Part 11
Wordt door een of andere oorzaak deze ontmoeting vertraagd, dan blijft ze onherroepelijk maagd. Toch is ze zooals we gezien hebben niet onvruchtbaar, al is ze maagd. Hier staan we tegenover die groote anomalie, die wonderlijke voorzorgsmaatregel of gril van de natuur, die men parthenogenesis noemt, en die een zeker aantal insekten met elkaar gemeen hebben, te weten de boomluizen, de stofvleugelige insekten van het geslacht Psyche, de Hymenopteren van den stam der Cynipides, enz. De koningin-maagd kan dus eieren leggen als ware zij bevrucht, maar uit alle eieren die ze legt, in groote of kleine cellen, zullen enkel darren geboren worden, en daar deze nimmer werken, enkel op kosten der wijfjes leven, zelfs nooit honing gaan zoeken voor zich zelven en niet in hun onderhoud kunnen voorzien, volgt slechts weinige weken na den dood van de laatste afgetobde werkbij, de volledige ondergang der kolonie. Uit de maagd zullen duizenden mannetjes geboren worden, en ieder dezer mannetjes bezit millioenen zaadlichaampjes, waarvan er geen enkel in haar organisme is kunnen binnendringen. Dat is zoo men wil niet wonderlijker dan duizend andere analoge verschijnselen; want als men zich bezighoudt met deze problemen, voornamelijk met die van de voortplanting, waarbij het wonderlijke en verrassende van alle kanten opduiken, nog veel overvloediger en nog veel minder volgens menschelijke wetten dan in de wonderbaarlijkste tooversprookjes, dan wordt na verloop van korten tijd de verbazing zoo iets gewoons, dat men er vrij spoedig de notie van verliest. Toch was het feit de moeite waard te worden opgeteekend. Doch van een anderen kant, hoe in het reine te komen met de bedoeling der natuur, die aldus de darren, welke zoo noodlottig zijn, begunstigt ten koste der zoo noodzakelijke werkbijen? Is ze bang, dat anders het verstand der wijfjes hen er toe brengen zou het aantal dezer nadeelige parasieten, die nu eenmaal onvermijdelijk zijn voor de instandhouding der soort, buitensporig te verminderen? Is het uit overdreven reactie tegen den ramp van een onvruchtbare koningin? Behoort het tot die al te geweldige en blinde voorzorgsmaatregelen, die de oorzaak van het kwaad niet kennen, met het geneesmiddel het doel voorbijschieten, en om een lastig geval te vermijden, een ramp teweegbrengen? In werkelijkheid--doch laat ons niet vergeten, dat het niet geheel en al de natuurlijke en oorspronkelijke werkelijkheid is, daar de kolonies in de primitieve wouden veel meer verspreid moeten geleefd hebben dan tegenwoordig, in werkelijkheid ligt het bijna nooit aan gebrek aan mannetjes, wanneer een koningin niet is bevrucht, want deze zijn altijd talrijk en komen van zeer verre. Veeleer hebben koude of regen haar te lang in den korf opgesloten gehouden, en nog vaker de onvolkomenheid harer vleugeltjes, waardoor ze niet in staat is tot de hooge vlucht, die vereischt wordt door het orgaan der darren. Nochtans legt de natuur, zonder rekening te houden met deze meer reëele oorzaken, zich met hartstocht toe op het vermenigvuldigen der darren. Ze brengt zelfs nog andere wetten in beroering om er te verkrijgen en somtijds vindt men zelfs in een verweesden korf twee of drie werkbijen, die zoo sterk worden geprikkeld door het verlangen naar instandhouding der soort, dat ze zich ondanks hunne verminkte eierstokken inspannen om eieren te leggen, hunne organen eenigszins zien opleven onder den drang van dit tot het uiterste geprikkeld gevoel, en er werkelijk in slagen eenige eieren voort te brengen; doch ook uit deze eieren ontstaan evenals uit die der maagd-moeder, enkel darren.
XIII.
Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou kunnen houden.
Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag legt,--te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is. Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de geschiedenis der triongulins der _Sitaris Colletis_. Men zal trouwens zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.
Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde, afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.--Maar zoodra er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in opsluit.
Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen. Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.
Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt, heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht verdronkenen met één."
XIV.
Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven, en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn, indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten eischt.
Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?
Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken, waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn. De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt hechten?
XV.
Hebben wij het recht uit de gevaren der parthenogenesis het besluit te trekken, dat de natuur niet altijd de rechte verhouding weet te treffen tusschen middel en doel, dat hetgeen zij wil staande houden zijn behoud somtijds te danken heeft aan andere voorzorgsmaatregelen, die ze genomen heeft tegen deze voorzorgsmaatregelen zelf, en dikwijls ook aan omstandigheden, die haar geheel vreemd zijn, en die ze niet heeft voorzien? Maar kan ze voorzien, heeft ze de bedoeling iets staande te houden? De natuur, zal men zeggen, is een woord, waarmee we het onkenbare dekken, en slechts weinige beslissende feiten geven ons het recht haar bedoeling of verstand toe te schrijven. Dat is waar. Hier leggen we de hand op de hermetisch gesloten vaten, die onze opvatting van het heelal kenmerken. Om er niet onveranderlijk datzelfde opschrift _Onbekend_ op te plaatsen, dat ontmoedigt en het stilzwijgen oplegt, snijden wij er, al naar vorm en grootte, de woorden in: "Natuur", "Leven", "Dood", "Oneindigheid", "Selectie", "Geest der soort", en nog vele andere, evenals zij die ons zijn voorgegaan, er de namen "God", "Voorzienigheid", "Noodlot", "Belooning" aan hechtten. Dat is zoo, en niets meer zoo men wil. Maar zoo het inwendige op deze wijze al duister blijft, we hebben er althans dit mee gewonnen, dat we, nu de inschriften minder dreigend zijn, die vaten durven naderen, ze aanraken en met heilzame nieuwsgierigheid het oor daartegen te luisteren leggen.
Maar welken naam men er ook aan moge geven, dit is zeker, dat althans één dezer vaten, het grootste, datgene dat als opschrift het woordje "Natuur" draagt, een zeer reëele kracht inhoudt, de meest reëele van alle en die op onzen aardbol een verbazend groote en wonderbaarlijke hoeveelheid leven weet te onderhouden, door zóó vernuftige middelen, dat men zonder overdrijving zeggen mag, dat ze alles overtreffen, wat het genie der menschen weet tot stand te brengen. Zouden deze quantiteit en deze qualiteit ook kunnen blijven bestaan door andere middelen? Vergissen _wij_ ons als wij meenen voorzorgsmaatregelen te zien waar misschien niets anders aanwezig is dan een gelukkig toeval, dat een millioen ongelukkig toevallen overleeft?
XVI.
't Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil, verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de _Amoeba_, die met huichelachtig geduld loert op de jonge _Acineten_, als ze uit het moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog geen giftige sprieten hebben. Deze _Amoeba_ nu bezit noch zenuwstelsel, noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten, de _Drosera's_ b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa pollinis (stuifmeelmassa) in de _Orchis Morio_, de nederige orchidee onzer velden[1]; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de _Pedicularis Sylvatica_ (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.
We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn _Ethics of the Dust_ gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz..... Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven, krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere, welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder verbazingwekkend was voorgekomen.
[1] Het is onmogelijk hier in bijzonderheden de beschrijving te geven van dezen merkwaardigen valstrik, dien Darwin ons mededeelt. Hier volgt een ruwe schets: het stuifmeel der _Orchis Morio_ is niet korrelig maar kleeft samen in den vorm van kleine knotsjes, pollinium of _massa pollinis_ genoemd. Ieder dezer knotsjes (het zijn er twee) eindigt van onderen in een kleverig kliertje (het _retinaculum_) dat is vervat in een soort van vliezig zakje (het _Rostellum_), hetwelk bij de geringste aanraking openspringt. Wanneer een bij op de bloem gaat zitten, komt haar kopje als het zich uitstrekt om het honingsap er uit te halen, in aanraking met het vliezig zakje, dat scheurt en de twee kleverige kliertjes bloot legt. Dank zij de kleverigheid dezer kliertjes hecht zich het _pollinium_ uit die beide aan het kopje van het insekt, dat dit bij het verlaten der bloem meeneemt als twee knobbelige horentjes. Bleven deze, die vol stuifmeel zitten, recht en stijf, dan zouden ze op het oogenblik, dat de bij in een naburige Orchidee binnendringt, den vliezigen zak der tweede bloem aanraken en dezen eenvoudig doen barsten, doch ze zouden den _stempel_, het vrouwelijk orgaan, dat bevrucht moet worden, niet bereiken, daar het onder dien vliezigen zak ligt. De genius van de _Orchis Morio_ heeft die moeielijkheid voorzien en na verloop van dertig seconden, dat is dus juist de tijd, dien het insekt noodig heeft om klaar te komen met het uitzuigen van het honingsap en het overgaan op een andere bloem, droogt de steel van het kleine knotsje op en schrompelt ineen, altijd naar denzelfden kant en in dezelfde richting; de knobbel, die het stuifmeel bevat, begint te hellen, en de hoek van die helling is zoodanig berekend, dat hij zich op het oogenblik dat de bij in de naburige bloem binnendringt, precies op de plaats van den stempel bevindt, waarop hij zijn bevruchtend stof moet uitstorten. (Men zie voor alle bijzonderheden van dit intiem drama in de onbewuste wereld der bloemen, de merkwaardige studie van Ch. Darwin; _Over de bevruchting der Orchideeën door de insekten, en de goede gevolgen der kruising, 1862)._
XVII.
En toch zou 't ons moeielijk vallen niet op te merken, dat daden, die er geheel en al uitzien als daden van voorzichtigheid en verstand, het gelukkig toeval te voorschijn roepen of doen voortduren. Van waar gaan zij uit? Van het voorwerp zelf of van de kracht, waaruit dit het leven put? Ik zal niet zeggen: "dat komt er weinig op aan"; integendeel, er zou ons enorm veel aan gelegen liggen, dat te weten. Maar in afwachting van het antwoord op deze vraag, of het de bloem zelve is, die er met alle krachten naar streeft het leven, dat de natuur in haar gelegd heeft, te onderhouden en te volmaken, of dat de natuur haar best doet dat deel van het leven, hetwelk de bloem heeft aangenomen, te onderhouden en te verbeteren, of eindelijk dat het toeval ten slotte het toeval regelt, pleiten talloos veel verschijnselen er voor te gelooven, dat iets hetwelk aan onze hoogste gedachten beantwoordt, bij tijden te voorschijn treedt uit een groot geheel, dat we moeten bewonderen zonder te kunnen zeggen, waar het zich bevindt.
't Lijkt ons toe alsof er somtijds iets verkeerds uit dat groot geheel te voorschijn komt. Maar al weten we ook al heel weinig, menigmaal hebben we gelegenheid op te merken, dat dit verkeerde juist een daad van voorzichtigheid is, die boven het bereik lag van onzen eersten blik. Zelfs in het kleine kringetje, dat onze oogen omvatten, kunnen we de ontdekking doen, dat zoo de natuur zich hier schijnt te vergissen, dit gebeurt omdat ze het nuttig oordeelt ginds hare schijnbare nalatigheid weer goed te maken. Ze heeft de drie bloemen, waarvan we spraken, in zoo ongunstige omstandigheden geplaatst, dat ze zichzelven niet kunnen bevruchten, doch dit is zoo omdat ze er voordeel in ziet, zonder dat wij begrijpen waarom, deze drie bloemen door hunne buren te doen bevruchten; en het genie, dat ze rechts in gebreke bleef te toonen, openbaart ze ter linkerzijde door het vernuft harer slachtoffers te scherpen. De wegen en omwegen van dezen genius blijven ons onverklaarbaar, doch zijn peil blijft steeds hetzelfde. Het schijnt te dalen door een of andere vergissing, als we aannemen dat eene vergissing mogelijk is, doch onmiddellijk daarna stijgt het weer hooger in het orgaan, dat belast is met het herstel der fout. Hoe wij ons ook wenden of keeren, het staat hooger dan wij. Het is de cirkelvormige oceaan, de onmetelijke watervlakte zonder laagste peil, waarop onze stoutste en onafhankelijkste gedachten nooit iets anders zullen zijn dan willig schuim. Heden noemen we het natuur, en morgen zullen we er misschien een anderen, vreeselijker of zachter naam voor vinden. En ondertusschen heerscht het gelijktijdig en gelijkmatig over leven en dood, en verschaft aan die beide onverzoenlijken de prachtige of gemeenzame wapenen, die zijn boezem bedreigen en sieren tevens.
XVIII.
Wat nu de vraag betreft of deze genius maatregelen neemt om te onderhouden wat leeft en zich beweegt op zijne oppervlakte, of dat men dezen zonderlingen cirkel moet afsluiten door het zeggen, dat wat zich op zijne oppervlakte beweegt, maatregelen neemt tegen den genius zelf, die het doet leven, dat blijven open vragen. We kunnen onmogelijk te weten komen of eenige soort heeft voortbestaan ondanks de gevaarlijke zorgen van dien hoogsten wil, onafhankelijk daarvan, of wel juist daardoor.
Al wat we kunnen constateeren is, dat die of die soort bestaat, en dat bij gevolg de natuur op dit punt gelijk heeft gekregen. Wie zal ons echter zeggen hoevele andere, die wij niet gekend hebben, gevallen zijn als slachtoffers, van haar verstand in zijn vergeetachtigheid of onrust? Al wat we verder nog kunnen constateeren is, welke verrassende en somtijds vijandelijke vormen het vreemde fluïdum, dat we leven noemen, aanneemt, nu eens in absolute onbewustheid, dan weder in een soort van bewustheid, het fluïdum dat ons bezielt zoo goed als al het overige, en dat onze gedachten schept, die een oordeel daarover uitspreken en onze onbeduidende stem, die haar best doet er over te praten.
VIJFDE BOEK.
DE PARINGSVLUCHT.
I.