Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen

Chapter 12

Chapter 123,828 wordsPublic domain

Kappler zegt van den Rooden Brulaap in Guyana: „Hij leeft in kleine troepen, die zelden uit meer dan tien individuën bestaan, waarbij zich echter altijd een volwassen mannetje bevindt, dat op de boomen een hoogere zitplaats inneemt dan de anderen; dit dier fungeert als kapelmeester bij het afschuwelijk concert dat de Apen geven. Telkens als ik in de gelegenheid was om de schreeuwers van zeer nabij na te gaan, zat er een oud mannetje boven in den boom, dat zich met de voorpooten vast hield en den langen grijpstaart om een tak geslingerd had, terwijl de andere mannetjes met de wijfjes en de jongen in verschillende houdingen iets lager zaten. Plotseling begon de oude met een afgrijselijk rochelende stem „Rochoe, rochoe” te schreeuwen, en liet, nadat hij dit vijf- of zesmaal achtereen gedaan had, hierop een gebrul volgen, waarmede alle overigen zoo krachtig instemden, dat men vreezen moest er doof van te zullen worden. Dit geluid is zoo sterk, dat men het in stille nachten wel 2 uren ver (?) hooren kan. Toen Pichegru en zijne gezellen van Cayenne naar Suriname vluchtten, joeg het gebrul van de Tijgers hun veel schrik aan; blijkbaar is dit gebrul niets anders geweest dan het geschreeuw van den Brulaap; stellig zal iedereen, die dit geluid voor de eerste maal hoort, en niet weet, dat het van onschadelijke Apen afkomstig is, er door met vrees vervuld worden. Waarom deze dieren zoo schreeuwen, weet men niet. In de kolonie gelooft men, dat zij het alleen doen, als de vloed komt opzetten; dit is echter een dwaling, want men hoort het schreeuwen op elken tijd van den dag. De Brulaap is traag en droefgeestig; hij springt alleen, als hij vervolgd wordt; in alle andere gevallen klautert hij behoedzaam op de boomen rond, terwijl hij zich met den staart vasthoudt. Jong gevangen dieren worden zeer tam en gezellig; zij spelen wel met Katten en Honden, maar zijn meestal treurig. Als de persoon, waaraan de Brulaap zich gehecht heeft, voor eenigen tijd afwezig is, dan hoort men den Aap aanhoudend rochelen en schreeuwen, hetwelk hoogst onaangenaam is. Bovendien verbreidt hij een eigenaardigen walgelijken reuk, die zoo sterk is, dat men de nabijheid van Brulapen in het woud gemakkelijk door den reuk kan gewaar worden. Zij brengen slechts één jong ter wereld. Hun voornaamste vijand is de „Kuif-Arend.”

Als men op Brulapen schiet, loopen zij zoo schielijk mogelijk weg; zelfs ongewonde dieren laten soms gedurende hun vlucht uitwerpselen vallen; dit is geregeld het geval bij zwaar gewonde dieren, die zich niet meer redden kunnen, vooral als zij van den eenen boom op den anderen willen overgaan, en in den hoogsten angst geraken. Een hoogst vermakelijken indruk maakt het, te zien hoe een van de bijna half volwassene jongen in den eersten schrik een van de oude mannetjes op den rug springt, om spoediger voort te kunnen komen; maar door een krachtige oorvijg van den vertoornden man onderricht wordt, dat het bewijzen van dezen ongevraagden liefdedienst niet tot de plichten van den familievader behoort.

Onze beste geweren kunnen trouwens niet concurreeren met de blaaspijp, het vreeselijk en toch zoo eenvoudig wapen der Indianen. Daarom valt het den Roodhuiden veel gemakkelijker dan ons, om Brulapen te dooden. In weerwil van de onovertroffen behendigheid, waarmede zij hun wapen weten te gebruiken, beklimmen zij, om zeker te zijn van hun schot, toch gaarne een naburigen boom en zenden uit diens top het doodelijk werptuig naar de argelooze bende.

In een groot deel van Paraguay wordt op de Brulapen ijverig jacht gemaakt. Hun vel is als pelswerk gezocht en het vleesch wordt door de Indianen gaarne gegeten.

Slechts zelden geeft men zich de moeite een Brulaap te temmen; bovendien biedt de opvoeding van deze dieren eigenaardige moeilijkheden aan. Rengger zag er slechts twee tam, die beide meer dan een jaar oud waren. Zij werden met allerlei boombladen gevoederd, en gaven hieraan de voorkeur boven ieder ander voedsel. Van verstand was bij hen weinig te bespeuren: zij gaven niet veel meer om hun oppasser dan om vreemdelingen en lieten zich niet tot iets africhten.—Van andere getemde Brulapen verhaalt Von Wied, dat zij voor hun heer een buitengewone genegenheid gevoelden, en dat zij jammerlijk begonnen te schreeuwen, als deze zich slechts voor een oogenblik verwijderde. Hun traagheid, droefgeestigheid en knorrigheid, benevens de knersende, rochelende stem, die de jongen dikwijls laten hooren, maakt ze echter voor iedereen, zelfs voor hun meester, onaangenaam en afkeerwekkend.

Een uiterst slank lichaam met lange, zeer schrale ledematen, kenmerkt de Slingerapen (Ateles). De natuuronderzoeker, die ze het eerst „Spin-Aap” noemde, heeft ze den naam gegeven, die het meest overeenkomt met den indruk, dien zij wekken;—zelfs de leek komt onwillekeurig tot zulk een vergelijking. Om de dieren duidelijk te omschrijven, willen wij er alleen nog maar aan toevoegen, dat de kop zeer klein, het aangezicht baardeloos, en de duim van de voorhand zeer kort en gebrekkig ontwikkeld, bij sommige soorten zelfs in ’t geheel niet zichtbaar is. A. Vosmaer (1768) zegt van den Slingeraap (Ateles paniscus), die door hem Boschduivel wordt genoemd: „Eenige jaren geleden zag ik dezen Aap voor de eerste maal te Amsterdam in de diergaarde van den heer Bergmeier. Het was met een ketting en ring vastgemaakt aan een lang gespannen koord, en wist zijn staart om dat koord zoo vast te slaan, dat hij, zonder zich verder vast te houden, daaraan hing, allerlei grimassen maakte en verwonderlijk slingerde. Wanneer men hem den staart om de hand liet slaan, kneep hij daar zoo vast mede, dat het zeer deed.”

Zuid-Amerika tot den 25en Z.-B.-graad is het vaderland van de Slingerapen, de kroon van de hoogste boomen hun plaats van verblijf.

Hun leven is, naar het schijnt, buitengewoon eenvormig en ook voor de verschillende soorten in hoofdzaak gelijk. „Zij leven”, zegt Tschudi in overeenstemming met andere onderzoekers, „in troepen van 10 à 12 stuks; somtijds treft men ze ook paarsgewijs, niet zelden zelfs alleen aan. Gedurende verscheidene maanden zagen wij een alleen levenden Aap van dit geslacht voortdurend in hetzelfde gebied, dit was een mannetje van nog niet hoogen leeftijd; zooals bleek, toen hij gedood werd. De aanwezigheid van een troep Slingerapen verraadt zich door het voortdurend ritselen der boomtakken, die zij zeer behendig ombuigen, om, zonder gedruisch te maken, verder te klimmen. Het aangeschoten dier laat een luid gillend geschreeuw hooren en tracht te ontvluchten. De zeer jonge dieren verlaten hun moeder niet, zelfs wanneer deze gedood is; zij houden haar vast omklemd, en liefkozen haar nog als zij reeds geheel verstijfd aan een boomtak hangt; het is daarom zeer gemakkelijk de jongen te vangen. Het kost geen moeite ze te temmen; zij zijn goedmoedig, gemeenzaam en aanhankelijk, maar blijven in de gevangenschap niet lang in leven. Zij lijden vaak aan uitslag en buikloop, en maken dan zeer jammerlijke gebaren.”

Tusschen de soorten van Slingerapen, bestaat slechts een gering verschil. Van die, welke in Guyana voorkomen, zijn vooral zeer veelvuldig: de Koata of Coaita (Ateles paniscus) en de Marimanda of Aroe (Ateles beëlzebuth). De eerstgenoemde is een der grootste van zijn geslacht. Zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1.35 M., waarvan meer dan de helft op den staart komt; de hoogte in de schoften is ongeveer 40 cM. Het haar is grof, aan de schouders verlengd, op den rug over ’t geheel dichter dan aan de onderdeelen; op het voorhoofd staat het bij wijze van een kam overeind; het is donkerzwart van kleur, alleen op het aangezicht roodachtig; de huidkleur is donker, op de handpalm geheel zwart. Het goedaardige gelaat verkrijgt door een paar levendige, bruine oogen een innemende uitdrukking.

In Ecuador (Quito), op de landengte van Panama en in Peru zijn de genoemde soorten vervangen door den Tsjamek (Ateles pentadactylus). Hij bereikt een lengte van ongeveer 1.3 M., waarvan de staart echter meer dan de helft in beslag neemt, heeft een langharige, donker-zwarte vacht en een kort stompje op de plaats van den duim.

De Miriki (Ateles hypoxanthus), dien wij voornamelijk door Prins Max von Wied hebben leeren kennen, bewoont het binnenland van Brazilië. Hij is ongeveer 1.4 M. lang, dik van lijf, met een kleinen kop en een korten hals; de ledematen zijn lang; de beharing is dicht, bijna wollig. Gewoonlijk is de vacht vaalgeel, soms echter witachtig grauwgeel; de binnenzijde van de ledematen is gewoonlijk lichter van kleur. Het onbehaarde gelaat is in de jeugd zwartbruin, op lateren leeftijd donkergrijs, in het midden echter vleeschrood. De duim van de voorhand is een kort stompje zonder nagel.

De schoonste van alle Slingerapen is waarschijnlijk die, welke eerst onlangs door den jongen Bartlett in het oosten van Peru gevonden is, en ter eere van zijn ontdekker Bartlett’s Slingeraap (Ateles Bartletti) wordt genoemd. De goedgevulde, lange, zachtharige vacht heeft aan de geheele boven- en buitenzijde een donkerzwarte kleur; een streep over het voorhoofd is goudgeel, de wangbaard is wit; de onderzijde van romp en staart, de binnenzijde van de ledematen en de buitenzijde van het onderbeen zijn bruinachtig geel, een weinig lichter van kleur dan de streep over het voorhoofd, hier en daar gespikkeld door de aanwezigheid van enkele zwarte haren. Alle onbehaarde gedeelten van het aangezicht en van de handen zien er bruinachtig zwart uit. De grootte van dezen prachtigen Aap schijnt overeen te stemmen met die van de hem verwante soorten.

Humboldt, Prins Max von Wied en Schomburgk hebben ons het leven der Slingerapen in vrijen toestand leeren kennen. In Guyana vindt men ze slechts in de donkerste wouden, niet hooger dan 500 M. boven den zeespiegel: zij vermijden het kale woud der hooger gelegen streken geheel. In den regel vindt men ze tot benden van ongeveer zes stuks vereenigd, zeldzamer alleen of bij paren en nog minder dikwijls in grootere gezelschappen. Elk van deze benden gaat gedurende het zoeken van ’t voedsel kalm en rustig haar gang zonder zich om andere ongevaarlijke wezens te bekommeren. Hun beweging verdient den naam van vlug, wanneer men haar met die der Brulapen vergelijkt. De geschiktheid tot klimmen en loopen op de boomen wordt bevorderd door de aanzienlijke lengte van de ledematen. Daar zij met de lange armen verafgelegen steunpunten kunnen bereiken, snellen zij, zelfs zonder groote inspanning, zoo vlug voort, dat de jager volstrekt geen tijd te verliezen heeft, als hij hen volgen wil. In hunne boomtoppen bewegen zij zich behendig: zij klauteren zeer goed en doen soms kleine sprongen. Bij alle bewegingen werpen of slingeren zij hunne ledematen op een zonderlinge wijze heen en weer. De staart wordt gewoonlijk vooruitgezonden om een steunpunt te zoeken, voordat de Aap er toe komt om den tak waarop hij zit, te verlaten. Somtijds vindt men een aantal Slingerapen, die aan den staart hangen, tot een zeer in ’t oog vallende groep vereenigd. Met zelden zit of ligt de familie in trage rust, op takken en twijgen, zich behaaglijk in de zon te koesteren; de kop is dan dikwijls achterover gebogen, de armen zijn op den rug over elkander gelegd, de oogen omhoog gericht. Op den vlakken bodem hompelen zij met moeite voort; men zou medelijden met hen kunnen krijgen, als men ze ziet gaan. Hun gang is in de hoogste mate wankelend en onzeker, en de lange staart, die, om het evenwicht te bewaren, wanhopig heen en weer bewogen wordt, doet den indruk van onbeholpenheid, welke door deze bewegingswijze gewekt wordt, nog toenemen. Geen der Europeesche natuuronderzoekers heeft trouwens ooit Slingerapen op den bodem gezien. Prins Max von Wied beweert, dat zij, zoolang zij gezond zijn, slechts dan op den grond afdalen, als het hun onmogelijk is geworden van uit de laagst groeiende takken het water te bereiken, om op hun eigenaardige wijze te drinken. Men maakt ijverig jacht op hen. De Portugeezen gebruiken hun vel, de wilden eten hun vleesch, vele Indiaansche stammen verkiezen dit wild boven al het overige.

Men ziet deze dieren niet zeer dikwijls in den gevangen staat. Hier te lande behooren zij altijd nog tot de zeldzaamheden. Toch zijn zij wel in staat om de genegenheid van den mensch te wekken. Moedwil en boosaardigheid zijn hun vreemd, en hun toorn, die zij door grimassen te kennen geven, gaat even schielijk voorbij, als hij gekomen is. Door hunne zonderlinge houdingen en lichaamsverdraaiingen weten zij iemand bezig te houden. Een goede behandeling is aan hen welbesteed; zij trachten haar te beloonen door liefkoozingen.

De Rolstaartapen of Rolapen (Cebus) verschillen van de Grijpstaartapen, doordat hun staart tot aan den top geheel behaard is, wèl om een tak gewikkeld kan worden, maar als eigenlijk grijporgaan niet deugt. Terwijl de reeds besprokene geslachten van Breed-neuzige Apen in onze dierentuinen tot dusver tot de zeldzaamheden behooren, ziet men deze of gene vertegenwoordiger van de Rolstaartapen bijna in ieder beestenspel. Deze Apen onderscheiden zich van de vroeger behandelde door hun lichaamsbouw. De schedel is rondachtig; de armen zijn slechts middelmatig van lengte, de handen hebben vijf vingers. Een meer of minder ontwikkelde baard versiert het aangezicht, voor ’t overige is de beharing dicht en kort.

Men zou de Rolstaartapen de Meerkatten van Amerika kunnen noemen. Zij gelijken veel op deze vroolijke klanten, hoewel meer door hunne handelingen dan door hun gestalte. Zij zijn echte Apen, d.w.z. beweeglijke, leerzame, moedwillige, nieuwsgierige en wispelturige dieren. Juist daarom worden zij door den mensch veel vaker getemd dan alle overige Apen van de Nieuwe Wereld, en worden zij veelvuldiger naar Europa overgebracht. Aan hun schreierige, zachte stem hebben zij den naam „Huilende” Apen te danken. Men hoort deze stem echter alleen, zoolang zij goed gehumeurd zijn. Bij de geringste opwinding schreeuwen en krijschen zij op een afschuwelijke wijze. Zij leven uitsluitend op boomen en zijn hier even goed thuis, als hunne overzeesche verwanten op de mimosa’s en tamarinden. Reeds in den voortijd waren zij in Brazilië inheemsch, ook thans is dit het geval en bevolken zij in grooten getale de uitgestrekte wouden van de zuidelijke staten. Men vindt ze hier tot vrij talrijke gezelschappen vereenigd en dikwijls gemengd met andere, hun verwante soorten.

In de gevangenschap toonen de Rolstaartapen bijna alle eigenaardigheden van de Meerkatten en menige andere bovendien. Ondanks hun (zelfs onder de Apen buitengewone) onzindelijkheid zijn zij de lievelingen van de Indianen, bij welke men ze in getemden staat ontmoet. Evenals de Bavianen houden zij van bedwelmende en dronkenmakende middelen. „Als men,” zegt Schomburgk, „een tammen Rolstaartaap tabaksrook toeblaast, of hem een snuifje voorhoudt, wrijft hij zich het geheele lichaam met een echt wellustige opgewondenheid en sluit de oogen. Dezelfde verrukking geeft hij te kennen na het ontvangen van een aangestoken sigaar. Thee, koffie, brandewijn en andere opwekkende dranken brengen een soortgelijke uitwerking teweeg.”—A. Vosmaer (1770) zegt van een dezer dieren, dat in Suriname Meekoê of Mico genoemd wordt: „De bijzondere eigenschap waarom wij hem den naam van Fluiter gegeven hebben, is aanmerkelijk. Verscheidene Apen maken een min of meer fluitend geluid, doch deze bezit die kunst meesterlijk, zoodat men wezenlijk dacht, dat er iemand floot. Het geluid was eentonig, zeer hard, doch verflauwend, en dit herhaalde hij dikwijls uit zich zelf, tot vermaak; want, als hij boos was, schreeuwde hij.—Gelijk bijna alle andere dieren van zijn geslacht, at en dronk hij bijna alles, maar inzonderheid was hij een groot liefhebber van eieren en van Spinnen, die hij overal opzocht. Zeer graag dronk hij jenever, op welk een en ander de stalknechts in des vorsten rijschool, daar hij hier verscheidene jaren geleefd heeft, hem nu en dan al eens onthaalden.”

Van alle Rolstaartapen is de Gay of Sai, de Kapucijner-aap (Cebus capucinus) waarschijnlijk de meest bekende. In de taal der Guaranen beteekent „Gay” „bewoner van het woud”; dit woord is echter door de Europeanen dikwijls verkeerd gebruikt en thans minder algemeen bekend geworden dan de genoemde, Nederlandsche, met het oog op het haarkleed werkelijk zeer toepasselijke naam. De Kapucijner-aap behoort, naar men zegt, tot de grootste soorten van de groep; zijn staart kan 35, het overige lichaam 45 cM. lang worden; in den regel zijn de exemplaren, die naar Europa komen, kleiner. Hun duidelijkste kenmerk is het reeds in de vroegste jeugd naakte, gerimpelde of geplooide, licht vleeschkleurige voorhoofd. Grootendeels is de huidkleur meer of minder donkerbruin; de dun behaarde slapen, de bakkebaard, de keel, de borst en de buik alsmede de bovenarm zijn lichtbruin.

Het verbreidingsgebied van den Kapucijner-aap strekt zich tot beneden den Zuider-Keerkring en tot over de Andes uit. Van Bahia tot Columbia is hij overal gemeen. Hij geeft de voorkeur aan bosschen, waarvan de bodem niet met struikgewas begroeid is. Het grootste deel van zijn leven brengt hij door in de boomen; want deze verlaat hij in den regel alleen, wanneer hij drinken of een maïs-veld bezoeken wil. Hij heeft geen vaste woonplaats. Over dag zweeft hij van boom tot boom om voedsel te zoeken, des nachts rust hij uit tusschen de dooreengekronkelde boomtakken. Gewoonlijk ontmoet men deze dieren vereenigd tot kleine familiën van 5 à 10 individuën, die voor ’t meerendeel wijfjes zijn. Soms, doch zelden vindt men oude mannetjes, die alleen leven. Men kan de levenswijze van het in vrijen toestand verkeerende dier moeielijk nagaan, omdat het zeer schuw en vreesachtig is: Rengger zegt, dat hij slechts door een toeval in de gelegenheid kwam hierover waarnemingen te doen. Eens werd zijn aandacht getrokken door welluidende, fluitende tonen; opziende, zag hij een oud mannetje op de naastbijgelegen boomkruin nader komen; hem volgden 12 of 13 Apen van beiderlei geslacht; de wijfjes droegen ieder een jong gedeeltelijk op den rug, gedeeltelijk onder den eenen arm. Plotseling merkte een der Apen een nabijstaanden sinaasappelboom met rijpe vruchten op; hij liet eenige geluiden hooren en sprong op den boom toe. Weinige oogenblikken later was het geheele gezelschap daar verzameld, en hield zich bezig met het plukken en eten van de zoete vruchten. Toen de boom half geledigd was, trachtten de sterkste Apen de zwakkere hun eigendom te ontrooven; zij trokken de vreemdsoortigste gezichten, lieten de tanden zien, pakten elkander bij ’t haar en waren duchtig aan ’t kibbelen. Andere doorzochten een dood gedeelte van den boom, lichtten de droge schors behoedzaam op en verslonden de hieronder huizende larven van Insecten. Toen zij zich verzadigd hadden, gingen zij in de houding, die reeds bij de Brulapen (p. 44) is aangegeven, lang uit liggen op een horizontalen tak om uit te rusten. De jonge dieren begonnen met elkander te spelen en gaven daarbij bewijzen van groote behendigheid. Zij schommelden zich aan hun staart, of klommen hierbij als langs een touw omhoog.

In Januari werpt het wijfje één jong; gedurende de eerste weken draagt zij het aan de borst, later evenwel op den rug. Nooit verlaat de moeder haar kind, zelfs niet wanneer zij gewond is. Wel merkte Rengger op, dat een wijfje, welker onderbeen verbrijzeld was door een kogel van zijn jachtgezel, haar zuigeling van de borst nam en op een tak zette; waarschijnlijk evenwel geschiedde dit meer met het doel om de zuigeling buiten gevaar te brengen, dan om zichzelf verlichting te verschaffen.

De Kapucijner-aap wordt dikwijls gevangen en getemd. Oude dieren raken niet licht aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen te treuren, willen niet eten, laten zich nooit temmen en sterven gewoonlijk na weinige weken; de jonge Aap daarentegen vergeet licht zijn vrijheid, sluit zich bij de menschen aan, en gebruikt, evenals vele andere dieren zijner orde, na korten tijd dezelfde spijzen en dranken als de mensch. Hij heeft, evenals alle leden van zijn geslacht, een zachtaardig voorkomen, dat niet in overeenstemming schijnt met zijne groote behendigheid en slimheid.

Onder de zintuigelijke vermogens van het dier staat het tastgevoel bovenaan; de overige zintuigen zijn zwak. Hij is bijziende en kan des nachts in ’t geheel niet zien; hij hoort slecht, want men kan hem gemakkelijk besluipen. Nog zwakker schijnt de reuk te zijn: hij houdt ieder voorwerp, dat hij besnuffelen zal, dicht bij den neus en wordt toch vaak genoeg door den reuk bedrogen: verleid om voorwerpen te proeven, die, zooals het smaakzintuig hem later leert, oneetbaar zijn.

De geluiden, die men van den Kapucijner-aap hoort, verschillen naar gelang van zijn gemoedstoestand. Het meest hoort men van hem een zacht gefluit, dat, naar het schijnt, als een bewijs van verveling moet worden beschouwd. Hij steent, als hij iets hebben wil. Verwondering of verlegenheid geeft hij te kennen door een eenigszins scheller gefluit; als hij toornig is, schreeuwt hij met zware en grove stem herhaaldelijk „hoe, hoe!” Bij vrees of smart wordt krijschen, bij vroolijke gebeurtenissen daarentegen grinniken vernomen. Door dezelfde geluiden deelt de apenhoofdman in vrijen toestand aan zijne onderhoorigen zijne gewaarwordingen mede. Deze worden trouwens niet alleen, door geluiden en bewegingen geopenbaard, maar ook door een gebaar, dat op lachen of weenen gelijkt. In het eerste geval worden de mondhoeken teruggetrokken, doch geen geluiden gemaakt. Bij het weenen vullen zich de oogen met tranen, die echter nooit over de wangen vloeien.

Niet zelden komt het voor, dat de Kapucijner-aap in de gevangenschap jongen werpt. De genegenheid voor de jongen schijnt in deze omstandigheden nog grooter te zijn dan bij het leven in de vrije natuur. De moeder bemoeit zich gedurende den geheelen dag met haar kind, duldt niet, dat een mensch het aanraakt, toont het alleen aan lieden, waarvan zij veel houdt en verdedigt het moedig tegen ieder ander.

Onze Aap is zeer gevoelig voor koude en vochtigheid. Uit eigen beweging gaat hij nimmer te water. Ook heeft men nimmer waargenomen, dat hij zich door zwemmen tracht te redden. Wel weet men, dat hij spoedig naar de diepte zinkt, als hij in ’t water wordt geworpen. In de gevangenschap is hij onderhevig aan vele ziekten, vooral aan verkoudheid en hoesten; evenals zijne verwanten uit de Oude Wereld lijdt hij maar al te vaak aan tering. Volgens de schatting van Rengger zou de ouderdom, die dit dier bereiken kan, omstreeks 15 jaar bedragen.

De geestes-eigenaardigheden van den Kapucijner-aap zijn ten volle onze aandacht waard. Reeds in de eerste dagen van zijn gevangen leven leert hij zijn meester en verzorger kennen, zoekt bij hem voedsel, warmte, bescherming en hulp, vertrouwt hem volkomen, verheugt zich, als hij met hem mag spelen, laat zich al zijne plagerijen welgevallen, toont na een scheiding bij het wederzien een uitgelatene vreugde en geeft zich ten slotte zoozeer aan zijn heer over, dat hij zijn vrijheid geheel vergeet en half een huisdier wordt. Hij sluit trouwens niet alleen met den mensch vriendschap, maar ook met de kinderen, waarmede hij opgevoed wordt. In Paraguay wordt hij niet zelden opgevoed met een jongen Hond, die hem als rijpaard moet dienen. Als hij van dezen gescheiden wordt, begint hij luid te schreeuwen; bij het wederzien overlaadt hij hem met liefkoozingen. Zijn genegenheid gaat ook met zelfopoffering gepaard; bij vechtpartijen met andere Honden verdedigt hij zijn vriend met grooten moed.

Geheel anders wordt het karakter van dezen Aap, wanneer hij mishandelingen heeft te verduren. Als hij zich sterk genoeg acht, tracht hij geweld met geweld te keeren, en bijt den mensch, die hem kwaad doet. Als echter zijn tegenstander hem vrees inboezemt, neemt hij zijn toevlucht tot huichelarij en zoekt zich te wreken, door zijn vijand te overvallen.