Part 10
Ze zal vier of vijf jaar leven in plaats van zes of zeven weken. Haar lijf wordt tweemaal langer, haar kleur glanziger en lichter, haar angel krom. Haar oogen zullen slechts acht à negen duizend facetten tellen in plaats van twaalf of dertien duizend. Haar brein wordt beperkter, maar haar eierstokken enorm groot, en ze zal een afzonderlijk orgaan, de zaadblaas, bezitten, die haar om zoo te zeggen tot een hermaphrodiet maakt. Ze krijgt geen der organen voor een leven van inspanning: noch zakjes om was af te scheiden, noch borstels, noch korfjes om er het stuifmeel in te verzamelen. Ze zal geen der gewoonten en geen der hartstochten kennen, die wij onafscheidelijk achten van de bij. Ze zal geen verlangen koesteren naar de zon, noch behoefte aan de open lucht, en sterven zonder een enkele bloem bezocht te hebben. Haar leven zal ze doorbrengen in de duisternis en de drukte van de groote menigte, met het onvermoeid opzoeken van wiegjes om ze te bevolken. Daarentegen zal alleen zij de onrust der liefde kennen. Ze is er niets eens zeker van, dat ze twee oogenblikken in haar leven het licht zal aanschouwen---want het uitvliegen van den zwerm is niet onvermijdelijk--misschien zal ze slechts eenmaal gebruik maken van hare vleugels, doch dan om den minnaar te gemoet te vliegen! 't Is merkwaardig, dat zooveel dingen, dat organen, denkbeelden, verlangens, gewoonten, een gansch levenslot aldus liggen opgesloten, niet in een zaadje--dat zou het gewone wonder zijn van plant, dier en mensch--doch in een vreemde en levenlooze substantie: ineen druppel honing[1].
[1] Sommige bijenkenners beweren, dat werkbijen en koninginnen na het opengaan van het ei hetzelfde voedsel ontvangen, een soort melk, die zeer rijk is aan stikstof en wordt afgescheiden door een afzonderlijke klier, waarvan de kop der voedsters is voorzien. Maar na verloop van enkele dagen worden de larfjes der werkbijen gespeend en onder het grover diëet van honing en stuifmeel gesteld, terwijl daarentegen de toekomstige koningin tot aan hare volkomen ontwikkeling wordt volgepropt met de kostbare melk, die koninginne-pap genoemd wordt. Hoe dit ook zij, de resultaten blijven daarom evenzeer een wonder.
IV.
Ongeveer een week is verloopen sedert het vertrek der oude koningin. De koninklijke nymphen, die in de hulsels slapen, zijn niet allen van denzelfden leeftijd, want het is in 't belang der bijen, dat de koninklijke geboorten na elkaar plaats hebben, op de tijden dat ze beslissen of er een tweede, derde of zelfs wel een vierde zwerm uit den korf zal vertrekken. Reeds eenige uren zijn ze bezig de wanden van de rijpste moederwieg langzamerhand dunner te maken, en de jonge koningin, die van binnen uit tegelijkertijd het ronde deksel doorknaagt, steekt haar kopje er uit, komt halverwege te voorschijn en met behulp van de verpleegsters, die dadelijk komen aanloopen, haar afvegen, schoonmaken en liefkoozen, wikkelt ze zich los en doet hare eerste schreden op de raat. Evenals een pasgeboren werkbij is ze bleek en nog wankel op hare pootjes, maar na verloop van een minuut of tien worden deze steviger en daar ze wel voelt, dat ze niet de eenige is, dat ze haar rijk moet veroveren, dat er hier of daar mededingsters schuilen, loopt ze vol onrust langs de wanden van was om deze op te sporen. Hier komen de wijsheid en de geheimzinnige besluiten van het instinkt, van den geest des bijenkorfs, of van de vergaderde werkbijen tusschenbeide. 't Geen het meest verrast als men in een observatie-korf den loop dezer gebeurtenissen met de oogen volgt, is dat men nooit de minste aarzeling, de minste verdeeldheid waarneemt. Nergens eenig spoor van tweedracht of verschil van meening. Daar heerscht niets dan een reeds te voren ingestelde eensgezindheid, dit is de atmosfeer van dezen staat, en iedere bij schijnt reeds bij voorbaat te weten, wat alle anderen denken. Toch is dit een hoogst gewichtig oogenblik voor hen, 't is om zoo te zeggen de minuut waarvan leven of dood afhangen. Ze moeten weten welke partij te kiezen uit drie of vier mogelijkheden, die ver-reikende gevolgen zullen hebben, welke onderling totaal verschillen en door eene kleinigheid noodlottig kunnen worden. Ze moeten de passie of de ingeschapen plicht van het vermeerderen der soort met het behoud van den moederstok en diens afstammelingen weten te verzoenen. Een enkelen keer vergissen ze zich; ze laten drie of vier zwermen na elkaar uitvliegen, die den moederstaat totaal uitputten en zelf te zwak zijn om zich snel genoeg te organiseeren, zoodat ze worden overvallen door ons klimaat, dat niet het oorspronkelijk klimaat is waaraan de bijen ondanks alles de herinnering blijven behouden, en bezwijken bij het intreden van den winter. Dan vallen ze als slachtoffers van de zwerm-koorts, die even als onze gewone koorts een soort al te sterke reactie van het leven is, een reactie, die haar doel voorbijstreeft, den kring afsluit en den dood vindt.
V.
Geen der besluiten, die ze zullen nemen, schijnt zich met dwingende noodzakelijkheid op te dringen, en als de mensch eenvoudig toeschouwer blijft, kan hij niet voorzien, wat ze zullen kiezen. Maar een bewijs dat er altijd overleg is bij deze keuze is hierin gelegen, dat hij daarop invloed kan uitoefenen, ja zelfs die keuze bepalen, door enkele omstandigheden te wijzigen, b.v. door de ruimte die hij toestaat kleiner of grooter te maken, of volle honingraten weg te nemen en er leege voor in de plaats te stellen, welke voorzien zijn van werkbij-cellen.
De zaak is dus, dat ze weten, niet of ze dadelijk een tweeden en derden zwerm zullen uitzenden--dat zou vrij wel enkel een blind besluit zijn, een gevolg van den gril of het onbezonnen verlangen van een gunstig oogenblik de zaak is, dat ze op het oogenblik, eenparig, maatregelen treffen, die hen zullen vergunnen drie of vier dagen na de geboorte der eerste koningin een tweeden zwerm uit te zenden, en een derde drie dagen na het vertrek der jonge koningin aan het hoofd van dezen tweeden zwerm. Niemand zal kunnen ontkennen, dat we hier een geheel systeem, een gansche combinatie van voorzorgsmaatregelen aantreffen, die, vooral als men denkt aan de kortheid van hun leven, een geruimen tijd in beslag nemen.
VI.
Deze maatregelen betreffen de bewaking der jonge koninginnen, die nog begraven liggen in hunne gevangenis van was. Ik veronderstel, dat de bijen het verstandiger oordeelen geen tweeden zwerm uit te zenden. Hier doen zich dus weer twee mogelijkheden voor. Zullen ze aan de eerstgeborene der koninklijke maagden, aan haar, die wij hebben zien uitkomen, toestaan hare vijandelijke zusteren te vernietigen, of wel zullen ze wachten totdat deze de gevaarlijke plechtigheid van de "parings-vlucht" heeft volbracht, waarvan de toekomst van het volk kan af hangen? Dikwijls wettigen ze den onmiddellijken moord, dikwijls ook verzetten zij er zich tegen, maar 't laat zich gemakkelijk begrijpen, dat het moeielijk is uit te maken of dit gebeurt met het oog op een tweeden zwerm, of op de gevaren van de "parings-vlucht"; want meer dan eens heeft men waargenomen, dat ze, na tot een tweeden zwerm te hebben besloten, plotseling daarvan afzagen en heel het voorbestemde nakroost vernietigden, 't zij omdat de tijden ongunstiger waren geworden, 't zij om eenige andere reden, die we niet kunnen opsporen. Doch stel dat ze het nuttig hebben geoordeeld van het zwermen af te zien en de gevaren van de "parings-vlucht" te aanvaarden. Wanneer nu onze jonge koningin, aangevuurd door haar verlangen, het gebied van de groote wiegen nadert, dan wijkt de wacht ter zijde om haar vrijen doortocht te laten. Ten prooi aan haar woedende jaloezie werpt ze zich op de eerste koninginne-cel, die ze aantreft en doet met tanden en pooten al haar best om de was te breken. Ze slaagt er in, rukt met geweld de pop er uit, die in die woning rust, wikkelt de slapende prinses los en als haar mededingster reeds kenbaar is, keert ze zich om, steekt haar angel in de open cel en boort als waanzinnig dezen daarin, totdat de gevangene bezwijkt onder de wonden van het giftig wapen. Dan komt ze tot rust, en vindt voldoening in den dood, het mysterie, dat aan den haat van alle wezens grenzen stelt, trekt haar angel in, valt op een andere cel aan, opent die om er echter voorbij te gaan als zeer enkel een onvolgroeide larf of nymph in vindt, en gaat zoo voort tot op het oogenblik, dat ze hijgend en uitgeput bemerkt, dat hare tanden en nagels machteloos langs de wanden van was afglijden.
De bijen rondom haar zien hare woede aan zonder er in te deelen en gaan haar uit den weg om haar het veld vrij te laten; maar zoodra een cel is doorboord en verwoest komen ze aanloopen, halen het lijk, het nog levende larfje of de gepijnigde nymph er uit, gooien ze uit den korf, en proppen zich gretig vol met de kostelijke koninklijke pap, die den bodem van de cel overdekt. En daarna, als hunne uitgeputte moeder hare woede laat varen, voleindigen zij zelven den moord der onschuldigen, en het vorstelijk ras heeft met zijne woonplaatsen opgehouden te bestaan.
Met de executie der darren, die overigens meer is te verontschuldigen, is dit de afschuwelijke ure van den bijenkorf, de eenige waarin de bijen aan tweedracht en dood verlof geven hunne woningen te overmeesteren. En, zooals het zoo vaak in de natuur voorkomt, zijn het juist de door de liefde bevoorrechten, die de buitengewone pijlen van een gewelddadigen dood op zich zien gericht.
Enkele malen, doch uiterst zelden daar de bijen voorzorgsmaatregelen nemen om dit geval te voorkomen, enkele malen gebeurt het, dat twee koninginnen tegelijkertijd uitkomen. Dan heeft onmiddellijk bij het verlaten van de wieg de doodelijke kamp plaats, waarvan Huber voor het eerst een merkwaardige bijzonderheid heeft opgeteekend: telkens wanneer de beide maagdelijke koninginnen in hun curas van sits bij hun uitval zulk een stelling innemen, dat ze bij het steken met hun angel elkaar weerkeerig zouden doorboren dan is het, juist als bij de gevechten in de Ilyas, alsof den god of godin, wellicht de god of de godin van het ras, tusschen beide komt; door een zelfden schrik bevangen, gaan de beide strijdende partijen uiteen en ontvluchten elkaar geheel ontdaan, om kort daarna elkander weer te zoeken en opnieuw uiteen te gaan indien de dubbele ramp opnieuw de toekomst van hun volk bedreigt; totdat het aan een van beiden gelukt hare onvoorzichtige of onhandige mededingster te verrassen, en haar te dooden zonder gevaar voor zichzelve, want de wet van de soort eischt slechts één offer.
VII.
Wanneer de jeugdige vorstin op deze wijze de wiegen heeft vernield of hare mededingster gedood, wordt ze door het volk erkend, en om in waarheid te regeeren en zich behandeld te zien evenals vroeger hare moeder, blijft haar niets meer overig dan hare paringsvlucht te volbrengen; want de bijen bemoeien zich weinig met haar en bewijzen haar weinig eer zoolang ze nog onbevrucht is. Dikwijls echter is hare geschiedenis minder eenvoudig, en slechts zelden weerstaan de werkbijen hun verlangen een tweeden keer te zwermen.
In dit geval komt ze evenals in het eerste, en gedreven door hetzelfde voornemen, naar de koninklijke cellen toe, doch in plaats van daar onderworpen dienaressen te vinden, die haar aanmoedigen, stuit ze op een sterke vijandelijke macht, die haar den weg verspert. Opgewonden, en steeds aangedreven door haar idée fixe, wil ze zich met geweld een doortocht banen of een anderen weg inslaan, doch overal ontmoet ze schildwachten, die de slapende prinsessen bewaken. Ze wil doorzetten, doet een nieuwen aanval, doch met steeds meer kracht stoot men haar terug en mishandelt haar zelfs, tot ze eenigszins vaag begint te begrijpen, dat die kleine werkbijen een wet vertegenwoordigen, waarvoor de wet die haar aandrijft moet wijken.
Eindelijk verwijdert ze zich, en in haar nog niet gekoelde drift loopt ze van raat tot raat onder het aanheffen van dien eigenaardigen krijgszang of dreigende klacht, die iedere bijenhouder kent en die gelijkt op den zilveren klank van een verwijderde trompet; dit geluid van onmacht en verbittering is zóó krachtig, dat men het vooral 's avonds, op drie of vier meter afstands door de dubbele wanden van den korf heen hoort, al is die ook nog zoo goed gesloten.
Deze koninklijke kreet heeft een magischen invloed op de werkbijen. Hij vervult hen met een soort van eerbiedigen schrik of verbijstering, en wanneer de koningin hem doet weerklinken over de cellen waarvan men haar verwijderd houdt, dan staan de wachten die haar omringen en lastig vallen plotseling stil, buigen het hoofd, en wachten onbewegelijk, of hij niet zal ophouden te weerklinken. Overigens meent men, dat juist door de overmacht van dezen kreet, dien hij nabootst, de Doodshoofd-vlinder in de korven kan komen om zich aan honing te goed te doen, zonder dat de bijen er aan denken hem aan te vallen.
Twee of drie, en soms wel vijf dagen achtereen worden deze klaagtonen der gesmade aldus gehoord, die de in bescherming genomen pretendenten ten strijde oproepen. Ondertusschen komen deze tot ontwikkeling, willen op hunne beurt het licht aanschouwen en beginnen de deksels hunner cellen te doorknagen. Groote wanorde bedreigt de republiek. Doch toen de genius van den korf zijn besluit nam, heeft hij alle gevolgen daarvan overzien en de bewaaksters, die goed op de hoogte zijn, weten van uur tot uur wat hun te doen staat om de onverhoedse stooten van het gedwarsboomd instinkt te pareeren en twee vijandelijke krachten tot een zelfde doel te doen samenwerken. Ze weten, dat de jonge koninginnen, die naar het geboorte-uur verlangen, indien ze er in slaagden te ontsnappen, in de handen hunner reeds onoverwinnelijke oudere zuster zouden vallen, die ze een voor een zou vernietigen. Terwijl dus een der ingesperden van binnen de poorten harer gevangenis afknaagt, bedekken zij die van buiten met een nieuwe laag was, en de ongeduldige zet hardnekkig haar werk voort zonder liet minste vermoeden, dat ze te doen heeft met een betooverden hinderpaal, die uit de puinhoopen steeds nieuw verrijst. Onderwijl hoort ze de uitdagende kreten van hare mededingster, en daar ze haar bestemming en hare koninklijke plichten reeds kent nog vóór ze een blik heeft kunnen werpen op het leven en weet wat een bijenkorf is, beantwoordt ze die heldhaftig van uit hare gevangenis. Daar echter hare kreten de wanden van een grafgewelf moeten doordringen, klinken ze geheel anders, dof, hol, en de bijenhouder die 's avonds, wanneer op de velden alle geluid verstomt en het zwijgen der sterren begint, de wonderbare steden komt ondervragen, herkent en begrijpt de beteekenis van deze samenspraak tusschen de ronddwalende maagd en de gevangenen.
VIII.
Overigens is zulk een lange opsluiting gunstig voor de jonge koninginnen, die als ze uitkomen rijp en reeds krachtig zijn en klaar om hunne vlucht te nemen. Van een anderen kant heeft het wachten de vrije koningin sterker gemaakt en haar in staat gesteld de gevaren eener reis te doorstaan. De tweede zwerm of _nazwerm_ verlaat dan de woning met de eerstgeborene onder de koninginnen aan zijn spits. Onmiddellijk na haar vertrek bevrijden de in den korf achtergebleven werkbijen een der gevangenen, die dezelfde moorddadige pogingen doet, dezelfde kreten van toorn uitstoot, om op hare beurt drie dagen later den korf te verlaten aan het hoofd van een derden zwerm en zoo maar voort ingeval van _zwerm-koorts_, totdat de moederstad totaal is uitgeput.
Swammerdam haalt een korf aan, die door zijn eigen zwermen en het zwermen van die zwermen, dertig kolonies gaf in één enkel seizoen.
Zulk een buitengewone vermenigvuldiging wordt vooral aangetroffen na een slechten winter, alsof de bijen, die altijd voeling hebben met de geheime wenschen der natuur, zich bewust waren van het gevaar, dat de soort bedreigt. In normale tijden is deze koorts echter vrij zeldzaam in krachtige en goed bestuurde korven. Vele zwermen maar eens en verscheidene zelfs in geheel niet.
Gewoonlijk zien de bijen na den tweeden zwerm van een verdere verdeeling af, 't zij ze de geduchte verzwakking van den moederstok opmerken, 't zij het betrekken van den hemel hun voorzichtigheid voorschrijft. In dat geval staan ze toe, dat de derde koningin de gevangenen vermoordt, en het gewone leven gaat weer zijn gang en wordt met te meer ijver opgevat daar de werkbijen alle zeer jong zijn, de korf verarmd is en ontvolkt, en er voor den winter groote leemten zijn aan te vullen.
IX.
Het vertrek van den tweeden en derden zwerm is juist zooals die van den eersten en alle omstandigheden zijn gelijk, behalve dat er minder bijen zijn, dat de troep minder omzichtig is en geen verkenners heeft, en dat de jonge, maagdelijke, vurige en lichte koningin veel verder vliegt en reeds bij de eerste pleisterplaats haar volk tot op grooten afstand van den korf heeft meegevoerd. Voeg er nog bij, dat deze tweede en derde uittocht veel vermeteler zijn en dat het lot dezer zwervende kolonies zeer hachelijk is. Als vertegenwoordigster der toekomst hebben ze enkel een onvruchtbare koningin aan hun spits. Hun gansche bestaan hangt af van de op handen zijnde paringsvlucht. Een voorbijvliegende vogel, enkele regendruppels, een koude wind, een vergissing, en het onheil is onherstelbaar. Dit weten de bijen zóó goed, dat ze, wanneer ze een toevluchtsoord gevonden hebben, ondanks hunne reeds groote gehechtheid aan de woning die eerst sedert een enkelen dag de hunne is, ondanks het aangevangen werk, dikwijls alles in den steek laten om hunne jeugdige souvereine te vergezellen bij het zoeken van een minnaar, om hunne oogen onafgewend op haar gevestigd te houden, haar te omgeven en te omhullen met duizenden liefderijke vleugeltjes, of met haar te gronde te gaan indien de liefde haar zóó ver van den nieuwen korf doet afdwalen, dat de nog ongewone terugweg vervluchtigt en verdwijnt uit hun aller geheugen.
X
Zóó sterk is echter de wet der toekomst, dat geen enkele bij aarzelt met het oog op deze onzekerheid en dit doodsgevaar. Een zelfde geestdrift voor een tweeden en derden zwerm als voor een eersten. Wanneer de moederstaat zijn besluit beeft genomen, dan vindt ieder dezer gevaarlijke jonge koninginnen een troepje werkbijen gereed haar lot te deelen en haar te vergezellen op haar reis, waarbij veel te verliezen en niets te winnen is dan de hoop op voldoening van een instinkt. Wie geeft hun de energie, die wij nimmer bezitten, om met het verleden te breken als met een vijand? Wie kiest uit de massa degenen, die moeten gaan en wie wijst aan welke zullen achterblijven? Niet die of die klasse vertrekt of blijft, hier zijn het de jongsten, daar de oudsten, rondom iedere koningin, die heengaat om niet terug te keeren, verdringen zich zeer oude honingdraagsters naast kleine werkbijtjes, die zich voor het eerst wagen in het duizelingwekkende azuur. 't Is evenmin het toeval, de gelegenheid of een voorbijgaande opwelling van geestdrift of van ontmoediging door een gedachte, instinkt of gevoel, waardoor de betrekkelijke grootte van een zwerm wordt bepaald. Herhaaldelijk heb ik er mij op toegelegd, te berekenen welke verhouding er bestond tusschen het aantal bijen van den zwerm en van degenen die achterblijven; en hoewel de moeielijkheden aan de proef verbonden het verkrijgen van mathematische zekerheid beletten, heb ik toch kunnen constateeren dat deze verhouding, als men mede rekening houdt met het broedsel, dus met de op handen zijnde geboorten, constant genoeg was om een werkelijke en geheimzinnige berekening van den genius des bijenkorfs te doen vermoeden.
XI.
We zullen niet alle avonturen dezer zwermen nagaan, het zijn er vele, en dikwijls zeer ingewikkelde. Somtijds vallen twee zwermen samen, een andermaal gebeurt het in de verwarring van het heengaan, dat twee of drie der gevangen koninginnen aan het toezicht der bewaaksters ontsnappen en zich voegen bij den zich vormenden tros. Weer een andermaal maakt een der jonge koninginnen gebruik van de zwermingsvlucht om, waar ze zich van darren omringd ziet, zich te laten bevruchten en dan voert ze heel haar volkje mee tot op een buitengewone hoogte en afstand. In de praktijk van de bijenteelt brengt men deze tweede en derde zwermen naar den moederstok terug. De koninginnen vinden elkaar terug in den bijenkorf, de werkbijen scharen zich rondom de strijdenden en wanneer de beste heeft gezegevierd, verwijderen zij in hun afkeer van wanorde en hun lust tot werken de lijken, sluiten de deur voor toekomstige daden van geweld, vergeten het verleden, keeren terug naar hunne cellen, en gaan op nieuw den vreedzamen weg op naar de bloemen, die hen wachten.
XII.
Om ons verhaal te vereenvoudigen zullen we de geschiedenis van de koningin weer opvatten, waar we die hadden afgebroken, daar waar de bijen haar hadden toegestaan hare zusters in de wieg te dooden. Zooals ik reeds gezegd heb verzetten ze zich dikwijls tegen dezen moord, ook zelfs wanneer ze niet het voornemen schijnen te koesteren een tweeden zwerm uit te zenden. Dikwijls ook hechten zij er hunne goedkeuring aan, want de staatkundige geest der korven van een zelfden bijenstand is even verschillend als die der menschen-volken van een zelfde vastland. Doch zeer zeker begaan ze een onvoorzichtigheid door hem te wettigen. Komt de koningin om of verdwaalt ze bij hare parings-vlucht, dan blijft er niemand over om haar te vervangen, en de larven der werkbijen zijn al over den leeftijd om nog in koninklijke herschapen te kunnen worden. Maar enfin, de onvoorzichtigheid is begaan en dus is de eerste, die uitkomt, de eenige en erkende heerscheres in de gedachten haars volks. Toch is ze nog maagd. Om gelijk te worden aan de moeder, die zij vervangt, moet ze in de eerste twintig dagen na hare geboorte een ontmoeting hebben met het mannetje.