Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 11
In de maanden Augustus en September valt de paartijd in; de kudden geraken dan in hevige beweging, trekken in een bepaalde ruimte samen en vormen een door elkander wemelende massa. De stieren drijven de koeien bijeen, ontmoeten en bevechten elkander, totdat zij door andere dieren weggedrongen worden. De koe werpt meestal tusschen Maart en Juli, maar dikwijls eerst in Augustus, in den regel één jong; tweelingen zijn echter niet zeldzaam. Daar waar zulks mogelijk is, begeven de koeien zich vooraf naar een veilige plaats; hier blijven zij met hunne jongen, totdat deze sterk genoeg zijn om zich bij de kudde te voegen. Zoodra dit geschied is, treden de stieren als beschermers van de kalveren op, hoewel deze gewoon zijn voortdurend hun moeder te volgen, totdat zij door nieuwe nakomelingen uit haar gunst verdrongen worden.
Hoewel de Bison er plomp uitziet, beweegt hij zich toch tamelijk gemakkelijk; zijne korte pooten verhinderen hem niet, om snel groote afstanden te doorloopen. Zijne bewegingen zijn op een eigenaardige wijze kort afgebroken; als hij zijn gang versnelt, beschrijft hij zonderlinge golflijnen, ontstaande, doordat hij afwisselend het voorste en het achterste deel van den romp omhoogwerpt. Bij het zwemmen toont hij dezelfde kracht en volharding als bij zijne overige bewegingen; zonder eenige aarzeling begeeft hij zich te water, en zwemt breede stroomen over. Zijn stem is een dof gebrom, veeleer een diep uit de borst komend geknor dan een gebrul. Als duizenden tegelijk zich laten hooren, vereenigen hunne stemmen zich tot een gedreun, dat met het rollen van den donder vergeleken wordt.
De reuk en het gehoor zijn de volkomenste van zijne zinnen. Ten aanzien van zijne geestvermogens verschilt hij niet van zijne verwanten. Hij is weinig begaafd, goedaardig en vreesachtig, onvatbaar voor snelle aandoeningen. Niet zelden echter zal hij, getergd zijnde, alle voorzorgsmaatregelen, die hij anders gewoon is te nemen, verzuimen, en moedig op zijn vijand los gaan. Gemakkelijker dan aan de in 't wild levende, merkt men aan gevangen Bisons op, dat hun geest voor ontwikkeling vatbaar is. Ook de wilde individuën laten blijken, dat zij nuttige en schadelijke werkingen kunnen onderscheiden. Zij zijn volstrekt niet ongeschikt om getemd te worden maar komen integendeel met den mensch, die er slag van heeft met hen om te gaan, in een bijna vriendschappelijke verhouding; zij leeren althans hun oppasser kennen, en tot op zekere hoogte liefhebben; het duurt echter lang, voordat zij hun aangeboren schuwheid verliezen en hun vroegere gedragslijn veranderen.
Gedurende den zomer biedt het onooglijke, maar saprijke gras der prairiën aan de grazende Bisons een geschikt voedsel; in den winter moeten zij minder goeden kost voor lief nemen, en zich tevreden stellen met spitsen van twijgen en verdorde bladen, met droog gras, korstmossen en mossen.
Vele en ernstige gevaren bedreigen het leven van den Bison. De winter, die op de prairie meestal streng is, vernietigt honderden dieren van zijn soort, na hen eerst afgemat en krachteloos te hebben gemaakt. Nog plotselinger wordt in den winter aan 't leven van tal van Bisons een einde gemaakt, als zij een ijslaag over de rivieren meer vertrouwen, dan zij hadden moeten doen. De gewoonte om in reeksen achter en naast elkander te loopen, strekt hun dan dikwijls ten verderve; onder de ontzaglijke zwaarte van eene kudde Bisons breekt de ijskorst: de dieren storten in 't water, doen te vergeefs moeite om er uit te komen, worden in hunne pogingen om zich te redden gehinderd door de honderden, die hen volgen, en komen op ellendige wijze om 't leven. Op soortgelijke wijze komen vele Bisons om, als zij in den zomer een rivier overtrekken en op een plaats landen willen, waar drijfzand of taai slijk hun het beklimmen van den oever moeielijk maakt.
Levende vijanden hebben de Bisons minstens evenveel, als eenig ander lid van hun geslacht. Naar men zegt, ziet de Grisli-beer zelfs tegen den strijd met den weerbaren stier niet op, en is de Wolf althans voor jonge Buffels gevaarlijk. Hun ergste vijand is en blijft echter de mensch, vooral de Europeaan, wiens jacht in deze streken reeds in de jaren na 1820 en 1830 een bedenkelijken omvang had aangenomen. "In vroegere tijden," schrijft Möllhausen, "toen de Buffel tot op zekere hoogte als een huisdier van de Indianen beschouwd kon worden, was er geen vermindering van de onafzienbare kudden merkbaar; integendeel zij voeren wel en vermenigvuldigden zich op de weelderige weiden. Toen kwamen de blanken in deze gewesten. De rijk behaarde, groote vellen stonden hen aan, het vette buffelvleesch was naar hun smaak en van beide verwachtten zij een ruime winst. In de eerste plaats werd de begeerte naar de schitterende of bedwelmende koopwaren der blanken opgewekt bij de bewoners der steppen, welke waren hun daarna in de geringst mogelijke hoeveelheid in ruil voor hun jachtbuit werden aangeboden; daarna nam de slachting een aanvang. Duizenden van Buffels werden om hun tong, vaker nog ter wille van hun ruige vacht gedood; reeds na weinige jaren kon men een in 't oog vallende vermindering van het aantal dezer dieren opmerken. De zorgelooze Indiaan denkt niet aan de toekomst; hij leeft slechts voor het heden en zijne genietingen. Hij heeft geen aansporing meer noodig: hij zal de jacht op de Buffels voortzetten, tot hij aan het laatste exemplaar de huid heeft afgestroopt. Zonder twijfel is de tijd aanstaande, waarin van deze ontzaglijke kudden niets anders dan de herinnering over zal zijn, de tijd, waarin 300.000 Indianen, van hun levensonderhoud beroofd, door den honger gedreven, met millioenen van Wolven een plaag zullen worden voor de bewoners der naburige, beschaafde gewesten, die dan tegen hen een verdelgingskrijg zullen moeten voeren."
Het gedroogde vleesch, dat, fijngemaakt en innig met vet gemengd, onder den naam "pemmican" bekend is--en waaraan voor de deelnemers aan expedities in de poolgewesten ook wel rozijnen worden toegevoegd--, heeft den naam van smakelijk en zeer voedzaam te zijn; de tong wordt als een lekkernij beschouwd. Het vleesch van de koeien is nog vetter dan dat van de stieren, dat van de kalveren is buitengewoon malsch. Van het vel vervaardigden de Indianen warme kleedingstukken, tentkleeden en bedden, zadels, gordels enz.; ook bedekten zij soms het geraamte van hunne booten er mede. Van de beenderen maakten zij zadelgestellen en messen voor het ontharen der huiden; van de pezen vlochten zij koorden voor hunne bogen en naaigaren; de banden en beenderen van den voet werden in water gekookt voor de lijmbereiding, van de lange haren van den hals en den kop werd touw gedraaid; de staart diende als vliegenverdrijver, de drek als brandstof. Ook bij de Europeanen waren de vellen van de Bisons zeer gezocht. Het hiervan bereide leder is uitmuntend, hoewel een weinig sponsachtig; de behaarde huid kan voor allerlei kleeden gebruikt worden. Vellen zonder gebreken, die een dertigtal jaren geleden 18 à 30 gulden kostten, brengen thans een drie- of viermaal hoogeren prijs op, maar zullen weldra in 't geheel niet meer in den handel voorkomen. Elk dier levert 3 à 4 KG. wol, die voor 't zelfde doel als schapenwol kan dienen, en in sommige streken voor het vervaardigen van warme en zeer duurzame stoffen gebruikt werd.
Eerst sedert eenige tientallen van jaren ziet men Bisons in onze diergaarden. Een Engelsche Lord had, naar men mij te Londen verhaalde, eenige paren uit Amerika ingevoerd en op zijne bezittingen in Schotland hiervan een kudde van 15 à 20 stuks gefokt; na zijn dood werden de Bisons echter verkocht. Wanneer deze dieren goed verzorgd worden, planten zij zich geregeld voort; de kalveren, die in gevangenschap geboren zijn, worden door hunne moeders krachtdadig beschermd tegen al wat hen zou kunnen hinderen; zij ontwikkelen zich even goed als de nakomelingen van onze Tamme Runderen. Dit heeft echter niet kunnen beletten, dat ook de Bisons in onze diergaarden thans op weg zijn om uit te sterven.
Vele dierkundigen, vereenigen, in navolging van Hodgson, Rütimeijer en Wilckens, eenige Aziatische vormen van Runderen--welker getemde afstammelingen, behalve in Azië, ook in Afrika voorkomen, en vermoedelijk zelfs medegewerkt hebben tot het ontstaan van sommige Europeesche Rundvee-rassen--tot een ondergeslacht, dat _Bibos_ wordt genoemd, omdat het een overgang vormt van de soorten, die men onder den naam _Bison_ (Wisent) samenvat, tot die welke de groep _Bos_ (het Rund in de meest beperkte beteekenis van het woord) of _Taurus_ uitmaken. Het best kan men de leden van het ondergeslacht _Bibos_ _Wisent-Runderen_ noemen, een nagenoeg letterlijke vertaling van hun naam. Deze naderen door hun schedelvorm en door het bezit van een vetbult op den rug tusschen de beide schouderbladen tot de Bisons. De voorhoofdsbeenderen zijn van achteren sterk verbreed, de voorhoofdsstreek in dwarse richting dus zeer uitgebreid en bovendien vlak. De hoornen zijn meer of minder afgeplat of cilindervormig, ver naar achteren op de grens tusschen voorhoofd en achterhoofd aangehecht, gedurende de jeugd naar achteren, op latere leeftijd zijwaarts gericht. Behalve de drie Aziatische Wilde Runderen, waarvan de beschrijving nu zal volgen, worden gewoonlijk ook de Zeboe-rassen van Azië en de hiermede nauw verwante bultige of niet-bultige Afrikaansche Tamme Runderen tot de groep der Wisent-Runderen gerekend, dikwijls trouwens ook de reeds vroeger behandelde Yak.
De _Gayal_ (_Bos frontalis_) bereikt een totale lengte van 3.6 M., waarbij 60 cM. voor den staart, en een schouderhoogte van 1.5 à 1.6 M. Hij onderscheidt zich vooral door de buitengewone breedte van het vlakke voorhoofd. De zeer dikke, kegelvormige hoornen wenden zich met een flauwe bocht zijwaarts, achterwaarts en voorwaarts. De rug van den neus is zeer kort en breed. De pooten zijn kort en goed gevormd. Dit dier heeft een buitengewoon edel voorkomen; zijne lichaamsdeelen staan tot elkander in de schoonste harmonie. Het is gedrongen en forsch gebouwd, hoewel geen enkel deel er plomp uitziet. Vooral de stier maakt in hooge mate den indruk van kracht en schoonheid. Een kussenvormige verhevenheid bedekt den geheelen hals, de schouders en den rug. Het geheele lichaam is gelijkmatig begroeid met een kort, dicht, glad en glanzig haarkleed; aan de onderzijde van den hals is het haar slechts weinig verlengd; het vormt echter een dichte kwast aan het onderste vierde gedeelte van den staart en lokken aan den handwortel. De donkerzwarte kleur heeft de overhand; de voorhoofdsharen zijn grijs- of vaalbruin, de haarlokken aan de voorpooten fraai sepia-bruin, de kin, de mondhoeken en een smalle rand van de bovenlip wit.--De bergachtige gewesten ten oosten van den Brahmapoetra worden als het vaderland van den Gayal beschouwd. Daar hij een bergdier is, zijn levendigheid en behendigheid hem in hooge mate eigen; bij 't klimmen toont hij bijna dezelfde zekerheid van beweging als de Yak. Steeds tot kudden vereenigd, gaan de Gayals des morgens, des avonds en in heldere nachten voedsel zoeken. Om zich tegen de drukkende middaghitte te beveiligen, zoeken zij een schuilplaats in 't dichtst van het woud en rusten daar herkauwend in de schaduw. Zij houden veel van 't water, maar niet van modder; zij vermijden daarom moerassen, en verfrisschen zich daarentegen gaarne in heldere bergstroomen. Naar men zegt, zijn zij zachtmoedig en onergdenkend van aard. Nooit waagt de Gayal het den mensch aan te vallen, maar gaat hem veeleer reeds van verre uit den weg; tegen Roofdieren verdedigt hij zich echter met moed; zelfs Tijgers en Panters worden door hem op de vlucht gedreven. Zijn scherp waarnemingsvermogen verschaft hem veiligheid; zijne behendigheid en vlugheid van beweging redden hem, wanneer hij voor vijanden vlucht.
De inboorlingen hebben den Gayal reeds sinds onheugelijke tijden tot huisdier gemaakt; zij fokken deze soort zuiver of kruisen haar met hunne Tamme Rundvee-rassen. De melk van den Gayal wordt wegens haar gehalte, zijn vleesch wegens den smaak zeer geroemd.
De _Gaur_ of het _Dsjungel-rund_ (_Bos gaurus_) is ongetwijfeld zeer na verwant aan den Gayal, van wien hij echter steeds verschilt door eenige bij uitwendig onderzoek of bij ontleding waarneembare eigenaardigheden; o. a. heeft hij een paar ribben minder.
Volgens _Sir_ Walter Elliot, die een door hem gedooden Gaur beschreef, onderscheidt hij zich zeer van het gewone Indische Rund en nadert meer tot den Wisent en den Bison; de Engelsche jagers geven hem daarom gewoonlijk den laatstgemelden naam. De kop is korter dan bij het Gewone Rund; het voorhoofd zeer breed, de aangezichtslijn gewelfd, het oog en het oor kleiner dan bij den Buffel, de hals kort, dik en gedrongen, de romp krachtig, de borst breed. De hoornen zijn aan den wortel zeer dik, maar loopen puntig toe; zij zijn zijdelings aangehecht, en krommen zich naar achteren en naar boven. Het vel, dat aan de bovenzijde van den hals, op de schouders, aan den bovenarm en het bovenbeen een buitengewone dikte heeft, is met korte, dicht bijeen geplaatste haren bedekt, die zich aan de onderzijde van den hals en op de borst een weinig verlengen, tusschen de hoornen een kroeze kuif vormen. Een fraaie, donkerbruine kleur heeft de overhand; deze gaat aan de onderzijde in donker okergeel, aan de pooten in vuil wit, op het voorhoofd in licht grijsbruin, in de buurt van de oogen in grauwzwart over. Volgens de metingen van Elliot, bedraagt de totale lengte van een geheel volwassen stier van deze soort 3.8 M., de lengte van den staart 85 cM., de schouderhoogte 1.86 M.
Het verbreidingsgebied van den Gaur is zeer uitgestrekt. Van de zuidspits van Indië tot aan den Himalaja, in oostelijke richting door Assam en Tsjittagong tot in Birma en het Maleische Schiereiland, vindt men den Gaur overal, waar boschrijk berg- of heuvelland, hoe steil dan ook, voorkomt. Dicht begroeide, verwarde wildernissen, met ondoordringbaar struikgewas gevulde wouden, opeenhoopingen van varens, bamboesbosschen en grasrijke, hoogstammige wouden, leveren hem de meest gewenschte schuilplaatsen; vooral houdt hij zich gaarne op in diepe, waterrijke ravijnen, op steile, met steengruis bezaaide hellingen en op ternauwernood toegankelijke toppen. Op sommige plaatsen bezoekt hij tijdelijk ook wel vlakkere streken, door het jonge, malsche gras tot deze afwijking van den regel verleid. Met opmerkelijke vaardigheid beweegt hij zich door de moeielijkst begaanbare oorden. De kolossale dieren rennen bijna zoo vlug als Herten bij een oneffene, steile helling naar boven, of ijlen met ratelend hoefgeklepper in flinken draf of snellen galop naar beneden in een ravijn.
Gewoonlijk laveit de Gaur alleen 's nachts, het liefst op plaatsen waar jong gras groeit; daar hij dit, evenals de malsche bamboes-uitspruitsels, boven ieder ander voedsel verkiest. Als hij echter in de nabijheid van het bebouwde land leeft, onderneemt hij plundertochten naar de akkers; hij wordt dan soms zoo lastig en driest, dat het bijna niet mogelijk is hem van hier te verdrijven. Tegen den morgen van de weide teruggekeerd, verbergt hij zich te midden van het hoog opgeschoten gras, of in de met jonge bamboes begroeide wildernissen, om hier te rusten, te sluimeren en te herkauwen.
Om den Gaur te dooden maakt men gebruik van buksen van zeer groot kaliber, dezelfde als die, welke voor het dooden van ander groot wild gebruikt worden. Men maakt jacht op hem, door zijn spoor te volgen, totdat men hem onder schot heeft; dikwijls ook laat de jager een exemplaar naar zich toe drijven. Ervaren jagers maken in den regel geen jacht op de tot troepen of kudden vereenigde dieren, maar alleen op oude stieren, die een eenzaam leven leiden; na den Olifant zijn zij het kolossaalste wild, dat in deze gewesten voorkomt. De gevaarlijkheid van deze jacht is, volgens het eenstemmig oordeel van alle berichtgevers uit lateren tijd, dikwijls zeer overdreven voorgesteld hoewel allen erkennen, dat een gewonde en vervolgde stier in sommige gevallen een zeer lastige tegenstander kan zijn.
Voor het schoonste van alle bekende, thans nog in 't wild levende Runderen houd ik den _Banteng_ der Maleiers (_Bos banteng_), een dier, dat door de sierlijkheid van zijn lichaamsbouw met een Antilope kan wedijveren en zich bovendien door een aangename kleur onderscheidt. De hoornen zijn aan den wortel verdikt en met onregelmatige opzwellingen voorzien, voorbij het eerste derde gedeelte van hun lengte echter glad en tamelijk scherp aan de spits; zij bereiken een lengte van 40 à 50 cM. Eerst maken zij een vlakke bocht naar buiten en naar achteren, vervolgens naar boven en naar voren; de spitsen zijn echter naar boven en naar binnen gericht. Het overal even lange, dicht aanliggende haarkleed heeft een donker grijsbruine, aan de achterdeelen eenigszins naar rood zweemende kleur. Het meest in 't oog loopende kenteeken van dit dier is de door zijn witte kleur en breedheid in 't oog vallende "spiegel" (d. i. het achterste deel van de dijen en van den romp, waar het haar naar boven gericht is); wit zijn ook de onderste helft van de pooten en de buitenhoek van het oor.
Het verbreidingsgebied van den Banteng omvat Java, Borneo en het oostelijk gedeelte van Sumatra; ook op het vasteland is hij inheemsch, n.l. op het Maleische Schiereiland, in Tenasserim en Pegoe, waarschijnlijk ook in Birma. Het liefst vestigt hij zijn woonplaats in vochtige of veenachtige, kortom in waterrijke gedeelten van het woud; vlakke bergdalen met langzaam stroomende rivieren bevallen hem daarom beter dan alle overige boschstreken.
De jacht op den Banteng is wegens zijne wildheid en schuwheid zeer gevaarlijk en moeielijk. Hoewel ook hij bij 't bespeuren van de nadering van den mensch in den regel vlucht, vreest hij den jager echter weinig, wanneer hij in de engte gedreven of gewond is; hij valt hen niet zelden aan en maakt dan een zeer behendig en doeltreffend gebruik van zijne spitse hoornen.
Volwassen Bantengs zijn ontembaar; hunne kalveren evenwel kunnen volslagen huisdieren worden; naar men zegt, is de aard van dit dier zachter en welwillender dan die van alle overige bekende Wilde Runderen.
Alle tot dusver beschreven Rundersoorten hebben waarschijnlijk geen (of zoo al, dan toch slechts in zeer geringe mate) deel genomen aan de vorming van onze Europeesche Tamme Runderen, daarentegen moeten zij, naar men meent, beschouwd worden als stamouders van de in Afrika en Azië levende rassen. Hoewel de sluier, die over den oorsprong van deze buitengewoon nuttige, sedert overouden tijd aan den mensch onderworpen wezens ligt uitgespreid, niet zoo dicht schijnt, als die, welke het ontstaan van andere huisdieren aan ons oog onttrekt, kon hij tot dusver voor gene evenmin als voor deze opgeheven worden. Vrij algemeen wordt tegenwoordig de onderstelling aangenomen, dat de Runderen, die in alle drie deelen van de Oude Wereld meer of minder gelijktijdig in den toestand van huisdieren overgingen, niet van één enkele, maar van verschillende stamsoorten afstammen; voor het bepalen van de bedoelde stamvormen zijn echter de scherpzinningste betoogen, gegrond op de vergelijking van de tot dusver gevonden schedels van uitgestorven Wilde Runderen, niet voldoende. Zooals uit de vorige beschrijving blijkt, worden ook thans nog verscheidene Wilde Runderen getemd en tot huisdieren gemaakt of althans tot veredeling van Tamme Rundvee-rassen gebruikt; de tijd waarin de mensch voor 't eerst het Wilde Rund temde, of, wat waarschijnlijker is, van diens jong gevangen nakomelingen een kudde vormde, ligt echter aan gene zijde van het tijdperk der geschiedenis en der sage. In de alleroudste verhalen wordt melding gemaakt van kudden Tamme Runderen; op de oudste gedenkteekenen van de landen, die men als de bakermat van de beschaving en van een geordenden staat van zaken beschouwt, zijn zij afgebeeld; uit den slijkerigen bodem rondom de paalwoningen worden hunne overblijfselen blootgelegd. Niet ten onrechte wordt aan het laatstgenoemde feit een zeer gewichtige beteekenis toegekend; het meest nauwgezette onderzoek van deze reliquiën werpt echter, evenmin als de vergelijking van overoude afbeeldingen met de thans levende rassen van Runderen, een helder licht over het geheim van hun oorsprong; dit nog altijd in meer dan een opzicht duistere vraagstuk wordt er geenszins door ontraadseld.
De nauwkeurig geteekende afbeeldingen van dieren, die wij aan de oude Egyptenaren te danken hebben, toonen ons duidelijk drie verschillende Rundvee-rassen: vooreerst, een langhoornig slag, het meest verbreide ras, waaraan de hooge eer ten deel viel, dat daaruit de heilige stier _Apis_ werd gekozen; ten tweeden, een korthoornig ras, dat in de meeste opzichten op het eerstgenoemde geleek, maar korte, kwartcirkelvormig gebogen hoornen bezat; ten derden, Runderen met een bult, die gewoonlijk afgebeeld worden onder de voorwerpen, welke door de Soedaneesche volken als schatting werden opgebracht.
Over deze drie duidelijk herkenbare rassen merkt Hartmann het volgende op: "De bouw van den kop toont in al deze afbeeldingen van Runderen de kenmerken van den Zeboe-kop (zie de afbeelding op p. 462). Het zeboe-slag, dat thans nog over 't geheele binnenland van Afrika verspreid is, is de stamvorm van het Oud-Egyptische, zoowel als van het Nieuw-Egyptische Tamme Rund; de _Apis_-schedels uit Memphis stemmen volkomen overeen met schedels van Zeboe's uit Sennaar. Begeeft men zich nu van Beneden-Egypte langs den Nijl bovenwaarts, door Nubië en Dongola naar Sennaar, dan blijkt het, hoe het Egyptische Tamme Rund met zijn hoogen rug langzamerhand in den Zeboe van de binnenlanden van Afrika overgaat. In Zuid-Dongola en de Bahinda-steppe vindt men alleen Zeboe's. Het Oud-Egyptische langhoornige ras, gelijkt volkomen op den Sanga der Abessiniërs; wel ontbreekt aan het eerstgenoemde ras den bij den Sanga voorkomenden, hoogen vetbult, maar deze is ook bij de echte Zeboes van 't binnenland dikwijls slechts weinig ontwikkeld. Het Oud-Egyptische langhoornige ras is thans uitgestorven; zelfs de betrekkelijk langhoornige Runderen, die men thans hier en daar in Egypte ziet rondloopen, staan ten aanzien van de grootte hunner hoornen steeds bij het oude ras achter. Veeziekten en verregaande achteloosheid, hebben in den loop der eeuwen den Egyptischen rundveestapel sterk doen achteruit gaan; om hem aan te vullen heeft men voortdurend, en nog in den laatsten tijd, groote kudden van het bultige, korthoornige Sennaarsche Rund naar Egypte gedreven, en dit gekruist met de nog aanwezige overblijfselen van lang en korthoornige rassen. Hierdoor is het langhoornige slag in Egypte langzamerhand verdwenen, of liever in een korthoornig slag veranderd. Dat de groote Bultige Runderen van Sennaar, of liever hunne door kruising met andere rassen ontstane nakomelingen in Egypte en Beneden-Nubië, ontaard zijn tot de schrale, hoogpootige, bijna Antilope-achtige Runderen zonder vetbult, die thans in deze streken voorkomen, mag grootendeels toegeschreven worden aan den invloed van het klimaat, van veranderde levensomstandigheden en van de slechte behandeling, die het Rundvee, zoowel van den Egyptischen, als van den Nubischen boer ondervindt."
Uit het bovenstaande blijkt, dat in Oud-Egypte reeds in overouden tijd verscheidene Rundvee-rassen bestonden, en dat eenige daarvan volkomen verdwenen zijn, of althans zich zoodanig gewijzigd hebben, dat men ze niet meer herkennen kan, terwijl van andere daarentegen alle hoofdeigenschappen onveranderd zijn gebleven.