM. lang geworden zijn, van nu af echter niet verder groeien, maar hunne hoornscheeden verliezen, die door nieuwe vervangen worden. Dit verschijnsel wijkt echter zoo volkomen van de wisseling der geweien bij de Herten af, en is, ook op zich zelf beschouwd, zoo merkwaardig, dat ik het uitvoeriger beschrijven moet.
Canfield is de eerste geweest, die de hoornwisseling waargenomen en de uitkomsten van zijn onderzoek aangeteekend heeft. Daar zijn verhandeling over dit onderwerp, hoewel in September 1858 aan Baird gezonden, eerst in het jaar 1886 het licht zag, komt aan Bartlett, die in de Londensche diergaarde gevangen Gaffelbokken verzorgde, de eer toe, de wetenschap met het eerste bericht over een ongeloofelijk schijnend feit verrijkt te hebben. De onderling volkomen overeenstemmende mededeelingen der beide genoemde onderzoekers zijn in lateren tijd nog door waarnemingen van anderen bevestigd geworden.
Bartlett bericht, dat de door hem verzorgde Gaffelbok kleine hoornen had, die sedert het midden van October plotseling snel schenen te groeien; zij namen niet alleen in lengte toe, maar weken tevens ook verder uiteen. In den morgen van den 7en November kwam de oppasser niet zonder ontroering vertellen, dat de Gaffelbok één van zijne hoornen verloren had; Bartlett begaf zich naar aanleiding van dit bericht naar den stal en zag bij zijn komst, dat ook de tweede hoorn afgevallen was. Tot zijn niet geringe verbazing bemerkte hij bij nader onderzoek van het dier twee nieuwe hoornen op de plaats van de oude; zij bestonden ieder uit een zeer kort, met een hoornachtige huid bedekt uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, en waren met lange, sluike zachte haren bekleed. Van een bloeding, zooals altijd plaats heeft bij het verlies van echte holle hoornen of bij het afwerpen van geweien, was hier niets te bemerken. De nieuwe hoornen schenen dikker te zijn dan de holte van de oude, welk feit hierin zijn verklaring vindt, dat de dicht bijeenstaande haren aan den voet der horens het afwerpen van de oude hoornscheeden, dat door den groei van de huid tusschen hoornpit en hoornscheede allengs veroorzaakt wordt, verborgen hadden gehouden. Uit den snellen groei van de nieuwe hoornen kon men met zekerheid afleiden, dat de hoornwisseling een volkomen natuurlijk, geen abnormaal verschijnsel is. Deze onderstelling werd volkomen bevestigd door de mededeelingen van Canfield, die tengevolge van het bericht van Bartlett gepubliceerd werden. Een door den genoemden Amerikaan verzorgde Gaffelbok bereikte een ouderdom van bijna 3 jaren en wierp in dezen tijd ieder jaar geregeld zijne hoornen af, zoodat niet alleen de wisseling der hoornen, maar ook hun verdere ontwikkeling tweemalen waargenomen kon worden. De hoornen van het derde jaar hadden in zooverre een vormsverandering ondergaan, dat zij op de dwarse doorsnede niet meer rond, maar eivormig waren en dat de gaffelplaat zich begon te vormen. Er ontstaat n.l. aan den wortel van iedere hoornpit, aanvankelijk gescheiden van deze, een tweede knobbel op het voorhoofdsbeen, dus als 't ware een tweede paar hoornpitten; deze vereenigen zich echter zeer schielijk en voor goed met de oudere hoornpitten en dienen voortaan alleen tot ontwikkeling van het gaffelvormig uitsteeksel. In het nu volgende jaar (van Juni tot Juni) ontstaat de volledige hoorn, die voortaan na iedere wisseling in hoofdzaak denzelfden vorm behoudt, maar iets grooter wordt. Men onderstelt, dat de nieuwe hoornmassa voortgebracht wordt door versmelting van haren, die uit haarkiemen van de huid tusschen de hoornpit en de hoornscheede voortkomen; omdat deze haarkiemen zich op den bedoelden tijd sterk beginnen te ontwikkelen, zullen zij de oude hoornen wegschuiven. Van November tot Januari is een scherpe grens tusschen de beharing en den eigenlijken hoorn niet merkbaar; de geheele, nieuwe hoorn is dan dicht bedekt met een bast van haren, die niet "geveegd" wordt, zooals bij de Herten, maar bij het aangroeien van de hoornmassa langzamerhand afvalt. In den zomer is de grens tusschen het haar en den hoorn zeer duidelijk te zien.
Oud gevangen Gaffelbokken geraken, naar het schijnt, niet gewoon aan het verlies van hun vrijheid. Die, welke men in den winter, als er veel sneeuw ligt, vangen kon, toonden zich bijzonder goedaardig, ja zelfs vertrouwelijk, toen zij in een omheinde ruimte vrijgelaten werden; deze gemoedstoestand duurde echter slechts zoolang als de toestand van afmatting en krachteloosheid, waarin zij aanvankelijk verkeerden, aanhield. Zoodra de hongersnood voorbij was, werd het verlangen naar onbeperkte vrijheid opnieuw levendig en openbaarden zij weder hun oorspronkelijke wildheid. Zij renden en sprongen, alsof zij onzinnig waren, tegen de omheining van hun perk en gingen geweldig te keer, totdat zij zich doodelijk gewond hadden. Ook de kalveren, die kort na hun geboorte opgenomen worden, sterven gewoonlijk na een korte gevangenschap, wanneer men ze niet met bijzondere zorg behandelt.
Voor 20 à 25 jaren werd van de jacht op den Gaffelbok nog niet veel werk gemaakt, "slechts ingeval van nood, als men geen vleesch van Bisons kon krijgen," bericht de _Prins_ Von Wied. In dien tijd was de Indiaan nog de ergste vijand van het dier, tegenwoordig heeft hij op vele plaatsen reeds moeten wijken voor den Europeeschen jager.
Het voordeel, dat deze jacht oplevert, is niet onbelangrijk. Hoewel vele lieden van het hierdoor verkregen wildbraad een afkeer hebben wegens de sterke lucht die het verbreidt, vinden de meeste Europeanen, dat het een uiterst fijnen wildsmaak heeft, geheel verschillend van die onzer Herten en Reeën, en daarom terecht onder de uitmuntendste gerechten van het westen gerekend wordt. Van het lichte en zachte, maar weinig duurzame vel maken de Indianen zich hemden; de Europeanen vervaardigen er handschoenen van.
Geen enkele Familie van de geheele orde kan zoo gemakkelijk in korte woorden omschreven worden als die der _Herten_ (_Cervidae_). Door ze _Geweidragende Herkauwers_ te noemen heeft men ze nauwkeurig genoeg aangeduid; alle overige eigenaardigheden kunnen in vergelijking met deze als bijzaken beschouwd worden.
De geweien komen meestal alleen bij de mannetjes voor. Het zijn parige, uit been samengestelde, vertakte hoornen, die telken jare afgeworpen en opnieuw gevormd worden. Reeds vóór de geboorte van het Hert is de plaats, die het gewei zal dragen, door een sterkere verbeening van den schedel aangeduid. In de 6e à 8e levensmaand ontstaat op elk voorhoofdsbeen een beenige knobbel, die de daarboven liggende huid opheft. Deze knobbel, "rozenstok" genaamd, blijft gedurende het geheele leven bestaan; hij dient als voetstuk voor het gewei. In den beginne zijn de geweien slechts éénspitsig, later vertakken zij zich hoe langer hoe meer; daar van de hoofdstang takken uitgaan, welker aantal stijgen kan tot twaalf aan iedere stang. "Bij toenemenden leeftijd," zegt Blasius, "komt er in de geweien der Herten een zeer groote verandering tot stand. De eerste, voor iedereen duidelijk merkbare verandering is die der rozenstokken; deze uitsteeksels van het voorhoofdsbeen vergrooten zich ieder jaar, naderen hierdoor meer en meer het midden van het voorhoofd en komen dus dichter bij elkander; op gelijke wijze vermindert met het naar boven groeien van de voorhoofdslijst de afstand tusschen den rozenstok en den schedel in ieder jaar. Nog opmerkelijker zijn echter de veranderingen in den vorm der "stangen" en het aantal harer vertakkingen: de "enden" of "spitsen" van het gewei. De nieuwe geweien, in welker eerste begin van ontwikkeling de oorzaak voor het afwerpen der oude gelegen is, zijn aanvankelijk omgeven door een behaarde, vele bloedvaten bevattende huid, zij eindigen dan nog stomp en zijn week en buigzaam. Eerst groeien de lager geplaatste, daarna de hoogere "enden" van de hoofdstang uit; nadat alle "enden" hun definitieve grootte hebben bereikt en puntig geworden zijn, houdt de omloop van het bloed in het gewei op: nu gevoelt het Hert behoefte om huid of "bast" van het gewei, die nu ook van zelf begint los te geraken, te verwijderen, te "vegen".
De verandering of, zooals men ook mag zeggen, de verdere ontwikkeling van het gewei, heeft nu op de volgende wijze plaats: Reeds voordat het Hert één jaar oud geworden is, ontstaan als onmiddellijke voortzettingen van de rozenstokken "stangen". Bij sommige soorten van de familie worden de stangen wel afgeworpen, maar altijd op dezelfde wijze weder vervangen. Bij de meeste Herten echter wordt de plaats van de stangen van het eerste jaar--van de zoogenaamde "spiesen"--in de lente van het tweede jaar ingenomen door een paar stangen, die ieder met één tak (soms ook met twee takken) voorzien zijn, en het gewei van het tweede jaar vormen. In de lente van het derde jaar herhaalt zich hetzelfde verschijnsel: de stang, die zich dan in het verlengde van den rozenstok ontwikkelt, heeft echter één tak meer dan die van het vorig jaar. Op deze wijze gaat het voort, totdat het dier zijne grootst mogelijke ontwikkeling bereikt heeft. Ziekten of slechte voeding brengen soms teruggang teweeg: de in zulk een tijdperk gevormde stangen hebben 1 of 2 takken minder dan die, waarvoor zij in plaats komen. Daarentegen kan de ontwikkeling van het gewei bespoedigd worden door een rijkelijke voeding en een rustige, zorgenvrije levenswijze.
Het gewei is op den rozenstok bevestigd, doordat beide op de plaats, waar zij met elkander in aanraking zijn, een zeer oneffene oppervlakte hebben; de uitsteeksels van het gewei passen in de holten van den rozenstok en omgekeerd.
Bij de meeste Herten merkt men eenige dagen vóór het afwerpen van het gewei een opzwelling op van de huidstrook, die de plaats van verbinding van gewei en rozenstok omgeeft; het Hert mijdt dan het stooten met het gewei en toont hierdoor, dat het een ongewoon gevoel heeft op de plaats waar het aangehecht is.
Het afwerpen zelf geschiedt ten gevolge van de zwaarte van het gewei; een geringe schok van buiten geeft er dikwijls aanleiding toe. Hoogst zelden worden de beide stangen tegelijk afgeworpen; in den regel verloopt er tusschen het loslaten van de eene en van de andere stang een tijdruimte van verschillenden duur, die soms eenige weinige minuten, soms verscheidene dagen omvat. Door zijn geheele voorkomen, vooral echter door de houding van zijn kop en het laten hangen der ooren, toont het Hert, dat het afwerpen van het gewei, een pijnlijke verrichting is, of althans met een onaangenaam gevoel gepaard gaat. Reeds verscheidene dagen van te voren, stoot de bok niet meer, maar verweert zich, evenals de hinde, door met de voorpooten te slaan. Na het afwerpen van de eene stang wordt hij door het grootere gewicht van de eene helft van den kop genoopt om den kop scheef te houden; hij schudt hem dikwijls, alsof hij op deze wijze de andere stang eveneens wil verwijderen.
Reeds in den voortijd waren de Herten over een groot deel van de aardoppervlakte verbreid. Tegenwoordig bewonen zij, met uitzondering van het Ethiopische rijk en van Australië, alle werelddeelen en nagenoeg alle klimaten, de vlakten zoowel als de gebergten, de open terreinen zoowel als de wouden. Alle Herten zijn levendige, vreesachtige en spoedig vluchtende dieren, snel en behendig in hunne bewegingen, met uitnemende zintuigen uitgerust, doch met tamelijk geringe geestesgaven bedeeld. Hun stem bestaat uit kort afgebroken, doffe geluiden bij het mannetje en uit een soort van geblaat bij het wijfje.
Als voedsel gebruiken de Herten uitsluitend plantaardige stoffen; het is althans volstrekt nog niet uitgemaakt, dat de Rendieren, zooals men beweerd heeft, ook wel Lemmingen eten. Grassen, kruiden, bloemen, bladen en naalden, knoppen, jonge spruiten en takken, graan, bessen en andere vruchten, schors, mossen, korstmossen, en zwammen vormen de voornaamste bestanddeelen van hun voedsel. Zout is voor hen een lekkernij, water een behoefte.
Het wijfje werpt 1 of 2, in enkele gevallen 3 jongen, die volkomen ontwikkeld ter wereld komen en reeds na verloop van weinige dagen hun moeder volgen. Bij eenige soorten toont ook de vader genegenheid voor zijn kroost. De Kalfjes scheppen veel behagen in de liefkoozingen van hun moeder; deze verzorgt ze zorgvuldig en beschermt ze ook tegen de gevaren, die hen bedreigen.
In gewesten waar de landbouw en de boschbouw volgens de eischen van den tegenwoordigen tijd uitgeoefend worden, kunnen de Herten niet meer geduld worden. De schade die deze fraaie dieren aanrichten, overtreft in dit geval het geringe voordeel dat zij opleveren. Ongelukkig genoeg is hun bestaan in strijd met een goede exploitatie van den bodem. Als de jacht er niet was, die terecht als een der edelste en mannelijkste uitspanningen wordt beschouwd, zouden alle Herten bij ons reeds sinds lang uitgeroeid zijn. Nog is het niet zoo ver gekomen; maar toch gaan alle in ons midden wonende leden van deze in zoovele opzichten uitmuntende familie met rassche schreden hun ondergang te gemoet; zij zullen waarschijnlijk reeds na verloop van korten tijd alleen in wildparken en diergaarden te vinden zijn.
Het is niet zoo gemakkelijk Herten te temmen, als men gewoonlijk onderstelt. Wel is waar gedragen al deze dieren, als zij vroegtijdig in gevangenschap gekomen en aan den mensch gewoon geraakt zijn, zich in hun jeugd zeer lieftallig, vertrouwelijk en aanhankelijk; naarmate zij ouder worden verdwijnen deze eigenschappen hoe langer hoe meer; bijna alle oude Herten zijn driftige, boosaardige en twistzieke wezens. Hierop vormt ook de eenige, reeds sedert langen tijd in gevangenschap levende soort, het Rendier, geen uitzondering. Zij kan te dezen aanzien volstrekt niet op één lijn gesteld worden met het Rund en andere soorten van Herkauwers, die huisdieren geworden zijn; het temmen is bij haar slechts ten deele gelukt.
In de eerste plaats zullen wij de reusachtigste leden dezer familie behandelen. De _Elanden_ (_Alces_), die tegenwoordig nog slechts één enkele vertegenwoordiger hebben, of twee, indien men den Amerikaanschen Eland als een afzonderlijke soort beschouwt, zijn kolossale, plomp gebouwde, hoogpootige dieren met bladvormig uitgebreide, vingervormig ingesneden, sterk getakte geweien: zij hebben kleine traansleuven, haarlokken aan de binnenzijde van den voetwortel en klauwklieren, maar geen hoektanden. De kop is leelijk, de behaarde bovenlip hangt over de onderlip heen; de oogen zijn klein, de ooren lang en breed; de staart is zeer kort.