Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen
Chapter 11
„Het was voor mij een geheel nieuw verschijnsel, dat de Bavianen zich het een of ander levenloos voorwerp tot speelgoed uitkozen, en dit (op gelijke wijze als de kinderen hunne poppen naar bed medenemen) in hunne slaaphokken medevoerden en het hier ook overdag bewaarden. Zoo hield Isabella gedurende langen tijd zeer veel van een klein, blank, blikken doosje, Pavy van een krom stukje hout, dat hij onder de vroolijkste kapriolen van den bodem in de lucht liet springen, door er met de hand op te slaan. Eens vloog het te ver, zoodat Jack zich er meester van maakte. Hierover ontbrandde tusschen de beide Apen een grimmige vijandschap. Daar echter de lange lijnen waaraan de beide kampioenen vast lagen, zoo ingericht waren, dat zij niet bij elkander konden komen, schoot hun niets ander over, dan zoo dicht mogelijk bij elkander te gaan staan, de woedendste grimassen te maken en onderling te kijven. De plotseling uitgebarsten vijandschap bleef onverminderd voortduren, nadat ik Pavy zijn houtje teruggegeven had. Later vermaakte hij zich ook zeer lief met een geweerkogel. Jack daarentegen had een hartstocht opgevat voor mijn insolatie-thermometer: als hij vrijgelaten werd, en wist, dat men niet naar hem keek, sprong hij op dit voorwerp toe en nam het weg. Hij had blijkbaar schik in het glinsteren van het glas, ging er echter zoo zorgvuldig mede om, dat het instrument geen schade leed, zelfs als hij het medegenomen had boven in een boom of op een dak, en het hem afgevleid moest worden.”
Een der meest afwijkende soorten van het geheele geslacht en tevens een der fraaiste Apen, is de Nilbandar, Schiabander, Wanderoe enz. van de Indiërs, onze Zwarte Baard-Aap (Cynocephalus silenus). Hij is gekenmerkt door den gedrongen lichaamsbouw, door een zwaren ringbaard, die het geheele aangezicht omsluit, en door een middelmatig langen, in een kwast eindigenden staart. De zeer dichte, langharige vacht is glanzig zwart, aan de onderzijde licht bruinachtig grijs; de bij wijze van manen verlengde ringbaard daarentegen is wit, gedurende de jeugd grijsachtig; de handen en voeten zijn dof van kleur; de goedaardige oogen hebben een bruin regenboogvlies. In volwassen toestand is deze Aap iets minder dan 1 M. lang.
Over het vaderland van den Baard-Aap heeft men tot in den laatsten tijd in dwaling verkeerd, daar men meestal Ceylon hiervoor gehouden heeft. Volgens latere berichten is het dier niet op het genoemde eiland, maar in Malabar inheemsch; hij bewoont hier uitsluitend de dichte bosschen van hooggelegen gewesten en leeft in troepen van 12 à 20 stuks. Zijn verbreidingsgebied strekt zich van ongeveer 14° N.B. tot aan Kaap Comorin uit.
Wegens het in ’t oogloopend verschil tusschen de tropische gewesten van het oostelijke en die van het westelijke halfrond, zou hij, die lust tot reizen heeft, en wien het geluk ten deel valt, zijn reislust te kunnen bevredigen, bij een bezoek aan Zuid-Amerika zich in een tooverwereld verplaatst wanen, waar de bekoring van het nieuwe hem geheel bevangt. De overweldigende rijkdom der natuur zou hem zelfs allicht voor eenigen tijd de talrijke voorrechten van het oude wereldhalfrond uit het oog doen verliezen. Met weinig dragen de Zuid-Amerikaansche diervormen tot dezen indruk bij; ook die, welke nu behandeld moeten worden—de Apen van de Nieuwe Wereld—, kunnen dit gevoel wekken of versterken, daar zij in belangrijke opzichten afwijken van de Smalneuzen, die in het oostelijk halfrond de orde der Apen vertegenwoordigen.
Hoewel de Breedneuzen of Apen met breed neusmiddelschot (Platyrrhini) zeer merkwaardige wezens zijn, kunnen zij echter niet, of althans slechts bij uitzondering schoon genoemd worden; bijna alle zijn onbeholpener, trager, droefgeestiger en geesteloozer dan de Apen van de Oude Wereld; terecht noemt men ze veel onschuldiger, goedaardiger en onschadelijker dan deze; maar juist daarom zijn het geen echte Apen. Want deze zouden ons niet voldoen zonder hunne kenmerkende eigenschappen, zonder hun vroolijkheid, dartelheid, overmoedigheid, onbeschaamdheid, ja zelfs, zou ik er bij willen voegen, zonder hun nutteloosheid. Wij zijn er nu eenmaal aan gewoon, in deze merkwaardige wezens caricaturen van ons zelf te aanschouwen, en gevoelen ons onbevredigd, als zij dit alleen naar het uitwendige en niet tevens naar het inwendige zijn.
Alle Breedneuzen verschillen door den bouw van den stam en van de ledematen, alsook door het tandenstelsel, van hunne verwanten in het oostelijk halfrond. Hun lichaam is gewoonlijk rank; de ledematen zijn slank; de staart ontbreekt nooit en wordt ook nooit geheel rudimentair; daarentegen doet hij dikwijls dienst als een vijfde hand, daar hij aan den top door krachtige spieren opgerold en derhalve als grijporgaan gebruikt kan worden. De duim van de voorhanden kan niet zoo goed aan de overige vingers tegenovergesteld worden als die van de achterhanden. Het gebit bestaat niet uit 32 tanden, zooals bij de Menschen en bij de Apen van de Oude Wereld, maar uit 36. Deze vermeerdering komt vanwege het aantal valsche of kleine kiezen, waarvan er in elke kaakhelft (in plaats van 2) 3 zijn. Wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak komen bij hen nooit voor. Het neusmiddelschot is breed. Geen enkel lid van deze familie bereikt een voor de Apen aanzienlijke grootte, geen van hen heeft een vooruitstekenden snuit. Hun kleur, hoewel bij verschillende soorten zeer uiteenloopend, is nooit zoo bont als die van vele Aziatische en Afrikaansche Apen.
Het verbreidingsgebied van de Breedneuzen is beperkt tot Zuid-Amerika. De 29e graad N.B. vormt ongeveer de noordelijke grens van dit gebied. In westelijke richting is het begrensd door den Andes-keten, naar het oosten door den Atlantischen Oceaan en ten zuiden door den 25en graad Z.B.
Alle Breedneuzen zijn uitsluitend boomdieren en behooren dus vooral in de oerwouden tehuis. Van waterrijke of moerassige gewesten houden zij meer, dan van droge. Op den bodem dalen zij slechts in gevallen van uitersten nood af; ook gaan zij niet, evenals de andere dieren dezer orde, naar het water om te drinken; maar laten zich bij slingerplanten, overhangende takken en dergelijke hulpmiddelen tot op den waterspiegel zakken, zoodat zij drinken zonder de takken te verlaten. Het is wel mogelijk, dat enkele dezer dieren honderden van mijlen afleggen, zonder op hun weg ooit met den bodem in aanraking te komen. De boomen bieden hun alles aan, wat zij noodig hebben; want hun voedsel bestaat uitsluitend uit allerlei plantdeelen, Insecten, Spinnen, vogeleieren of jonge nestvogels, en honig; slechts weinige begeven zich nu en dan naar een plantage om haar te plunderen.
De meeste leden dezer familie zijn overdag bezig, eenige weinige soorten zijn schemering dieren of echte nachtdieren. Zoowel deze als gene zijn in wakende toestand vlug en behendig; toch zijn er onder hen uiterst trage soorten, als ’t ware de Orang-Oetans van de Nieuwe Wereld. Alle kunnen voortreffelijk klimmen, vele maken hierbij, zooals reeds gezegd werd een uitmuntend gebruik van hun voor dit doel uitstekend geschikten staart. Deze is in den letterlijken zin van ’t woord onmisbaar voor vele van deze overigens zeer onhandige dieren; zij zouden zich zonder dit orgaan niet kunnen redden. Hun onhandigheid maakt een voortdurende beveiliging van het lichaam tegen het vallen noodig, en deze wordt hun in alle omstandigheden door den grijpstaart (p. 43) of den rolstaart (p. 47) verschaft. Bijna in iedere houding, ook gedurende de diepste rust, slingeren de bedoelden Apen hun staart om het een of ander voorwerp, zij het dan ook slechts om een van hun eigen lichaamsdeelen. Van dit merkwaardig geschenk der natuur, welks spierkracht die van de andere lichaamsdeelen ver overtreft, en welks spits zich door fijngevoeligheid onderscheidt, maken zij gedurende hun kalm leven een zeer uitgebreid gebruik; het verschaft hun eenige vergoeding voor het gemis van de vlugheid naar lichaam en geest, die hunne overzeesche verwanten kenmerkt. Maar toch nemen de echte boomapen van de Oude Wereld, hoewel zij dit hulpmiddel missen, onder de Apen zonder eenigen twijfel den eersten rang in, wat de geschiktheid tot springen en klimmen betreft. Wanneer de Apen van de Nieuwe Wereld zich op den grond bewegen, gaan zij bijna altijd op alle vier ledematen en doen dit steeds waggelend en op een onbeholpen wijze.
Hunne geestvermogens zijn veel geringer dan die van hunne smalneuzige verwanten. Over ’t geheel genomen zijn zij zachtaardig, goedmoedig en gezellig, maar tevens dom, onhandig, onleerzaam en log. Sommige toonen nieuwsgierigheid, dartelheid en plaagzucht, andere echter brommigheid, eigenzinnigheid, boosaardigheid, arglist en lust tot bijten. Ook zij zijn geil, snoeplustig, diefachtig en hebzuchtig; aan slechte eigenschappen ontbreekt het hun dus niet;—de goede hoedanigheden van de Apen der Oude Wereld missen zij echter. Wie te kiezen heeft tusschen de Apen der Oude Wereld en die van de Nieuwe, en beslissen moet, welke hem het best bevallen, zal wel nooit lang in twijfel verkeeren. In vrijen toestand zijn de Breedneuzen in den regel schuw en vreesachtig, en niet in staat een wezenlijk gevaar van een denkbeeldig te onderscheiden. Daarom nemen zij voor elk ongewoon verschijnsel de vlucht, en trachten zich ten spoedigste te verbergen te midden van het dichte doolhof van takken en twijgen. Die, welke aangeschoten zijn, bijten verwoed naar den jager, die hen grijpen wil. Waarschijnlijk bieden zij alleen aan kleine Roofdieren weerstand. Het zijn krachtelooze, lafhartige wezens.
Als zij gevangen zijn, gedragen zij zich weldra lief en vertrouwelijk; soms, doch niet altijd, worden zij op meer gevorderden leeftijd boosaardig en bijtlustig. Hun traagheid naar lichaam en geest, hun zwaarmoedig voorkomen, de jammerende geluiden, die zij dikwijls met merkwaardige volharding voortbrengen, hun onzindelijkheid, weekelijkheid en gering weerstandsvermogen tegen veranderde levensomstandigheden: al deze eigenaardigheden en gewoonten maken, dat zij geen aanbeveling verdienen als huisgenooten van den mensch, hem geen aangenaam tijdverdrijf kunnen verschaffen. Op dezen regel vormen eenige weinige soorten echter een gunstige uitzondering; deze komen daarom dikwijls in getemden toestand voor, en loonen de zorg, die men hun wijdt. Vele zijn zeer gevoelig voor indrukken van buiten; zij geven hunne gewaarwordingen door vriendelijk kijken of door klagen te kennen, en hebben daardoor de vriendschap van sommige menschen, vooral van teerhartige dames, weten te verwerven.
Hun moederliefde is even treffend als die van de Apen der Oude Wereld. Zij brengen bij elken worp 1 of 2 jongen ter wereld, die zij liefhebben, koesteren, verzorgen en beschermen met een nauwgezetheid en hartelijkheid, welke door iederen ooggetuige terecht bewonderd wordt.
Voor den mensch worden de Apen der Nieuwe Wereld niet of slechts in enkele gevallen schadelijk. Het uitgestrekte, rijke woud is hun vaderland; het voedt en verzorgt hen; zij hebben den beheerscher der aarde en de voortbrengselen van zijn arbeid niet noodig. Slechts weinige soorten doen nu en dan een strooptocht op de akkers, die dicht bij het woud gelegen zijn; de belasting die zij heffen, is evenwel van geen beteekenis in vergelijking met de afpersingen, waaraan de Apen van de Oude Wereld zich schuldig maken. De mensch jaagt ze ter wille van hun vleesch en hun pels. Menig reiziger in Amerika is gedwongen geweest de Apen gedurende langen tijd als zeer begeerlijk wild te beschouwen, en ze in den vorm van soep of gebraad te gebruiken. Menige schoone dame bergt en verwarmt hare zachte handen in een hulsel, dat eertijds het lichaam van een Aap bekleedde.
Voor de inboorlingen van Amerika is de Aap een uiterst belangrijk dier, want hun voedsel bestaat grootendeels uit zijn vleesch. Zij maken ijverig jacht op hem. Gewoonlijk maken zij hierbij gebruik van een boog, niet zelden echter ook van een blaaspijp, waarmede zij kleine pijlen schieten, die vooraf met de spits in een der vreeselijkste vergiften gedoopt zijn. Hoewel alle Apen den pijl zoo spoedig mogelijk uit de wonde trachten te verwijderen, baat hun dit niet; daar de listige jager het werptuig half doorgesneden heeft, zoodat in verreweg de meeste gevallen de vergiftigde spits afbreekt en steken blijft in de wonde, die hierdoor gevaarlijk genoeg wordt, om zelfs aan veel sterkere dieren het leven te benemen.
Met ditzelfde wapen maken de Indianen zich ook meester van de Apen, die zij levend wenschen te bezitten. „Als de Arekoenas,” zegt Schomburgk, „een ouden, koppigen Aap willen temmen, bestrijken zij het pijltje, dat hem treffen zal, met verzwakt woerari-gif. Als hij naar beneden valt, wordt de wonde dadelijk uitgezogen; daarna begraven zij hem tot aan den hals in den grond, en gieten hem een sterke oplossing van salpeterhoudende aarde of sap van suikerriet in. Als de patiënt een weinig bijgekomen is, wordt hij uit den grond genomen en als een bakerkind ingewikkeld. Terwijl hij in dit dwangbuis zit, krijgt hij eenige dagen achtereen tot drank niets anders dan suikeroplossing en tot voedsel spijzen, die in een salpeteroplossing gekookt en sterk met spaansche peper gekruid zijn. Als na deze paardenkuur de gewenschte gevolgen uitblijven, wordt het moeilijk te temmen dier een tijdlang in den rook opgehangen. Weldra kalmeert zich nu zijn woede, het boosaardig oog verkrijgt een zachtere uitdrukking en smeekt om erbarming. Dan worden de banden losgemaakt, en zelfs de bijtlustigste Aap schijnt nu volkomen vergeten te hebben, dat hij eertijds vrij in ’t woud geleefd heeft.”
Er komen betrekkelijk niet vele soorten van deze apenfamilie in de Europeesche diergaarden voor, en ook deze ziet men er niet algemeen. Het meest ziet men Rolapen op onze wilde-dierenmarkt, veel zeldzamer een Slinger-, hoogst zelden een Eekhoornaap, een Saki of een Nachtaap. Voor zoover mij bekend is, zijn slechts weinige exemplaren van Brul-apen in levenden toestand in Europa aangekomen.
De Breedneuzen worden verdeeld in twee onderfamiliën, waarvan wij aan die der Grijpstaartapen (Cebidae) den voorrang geven. Door hun grijpstaart onderscheiden zij zich van de leden der andere groep, die der Slapstaartapen (Pithecidae).
Van de Grijpstaartapen willen wij het geslacht der Brulapen (Mycetes) het eerst behandelen. Hun romp is ineengedrongen, hun kop hoog, piramidevormig, de snuit vooruitstekend; de duim van de voorhand is dun. Het dichte haarkleed is aan de kin bij wijze van een baard verlengd. Als een eigenaardig kenmerk van de Brulapen, moeten wij in de eerste plaats het blaasvormig gezwollen tongbeen vermelden. Alexander von Humboldt was de eerste natuuronderzoeker, die dit orgaan ontleedde. „Terwijl de kleine Amerikaansche Apen,” zegt hij, „die als Musschen tjilpen, een eenvoudig, dun tongbeen hebben, ligt de tong bij de groote Apen op een groote, beenige trommel. Het strottenhoofd heeft zes zakken, waarin de stem blijft hangen en waarvan twee, die den vorm van een duivennest hebben, veel gelijken op het onderste strottenhoofd der Vogels. De jammerende toon, die aan den Brulaap eigen is, ontstaat, als de lucht met geweld de beenige trommel binnenstroomt. Als men bedenkt, hoe groot deze beenige doos is, verwondert men zich niet meer over de sterkte en den omvang van de stem dezer dieren, die hun naam met het volste recht dragen.” De staart van de Brulapen is zeer lang, met een aan de onderzijde onbehaard uiteinde voorzien, rijk aan zenuwen en bloedvaten en zeer gespierd; dit orgaan is dus zeer geschikt tot grijpwerktuig.
De Brulapen zijn zeer verbreid; zij worden in bijna alle landen en gewesten van Zuid-Amerika aangetroffen. Bij voorkeur bewonen zij dichte, hoogstammige en vochtige wouden; in de steppen komen zij alleen daar voor, waar de afzonderlijke boomgroepen zich vergroot hebben tot kleine bosschen, in welker nabijheid water te vinden is. In droge streken vestigen zij zich in ’t geheel niet, van koelere gewesten zijn zij minder afkeerig.
De Aloeate of Roode Brulaap (Mycetes seniculus) heeft een roodachtig bruine, op het midden van den rug goudgele vacht; de haren zijn kort, min of meer stijf en aan hun onderste gedeelte effen van kleur; het wolhaar ontbreekt. De lengte bedraagt 1.35 M., waarvan trouwens 70 cM. op den staart komen. Het wijfje is kleiner en donkerder van kleur.
Bij den Caraya of Zwarten Brulaap (Mycetes niger) is het haar aanmerkelijk langer en eenkleurig zwart, slechts aan de zijden een weinig roodachtig, bij het wijfje ook aan de onderzijde geelachtig. Zijn lengte bedraagt ongeveer 1.3 M., waarvan de helft op den staart komt. Dit dier komt alleen in Paraguay voor, de Aloeate echter in het geheele oosten van Zuid-Amerika.
De Brulaap behoort tot die Amerikaansche dieren, waarmede de reizigers reeds sedert den aanvang van het geschiedkundig tijdperk in dit werelddeel bekend geworden zijn. De eerste berichten waren natuurlijk zeer onvolledig en met vele fabels vermengd. Eenige van deze fabels zijn ook nu nog in omloop onder de Indianen en de blanken, die de genoemde Apen alleen van hooren zeggen kennen. Wij laten deze verhalen achterwege en bepalen ons tot de mededeelingen van ervaren onderzoekers.
„Na mijn aankomst”, zegt de door zijne uitmuntende beschrijvingen bekende Schomburgk, „had ik bij het op- en ondergaan van de zon het verschrikkelijk gehuil van de talrijke Brulapen uit het oerwoud tot mij hooren komen, zonder dat het mij op mijne zwerftochten gelukt was, de dieren zelf te vinden. Toen ik mij eens op een morgen met een jachtgeweer gewapend naar het oerwoud begaf, klonk mij van daar opnieuw een uit de verte komend woest gehuil tegemoet, dat mijn jachtlust sterk aanwakkerde. Ik snelde daarom door dik en dun op het gebrul af, en bereikte na veel inspanning en lang zoeken, zonder opgemerkt te worden, het geraas makende gezelschap. Vóór mij op een hoogen boom zaten zij, en voerden een allerverschrikkelijkst concert uit; het was alsof alle wilde dieren van het woud daar bijeengekomen waren, om met elkander een strijd op leven en dood te voeren. Om billijk te zijn, mag ik echter niet verzwijgen, dat er tusschen de zangers een soort van overeenstemming bestond. Soms zwegen alle leden van het over den geheelen boom verspreide gezelschap, alle tegelijkertijd, en bleven in rust, totdat even onverwacht een van de zangers zijn onwelluidende stem opnieuw weerklinken liet, en het gehuil van voren af begon. Het op en neer bewegen van de beenige trommel aan het tongbeen, die door zijn resonance aan de stem zijn merkwaardige kracht verschaft, kan men gedurende het schreeuwen duidelijk zien. In ’t eene oogenblik geleek het geluid op het knorren van een varken, in ’t volgende kwam het overeen met het brullen van den Jaguar, die zijn prooi bespringt, om kort daarna over te gaan in het zware en verschrikkelijke gebrom, dat hetzelfde Roofdier laat hooren als het, aan alle zijden omsingeld, het hem dreigende gevaar inziet. Hoe onbehagelijk deze muziek ook was, toch had het gezelschap, dat zich op deze wijze vermaakte, iets grappigs over zich. Zelfs het gelaat van den sombersten menschenhater zou op sommige oogenblikken sporen van een glimlach vertoond hebben, als hij gezien had, hoe stijf en ernstig deze zwaar gebaarde concertgevers elkander aankeken. Men had mij gezegd, dat iedere bende haar eigen voorzanger heeft, wiens fijne, piepende stem een scherpe tegenstelling vormt met het zware basgeluid der overige zangers, en die zich bovendien door een veel slankere en fijnere gestalte onderscheidt. Ik vond de eerste mededeeling bij deze bende volkomen bevestigd; maar de fijnere en schralere gestalte zocht ik tevergeefs; in plaats van deze bespeurde ik op een der naastbijstaande boomen twee zwijgende Apen, die ik voor uitgezette schildwachten hield;—zoo zij dit waren, vervulden zij hun plicht slecht genoeg; want onopgemerkt stond ik in hun nabijheid.”
Deze levendige beschrijving bewijst ons voldoende, dat de Brulapen hoogst eigenaardige wezens zijn. Zonder eenige overdrijving kan men beweren, dat hun geheele handel en wandel een samenvoeging van allerlei zonderlingheden is, en daardoor aan den waarnemer een ruim onderzoekingsveld aanbiedt; terwijl men aan den anderen kant erkennen moet, dat de Indianen te verontschuldigen zijn, als zij de Brulapen wegens hun droefgeestig voorkomen en vervelend gezang minachten en haten. Zelfs de lasteringen, waaraan zij zich schuldig maakten, zijn verklaarbaar, als men bedenkt, dat de bedoelde dieren zoomin in vrijen als in gevangen toestand iets aangenaams voor den toeschouwer opleveren, en dat ook hun levenswijze geen tafereelen aanbiedt, waarin hij behagen kan scheppen.
Over dag houden de Brulapen zich bij voorkeur op in de hoogste boomen van het woud; bij ’t begin van de schemering trekken zij zich in het dichte, met slingerplanten doorvlochten loover van de lage boomen terug en gaan hier slapen. Langzaam, bijna kruipend klauteren zij van tak tot tak, zoeken bladen en knoppen uit, die zij langzaam met de hand afplukken en even langzaam naar den mond brengen. Als zij verzadigd zijn, hurken zij neder op een tak en blijven hier bewegingloos zitten; zij gelijken dan op stokoude, slapende aardmannetjes. Ook gaan zij wel languit op den tak liggen, laten de vier ledematen naar beide zijden stijf afhangen, en houden zich alleen met den grijpstaart vast. Wat de eene Aap doet, wordt door den anderen langzaam en gedachteloos nagedaan.
Weinige dieren zijn zoo geheel aan de boomen gebonden als de Brulapen. Zij komen hoogst zelden op den grond, waarschijnlijk dan, als het hun onmogelijk is te drinken op de gewone wijze, n.l. door te gaan hangen aan de takken en slingerplanten, die het dichtst bij den oever groeien. Humboldt zegt, dat zij niet in staat zijn om reizen of zelfs wandelingen over den vlakken bodem te doen. De Indianen beweren, dat de Brulapen menigmaal breede stroomen overtrekken. Rengger houdt dit bericht voor een sprookje, dat den vreemdeling op de mouw wordt gespeld. „Zij zijn,” zegt hij, „zoo bang voor het water, dat zij eerder verhongeren zullen, dan pogingen aan te wenden om zwemmend een anderen boom te bereiken, wanneer zij na een snelle rijzing van den waterstand in den stroom door het hun antipathische element op een boom zijn ingesloten. Zoo ontmoette ik eens zulk een bende Apen in een boom, die aan alle zijden door ’t water omringd was; deze dieren waren uiterst vermagerd en konden zich uit zwakte nauwelijks meer bewegen. Zij hadden niet slechts alle bladen en jonge takken, maar zelfs een deel van den schors van den boom verslonden. Om het naastbijgelegen woud te bereiken, zouden zij slechts 18 à 20 M. ver hebben moeten zwemmen.” Dezelfde natuuronderzoeker verzekert, dat hij nog nooit een Brulaap op het vrije veld gezien, of zijn spoor ergens op den bodem aangetroffen heeft.