Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 11: De Evenvingerigen
Chapter 10
Hoewel men met zekerheid kan aantoonen, dat de _Wisent_ (_Bos bison, Bonassus bison_) in groote is afgenomen, heeft hij ook nu nog kolossale afmetingen. Een Wisent-stier, die in het jaar 1555 in Pruisen gedood werd, was 7 voet hoog en 13 voet lang en had een gewicht van 19 centenaars en 3 pond. In den tegenwoordigen tijd bereikt zelfs de grootste stier zelden een hoogte van 1.7, een lengte van 3.4 M. en een gewicht van 500 à 700 KG. De Wisent is een toonbeeld van spierkracht en van forsche, lichamelijke ontwikkeling. Zijn kop is middelmatig groot en welgevormd, het voorhoofd hoog en zeer breed, het aangezicht van achteren naar voren gelijkmatig versmald, de snuit plomp, het oor kort en afgerond, het oog eerder klein dan groot, de hals zeer krachtig, kort en hoog, van onderen tot aan de borst met een kossem voorzien, de romp die op krachtige pooten rust, massief, van den nek tot het midden van den rug sterk naar boven gekromd, de staart kort en dik. De ver zijwaarts geplaatste, betrekkelijk sierlijke, ronde en spits toeloopende hoorns zijn eerst naar buiten, vervolgens naar boven en tevens een weinig naar voren, eindelijk naar binnen en naar achteren gebogen, zoodat de spitsen bijna loodrecht boven de aanhechtingsplaatsen van de hoorns komen te liggen. Een buitengewoon dichte en overvloedige, uit lange, meestal kroeze borstelharen en viltachtige wolharen bestaande vacht bedekt den romp, verlengt zich echter op den achterkop tot een breede kuif, langs den rug tot een matig hoogen kam, aan de kin tot een staartvormig naar beneden gerichten baard en aan de onderzijde van den hals tot manen, die den geheelen kossem bedekken en breed neergolven. Een meer of minder naar vaal zweemend lichtbruin is de algemeene kleur van de vacht; deze gaat aan de zijden van den kop en aan den baard in zwartbruin, op de onderste gedeelten der pooten in donkerbruin, aan den staartkwast in zwart en op den haarbos, die over de kruin naar beneden hangt, in licht vaalbruin over. De Wisent-koe is aanmerkelijk kleiner en sierlijker gebouwd dan de stier; hare hoornen zijn zwakker, hare manen veel minder ontwikkeld dan bij het mannetje; wat kleur betreft komen beide echter overeen.
In den zomer en in den herfst leeft de Wisent op vochtige plaatsen van het woud, gewoonlijk in de dichtbegroeide gedeelten verborgen; in den winter geeft hij de voorkeur aan hooger gelegen, droogere oorden. Zeer oude stieren leven eenzaam, jongere gedurende den zomer in troepen van 15 à 20 stuks, gedurende den winter in kleine kudden van 30 à 50 stuks. Iedere kudde afzonderlijk heeft haar vaste standplaats en keert altijd weder daarheen terug.
De Wisents zijn zoowel over dag als 's nachts in beweging; zij grazen echter het liefst in de avond- en morgenuren, soms ook 's nachts. Allerlei soorten van grassen, bladen, knoppen en boomschors maken hun voedsel uit; zij schillen de boomen af, zoover zij reiken kunnen, en trekken jonge, buigzame stammen naar beneden om de kroon te bereiken, die zij dan meestal geheel vernielen. Naar het schijnt, is de esch hun lievelingsboom en geven zij aan diens saprijke schors de voorkeur boven iedere andere; naaldboomen daarentegen laten zij onaangeroerd. In den winter leven zij bijna uitsluitend van de schors, de twijgen en de knoppen der voor hen toegankelijke breedgebladerde boomen, bovendien waarschijnlijk ook van korstmossen en droge grassen. Het hooi, dat men op de weiden van het woud van Bialowitsch inoogst, wordt voor hen op hoopen gebracht; van ander hooi maken zij zich met geweld meester, nadat zij de omheiningen omvergeworpen hebben. Versch water is voor hen een behoefte.
Hoewel de bewegingen van den Wisent onbehouwen en plomp schijnen, blijkt het echter bij nadere beschouwing, dat zij vlug genoemd mogen worden. Zijn gewone gang is een snelle draf; bij het vluchten vervalt hij in een loggen galop, waardoor hij schielijk vooruitkomt; de kop is daarbij naar den grond gebogen, de staart opgeheven en uitgestrekt. Door moerassen en plassen waden zij met gemak. Onder hunne zintuigen neemt dat van den reuk een eerste plaats in; het gezicht en het gehoor zijn minder, de smaak en het gevoel middelmatig ontwikkeld. Hun aard verandert, naarmate zij ouder worden. De jonge dieren zijn vlug, levendig en speelsch; ook zijn zij betrekkelijk goedaardig: niet zachtmoedig en vreedzaam, maar ook niet boosaardig; de oudere daarentegen, vooral de oude stieren, zijn ernstig, bijna knorrig van aard; zij worden gemakkelijk tot toorn geprikkeld, zijn zeer oploopend en afkeerig van alle beuzelingen. Wel is waar laten ook zij over 't algemeen de menschen, die hen niet hinderen willen, rustig voorbijgaan; de geringste oorzaak kan echter hun toorn gaande maken, en dan zijn zij wel geschikt om vrees in te boezemen. In den zomer ontwijken zij den mensch bijna altijd; in den winter gaan zij gewoonlijk voor niemand uit den weg; het is meermalen voorgekomen, dat boeren lang wachten moesten, voordat het een Wisent voegde, het door hem afgesloten voetpad te verlaten, waarop het niet mogelijk was uit te wijken. Woestheid, halsstarrigheid en oploopendheid zijn ook bij deze Wilde Runderen kenmerkende eigenschappen. De jonge dieren zijn altijd schuwer en vreesachtiger dan de oude stieren; vooral die, welke een kluizenaarsleven leiden, kunnen een ware plaag voor de omgeving worden. Naar het schijnt, scheppen zij er vermaak in, met den mensch twist te zoeken.
De bronsttijd, die gewoonlijk in Augustus, dikwijls ook eerst in September valt, duurt 2 à 3 weken. Dan vechten de stieren met elkander, aanvankelijk misschien alleen spelenderwijs, later echter is de strijd ernstig gemeend, ten slotte vliegen zij als razenden op elkander af; de ontmoeting gaat gepaard met een zoo hevigen schok, dat men zou kunnen verwachten, beide dieren te zien neerstorten. Negen maanden na de paring kalft de koe, gewoonlijk in Mei of in het begin van Juni. Vooraf heeft zij zich van de kudde afgescheiden en in het dichtst van het woud in een eenzame, vredige omgeving een geschikte plaats opgezocht. Hier verbergt zij zich en haar kalf gedurende de eerste dagen; zoodra echter het jong gevaar loopt, springt zij met buitengewonen moed voor zijn veiligheid in de bres. In zijn eerste jeugd gaat het kalf ingeval van nood plat op den grond liggen, zet de ooren op en wendt ze om, opent de neusgaten en de oogen en kijkt angstig naar den vijand, terwijl zijn moeder zich gereed maakt om dezen te gemoet te gaan. In deze omstandigheden is het voor menschen en dieren gevaarlijk een Wisent-koe te naderen: zonder zich te bedenken valt zij haar tegenpartij aan. De kalveren zijn aardige bevallige dieren, hoewel zij in hun jeugd reeds laten zien, wat zij op lateren leeftijd zullen worden. Zij groeien zeer langzaam en hebben waarschijnlijk eerst in hun achtste of negende jaar hun volle grootte bereikt. De ouderdom, dien de Wisents hoogstens bereiken kunnen, wordt op 30 à 50 jaren geschat. De koeien sterven gewoonlijk 10 jaren vroeger dan de stieren; maar ook deze worden op hoogen leeftijd in den regel blind of verliezen hunne tanden en zijn dan niet meer in staat om zich behoorlijk te voeden; o.a. kunnen zij dan de jonge twijgen niet meer afbijten; zij verliezen spoedig hunne krachten en bezwijken eindelijk.
Tegen hunne vijanden weten deze kolossale dieren zich uitmuntend te verdedigen. Beren en Wolven kunnen voor de kalveren gevaarlijk worden; dit zal echter alleen dan het geval zijn, als de moeder door het eene of andere toeval om 't leven gekomen en haar jong dus onbeschermd achtergebleven is. In den tijd van het vroegere Hongaarsche koningschap nam de Wisent-jacht onder de toenmaals gebruikelijke jachtbedrijven de meest bevoorrechte plaats in; zij werd daarom aan den koning, aan het hoofd van de regeering, overgelaten.
In het woud van Bialowitsch verschenen de heerschers uit vroegere eeuwen met een talrijke schare van volgelingen, namen alle beambten van het woud in beslag, dwongen de boeren uit den omtrek om als drijvers dienst te doen en brachten op deze wijze een uit 2000 of 3000 menschen bestaand jachtgezelschap in beweging, die de Wisents drijven moesten naar de plaatsen, waar de jagers op veilige verhevenheden post gevat hadden. Op een der schitterendste jachtpartijen, die _Koning_ August III in het jaar 1752 gaf, werden 42 Wisents, 13 Elanden en 2 Reeën gedood. Alleen door de koningin werden 20 Wisents neergeschoten, zonder dat zij een enkele maal miste. Op 18 en 19 October 1860 ging de _Keizer van Rusland_ daar ter jacht. De Keizer zelf schoot 6 Wisent-stieren en één kalf, 2 Elanden, 6 Damherten, 3 Reeën, 4 Wolven, 1 Das, 1 Vos en 1 Haas. De _Groothertog_ van _Weimar_ en de _Prinsen_ Karel en Albrecht _van Pruisen_ doodden bij deze gelegenheid 8 Wisents.
Over de vangst van deze dieren geeft Dimitri Dolmatoff, opzichter van de keizerlijke wouden in de provincie Grodno, de volgende berichten. De _Keizer van Rusland_ had aan _Koningin_ Victoria twee levende Wisents voor den Londenschen dierentuin beloofd, en daarom bevel gegeven eenige exemplaren te vangen. Met het aanbreken van den dag kwamen 300 drijvers en 80 jagers bijeen, en omsingelden een vooraf opgespoorde kudde; de geweren waren alleen met kruit geladen. De kalveren sprongen wakker rond, waarbij zij het zand met hunne stevige pooten hoog opwierpen, keerden nu en dan naar hunne moeders terug, schuurden zich tegen haar aan, likten haar, en huppelden daarna even vroolijk weer heen. Door een hoornsignaal kwam er plotseling een einde aan dit stilleven. Vol schrik sprong de kudde op, en scheen door het gehoor en het gezicht den vijand te willen verkennen. Vreesachtig vleiden de kalveren zich tegen hunne moeders aan. Toen het geblaf der Honden weerklonk, rangschikte de kudde zich zoo schielijk mogelijk op de gewone wijze. De kalveren werden vooraan geplaatst; alle oudere dieren vormden de achterhoede, en beschermden op deze wijze de jongen voor den aanval der Honden. Woedend braken de oude Wisents door de linie van de drijvers heen, en holden voort, zonder zich veel te bekommeren om de menschen, om hun geschreeuw en hunne schoten. Toch had men het geluk reeds nu twee jongen te vangen. Vier andere kalveren, een mannetje en drie wijfjes, werden later buitgemaakt. Alle, met uitzondering van één, dat wat ouder was, slurpten eerst de melk uit de hand van een man, en dronken haar vervolgens gretig uit een emmer. Na verloop van korten tijd werden hunne aanvankelijk woeste blikken zachter; zij legden hun schuwheid af, en toonden zich opgeruimd en speelsch. De jonge Wisent-stier, die 15 maanden oud was, behield langen tijd zijn woesten, dreigenden blik, werd toornig, zoodra iemand hem naderde, schudde met den kop, likte met de tong en toonde zijne hoorns; na verloop van 2 maanden was ook dit dier tamelijk tam; het openbaarde zelfs eenige gehechtheid aan den man, die het tot dusver gevoederd had.
Ik heb verscheidene Wisents in verschillende diergaarden nagegaan en berichten over hen ingewonnen. In aard komen zij alle overeen. Hoe minzaam zij ook zijn gedurende hun jeugd, naarmate zij ouder worden, openbaart zich hun razende wildheid hoe langer hoe meer; niet eens de oppassers kunnen hen dan vertrouwen. Koppig en ongehoorzaam blijven zij altijd, hoewel zij langzamerhand tot op zekere hoogte vriendelijk met hunne bekenden leeren omgaan. Door iedere verandering in hun omgeving en hunne gewoonten maakt hun aangename stemming onmiddellijk plaats voor den tegenovergestelden gemoedstoestand. Zeker is het althans, dat de Wisents in een afgesloten ruimte, ook wanneer zij dagelijks met menschen in aanraking komen, in den regel niet tammer worden dan in de vrije natuur. De Wisents, die men tusschen Laplaken en Leuküschken in Pruisen verzorgde en voederde, wel verre van ooit een mensch aan te vallen, werden ten slotte zoo driest, dat zij de menschen naliepen en bij hen om voedsel bedelden; zij waren er aan gewoon geraakt, van de voorbijgangers bijna altijd iets te krijgen. Naar men zegt, worden ook zij door de roode kleur tot toorn geprikkeld: een persoon, wiens kleeding schelle kleuren vertoont, loopt dus gevaar door hen lastig gevallen te worden.
Verscheidene natuuronderzoekers hebben de stelling verdedigd, dat de Wisent eenig aandeel heeft gehad in het ontstaan van enkele rassen van ons Rund; uit latere ervaringen schijnt echter het tegendeel te blijken. De Wisent en het Tamme Rund hebben een grooten afkeer van elkander; zelfs wanneer men, zooals in het woud van Bialowitsch geschied is, jong opgevangen Wisent-kalveren altijd met Tamme Runderen laat verkeeren, komt er in deze verhouding in den regel geen verandering.
Van de schadelijkheid of van het nut van den Wisent kan in den tegenwoordigen tijd ter nauwernood sprake zijn. In het woud van Bialowitsch komen de vernielingen, die dit dier bij 't zoeken van voedsel of uit overmoed aanricht, niet in aanmerking; zijn nut is echter evenmin van beteekenis. Naar men zegt, houdt de smaak van 't vleesch ongeveer het midden tusschen dat van het Rund en dat van het Hert; vooral het vleesch van de wijfjes en jongen wordt geroemd. De Polen beschouwden eertijds het gezouten Wisent-vleesch als een lekkernij en zonden het als geschenk aan vorstelijke hoven. Van het vel wordt sterk en duurzaam, maar los en sponsachtig leder bereid; men gebruikt het tegenwoordig hoogstens om er riemen of strengen van te snijden. Van de hoornen en hoeven worden allerlei voorwerpen vervaardigd, waaraan een zekere beveiligende kracht wordt toegeschreven. Van de fraaie, stevige hoornen maakten onze voorvaders hoofdzakelijk drinkbekers; de bewoners van den Kaukasus gebruiken ze thans nog in plaats van drinkglazen. Bij een gastmaal dat een Kaukasisch vorst ter eere van Generaal Rozen gaf, werden 50 à 70 met zilver gemonteerde Wisent-hoornen als drinkbekers gebruikt.
Het lot, dat den Wisent in den loop der eeuwen ten deel gevallen is, heeft zijn eenigen verwant den _Bison_, in ongeloofelijk korten tijd, men zou zelfs kunnen zeggen in een tijdsverloop van een tiental jaren, getroffen. Vóór nog geen menschenleeftijd doorkruisten millioenen van deze kolossale dieren verbazend uitgestrekte landstreken van Noord-Amerika;--tegenwoordig zwerven daar nog slechts honderden Bisons rond. In de geschiedenis komt geen tweede voorbeeld voor en zal er ook geen meer voorkomen van een verdelgingsoorlog zooals die, welke tegen deze onschadelijke en zelfs nuttige dieren is gevoerd. Zonder eenige, zelfs niet de geringste, wettelijke bescherming te ontvangen, werden zij ter wille van een gering voordeel op groote schaal neergeschoten, meedoogenloos bij massas verdelgd. Van het bestaan der eertijds tallooze kudden van Noord-Amerikaansche "Buffels" leggen thans nog de gebleekte beenderen, die over uitgestrekte woestenijen verstrooid liggen, getuigenis af. Het aantal der overgeblevene bedroeg, volgens de nauwkeurige onderzoekingen van William T. Hornaday, den 1en Januari 1889 in 't geheel nog slechts 835 stuks, waaronder begrepen zijn de 200 exemplaren, die in het Yellowstone-Park, onder de bescherming van de regeering leven. En deze uitroeiing van de Bisons is een voldongen feit geworden sinds een vijfentwintigtal jaren, terwijl de spoorwegen die het "verre westen" doorsnijden, voltooid werden. Meer dan vijftigduizend Indianen, die, evenals hunne veel talrijkere voorouders, geheel of grootendeels van de "Buffeljacht" leefden, zijn nu aan ontberingen en hongersnood blootgesteld, wanneer de regeering der Vereenigde Staten hen niet te rechter tijd met levensmiddelen voorziet.
Toen de eerste Europeanen zich in Noord-Amerika vestigden, begon het verbreidingsgebied van den Bison bijna aan de kust van den Atlantischen Oceaan en strekte zich westwaarts tot aan de grenzen van Nevada en Oregon, zuidwaarts tot aan den 25en en naar het noordwesten ongeveer tot aan den 65en graad N.B. uit; het omvatte zoowel wouden als prairiën.
Indien de jacht op een eenigszins verstandige wijze was beoefend en te rechter tijd door goede wettelijke bepalingen beperkt was geworden zou men van het ontzaglijk aantal Bisons jaarlijks zonder bezwaar een half millioen jonge stieren hebben kunnen schieten, die ongeveer 6 millioen gulden opgebracht zouden hebben, indien men van deze dieren behoorlijk partij had kunnen trekken. Hierdoor zou de talrijkheid der kudden niet merkbaar verminderd zijn;--thans kost het veel moeite om de weinige honderden, die aan de groote slachting tot dusver ontsnapt zijn, te behouden.
De nu volgende beschrijvingen hebben derhalve betrekking op de levenswijze van dieren, die nog voor een kwart eeuw in groote kudden de wildernissen van Noord-Amerika verlevendigden, maar sedert dien tijd zoo goed als verdwenen zijn.
De _Bison_, de _Buffalo_ der Amerikanen (_Bos americanus_), is onder de Noord-Amerikaansche dieren hetzelfde, wat de Wisent in Europa is: het reusachtigste van alle daar inheemsche, op het land levende Zoogdieren. De stier is 2.7 à 3 M. lang, buiten den staart, die zonder de haren 50, met deze 65 cM. lang is; de hoogte van de schoft bedraagt 1.7 à 1.9, die van 't kruis 1.4 à 1.6 M.; het gewicht wisselt van 600 tot 1000 KG. af. De koeien zijn altijd aanmerkelijk lichter dan de stieren. Het verschil tusschen den Wisent en den Bison is grooter dan dat, hetwelk tusschen andere, even na verwante Runderen bestaat. De kop van den Bison is zeer groot, naar verhouding veel grooter, plomper en zwaarder dan die van den Wisent; ook is het voorhoofd veel breeder, de rug van den neus meer gewelfd, het oor langer. Het oog is tamelijk groot en flauw van uitdrukking; het heeft een zeer donker, bruin regenboogvlies; het wit van het oog is dof en glansloos. De korte, hooge en smalle hals rijst, te beginnen bij den kop, steil omhoog tot aan de wanstaltig uitpuilende schouderstreek; van hier tot den wortel van den korten, dikken staart, helt de ruglijn sterk af, terwijl tevens de van voren zeer breede romp, naar achteren veel smaller wordt. De pooten zijn betrekkelijk kort en zeer slank, de hoeven en de bijhoeven klein en rond. De grootte van den kop, de buitengewoon sterke ontwikkeling van de borst, die wegens de geringe breedte van het achterste gedeelte van den romp sterk in het oog loopt, de kortheid van den dikken staart en de slankheid van de pooten, moeten derhalve als kenmerkende eigenaardigheden van deze diersoort beschouwd worden. De hoornen, die aanmerkelijk forscher, aan den wortel dikker, aan de spits stomper en op een eenvoudiger wijze gebogen zijn, dan die van den Wisent, krommen zich naar achteren, naar buiten en naar boven, zonder dat de spitsen merkbaar nader bij elkander komen. Het haarkleed gelijkt op dat van den Wisent. De kop, de hals, de schouders en de staartspits, benevens het voorste deel van den romp, van den bovenarm en van het bovenbeen zijn lang behaard; de haren van de schouders vormen manen, die van de kin en van de onderzijde van den hals een baard; aan het voorhoofd en den achterkop is de vacht kroes, op vilt gelijkend; alle overige lichaamsdeelen zijn met een kort en dicht haarkleed bedekt. In den winter verlengt het haar zich sterk; in het begin van de lente valt het winterhaar bij groote vlokken uit. Met dit verschijnsel gaat een verandering van de kleur van het haarkleed gepaard. Eigenlijk is het zeer gelijkmatig grijsbruin, het donkerst, n.l. zwartbruin, zijn de manen, dus het voorste deel van den kop, het voorhoofd, de hals en de kossem. Het haar, dat uitvallen zal, is verbleekt en heeft een grijsachtig geelbruine kleur aangenomen. De hoornen en de hoeven en ook de onbehaarde punt van den neus (de neusspiegel) zijn glanzig zwart. Soms komen grijze, witte en wit gevlekte exemplaren voor.
In tegenstelling met den Wisent, die een echte woudbewoner is, moet de Bison--althans na de beperking, die zijn verbreidingsgebied ondergaan heeft--beschouwd worden als een karakteristieke bewoner van de verbazend uitgestrekte steppen, die door de Amerikanen "prairiën" worden genoemd. Hier leefde hij gezellig, maar toch steeds in een tamelijk los verband met zijn soortgenooten. Elke kudde Buffels splitst zich in een groot aantal kleinere troepen. Hoewel een vlakte, waar malsch gras groeit, van verre gezien, letterlijk met Buffels bedekt schijnt, bemerkt men, naderbij gekomen, toch spoedig, dat deze menigte uit afzonderlijke kudden van verschillenden omvang bestaat; iedere kudde, hoewel zij slechts weinige honderden schreden van de naastbijzijnde verwijderd is, heeft een afzonderlijken aanvoerder en beweegt zich onafhankelijk van de overige.
Ieder jaar trokken de Bisons op meer of minder geregelde tijden naar andere gewesten, van Canada naar de kustlanden van den Mexicaanschen zeeboezem en van den Missouri naar het Rotsgebergte. In Juli begonnen zij een reis naar 't Zuiden, in 't begin van de lente keerden zij naar 't noorden terug, steeds in kleine troepen of kudden verdeeld. De voorttrekkende kudden waren ook dan nog kenbaar, als men de Buffels zelf niet kon waarnemen; daar zij in de lucht steeds gevolgd werden door Gieren, Arenden en Raven, evenals op den bodem door bende magere Wolven; de viervoetige zoowel als de gevleugelde roovers konden stellig op buit rekenen. In gewesten, die door de Buffels als woonplaats waren gekozen, trokken zij met groote regelmatigheid heen en weer, namelijk van de goede weidegronden naar de rivieren; deze bezochten zij om te drinken of om zich door een bad te verfrisschen; door hunne reizen ontstonden de wegen, die onder den naam van "buffelpaden" bekend zijn bij allen, die in de prairiën reisden. De buffelpaden zijn meestal lijnrecht, bij honderden naast elkander gelegen; zij kruisen de waterstroomen daar, waar de oevers een gemakkelijke gelegenheid aanbieden om in en uit het water te komen. Zij gelijken volkomen op de paden, die door onze Tamme Runderen uitgeloopen en regelmatig begaan worden, overal waar zij in grooten getale en naar vrije verkiezing in wouden en op weiden grazen.
Möllhausen zag in het jaar 1851 op de prairiën ten westen van den Missouri honderdduizenden Bisons; Fröbel trok in het jaar 1858 met een wagenkaravaan van Missouri naar Mexico en reisde 8 dagen lang onophoudelijk tusschen kudden Buffels. "Bij benden, bij troepen, bij massas, bij legers," schrijft Hepworth Dixon, "galoppeeren de zwarte, ruige dieren met donderend geraas voor ons uit, nu eens van 't noorden naar 't zuiden, dan weer van 't zuiden naar 't noorden; gedurende 40 opeenvolgende uren hebben wij ze voortdurend in zicht gehad, duizenden bij duizenden, tienduizenden bij tienduizenden, een ontelbare massa ongetemde dieren, welker vleesch, naar men zou kunnen meenen, voldoende is om de wigwams van de Indianen tot in alle eeuwigheid met voedsel te voorzien."
Baron Max von Thielmann, die in 1875 zijne jachttochten in het verre westen ondernam, geeft reeds geheel andere berichten. "Tot de uitroeiing van de Bisons," zegt hij, "hebben de drie spoorwegen, die de prairie tusschen de Missouri en het Rotsgebergte doorsnijden, het meest bijgedragen. Hoewel nog omstreeks 1870 tusschen de Union-Pacific- en de Kansas-Pacific-spoorweg met een zeker uitzicht op een goeden buit jachttochten ondernomen konden worden,--hoewel de Athison-Topeka-Santa-Fè-spoorweg in de eerste jaren van zijn bestaan omstreeks 200.000 huiden naar het oosten verzond, is thans reeds in het door deze drie spoorlijnen begrensde gebied en in een landstreek van verscheidene dagmarschen breedte ten noorden en ten zuiden van de beide uiterste dezer wegen de Buffel geen standvastige bewoner meer van het land. Waarschijnlijk zullen slechts enkele kudden op haar reis naar 't noorden in de lente en naar 't zuiden in den herfst ook thans nog de spoorlijnen kruisen."