Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen
Chapter 10
De Hamadryaden bewonen in vrij groot aantal het geheele kustgebied van Abessinië en Zuid-Nubië, noordwaarts zoover er regen valt. Hoe rijker aan planten de bergstreken zijn, des te beter bevallen zij hun. De nabijheid van water is een noodzakelijke voorwaarde voor het welzijn van een apenbende. Soms begeven de gezelschappen van Apen zich van de hoogere bergen naar de lagere heuvelrijen van de Samchara (de woestijnstrook langs de zeekust); de meeste echter blijven altijd in het hooge gebergte. Hier bewoont elke bende een gebied van misschien 1½ à 2 mijlen middellijn. Kleine gezelschappen ontmoet men veel zeldzamer dan groote. Een enkele maal zag ik een troep van 15 à 20 stuks, overigens echter altijd benden, die volgens de laagste schatting uit 150 exemplaren bestonden. Daarbij zijn dan ongeveer 10 à 15 geheel volwassen mannetjes (echte monsters van aanzienlijke grootte en met een gebit, dat door de sterkte en lengte der tanden veel meer indruk maakt dan dat van den Luipaard) en omstreeks dubbel zooveel volwassene wijfjes. De andere zijn jongen en halfvolwassen. De oude mannetjes onderscheiden zich door hun geweldige grootte en den langen haarmantel; bij een door mij geschoten mannetje van middelbaren leeftijd waren de mantelharen 27 cM. lang; de wijfjes zijn korter behaard en donkerder, n.l. olijfbruin, van kleur; de jongen gelijken op de moeder. Onze afbeelding ontslaat mij van de moeite een beschrijving te geven van de haren op den kop van den Hamadryas, welker zonderlinge stand bij de Afrikanen zoo grooten bijval vond; van de kleur moet ik echter opmerken, dat ieder afzonderlijk haar afwisselend groenachtig bruin en geelachtig geringd is; hierdoor wordt het zeer moeilijk den totalen indruk van de kleur van het haarkleed te beschrijven: het meest gelijkt het op verdord gras. De zijden van den kop en de achterpooten zijn altijd lichter van kleur, meestal aschgrauw. Het zitvlak is vuurrood, het onbehaarde gelaat vuil vleeschkleurig. Hoe ouder de mannetjes worden, des te lichter wordt de kleur van hun mantel. Het komt mij echter waarschijnlijk voor, dat er minstens twee verschillende soorten van deze Bavianen zijn: een kleinere, met aschgrauwen mantel, die Azië bewoont, en een aanmerkelijk grootere, Afrikaansche soort, bij welke de kleur van den mantel tot in den hoogsten ouderdom nog altijd groenachtig blauwgrijs is. Onze afbeelding stelt de eerstbedoelde soort voor. De lengte van het volwassen mannetje bedraagt 0.9 à 1 M., waarvan 20 à 25 cM. op den in een kwast eindigenden staart komen; de hoogte van de schoften bedraagt 50 cM.
In den vroegen morgen en als het weder regenachtig is, vindt men de geheele bende op hare slaapplaats, n.l. in groote en kleine holen van onbeklimbare rotswanden en op rotsterrassen, die door overhangende steenmassa’s gedekt zijn. De Apen zitten hier zoo dicht mogelijk bijeengehurkt; de jongere en zwakkere leden van het gezelschap vleien zich tegen het lichaam van hun moeder en ook wel van hun vader aan. Bij goed weder verlaten de Apen hunne slaapplaatsen in den loop van den voormiddag, om langzaam en op hun gemak een wandeling over de rotsen te doen; hier en daar trekken zij een plant uit, waarvan de wortel, naar het schijnt, hun voornaamste voedsel uitmaakt; iedere niet al te groote steen wordt omgewenteld, omdat de hieronder verborgen Insecten, Slakken en Wormen als buitengewone lekkernijen worden beschouwd. Na het nuttigen van dit ontbijt klauteren allen naar de hooge kammen van het gebergte. De mannetjes gaan hier ernstig en vol waardigheid met den rug naar den wind gekeerd op de steenen zitten; de wijfjes houden toezicht op de onverpoosd stoeiende en spelende jongen, en bewegen zich te midden van deze. In de late namiddaguren begeeft de troep zich naar het naastbij gelegen water om daar te drinken; vervolgens gaan de Apen nogmaals voedsel zoeken, waarna zij een geschikte slaapplaats uitkiezen. Als deze bijzonder gunstig gelegen is, ziet men de Bavianen iederen dag tegen den avond er heentrekken, natuurlijk slechts zoolang zij zich hier veilig achten, en niet, als zij er herhaaldelijk vervolgingen hebben te verduren. Gunstig gelegen achten zij hun woonplaats ook, wanneer er in de nabijheid doerra-akkers voorkomen. De eigenaars van deze akkers mogen ze wel zorgvuldig bewaken, om er nog van te kunnen oogsten; daar zij iederen dag een bezoek hebben te duchten van de brutale roovers die op de rotsen verblijf houden; deze vernielen nog meer dan zij opeten, zoodat dikwijls de geheele oogst verloren gaat.
Als de Mantel-Bavianen stil zitten, laten zij hun stem niet hooren, tenzij er iets gebeurt, wat hun aandacht trekt; zoodra zich echter het een of ander voorwerp in de verte vertoont, b.v. menschen of een kudde vee, laat een van de Apen zeer zonderlinge geluiden hooren, die nog het meest gelijken op het geblaf van sommige Honden, en waarschijnlijk niets anders ten doel hebben, dan den geheelen troep tot opmerkzaamheid aan te sporen. Wanneer er echter gevaar te duchten is door de nadering van een mensch of van een Roofdier, worden van allerlei leden van het gezelschap de meest verschillende geluiden vernomen. Het best kan men het mengelmoes van stemmen van een opgewondene Hamadryas-bende met het knorren en krijschen van een talrijke kudde Zwijnen vergelijken. Daartusschen verneemt men klanken, die soms herinneren aan het doffe gebrul van den Luipaard, soms aan het zware gebrom van een stier, die voor de veiligheid van zijn gezin bezorgd is. Het geheele gezelschap brult, bromt, blaft, schreeuwt, knort en krijscht ordeloos dooreen. Alle voor den strijd geschikte mannetjes begeven zich naar den rand van de rots, en kijken oplettend naar beneden in het dal om het gevaar nauwkeuriger te leeren kennen; de jongen zoeken bescherming bij de ouderen; de kleinen gaan aan de borst van de moeder hangen, of klimmen ook wel op haar rug; de geheele troep stelt zich in beweging, en snelt, op alle vier loopend en springend, heen.
Voor de inboorlingen gevoelt de Hamadryas zoo goed als geen vrees. Hij trekt, zonder zich te bekommeren om de bruine menschen, hen op korten afstand voorbij, en drinkt met hen uit dezelfde beek. Een blanke boezemt hem meer wantrouwen in; ofschoon het overdreven zou zijn te beweren, dat de Apen hem schuw ontvluchten. Meer nog dan andere leden hunner familie toonen onze Bavianen de bedachtzame bedaardheid van iemand, die nooit naar een uitweg behoeft te zoeken, hoe nabij het gevaar ook moge zijn. Hun gelatenheid wordt echter op een harde proef gesteld, als zij Honden of, wat nog erger is, Luipaarden opmerken. Dan beginnen de oude mannetjes vreeselijk te brullen en te brommen, laten de tanden zien, en kijken met fonkelende oogen op de rustverstoorders neer, blijkbaar bereid om hen gemeenschappelijk aan te vallen.
De eerste bende, die ik ontmoette, was bezig uit te rusten van de morgenwandeling. Zij zat op den kant van een naar beide zijden tamelijk steil afhellenden rotskam. Van verre reeds had ik de hooge gestalten der mannetjes waargenomen; ik hield ze toen echter voor op den kam liggende steenklompen, want hiermede hebben onze Apen, zoolang zij stil zitten, een groote overeenkomst. Ik bemerkte mijn vergissing eerst, toen ik een geblaf hoorde, dat ongeveer geleek op den schel uitgeschreeuwden en eenige malen herhaalden klank „koek”. Alle mannelijke Apen keken naar ons; de jongen echter speelden nog onbezorgd; eenige wijfjes gaven hun lievelingsbedrijf nog niet op, maar zochten nog ijverig in de vacht van een ouden heer naar ongedierte. Waarschijnlijk zou het geheele gezelschap in deze onderzoekende houding gebleven zijn, als wij niet twee flinke, op avonturen beluste Honden bij ons hadden gehad: mooie, slanke Windhonden, gewoon om Hyaena’s uit hun leger te verdrijven, en zelfs beproefd in den strijd tegen den hier inheemschen Wolf. Toen zij het geschreeuw der Apen met geblaf beantwoordden, kwam dadelijk de geheele bende in opstand. Waarschijnlijk met de bedoeling om een nog veiliger verblijfplaats op te zoeken, trokken de Apen langs den kam af, en verdwenen voor onze blikken. Toch zagen wij tot onze verrassing bij de volgende ombuiging van het dal dat geheele bende voor ons, ditmaal tegen een schijnbaar loodrecht opstijgenden, zeer hoogen rotswand; op een mij thans nog onverklaarbare wijze kleefden zij als ’t ware aan de rotsen en vormden een lange reeks. Deze reeks kwam ons te aanlokkelijk voor, om haar rustig te laten zitten. De jachtlust werd ons te machtig. Van het medelijden, dat iederen jager bevangt, als hij kleine Apen jaagt of jagen wil, gevoelden wij in dit geval geen zweem; wij zagen in de Hamadryaden geen wezens, die op menschen gelijken, maar woedende, grimmige roofdieren, die niet verdienden gespaard te worden en voor het jachtvermaak in alle opzichten geschikt waren. Ongelukkig was de rotswand zoo hoog, dat wij niet zeker konden zijn een van de dieren te zullen treffen. Het ging echter niet aan, verder te trekken zonder de rust van het gezelschap te verstoren. De knal van het eerste schot had een onbeschrijfelijke uitwerking. Het werd door een razend gebrul, gehuil, gebrom, geblaf en gekrijsch beantwoord, waarna de geheele stoet in beweging geraakte, en over den rotswand verder golfde; dit geschiedde met zulk een zekerheid van beweging, alsof het gezelschap zich op den vlakken bodem bevond, hoewel wij niet konden begrijpen, hoe het mogelijk kon zijn, daar vasten voet te krijgen. Een smalle lijst werd, naar het schijnt, door de Apen als een hoogst gemakkelijken weg beschouwd. Slechts op twee plaatsen bewoog de stoet zich langzamer en voorzichtiger; op een van deze moest hij omstreeks 3 M. ver afdalen en bijna evenveel weer omhoog klauteren. Wij losten ongeveer zes schoten; het was ons echter onmogelijk goed te mikken, onder andere ook omdat het schouwspel zoo verrassend was, dat wij de noodige kalmte niet konden behouden. Toch waren onze kogels nog goed genoeg gericht om den schrik der Apen tot ontsteltenis te doen toenemen. In de hoogste mate comisch was het te zien, hoe de geheele bende na ieder schot zich oogenblikkelijk aan de rots vastklemde, alsof het te vreezen was, dat zij door den schok reeds in de diepte zou worden gestort. Naar het scheen, werd geen hunner door onze kogels gekwetst. De schrik had hen echter blijkbaar overmeesterd; het kwam ons voor, dat zij de bedachtzaamheid, die hen gewoonlijk onderscheidt, geheel uit het oog verloren. Toen wij de volgende kromming van het dal bereikten, zagen wij den troep opnieuw, nu echter niet meer in de hoogte, maar op den vlakken bodem; de Apen waren juist voornemens het dal over te steken om op de hoogten aan den anderen kant een schuilplaats te zoeken. Een goed deel van de bende was reeds aan de andere zijde aangekomen; de hoofdmacht was echter nog achtergebleven. Toen onze Honden het golvende gewemel zagen, waren zij een oogenblik als verbijsterd, maar snelden onmiddellijk daarna onder luid geblaf op de bende toe. Dit gaf aanleiding tot een tooneel, zooals ons nog nooit onder de oogen was gekomen. Toen de Honden kwamen aanrennen, sprongen de oude mannetjes op eens van de rotsen af in het dal, de vijanden tegemoet; in een oogwenk waren de aanvallers omgeven door een kring van Apen: deze brulden vreeselijk, sperden den met dreigende tanden gewapenden bek wijd open, sloegen grimmig met de handen op den grond, en vestigden op hunne tegenstanders zulke boosaardige, van woede fonkelende blikken, dat de gewoonlijk zoo moedige en strijdlustige dieren geheel ontsteld afdeinsden en vol angst bij ons bescherming wilden zoeken. Zooals van zelf spreekt, hitsten wij ze opnieuw tot den strijd aan; het gelukte ons, hun ijver weer aan te wakkeren. Er was echter in den tusschentijd een verandering van tooneel gekomen; de Apen, die de overwinning meenden behaald te hebben, waren de andere gevolgd.
Toen de Honden opnieuw op de Apen afkwamen, waren er nog maar weinige op den bodem van het dal; daarbij bevond zich een jong van een half jaar oud. Het schreeuwde luid, toen het de Honden zag naderen, vluchtte ten spoedigste op een rotsblok, en werd hier door onze uitmuntende bondgenooten volgens de regels van de kunst staande gehouden. Wij vleiden ons reeds met de hoop, dezen Aap te zullen buit maken; het kwam echter anders uit. Trotsch en vol waardigheid, zonder zich ook maar eenigszins te haasten en zonder acht op ons te slaan, kwam van den anderen kant een van de sterkste mannetjes naar omlaag; onbevreesd ging het de Honden tegemoet, wierp hun als bliksemschichten zijne stekende blikken toe, waardoor zij volkomen in bedwang werden gehouden, beklom toen langzaam het rotsblok, waarop het jong zich bevond, liefkoosde dit, en aanvaardde met de hulpbehoevende kleine den terugtocht, dicht bij de Honden langs; deze waren zoo verbluft, dat zij den redder en zijn beschermeling ongehinderd lieten trekken. De moedige daad van den stamvader der bende boezemde ook ons eerbied in; geen van ons dacht er aan, zijn ontvluchting te verhinderen, hoewel hij zich zoo dicht bij ons bevond, dat wij hem zeker hadden kunnen treffen.
Op latere jachttochten leerde ik de Hamadryaden nog beter kennen, en was toen in de gelegenheid de taaiheid van ’t leven dezer dieren te bewonderen. Als de kogel hen niet onmiddellijk in het hart of in den kop had geraakt, waren wij onzen jachtbuit geregeld kwijt. Zij snelden, zelfs na een zware verwonding, nog zoo wakker voort, dat zij ons altijd ontsnapten. Een lading hagel werkte in ’t geheel niets uit bij zulk een Aap. Hij betastte even de gewonde plaats, wreef er met de hand overheen, en vervolgde zijn weg, alsof er niets gebeurd was.
Sedert ik zelf deze dieren in vrijheid gezien heb, acht ik het in ’t geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat zij een mensch, die niet met een geweer gewapend is, in ’t oogenblik van ’t grootste gevaar moedig te gemoet gaan, en hem gezamenlijk aanvallen; in dit opzicht worden de verhalen van de Arabieren en Abessyniërs trouwens bevestigd door de onderling overeenstemmende mededeelingen van goede waarnemers zooals Rüppell en Schimper. Persoonlijk heb ik dit wel is waar niet ervaren, maar wel heb ik gezien, dat de Hamadryaden zelfs voor een gewapend mensch slechts hoogst langzaam de wijk nemen, en dat zij daarbij op een zeer veel beteekenende wijze de tanden laten zien. Schimper verzekerde mij, dat de Hamadryas zonder schroom den mensch aanvalt niet alleen, maar ook hem overwint en om ’t leven brengt. Naar men zegt, hebben oude mannetjes herhaaldelijk zonder eenige aanleiding meisjes, die naar ’t bosch gegaan waren om hout te sprokkelen, aangevallen en gedood. Ook Rüppell bericht, dat deze afschuwelijke Aap onder de gevaarlijkste tegenstanders van den mensch gerekend moet worden.
In de onmiddellijke nabijheid van den Hamadryas woont een tweede Mantel-Baviaan, de Dsjelada van de Abessyniërs (Cynocephalus gelada). Deze is de grootste van de geheele familie; hij is zelfs aanmerkelijk grooter dan de Hamadryas, hoewel dit door den Duitschen reiziger Rüppell, aan wien de eerste berichten over den Dsjelada te danken zijn, ontkend wordt. Schimper, die meer dan 30 jaren in Abessynië doorbracht, en Heuglin zeggen beiden, dat het bedoelde dier soms de grootte van een mensch bereikt. Van den Hamadryas onderscheidt hij zich op den eersten aanblik. De zeer dicht behaarde vacht, die zich op het achterste gedeelte van den hals, in den nek en op den rug tot een mantel verlengt, is zwartachtig bruin, vooral aan ’t aangezicht, aan de kin en aan de keel; de mantel en de lange staartkwast zijn geelachtig bruin; het haar op de keel, het voorste deel van den hals, de borst, het midden van den buik en de voorarmen is bruinachtig zwart; het gelaat is zwart. De beide kale plekken op het voorste deel van den hals en de borst zijn driehoekig, en hebben gezamenlijk, daar zij met de toppen naar elkander toegekeerd zijn, ongeveer den vorm van een zandlooper; zij zijn omgeven door grijs en wit gespikkelde haren. Geheel anders dan de Hamadryas, heeft de Dsjelada slechts zeer kleine eeltplekken, die volkomen van elkander gescheiden en zwartachtig grijs van kleur zijn.
Niet zonder reden heeft men de beide afschuwelijkste Bavianen, die tot dusver bekend geworden zijn, van de overigen leden van dit geslacht afgescheiden, want in belangrijke opzichten verschillen zij van deze, hoewel zij er door den bouw van den romp mede overeenstemmen. Bij de twee soorten, die nu aan de beurt komen, is de kop, en meer bepaaldelijk de schedel, onevenredig groot; de zeer kleine oogen staan dicht bijeen; de rand van den oogkas verheft zich tot een soort van lijst. Aan weerszijden van den neus bevindt zich een overlangsche verhevenheid, die sterk opzwellen kan. De ledematen zijn zeer krachtig, de staart is een kort, rechtopstaand stompje, de eeltplekken breiden zich over het geheele achterste uit. Ook het haarkleed is eigenaardig: aan het achterste gedeelte van den kop en in den nek is het eenigszins verlengd; bovendien komt, althans bij de eene soort, een zeer levendig gekleurde, spits toeloopende kinbaard voor. De beide bedoelde Bavianen-soorten bewonen het westen van Afrika en komen reeds sedert 300 jaar niet zelden levend tot ons.
Wij noemden den Guereza de schoonste van alle Apen, met hetzelfde recht kunnen wij den Mandril (Cynocephalus mormon) als den leelijksten aanwijzen. Als hij oud geworden is, verdient hij in alle opzichten, zoowel om zijne lichamelijke eigenschappen als wegens zijn gemoed, een afschuwelijk beest genoemd te worden. Zijn lichaam is zeer krachtig, men zou haast zeggen eenigszins plomp gebouwd; de kop is afzichtelijk leelijk, het gebit werkelijk vreeswekkend, de beharing eigenaardig ruig en borstelig; de kleur van de onbehaarde lichaamsdeelen is in den hoogsten graad schel en afstootend. Ieder haar is zwart en olijfgroen geringd, waardoor de beharing van de rugzijde een donkerbruine, olijfgroen getinte kleur verkrijgt; de haren aan de borst zijn geelachtig, die aan den buik witachtig, die van de zijden licht bruinachtig; de kinbaard is hel citroengeel; achter het oor bevindt zich een grijsachtig witte vlek. De handen en de ooren zijn zwart, de neus en hare omgeving zijn vermiljoenrood, de opzwellingen langs de wangen korenbloemen-blauw, de hierin voorkomende groeven zwart; de eeltplekken en andere achterdeelen zijn rood en blauw. De oude mannetjes bereiken een lengte van 1 M. en meer, bij ongeveer 60 cM. hoogte in de schoften, het staartstompje daarentegen is weinig langer dan 3 cM.
De Dril (Cynocephalus leucophaeus) is een weinig kleiner dan zijn stamgenoot; de vacht is aan de bovendeelen olijfbruin, van onderen en aan de binnenzijde witachtig, de wangbaard is vaal witachtig, het aangezicht zwart; de handen en voeten zijn koperkleurig bruinachtig.
Het is opvallend genoeg, dat van het leven in vrijen toestand van deze beide Apen, die reeds sedert zoovele jaren in gevangenschap zijn waargenomen, niets zekers bekend is. Beide soorten zijn van de kust van Guinea afkomstig, en worden hoofdzakelijk van de Goudkust naar Europa vervoerd. Naar gezegd wordt, leven beide soorten tot troepen vereenigd in bergachtige bosschen, deels op rotsen, deels op boomen; zij verlaten echter niet zelden hunne gewone verblijfplaatsen om de nabijliggende volksplantingen te bezoeken en hier naar hartelust te plunderen. Men zegt ook, dat benden van deze dieren de dorpen overvallen en, bij afwezigheid van de mannen, de vrouwen en kinderen mishandelen. Men verhaalt, dat de inboorlingen den Mandril meer vreezen dan den Leeuw, nooit een strijd met hem wagen, ja zelfs niet eens de bosschen durven bezoeken, waarin deze Aap zich ophoudt, behalve wanneer de mannen in grooten getale en met goede wapens voorzien, een echten kruistocht tegen hunne vijanden ondernemen.
Een jonge Mandril is een allerliefst dier, dat op uitstekende wijze de rol van komiek vervult te midden van een uitgelezen gezelschap van stamgenooten in het apenhuis; hij is een liefhebber van potsen en dolle streken van allerlei soort, met een onverstoorbaar goed humeur begaafd, en in weerwil van zijn onverbeterlijke onbeschaamdheid geenszins afkeerwekkend. Maar al te spoedig komt hierin verandering, veel vroeger dan bij andere Bavianen; reeds na verloop van weinige jaren vertoont de Mandril zich in al zijn afschuwelijkheid. De toorn van andere Apen is, volgens de woorden van een Engelschen schrijver, „het zachte suizen van den wind in vergelijking met de woede van den Mandril, die op een van de ontzettende, alles vernielende orkanen, der keerkringslanden gelijkt”. Zijn hartstochtelijkheid is grenzeloos. Als hij toornig wordt, geraakt hij in een vreeselijken toestand van opgewondenheid, vergeet alles om zich heen, en werpt zich als zinneloos op zijn vijand. Een waarlijk duivelsche glans straalt dan uit de oogen van het wilde beest, dat met demonische kracht en boosaardigheid begaafd schijnt te zijn. Slechts één gedachte bezielt hem nu: hij wil zijn tegenstander verscheuren, en alles wat hem verhindert dit te doen, uit den weg ruimen. Hij bekommert zich niet in het minst om de zweep, zelfs niet om het blanke wapen. Zijn aanval is geen bewijs van stoutmoedigheid meer, maar van ware dolzinnigheid. De opzichters in een dierentuin hebben geen dier meer te vreezen dan een woedenden Mandril. De Leeuw en de Tijger zijn lammetjes bij hem vergeleken; zij schikken zich althans op een verstandige wijze in de omstandigheden; de Hamadryaden en andere Bavianen zijn nevens hem slechts kindertjes of stumpers.
Over de aard der Mandrillen, die Pechuel-Loesche jaren lang te Tschintschotso op de Loango-kust heeft nagegaan, schrijft deze onderzoeker het volgende: „Wij hielden drie Mandrillen op ons erf; zij waren met touwen vastgemaakt aan staken, waarop hun woning stond; zij ontvluchtten niet, wanneer zij zich nu en dan in volle vrijheid mochten bewegen. Het waren echte Bavianen, vol list en sluwheid, ongemanierd, uitgelaten, altijd zinnend op kattekwaad, en wel bewust, dat zij ons met hunne handelingen vermaakten. Toch was bij alle drie een verschil in karakter op te merken. Pavy, een mannetje, was zeer lieftallig, vleiend en buitengewoon aan ons gehecht. Jack, een zwak wijfje, was een volleerde humorist, maakte gekheid met alle menschen (met uitzondering van vrouwen, daar zij aan dezen een hekel had), was echter niemand bijzonder genegen. Isabella, een zeer sterk wijfje, dat reeds geheel volwassen was, toen het ons geschonken werd, daar het wegens haar boosaardigheid niet meer geduld kon worden in de factorij, waar het vroeger gehuisvest was, viel woedend op alle menschen aan, die in haar nabijheid kwamen, zonder op sekse, leeftijd of huidkleur te letten. Het duurde lang, voordat zij—door een doelmatige, vriendelijke behandeling tot kalmte gebracht—ons, Europeanen, althans niet meer als vijanden beschouwde. Haar karakter was bedorven: zij liet zich al het goede welgevallen, maar toonde geen erkentelijkheid er voor.”
„Pavy en Jack waren bijna zoo waakzaam als Honden. Op hunne hooge huisjes gezeten, keken zij oplettend rond; ongewone verschijnselen in de omgeving en het naderen van bezoekers kondigden zij altijd aan. Daar wij voor hen, evenals voor de andere huisdieren, van onze uitstapjes gaarne eenige zeer door hen gewaardeerde snoeperijen—lekkere vruchten, zoete grashalmen, bladen, Kevers, Sprinkhanen, enz.—medebrachten, hadden zij de gewoonte aangenomen, om onze terugkomst in spanning af te wachten, en ons reeds op een afstand van eenige honderden schreden met vroolijk kakelen en kraaien te begroeten, waarbij zij den kop op een grappige wijze naar boven staken, of de meest gewaagde kunstsprongen vertoonden. Zij deden dit nog veel meer, als wij hen aanriepen. Daar ook de Zwarte Baviaan zijn eigenaardige redevoering begon te houden, en de overige dieren (de Cimpanzees met hun oorverdoovend geschreeuw niet uitgezonderd) eveneens drukte begonnen te maken, zoodra zij onze stemmen vernamen, was het dikwijls, alsof ons geheele erf in opstand kwam.