Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 12
De hierboven genoemde _Sanga_ of _Sanka_ (_Bos africanus_) mag wel als het schoonste van alle rassen van Bultige Runderen beschouwd worden; hij is groot, slank, maar toch krachtig gebouwd, hoogpootig en tamelijk langstaartig; de vetbult tusschen de schouderbladen is goed ontwikkeld; de zeer forsche hoornen verschillen aanmerkelijk van die der Europeesche rassen; zij zijn n.l. ruim 1 M. lang en aan den wortel tamelijk dicht bijeengeplaatst, aanvankelijk zijwaarts, daarna buitenwaarts, vervolgens regelrecht naar boven, het laatste derde gedeelte echter naar binnen, de spits eindelijk weer naar buiten gericht. Het haarkleed is sluik, fijn en grootendeels kastanjebruin van kleur. Er bestaan van dezen diervorm verscheidene rassen, die over geheel Middel-Afrika verbreid zijn; ook in het geheele zuiden van dit werelddeel treft men deze (of zeer na verwante) rassen aan.
Volgens de berichten van vele reizigers is het Bultige Rund, de Zeboe, in Afrika zoo algemeen verbreid, dat in dit werelddeel waarschijnlijk slechts weinige rassen van Runderen zonder bult aangetroffen worden, die geen Zeboe-bloed bevatten. Het gemis van den vetbult op den rug, is trouwens volstrekt geen bewijs voor de afwezigheid van Zeboe-bloed, zooals blijkt uit de overeenkomst tusschen de schedels van de Sennaarsche Bultige Runderen met die van de _Apis_-stieren, welke, (zooals reeds gezegd werd) uit het oud-Egyptische langhoornige ras, dat de vetbult mist, gekozen werden; bovendien blijkt dit uit het verbasteren van de Bultige Rundvee-rassen, die uit zuidelijker landen naar Egypte gevoerd werden, tot vormen, die geen bult bezitten (zie boven).
Op het Afrikaansche Bultige Rund laten wij den _Indischen Zeboe_ (_Bos indicus_) volgen, hoewel deze er in sommige opzichten van verschilt. Hij is ongeveer even groot, in den regel echter forscher ontwikkeld en lager op de pooten dan de Sanga; het oor is lang en hangend, de hoornen zijn opmerkelijk kort; de kleur biedt meer verscheidenheid aan, daar het gewoonlijk voorkomende rood- of geelbruin, dikwijls plaats maakt voor vaalgeel of wit, terwijl ook gevlekte Zeboes niet zeldzaam zijn. Van dezen vorm worden trouwens talrijke onder-rassen en slagen onderscheiden; sommige daarvan worden niet grooter dan een kleine Ezel; zulke dwergachtige Runderen zijn in Indië volstrekt niet zeldzaam.
De Zeboe-rassen kunnen gemakkelijk gekruist worden met de overige rassen van Tamme Runderen. De op deze wijze ontstaande bastaarden zijn onbeperkt vruchtbaar, zoowel bij paring onderling als bij kruising met een hunner stamvormen.
Uit de onderzoekingen van Gurlt is gebleken, dat de vetbult ontstaan is door een eigenaardige vervorming van een rugspier, waarin zich veel bindweefsel en vet ontwikkelde.
De oudste beschaafde volken, o.a. de Indiërs, hadden geen andere Tamme Runderen dan de Zeboe, of bovendien nog een ras, dat er betrekkelijk weinig van verschilt, zooals het langhoornige ras der oude Egyptenaars. Daar het Zeboe-rund nergens meer in het wild voorkomt, en daar er ook geen beenderen van dit dier in de oude aardlagen gevonden zijn, ligt het voor de hand aan te nemen, dat de Zeboe zich uit andere vormen van Runderen ontwikkeld heeft. Dat hij, wat schedelvorm en andere eigenaardigheden van het skelet betreft, nader verwant is aan den Banteng, dan aan de Europeesche Runderen, werd door Rütimeijer aangetoond. Vermoedelijk heeft dus het temmen van een of meer Indische Wilde Runderen (Banteng, Gaur, Gayal) tot het ontstaan van den Zeboe aanleiding gegeven. Daar in Afrika geen Wilde Runderen voorkomen, vermoedt men, dat de Zeboe uit Azië naar Afrika is overgebracht.
Als algemeene stamvorm van de Wisent-Runderen beschouwt Rütimeijer het Etrurische Rund (_Bos etruscus_), welks schedel voor 't eerst gevonden werd in de jongste tertiaire (pliocaene) lagen van Toscane, later ook in Auvergne en in Spanje.
De mogelijkheid bestaat, dat Afrikaansche Runderen naar Europa overgebracht zijn en de stamouders zijn geweest van sommige Europeesche Rundvee-rassen. Hiervoor pleit de overeenkomst van de Zeboe-rassen met het kleine Turf-rund, waarvan bij de Europeesche paalwoningen overblijfselen zijn gevonden. Dat al onze Rundvee-rassen aan Afrikaansche Runderen hun ontstaan zouden danken, zooals Frantzius meent, is volgens Wilckens, niet waarschijnlijk. Wel zou, volgens dezen onderzoeker de hypothese overweging verdienen, dat het Europeesche Tamme Rund zich op soortgelijke wijze uit _Bos etruscus_ ontwikkeld heeft als de Zeboe uit de Indische Biboviden. Voor de "kortkoppige" Europeesche Rundvee-rassen komt deze onderstelling hem aannemelijker voor, dan die, waardoor de Oeros als hun stamvader wordt aangewezen, vooral omdat de bedoelde rassen, juist die Middel- en Zuid-Europeesche gewesten bewonen, welke aan Etrurië en Ligurië (waar de overblijfselen van _Bos etruscus_ gevonden zijn) hun Rundvee ontleenden. De stamouders van de "langkoppige" Europeesche Runderen zouden dan uit Afrika ingevoerd kunnen zijn, hetgeen, volgens Wilckens, waarschijnlijker is dan hun afstamming van den Oeros, die in Noord-Europa inheemsch was.
Uit de bovenstaande beschouwingen blijkt ontegenzeggelijk alleen dit: dat wij over de afstamming van het Tamme Rund nog evenmin zekerheid hebben verkregen, als over de afstamming van de meeste overige huisdieren.
De vertegenwoordigers van een derde ondergeslacht der Boviden--de _Runderen_ in de meest beperkte beteekenis van het woord (_Taurus_)--komen thans alleen nog maar als huisdieren voor. De laatste in 't wild levende soort der Taurinen was de _Oeros_ _[Bos (Taurus) primigenius_]; zij is sinds de 16e eeuw uitgestorven.
Volgens Rütimeijer zouden drie verschillende soorten van Taurinen deel gehad hebben in het stamvaderschap van 40 à 50 rassen van Tamme Runderen, die men tot dusver onderscheiden heeft. Deze zijn: het _Rund der Voorwereld_ (_Bos primigenius),_ dat waarschijnlijk met den reeds genoemden _Auer_ of _Oeros_ één soort uitmaakte, het _Korthoornige Rund_ (_Bos brachyceros),_ en het _Breedkoppige Rund_ (_Bos frontosus)._ Naar aanleiding hiervan zegt Wilckens: "Een stelselmatige indeeling van de rassen, gegrond op talrijke en zorgvuldige metingen van den schedel en van het skelet, is tot nog toe even onuitvoerbaar voor het Tamme Rund, als voor de vroeger beschouwde huisdieren. De verdeeling van alle Tamme Runderen in twee of drie groepen van rassen, die door Rütimeijer is voorgesteld, berust op een zoo beperkt materiaal voor onderzoek, dat uit zulk een klein deel van het verbreidingsgebied van het Tamme Rund (hoofdzakelijk uit Zwitserland) afkomstig is, dat zij niet algemeen toegepast kan worden. Wel heb ik in mijn werk over de "Rundvee-rassen van Middel-Europa" het stelsel van Rütimeijer aangenomen, nadat ik een vierde groep van rassen--het _Kortkoppige Rund_ (_Bos brachycephalus_)--aan toegevoegd had; sedert ik echter bijna alle Rundvee-rassen van Frankrijk en Engeland heb leeren kennen, zie ik de onmogelijkheid in om het rassenstelsel van Rütimeijer toe te passen, zij het dan ook alleen op de Rundvee-rassen van Europa." Op het tegenwoordige standpunt der wetenschap is het daarom beter, de Rundvee-rassen te groepeeren naar hun verbreidingsgebied, tevens lettend op den vorm van 't lichaam en op het doel waarvoor zij dienen. Zulk een indeeling, welke gedeeltelijk nog met die van Rütimeijer overeenstemt, bevat de 8 volgende groepen: 1o. het Steppenvee of Grijze Vee van Oost- en Zuid-Europa; 2o. het Laagland-vee waartoe behooren: (a) de Hollandsche, (b) de Oost-Friesche, (c) de Oldenburger, (d) de Sleeswijk-Holsteinsche slagen, (e) de overige Duitsche Laagland slagen, (f) de Belgische en Fransche slagen van het Laaglandras; 3o. het Breedkoppige of Frontosus-ras; 4o. het Korthoornige of Brachyceros-ras; 5o. de Landslagen van Duitschland en Oostenrijk; 6o. de slagen van Groot-Britannië; 7o. de slagen van Frankrijk; 8o. het Rundvee van de overige Europeesche landen (Rusland, Spanje, en Portugal). De beide eerstgenoemde groepen en ook eenige slagen van de andere groepen (o. a. van de Groot-Britannische) stammen, volgens Rütimeijer, van het Rund der Voorwereld, van den Oeros, af.
Volgens Rütimeijer leven thans nog directe, zij het dan ook eenigszins gewijzigde afstammelingen van het Rund der Voorwereld in halfwilden toestand in de groote dierparken van Noord-Engeland en Schotland. Een dier, dat, naar de beschrijving te oordeelen, volkomen overeenstemde met het bedoelde _Parkrund_, bestond nog in de tiende eeuw in Wales. 400 stuks witte Runderen met roode ooren werden aan _Koning Jan_ gezonden; volgens een oude oorkonde werden 100 van deze zelfde dieren geëischt tot zoen van het een of ander misdrijf. Het bewijs is geleverd, dat dit dier destijds nog in wilden toestand leefde in een oerwoud, dat zich dwars door geheel Noord-Engeland en Schotland, van Chillingham tot Hamilton, uitstrekte. Van dit oerwoud en van de daarin geleefd hebbende Runderen, zijn in de beide parken, die gewoonlijk met de namen der beide genoemde eindpunten aangeduid worden, nog overblijfselen aanwezig. Reeds omstreeks het jaar 1260 werd op aansporing van William van Farrarn het park Chartley in Staffordshire door een omtuining afgesloten met het doel om het Wilde Rund in deze veenachtige boschstreek te behouden. Dit voorbeeld werd des te gretiger nagevolgd, naarmate het Wilde Rund zeldzamer werd; ook andere groote grondeigenaars namen denzelfden voorzorgmaatregel, zoodat het Parkrund reeds vóór de Hervorming nog slechts op afgesloten terreinen voorkwam; van deze zijn er 14 tot in deze eeuw en 5 tot op den huidigen dag blijven bestaan.
Het _Parkrund_ (_Bos taurus scoticus_) is middelmatig groot, forsch maar niet plomp gebouwd. Zijn haarkleed is dicht en kort aanliggend, op de kruin en aan de hals langer en kroes, langs het midden van den nek tot aan de schoft zwakke manen vormend, met uitzondering van den snuit, de ooren, de hoornen en de hoeven melkwit. De ooren zijn van binnen roodbruin, het voorste gedeelte van den snuit bruin, de oogen met een zwarten rand omgeven, de hoeven zwart. De hoornen zijn matig lang, tamelijk dun, maar slank en scherp toegespitst, van den wortel af naar buiten en naar boven gericht en met de spitsen weder (hoewel ternauwernood merkbaar) binnenwaarts gekeerd; hun kleur is grijsachtig wit met zwarte spits.
De voorname eigenaars van alle in Schotland nog bestaande parken stellen er een eer in, deze uit den ouden tijd overgebleven dieren onder hunne bijzondere bescherming te nemen. Zij leggen niet onbelangrijke sommen ten koste aan hun onderhoud: bepaaldelijk voor dit doel aangestelde opzichters waken over hen, doen zooveel mogelijk hun best om gevaren van hen verwijderd te houden en schieten eindelijk de stieren, die wegens hun hoogen ouderdom of op een andere wijze onbruikbaar geworden zijn, dood. Het vleesch verschilt in smaak niet van dat van het Tamme Rund.
Het Parkrund heeft alle kenmerkende eigenschappen van een echt wild dier. Het verbergt zijne jongen en graast des nachts; overdag slaapt het en laat het zich koesteren door de zonnestralen. Kwaadaardig is het alleen, wanneer het in 't nauw wordt gebracht; in alle andere gevallen is het zeer schuw en neemt voor iedereen reeds op grooten afstand de vlucht. Al naar het jaargetijde en de wijze waarop men hen nadert, gedragen de dieren zich verschillend. In den zomer krijgt men ze soms in vele weken niet te zien, al zoekt men ze op, daar zij in dezen tijd, zoodra zij de lucht van een mensch krijgen, zich terugtrekken in een deel van het woud, dat door niemand betreden wordt. In den winter echter bezoeken zij de voederplaatsen; omdat zij hier aan den mensch gewoon geraken, is het in dezen tijd mogelijk, vooral voor iemand die te paard zit, bijna te midden van de kudde te komen.
Ludwig Beckmann, de bekende dierenteekenaar, die in 1847 het park van den _hertog van Hamilton_ in Lanarkshire bezocht, zegt van het Parkrund, dat hij hier aantrof: "Door zijn geheele voorkomen maakt dit dier op den onbevooroordeelden onderzoeker eerder den indruk van een met zorg zuiver gehouden verscheidenheid van ons Tamme Rund dan dien van een "Oer-rund". Reeds de witte kleur moet als iets ongewoons beschouwd worden bij een groot Zoogdier, dat in het zachte klimaat van een eiland in 't wild leeft. Bovendien wijzen de evenredigheid der verschillende lichaamsdeelen, de horizontale rug, de hooge plaats aanhechting van den staart en de vorm en uitgebreidheid van den sterk geplooide kossem bij oude stieren, mijns inziens, op een sedert langen tijd door den mensch uitgeoefenden invloed op den vorm dezer Runderen,--misschien wel hierop, dat zij afstammen van dieren, die in overouden tijd getemd waren. De hooge ouderdom van het ras, die uit historische bewijsstukken blijkt, geeft aanleiding tot het vermoeden, dat het reeds in den heidenschen vóórtijd bij de godsdienst-plechtigheden der Druïden een rol speelde, op soortgelijke wijze als de aan _Hertha_ gewijde witte koeien en de heilige stieren der Brahminen. Ook zou het kunnen zijn, dat de "wilde witte Bisons" van het Caledonische woud, waarvan in de oude Schotsche volksverhalen dikwijls sprake is, en die Walter Scott in sommige zijner romans ten tooneele voert, de verwilderde afstammelingen van deze heilige Runderen der Druïden zijn."--Ook thans nog ziet men trouwens bij het gewone Schotsche Rundvee soms enkele exemplaren of zelfs geheele beslagen, die, op de kleur na, alle eigenaardigheden van het Parkrund vertoonen; in enkele gevallen bestaat er, naar Colquhoun bericht, zelfs in de kleur geen verschil.
De wijze waarop men nog kort vóór het einde van de vorige eeuw een Parkstier doodde, herinnert sterk aan de jacht in overouden tijd. Op den hiervoor bepaalden dag kwamen de bewoners van den geheelen omtrek bijeen: sommigen te paard, anderen te voet, allen met geweren gewapend. Niet zelden bestond de jachtstoet uit vijf- à zeshonderd jagers, waarvan er dikwijls meer dan honderd te paard zaten. Zij die onbereden waren, gingen zitten op de muren, die het park insluiten, of klommen met hun geweer bij zich in de boomen, die de open plek omgaven, waar de stier gedood zou worden. De bereden jagers doorkruisten het woud en dreven de kudde naar de bedoelde open plek, waar de stier door de ruiters omsingeld werd. Zoodra dit geschied was, sprong de ruiter, die de eer zou genieten het eerste schot te lossen, van zijn paard en schoot zijn geweer af op het onrustige en door vrees buitengewoon wild geworden dier. Hierna vuurden alle overige jagers, voor zoover zij een hiervoor geschikte plaats hadden kunnen innemen; dikwijls werden meer dan dertig schoten op den stier gelost, voordat hij dood was. Door de hevige pijn en het luide geschreeuw der jagers dol geworden, viel het bloedende dier niet zelden, zonder zich om de menschenmenigte te bekommeren, met inspanning zijner laatste krachten zijne belagers aan en bracht hen gevaarlijke wonden toe, of veroorzaakte zulk een verwarring, dat hij door den kring heenbreken en zich aan verdere vervolging onttrekken kon. Wegens de ongelukken, die bij deze jachten plaats hadden, zijn zij in onbruik geraakt.--
Groot is de invloed, die de mensch kan oefenen op het variëeren der dieren, die hij aan zich onderworpen heeft en die huisdieren zijn geworden. Door de ervaring geleerd koos hij zijne fokdieren volgens een vooraf beraamd plan, met een bepaald doel voor oogen. Soms langzaam, soms reeds na verloop van betrekkelijk korten tijd verkreeg het ras, welks veredeling gewenscht werd, andere erfelijke eigenschappen, belangrijk verschillend van de oorspronkelijke kenmerken. Zoo ontstonden, na verloop van tijd nieuwe rassen, terwijl vroegere rassen verdwenen. Ook uit dit oogpunt beschouwd zijn de Rundvee-rassen zeer merkwaardig. Uitmuntende werken bestaan er, waarin dit onderwerp meer uitvoerig wordt behandeld, o.a. het met zorg geschreven "Handboek voor den Nederlandschen Landbouw en Veeteelt door G. Reinders." Wij moeten ons bepalen tot enkele grepen uit de talrijke wetenswaardigheden op dit gebied.
Het _Laaglandras_, waartoe ook de _Nederlandsche Rundveeslagen_ behooren, is inheemsch in de Noord-Duitsche laagvlakte en in sommige gewesten van Engeland. Het is groot en zwaar gebouwd, maar eenigszins weekelijk en zwak van aard. De kop is lang en smal met korte horens, welker spits bij de stieren eenigszins achterwaarts, bij de koeien meestal naar voren en naar binnen gekromd is. De neus is recht; de groote oogen hebben een min of meer slaperige uitdrukking; de lange oorschelpen zijn slap. De hals is zeer lang, de kossem kort, de schoft laag, het kruis verheven, de heup zeer breed met sterk uitstekenden darmbeenrand, het kruis naar achteren afhellend, de staart diep aangehecht, de borst smal. De schouders zijn smal en steil geplaatst, de ribben dikwijls vlak; de romp is sterk gewelfd, het jaar (de uier) groot en slap, met sterk ontwikkelde spenen. De dijen zijn dikwijls plat en met weinig vleesch bezet, de pooten betrekkelijk kort en dik, de gewrichten dikwijls sponzig, de spronggewrichten dicht bijeen geplaatst (koehakkig), de hoeven breed en plat. De huid is dun en zacht en kan gemakkelijk over de onderliggende deelen verschoven worden. Het haar is sluik en fijn, het haarkleed meestal glanzig en in den regel bont van kleur, n.l. wit en zwart of wit en rood, of bruin met witte plekken aan den kop en de voeten. De neusspiegel (het onbehaarde gedeelte van de muil) is meestal loodkleurig, bij licht gekleurde (roodbonte) dieren, ook wel rozerood. Het Laaglandras is niet zeer geschikt om trekvee te leveren: daarentegen brengt het veel melk voort, en kan meestal ook uitstekend dienen voor de productie van vleesch en vet.
Het meest verbreide slag van het Laaglandras is ongetwijfeld het _Nederlandsche slag_ (_Bos taurus hollandicus_), waarvan men als hoofdtypen onderscheidt: de Groninger Witkoppen, de Friesche en Noordhollandsche, de Geldersche, de Zeeuwsche type, het Heidevee in Overijsel enz. Ook buiten Nederland (Oost-Friesland, Sleeswijk-Holstein, enz.) wordt het veelvuldig gefokt en meer of minder zuiver gehouden; in andere, meer binnenlands gelegen gewesten, wordt het niet zelden gebruikt tot kruising met de daar inheemsche rassen; wijl het zich onderscheidt door groote melkproductie en geschiktheid om vet gemest te worden. Al naar den grond waarop zij leven, de behandeling die zij ondervinden, enz., bestaat er tusschen de dieren van dit slag verschil. Opmerkelijk vooral is het verschil tusschen het vee der laagveen- en kleistreken en het vee der uit zand en hoogveen samengestelde geestgronden; het laatstgenoemde is kleiner, schraler en langpootiger.
De Nederlandsche runderen--volgens Fitzinger directe afstammelingen van den Oeros--onderscheiden zich door aanzienlijke grootte, tamelijk evenredige ontwikkeling van alle lichaamsdeelen en groote gelijkmatigheid van kleur en teekening. De kop is lang, naar voren spits toeloopend, de hals lang en dun, de romp tonvormig, d. i. gestrekt en breed, de schoft smal, het kruis breed, de staart matig lang. Vooral de achterpooten zijn sterk ontwikkeld; beide paren pooten hoog en krachtig, maar niet plomp. De hoornen zijn kort, zwak, meestal eerst zijwaarts, daarna voorwaarts gericht; de kleur is bont gevlekt: op witten of grijswitten grond komen in den regel zwarte, soms echter ook wel bruine en roode, meer of minder groote vlekken van zeer verschillenden vorm voor.
Een geheel ander uiterlijk heeft het _Breedkoppige Ras_ (_Bos frontosus_), dat vooral in het westen en noorden van Zwitserland (het meest in het kanton Bern) gevonden wordt, en waarvan wij het wegens zijn groote melkproductie beroemde _Freiburger slag_ (_Bos taurus friburgensis_) als voorbeeld kiezen. De dieren van dit ras zijn in den regel groot en zwaar en hebben een stevig beenderenstelsel. De kop is breed en betrekkelijk kort; de sterk uitpuilende opzwelling van het gewelfde, tusschen de hoornen zeer breede voorhoofd, verheft zich boven de achterkopsvlakte. De langgesteelde hoornen zijn van middelmatige lengte, een weinig afgeplat, beneden-, zij- en bovenwaarts gekromd. De oorschelp is zeer breed en van binnen met lange haren begroeid. De groote oogen staan zijwaarts. De hals is kort en dik en met een langen kossem voorzien. De romp is betrekkelijk kort, het voorstel meer ontwikkeld dan het achterstel. De voorborst is breed, de schouder breed en gespierd, dikwijls eenigszins steil geplaatst. De ribben zijn meestal goed gewelfd en de flanken gesloten. De buik is weinig uitgebreid, de middelmatig groote uier goed tegen den romp aangevoegd. De schoft is breed en evenals het kruis een weinig verheven boven de overigens rechte ruglijn; de hoog aangehechte, dikke staart eindigt in een langen kwast. De heup is meestal breed, het kruis breed en rond; de schenkels zijn vol en flink met vleesch bezet, de pooten krachtig en goed geplaatst, de spronggewrichten breed. De huid is dik en zacht, gemakkelijk verschuifbaar, begroeid met dik en kort haar, dat bij de stieren aan den kop en den hals dikwijls kroes is. Het haarkleed is rood-, geel- en zwartgevlekt, met witte plekken aan den kop en de voeten; effenkleurige (roode of gele) dieren zijn zeldzaam.
Als een waarlijk afschuwelijk product van planmatig voortgezette veefokkerij vermelden wij ten slotte nog het _Durham_- of _Korthoornig Rund_, den "Shorthorn" der Engelschen (_Bos taurus dunelmensis_): een wanstaltig dier met kleinen kop en zeer zwakke hoornen, rechten rug en korte pooten, dikken hals en onbehouwen romp, voornamelijk bestemd om als mestvee de grootst mogelijke hoeveelheid vleesch voort te brengen. Oorspronkelijk kwam het bijna uitsluitend in de oostelijke graafschappen van Engeland voor; tegenwoordig is het over geheel Engeland en Ierland verbreid; hier en daar, hoewel altijd nog zeldzaam, wordt het ook wel in Nederland, Duitschland en Frankrijk aangetroffen. Wat de melkproductie betreft, staat dit vee ver achter bij andere slagen; door de vleeschopbrengst overtreft het ze echter alle; enkele stieren hebben op den leeftijd van 12 maanden reeds een gewicht van 700 à 800 K.G. bereikt.
Even gemakkelijk als een in 't wild levend Rund getemd en tot huisdier wordt, neemt het, uit de slavernij ontvlucht, de levenswijze en gewoonten van de stamsoort weer aan. Verwilderde Runderen, d.w.z zulke, die van tam weder geheel of half wild geworden zijn, komen gewoonlijk dáár voor, waar de Spanjaarden heerschten of nog heerschen.
De in Spanje zeer gezochte stier, die bij de stierengevechten een hoofdrol speelt, is eveneens een afstammeling van Runderen, die vroeger in den getemden staat verkeerden. Hij leeft geheel en al op de wijze van de Wilde Runderen, komt jaar in jaar uit in geen stal en wordt eigenlijk ook niet gehoed; slechts nu en dan komt een voor dit doel aangewezen persoon de kudde bezichtigen. Niet bijzonder groot, maar fraai gebouwd en buitengewoon gespierd, onderscheidt de Spaansche stier zich door tamelijk lange, buitenwaarts gebogen en zeer spitse horens; de kleur is in den regel, hoewel niet altijd, donker kastanjebruin of zwartbruin.