Het leven der bijen

Part 9

Chapter 93,726 wordsPublic domain

Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf, en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen. Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en ze slaapt--zoo dat al slapen is--al eieren leggend. Van dit oogenblik af is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen stonden.

En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen, waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt en verteert.

Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur, wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt, herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends ware.--'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.

XXV.

We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.

De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?

Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen, zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten. Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is--want hoe verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen, indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.

En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte, waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare eitjes te leggen in cellen van werkbijen.

Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is, dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden, die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid van den afgrond.

Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden, heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige, onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.

VIERDE BOEK.

DE JONGE KONINGINNEN.

I.

Laat ons hiermede onzen jongen korf weer sluiten waar het leven, zijn cirkelgang hervattend, zich naar buiten openbaart en zich vermenigvuldigt, om op zijne beurt weer een splitsing te ondergaan, zoodra het de volheid van kracht en geluk heeft bereikt; en laat ons voor het laatst de moederstad nog eens openen, om te zien wat daar voorvalt na het vertrek van den zwerm.

Als het tumult van het vertrek weer tot bedaren is gekomen en nu twee derden van hare kinderen haar hebben verlaten zonder plan op terugkeer, is de ongelukkige stad als een lichaam, dat veel bloedverlies heeft gehad: ze is moede, verlaten, bijna dood. Toch zijn er eenige duizenden bijen in gebleven, die onverstoorbaar, al is het dan ook eenigszins mat, het werk weer hervatten, zoo goed mogelijk de plaats der afwezigen weer vervullen, de sporen der laatste uitspattingen uit den weg ruimen, de provisie, buit van de rooftochten wegbergen, de bloemen gaan bezoeken, de wacht houden over de voorraadschuur der toekomst, zich volkomen bewust van hunne zending en getrouw aan den plicht, die hun door het lot duidelijk is aangewezen.

Doch zoo het heden al somber schijne, al wat het oog ontmoet is vol hoop en verwachting. We bevinden ons hier in een dier kasteelen der Duitsche legende, waarin de muren bestaan uit duizenden glazen flesschen met de zielen der menschen, die zullen geboren worden. We bevinden ons in het verblijf van het leven, dat aan het leven voorafgaat. Daar rondom liggen in goed gesloten wiegen, in de eindelooze aaneenvoeging der wonderbare zeszijdige cellen, myriaden larven in wording, nog witter dan melk, die met gekruiste armen en het hoofd op de borst gebogen, de ure van ontwaken afwachten. Als men ze zoo ziet in hun eenvormige, ontelbare en doorschijnende graven, zou men ze voor vergrijsde, in diep nadenken verzonken aardmannetjes houden, of voor legioenen van maagden geheel vervormd door de plooien van het lijkkleed en begraven in zeshoekige, door een volhardend meetkundige tot in het oneindige vermenigvuldigde prisma's.

Over de gansche uitgestrektheid dier loodrechte muren, welke een gansche wereld in zich bevatten, een wereld die groeit, verandert, om zichzelve wentelt, vier of vijf maal van kleederen verwisselt en in het duister haar lijkkleed spint, zijn honderden werkbijen aan het dansen en aan 't waaien met de vleugels om de noodige warmte te onderhouden en tevens voor een doel, dat nog meer in het duister ligt; want hun dans heeft zeer bijzondere en methodische trillingen, die wel moeten beantwoorden aan een of ander doel, dat naar ik meen nog geen enkel waarnemer heeft opgespoord.

Na verloop van eenige dagen beginnen de deksels van deze myriaden urnen (in een flinken korf telt men er van zestig tot tachtig duizend) te wijken, en twee groote, zwarte en ernstige oogen komen te voorschijn met twee sprieten er boven, die het leven rondom hen reeds gaan betasten, terwijl bezige kaken nog voortgaan met de opening te verwijden. Dadelijk komen de voedsters aanloopen, helpen de jeugdige bij hare gevangenis verlaten, ondersteunen haar, borstelen en reinigen haar en bieden haar op de punt hunner tong den eersten honing van haar nieuwe leven aan. Zij, die daar pas te voorschijn komt uit een andere wereld, is nog eenigszins bedwelmd, wat bleek en wankel. Ze ziet er zwakjes uit als een oud mannetje ontstegen aan zijn graf. Men zou haar voor een reizigster kunnen houden bedekt met het donzige stof der onbekende wegen, die tot de geboorte leiden. Overigens is ze van top tot teen reeds geheel klaar, weet onmiddellijk al wat ze weten moet en zooals de kinderen uit het volk om zoo te zeggen bij hunne geboorte reeds leeren, dat hun geen tijd is gegund voor spel en lach, begeeft zij zich dadelijk naar de gesloten cellen en begint met hare vleugeltjes te slaan en zich op de maat te bewegen om op hare beurt hare begraven zusters te verwarmen, zonder zich op te houden met het ontcijferen van het wonderlijk raadsel van haar bestemming en haar ras.

II.

De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd. Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen, vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd, beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee strepen van staal dien afteekenden in den ether.

Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot, nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het, dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie kilometer ver van den korf worden gebracht?

Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het _zintuig voor de richting_ genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en vooral van Romanes (in de _Natuur_, 29, Oktober 1886) schijnen uit te maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.

Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het landings-plankje[1]. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden. Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje, waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.

Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.

[1] Het landings-plankje, dat dikwijls niets anders is dan de verlenging van de plank waarop de korf staat, vormt een soort stoepje, portaaltje of rustplaats vóór den hoofdingang of 't vlieggat.

III.

Nadat we dit gezegd hebben, keeren we terug naar onze stad, die op nieuw wordt bevolkt, waar onophoudelijk nieuwe wiegen opengaan en zelfs de substantie der muren in beweging komt. Deze stad heeft echter nog geene koningin. Aan de kanten van een der middelste raten verheffen zich zeven à acht zonderlinge gebouwtjes, die op de golvende vlakte der gewone cellen doen denken aan de protuberances en kringen, die de photographieën der maan zoo vreemd maken. 't Zijn een soort capsules van ruwe was of hangende, volkomen gesloten eikels, die de plaats van drie of vier werkbijen-cellen innemen. Gewoonlijk liggen ze in een groep bijeen en een sterke, buitengewoon bezorgde en oplettende wacht behoedt dit gebied, dat een soort ontzag schijnt in te boezemen. Daar komen de moeders tot ontwikkeling. In ieder dezer huisjes is vóór het vertrek van den zwerm een eitje neergelegd, 't zij door de moeder zelve, 't zij nog waarschijnlijker, hoewel men er zich niet van heeft kunnen vergewissen, door de voedsters, die het daarheen overbrengen uit een of andere cel uit de buurt.

Drie dagen daarna ontwikkelt zich uit dat ei een made, waaraan men een bijzonder en zoo overvloedig mogelijk voedsel toedient; en hier kunnen we één voor één de bewegingen nagaan van een dier verrukkelijk vulgaire methoden der natuur, die wij indien het menschen gold, met den verheven naam van Fataliteit zouden omkleeden. Het kleine larfje ontwikkelt zich dank zij dit stelsel van opvoeding op een gansch bijzondere wijze, en zijn denkbeelden worden tegelijk met zijn lichaam dermate gewijzigd, dat de bij, die daaruit geboren wordt, tot een geheel ander ras van insekten schijnt te behooren.