Part 9
Toen is er over de ziel van het Jongetje een schaduw gevallen, die elken dag grooter en grooter werd. Vroeger, toen hij altijd bij Corrie was, had hij er nooit bizonder over nagedacht.—Zij maakte het zoo licht en zuiver in hem, dat al ’t slechtere wegvluchtte uit zijn binnenste, zoodra haar reine oogen er kwamen schijnen.—
Maar nu, nu hij alleen was, durfde het booze wel weer opstaan in de duistere onbewustheden van zijn wezen, en Anton Meeker’s schennende woorden vielen als gif in zijn ziel.
De meisjes, waar Anton over sprak, waren zusters van zijn lieveling, en ieder woord, dat een meisje ontheiligde, dreigde naar háár eigen, aangebeden wezen. Anton had een groot meisje van de Normaalschool, waar heel veel over gesproken werd, en dat al bijna eens uit de school was gezet om een reden waar de jongens op de les grinnekend over fluisterden. En Anton pochte op zijn intimiteit met haar, en verzon er lange, geheimzinnige verhalen over. Paul had haar wel eens gezien, en kon het niet gelooven. Ze leek een heel lief meisje, en had een mooie, blonde vlecht, als die van Corrie, bijna even mooi.... En bij ieder nieuw ding dat hij over haar hoorde, voelde hij pijn. Totdat ze eindelijk werkelijk werd weggestuurd uit de school, en ze uit de stad werd gezonden door haar ouders.
Toen was Paul heel bedroefd en dacht: „Hoe kan dat zijn, zoo’n meisje, zoo’n lief meisje, hoe kan daar slechts bij wezen?” En dagen lang liep hij er mede rond, al denkende en denkende.—
Maar op een avond, toen hij er steeds maar aan bleef denken, ging hij naar de kamer van oom Cateur.
„Wat is er, mijn jongen?” zeide de directeur. „Heb je wat te vragen?”
Het zag er zoo echt vertrouwd en gezellig uit in de studeerkamer!—De boeken achter de glazen kastdeuren, en de platen en fotografieën aan den wand maakten het zoo vertrouwelijk.—En wat had oom Cateur toch een vriendelijk gezicht, wat keken zijn bruine oogen zacht en hartelijk over den grooten bril!
Toen ging Paul vastberaden bij hem zitten in een armstoel en vertelde hem zoo goed hij kon wat hem hinderde. Het was een heele durf, maar die oogen vóór hem keken zoo vriendelijk en gaven hem moed, en toen hij eenmaal aan ’t spreken was, en om Corrie dacht, ging het hoe langer hoe beter.
Toch stonden er tranen in zijn oogen, toen hij eindelijk vroeg: „Is het wáár, oom, is het wáár dat alles zoo is, en dat alles dan maar eigenlijk leelijk en slecht en vuil is?”
Mijnheer Cateur keek heel ernstig toen het Jongetje had gesproken. Hij bleef even nadenken, en zag het ventje medelijdend aan.—Toen nam hij hem bij een hand, en zeide langzaam, om het goed te laten begrijpen:
„Ik vind het heel flink van je, dat je mij dit alles hebt verteld, mijn jongen..... de meeste jongens en ook de groote menschen zwijgen er maar over, en dat is toch zoo verkeerd.... het is heel moeilijk om het je uit te leggen, omdat je nog zoo heel jong bent, en je het niet begrijpen zou.... ja, dat meisje van Anton Meeker was een slecht meisje, ik weet alles van haar en wat met haar gebeurd is.... en er zijn een heeleboel erg leelijke dingen in de wereld.... en wat Anton je heeft verteld van trouwen en van kinderen krijgen is ook waar in hoofdzaak.... maar, nu wil ik je eerst eens dit vragen: al kan ik het je nu nog niet uitleggen, omdat je nog te jong bent, zou je me dan vast willen gelóóven als ik je heel stellig iets verzeker, dat het wáár is, en je er op áán kunt?”....
Wat had die oom Cateur een zachte, lieve stem! Nog nooit had Paul zoo van hem gehouden. En dadelijk zei hij vol vertrouwen: „Ja meneer! ik geloof U! Natuurlijk!”
—„Nu dan,” zei de heer Cateur, heel ernstig, „wat Anton je verteld heeft is wel in hoofdzaak waar, maar zooals hij het vertelt, is het niet waar. Hij gelooft het zelf en bedriegt je niet, en hij ziet het allemaal zelf zoo als waar, maar dat komt omdat hij een slechte jongen is.... Hij heeft zeker nog nooit van iemand gehouden.... Ik heb van je moeder gehoord dat je een heel lief vriendinnetje hebt, waar je erg veel van houdt.... Nu, onthoud dan dit, beste jongen, en geloof me.... Als je maar altijd heel veel van je meisje houdt, of als een man heel veel van zijn vrouw houdt, dan is er niets slechts of leelijks.... Er is iets in de wereld, dat alles rein maakt wat zoo oppervlakkig leelijk schijnt, en dat is de Liefde.... De Liefde, waar je wel van leest in verzen en romans, maar waar heel weinig menschen het heilige en eeuwig goede van weten.... Die maakt alles wat zwart lijkt zoo wit als sneeuw, en niets, wat bij die Liefde hoort, is slecht of leelijk, niets, niets.... alles wat die jongen je verteld heeft is alleen waar als er geen Liefde was.... Alleen als er Liefde is, mijn jongen, dan is er niets slechts, dan wordt alles wat vuil en leelijk schijnt verreind, en dan is alles heilig.... Zoolang je dus maar in Liefde gelooft is al het leelijke wat Anton je vertelt een leugen, een grove leugen, hoor je, al lijkt het allemaal ook nog zoo wáar.....”
Toen werd het weer heelemaal licht in de ziel van het Jongetje.—Alles was dus goed, en mooi, en rein. Want er was Liefde.... Hij had Corrie lief, o! hij hield van haar, hij hield van haar, zijn lief, lief Meisje!
En hij beloofde oom Cateur om er altijd om te blijven denken, en het nooit, nooit te vergeten.
„Als je ooit weer iets hebt, en je voelt je ongelukkig, kom dan maar gerust je hart nog eens uitstorten,” zei de oude meester nog.
En met een verlicht hart ging Paul naar zijn kamer. Daar bleef hij nog wat in zijn leuningstoel zitten mijmeren voor hij naar bed ging.
Wat was het toch eigenlijk eenvoudig! Hoe had hij zoo weken achtereen kunnen suffen, en zich zoo laten beetnemen door de taal van zoo’n ruwen jongen! Het was zoo heel eenvoudig, als je maar blijft houën, dan is alles rein. Hoe had hij het kunnen vergeten! Hoe zou nu ooit bij Corrie iets slechts kunnen zijn, bij Corrie, waar alles zoo teer en rein en zuiver aan was?
En hij schaamde zich, en voelde of hij iets leelijks tegen zijn lieveling had gedaan door zoo te denken. Hij zag opeens weer het blanke maagdelijn voor het raam, in haar wit nachtponnetje. Kuisch, onschuldig kind! Lief bruidje van Onzen Lieven Heer, met je gouden haren, en je rank lichaampje, zoo zoet en teeder! Wondere sfeer van heiligheid, bevende om haar heen!
„Ja, het is goed, het is zuiver, het is alles mooi van het leven. Het vuil is buiten mij en mijn lieveling,” dacht het Jongetje.
„Het is ook niet wild en grof, zooals die slechte jongen heeft gezegd. Want juist het erge houën, de Liefde maakte die grove, harde dingen zoo zacht en wonderlijk teeder....”
En enkel door geloof en heldere intuïtie wist het Jongetje opeens de hoogste wijsheid, die filosofen maar zoo zelden met de gedachte bereiken. Want de simpele waarheid is voor de eenvoudigen van geest, in wie de pure liefde woont.
„Ik houd van haar, zij houdt van mij, dus is er niets slechts. Alles is heilig.”
En die sterke zekerheid droeg hij voortaan altijd met zich mede, als een schild voor zijn borst.
Zóó ging het leven veilig voor hem verder, en de schaduw was weg van zijn ziel.—
Nog veel, veel uren op de school, nog veel, veel wandelingen door de velden, en stille avonden van droomen aan het open venster, nog veel lief luisteren, onder bloesemende boomen, naar ’t zoet gekweel van vogelen in de lente, en de zomer kwam, de heerlijke, heerlijke zomer van de vacantie.
Corrie had niet meer geschreven. Ze durfde zeker niet. Maar ze had wèl tweemaal de groeten laten doen door zijn moeder. Mama kwam haar nog wel eens tegen in de stad, en als zij alleen was, kwam Corrie naar haar toe, en vroeg hoe Paul het maakte, en liet hem groeten. In den laatsten tijd had ze haar niet meer alleen gezien, schreef mama. Ze was bijna altijd met haar moeder, en dan liep er nog een officier bij, een kapitein van het indische leger, zeker een oom of een neef. Maar ze liep nooit met andere jongens, hoor, of met jonge heertjes, en Paul kon gerust zijn!
Nu nog de drukte van de repetities, voor de groote vacantie. Dat is een kwestie van overgaan in de volgende klas, òf blijven zitten. Verbeeld je, blijven zitten, en niet naar huis mogen!—De verzen en de romans bleven nu in de kast, en het Jongetje was een paar weken aan ’t blokken van belang. De wiskunde, daar was hij pas bang voor!
Maar het liep hem mee. Hij kreeg allemaal vragen die hij wist, en bofte even hard met het schriftelijk werk. Hij was er door, hoor!
Alweêr wat dichter bij Corrie! Hoera! Nu nog maar één klas en dan student! Gauw het goede nieuws naar huis schrijven. En een dikke brief van moê terug. Hij was een flinke, beste vent geweest. Nu waren ze trotsch op hem. Alles was nu weer goed, hoor! En, het heerlijkste van alles nog, er was wel een kansje dat hij nu weer terug zou mogen komen. Papa zou met den directeur spreken, en hij dacht wel dat Paul zou mogen terugkomen in den Haag, en de vijfde klas doormaken.—Er was één leelijk ding in den brief. Corrie was met haar oudelui op reis, had ma gehoord. Ze waren ergens in Duitschland, wáár wist ze niet precies. Maar ze zouden natuurlijk wel weer terugkomen.
Hoe dol, dolblij was Paul!
Toch stonden de tranen in zijn oogen, toen hij afscheid nam van oom Cateur. De beste, goeie, vriendelijke oom, die hem altijd zoo geholpen had! En toen hij voor ’t laatst in zijn kamertje stond, waar hij zoo dikwijls had zitten droomen, voelde hij ook iets héél droevigs.
Maar het heerlijke, heerlijke dat komen ging! Weer terug zijn in den Haag, en altijd, altijd bij haar blijven, haar elken dag weer zien!
En daar zit mijn Jongetje weer in den trein. Hoera, hoe ijlt hij in bliksemsnelle vaart vooruit, harder nog maar, véél, véél harder, daar gaat mijn Jongetje dan weer eindelijk terug naar ’t Meisje!.....
XI.
Nu wéér, wéér wachten en wachten, maar nú in den Haag. Ze was op reis, naar den Harz, en naar Wiesbaden, en Berlijn. Hij was Jan van Meeden tegengekomen, en die had het hem gezegd. Maar Paul was geduldig. Nu maar al de mooie plekjes van vroeger opzoeken, waar ze samen geweest waren, en dan goed weer alles herinneren. Dat was toch ook een genot! Einde Augustus zou ze weer terug zijn.
Alles was weer als vroeger. Scheveningen, en de muziekuitvoeringen in den Dierentuin en het Bosch waren weer in vollen gang, en de menschen liepen weer in luchte, kleurige pakken, en alles was licht en blij en groen. Alleen was er een nieuw Kurhaus gekomen op Scheveningen. Wat een gebouw daar zoo ineens, in dien korten tijd verrezen! Maar het Jongetje had liever het oude Badhuis gezien. Alles moest als vroeger blijven, er mocht niets, niets veranderen.
Wat waren er in den Haag veel mooie meisjes! Maar Paul keek er maar weinig na. Híj had dan toch maar ’t áller-, állermooiste, en daar haalde niets bij....
Ik zit te aarzelen nu ik dit schrijf. Het wíl niet goed meer. Ik wou nu wel heel graag dit boek dicht doen, en wegsluiten voor goed, en er niets meer van weten..... Het zal pijn gaan doen.... Ik zou nu wel willen vertellen van al de wandelingen die hij maakte, de lieve, stille bedevaarten naar alle oude plekjes, en hoe hij dan droomde, en hoe hij verlangde, o! hoe hij verlangde.....
Maar het wil niet meer, het wil niet.... Ik zie nu altijddoor wat komen gaat, kijk, o, God! daar zal het komen, daar zal het komen.... en dan kán ik niet, dan kán ik niet vertellen van nog meer teêre, heilige zieledingen, als ik zie die dreigende, zwarte schaduw die daar aankomt, valsch en verraderlijk, onverwachts....
Zóó is het gebeurd.
Het was in de schemering, aan het strand. Paul had vroeg gegeten en was om zeven uur al naar Scheveningen gegaan. Het was erg warm geweest, en aan de zee zou het nu zoo heerlijk zijn. Hij zit lekkertjes in een stoel te droomen... onder het zacht geruisen van de zee.... Zou ze nu komen?.... zou ze nu nog niet komen?....
En daar staat opeens Jan van Meeden voor hem.
Nu komt het. Nu komt het.—En alles is gewoon. De zee, het strand met de stoelen, de menschen, alles is gewoon. Maar o! Nu komt het! nu komt het!
„Zóó, kerel, hoe maakt je ’t?.... Weet je ’t nieuws al?”
„’t Nieuws? .... Welk nieuws?....” zei Paul zonder erg.
—„Wel, van Corrie, mijn nichtje.... Ze is geëngageerd moet je weten. Het is op de reis áángekomen....”
—„Wát?.... Hè?....”
—„Ja, kijk nu maar niet zoo raar, het is wáár, hoor. ....En een schandaal vind ik het.... Stel je voor, ze is geëngageerd met een ouden kerel, een kapitein van het indische leger, Van Boolen, een vent van bij de veertig, en zij is pas zeventien.....”
Nú je goed houden, mijn jongen! Niets laten merken, al ga je er dood van! Hoû je goed, arme kerel! Goed zoo, en nu heel kalm vragen:
„Maar dat kan toch niet, zeg, ze kan immers niet van zoo’n ouden man houden! Ze is nog een kind!”
—„Ja, dat heb ik ook al gezegd,” antwoordt Van Meeden. „Maar dat schijnt er niet op aan te komen ....hij is van nogal goede familie en heeft wat geld.... en nu is zij „bezorgd”, zeggen ze.... Ze zal wel van hem lééren houden, als ze getrouwd zijn, heet het.... Maar het is zoo prettig tegenover de andere meisjes om al geëngageerd te zijn, en aan den arm van zoo’n grooten meneer te loopen.... hij is al kapitein en heeft de Willemsorde.... en de familie heeft het haar zoo’n beetje opgedrongen, vooral grootmama, die was er erg vóor.... Het is maar zoowat spelen van haar, ik wed dat ze niet eens goed weet wat trouwen is.... Maar ik vind het een schande dat zoo’n vent zoo’n jong meisje krijgt!....”
—„Hoe bedoel je dat, een schande?”
—„Wel, je weet toch wel dat zoo’n kerel al heel wat heeft doorgemaakt?.... Je moet dat leven in Indië kennen.... als je daar zoo ongetrouwd tot je veertigste jaar geleefd hebt, ben je vrij wel op de hoogte, hoor.... ook hier heeft die Van Boolen in ’t eerste jaar van zijn verlof heel wat afgescharreld.... ik zag hem zoo nogal eens laat in den avond met een meid rondboemelen.... en dat krijgt nu nog zoo’n mooi, jong ding als Corrie.... Ik vertik het.... ik ga niet feliciteeren.... Ze zijn terug, ze zullen straks misschien wel in ’t Kurhaus komen. ....Maar wat kijk je beroerd, kerel.... o ja, da’s wáár ook.... jij hadt ook een oogje op haar, hè....? Vin je het èrg beroerd?....”
„Ik?” kon Paul nog onverschillig zeggen. „Ik? Ben je gek, kerel! Ze moet zelf weten wat ze doet, hoor! Er zijn nog meisjes genoeg!”
—„Nu, bonjour, tot ziens.”
—„Bonjour!”
Heel gewoon. Alles is nog hetzelfde.
Maar daar zit mijn arm Jongetje wezenloos voor zich uit te staren. Hij kan niet huilen. Hij kan niet denken. Hij zit zoo stil, zoo stil, en beweegt niet.... Langzaam valt het donker over de zee, en vage nevelen wuiven zacht over het water.... Zoo zit hij daar lang. Dan staat hij ineens op en zegt: „het kán niet, het kán niet.”—Die gemeene kerel heeft hem voor den gek willen houden. Naar boven, naar het Kurhaus, gauw!.... Er is muziek buiten.... Nu zoeken, zoeken.... Omloopen, hier, daar, en nòg eens.... O! God! Kijk!.... Dáár.... dáár.... dáár, bij de muziektent.... O! rank, lucht maagdefiguurtje, zoo teêr in witte kant en mousseline.... Kijk, daar is haar lief, vriendelijk gezichtje zoo blank en roze.... Wat is ze slank geworden, kijk haar fijne middel.... het Meisje! het Meisje! o! het Meisje is er weêr!....
Maar o! daar naast haar. ....Een korte, dikke bruine man.... een indische man ....een officier.... Hij heeft een groote snor.... Een ouwe vent al.... Het haar op zijn hoofd is kaal.... Wat worden die menschen bruin....
Kijk, ze verliest haar zakdoek, en bukt om hem op te rapen.... Die man kijkt in haar hals, en zegt wat, lachend.... Wat een oogen heeft-ie.... Wat een rare, vreemd glinsterende oogen, met valsch licht.... kijk hij haar aankijken!....
O! God!.... het is wáár, het is waar!!.... Het kán niet, het kán niet, maar het is wáár!....
Dat is het Meisje, dat is het Meisje, en ze is groot en ze is voor dien man.... Ze is heelemaal voor hem.... Ze gaan samen trouwen.... Trouwen, trouwen, trouwen, hóór je? Je weet toch wel wat dat is?....
Alles begint te draaien.... de lichten wemelen.... het wordt donker.... en het wordt warm, o! het is om te stikken.... het vlamt, het brandt!....
O wèg, wèg, wèg.... Weg van die menschen allemaal.... je stikt, je stikt,.... terug, gauw, naar de zee....
En daar staat het Jongetje hijgend aan de zee. Ha! die zeewind, dat is goed.... Nu wordt het weer beter....
En langzaam, langzaam begon hij weer te denken over wat er voor verschrikkelijks gebeurd was. Nog eens goed kijken.... Hoe was ’t ook weer?.... Ja, zoo!....
Hoe goed had hij hem gezien!—Hier, in het schemerduister, met die vage avondzee onder droomende nevelen, hier stond hij vóór hem, al deed hij de oogen dicht. Zijn bruut, bruin, verhit gezicht. Zijn goor-glanzende, zwarte oogen. Zoo’n mannelijke snor, brutaal opgestreken. Zijn kort, dik lijf, grof, met wat schitterende knoopen en een kruisje, hè ja, dat vinden de meisjes mooi, moet je weten, al is ’t niets dan een uniform met vleesch er in. Precies.—Een man, een echte man, met een snor, met haar op zijn handen, en roodbruin vel, en een slagersnek. Heerlijk hè? O, die loerende, gretige, flikkerende oogen! Hoe voelde het Jongetje wat die wilden! En heel klaar, in bruut, hard licht stond het voor hem, wat er eigenlijk ging gebeuren.—Hoe kon hij het zoo altijd, altijd vergeten hebben, wat hij toch al héél vroeg op school was komen te weten, al die leelijke dingen, die toch blijkbaar heel gewoon waren?—Hij, die bruine sabreur, een echte indischman, van zoowat veertig jaar.... In Indië alles doorgemaakt, zat en moê van al het gesjouw, van brandy-soda en bruine vrouwen, er op lòsgeleefd tegen de klippen op, meneertje, wàt ik je verzekeren kan, hoor! Maar eindelijk beu geworden, en de dokter hem gezegd van verlof vragen, en nu gaan oppassen, en kalm worden, een geregeld leven leiden, een vrouw „zoeken.”—
Ja, zóó moet het gegaan zijn. En toen is die patser gaan „zoeken.”—En toen is hij, met al zijn glimmende knoopen, en zijn snor, en zijn brute, bruine tronie tegen een heel jong kindje aangeloopen, een lief, zacht poppetje van melk en bloed, aha! dát wás iets voor hem, potverdorie ja, zoo’n piepjong schepseltje, ’t neusje van de zalm!
En toen is-t-ie met z’n opgestreken knevel, en zijn kletterenden sabel, en al zijn staatsie van veroveraar en vechtersbaas er op afgegaan, de borst vooruit, de insignes blinkend, met al het moois van zijn uniform opgepoetst, victorie daar ben ik, parmantig, een haan met vurige kam en felle sporen....
En het Meisje—o! dat ik dit schrijven moet, dat ik dit met eigen hartebloed moet gaan schrijven, als een verhaaltje!—het Meisje, arme lieveling, mooi, goddelijk koningskind, het Meisje was geen veertien jaar meer, het was al ouder geworden.... en dan verandert er zooveel in zoo’n lelieblank engelenlichaampje, niet waar?... dan wordt het zoo meer een vrouwtje, met allerlei neigingen en verlangens, waar niemand ooit over durft praten, en die ze niet kan begrijpen en richten.... het Meisje zag dien mooien, bruinen, mannelijken man, met zijn gullen knevel, en zijn stierennek, en zijn harige handen, met al die mooie dingen om zijn leden.... en het Meisje kon het misschien ook niet helpen.... en toen woû ze wel.... het was heusch het Meisje van veertien jaar niet meer.... en....
Maar ik kán niet, ik kán niet, ik kán niet meer zoo schrijven. Ik heb zoo van dat Jongetje gehouden, waar ik van vertel. En hij was zoo arm, en zoo alleenig, daar op het strand! Hij stond ál maar te staren, over de duinen, en over de zee, en dan weer naar boven, waar al die lichtjes brandden, en waar die muziek was, alles blijheid en geluk, en waar ze nu zeker samen rondliepen, die bruine, brute kerel, en dat zachte, blanke lam. En het Jongetje liep te praten, heel alleen, en te denken:
„Lieveling, het kán niet, het kán niet.... hij zal je pijn doen.... hij is zoo sterk en ruig.... hij is zoo grof, met zijn lompe knuisten en zijn rooien nek.... en jij bent mijn zwakke, blanke lieveling, zoo klein en teêrtjes.... weet je nog hoe bang je was, toen je bij de zee had geloopen, en je voet deed pijn van de schelpen, en hoe verlegen je je bloote beentje voor me verborg?.... het was zoo fijn en zoo witjes, hoe graag had ik er nog véél méér kusjes op gegeven, maar ik durfde niet.... Ik durfde nooit, mijn meisje, als ik bij je was.... het was zoo rein, en zoo heilig, alles van je, ik werd er zoo bang van.... alleen héél even je aanraken, maar o! hoe voorzichtig, want alles is zoo broos en ijl aan je.... weet je nog dat roze japonnetje met die fijne kanten, al die teêre figuurtjes?.... of dat blauwe matroosje, of dien groenen wintermantel, met rood flanel gevoerd?.... en wat warm was het in je mofje!....
Lieveling, pas toch op voor dien bruinen man.... zie je zijn oogen dan niet?.... zie je niet, hoe bruut alles aan hem is?.... hoe kan die nu ooit lief voor je zijn, en voorzichtig en zacht genoeg, voor zoo’n teêr, lucht wezentje als jij?... hij zal je pijn doen, lieveling, hij is zoo sterk en donker, en jij zoo rank en licht....”
En ineens een felle, felle pijn in zijn hart, een pijn die bliksemde naar zijn hoofd, dat het gloeide, en klopte, en flitste.... O! dat denken! dat denken!....
Hij zal haar meesleuren.... hij zal alles, alles met haar doen wat hij wil.... haar blanke borstje zal hij zien.... haar lief, wit beentje, dat ze ééns zoo verborg voor mij, zoo verlegen.... en haar roze voetjes, met die fijne nageltjes,.... hij zal al dat heilige, reine, maagdelijke mogen zien en hebben.... híj is niet bang voor haar brooze kleêrtjes, en de kantjes op haar borst, en al de zachtheid, die haar heerlijk lijfje kleedt.... hij mag haar hébben, hébben, heelemaal hebben, ....hij, met dat uitgefuifde gezicht, met de restjes van al zijn uitgesjouwde begeerte zal hij haar besmetten, bevuilen, bemodderen....
O God! O God!—.... het kán toch niet.... het kán toch niet!....
Lieveling, het kán toch niet!.... het is een booze droom.... wees toch niet boos dat ik zoo gedroomd heb.... je bent altijd zoo goed geweest.... ik heb zooveel zachte kusjes van je gehad.... ik heb zoo van je gehouën.... van alles van je, van je japonnetjes, en je manteltjes, en alles aan je en om je; als je maar éven iets aangeraakt had was het al heilig voor me.... en wat zou ik nu moeten beginnen als je er niet meer was?.... dan zou alles in elkaar vallen, en het zou zoo donker worden, zoo donker.... en als ik wandelde, zoo ver weg, en ik liep zoo lang, zoo lang tot ik moê was, hoe blij was ik, dan bij ieder stapje wat dichter bij je te zijn!.... En nu zou jij weggaan, voor goed, naar Indië, heel, heel ver, met dien boozen man?.... Neen, ik zal wachten hier bij de zee, zooals vroeger.... en straks zal je komen, en mijn hoofd mag weer tegen je zachte schoudertjes rusten, zoo veilig en warm.... en ik zal zoo lief en zacht zijn, ik ben de eenige, die dat ooit genoeg zijn kan, want ik weet hoe teêr en fijn alles van je is.... mooie, zoete lieveling,.... mijn zacht duifje.... mijn lief, rein Edelweiss....”
En heusch, het Jongetje heeft toen nog lang gekeken, of zij niet kwam.—Hij kon in het Kurhaus de menschen zien krioelen, en staarde maar aldoor naar de groote trap boven, of daar niet een lief, rank figuurtje in wit zou komen aanwuiven, als vroeger op de brug van ’t Bezuidenhout.... Maar er is niets gekomen voor het Jongetje. En áldoor maar dat denken, dat denken.... Dat verschrikkelijke denken van wat gebeuren zou aan zijn lieveling, zijn Meisje.....
Zou er dan niets, niets hem helpen?
Zoo eenzaam was het strand. De duinen waren vaag in den nevel, en keken zoo dof en triestig. De zee ruischte zoo dof en somber; treurig klotsten trage golfjes op het zand. Alles was heel stil en verlaten. En het Jongetje voelde hoe héél alleen hij was, hoe alles om hem heen apart leefde, alles met een eigen gang.
Was dit dezelfde zee die hem altijd met háár had gezien, en heelemaal in hun leven was, en van alles afwist?
Met betraande oogen liep hij wat vooruit, om te hooren, wat het sombere golfgeklots toch zeide, om van heel dichtbij zijn grooten, ouden vriend weer terug te voelen.