Part 10
Maar de zee wist niet. Groot en eenzaam deinsde zij onder den grauwen hemel. En plots een koude, felle plas water, brutaal over zijn voeten. Met een huivering deinsde hij terug.
Toen ging het Jongetje weg van de zee, die hem verlaten had, en met loome, kille voeten liep hij naar boven.
Waar nu heen? Hij wist het niet. Maar wèg, wèg van dat licht, van die muziek, van die menschen. Daar zat ze ergens, in dat feestende Kurhaus, met haar nieuwen lieveling, een bruten, bruinen man.... En alles ging gewoon zijn gang. Er was niets gebeurd. Er werd niets gedaan. De menschen liepen blij te praten, en wiegden hunne hoofden op walsmuziek, en dronken thee. Er was volstrekt niets bizonders gebeurd. Alles hoorde zoo. Een klein meisje moest worden overgeleverd aan een ouden man, die op is. Boem! boem! gaat de muziek. En de zee weet niet, en ook niet de sterren en niet de blauwe lucht....
Nu gauw op de stoomtrem,.... neen, niet zitten, je zou stikken, stikken in die nauwe doos.... buiten staan.... kijk, al die lichtjes van het Kurhaus, en van de Galeries, en al die rijtuigen .....hoe vriendelijk wenkt en pinkelt alles.... alles heeft plezier.... het is dan ook zoo verschrikkelijk, verschrikkelijk prettig!....
Gelukkig gaat de trem nu voort.... Hoe snijdt de wind in die felle vaart!.... En kijk, daar gaat het weg, het Kurhaus wordt vaag, en al die gebouwen.... de lichtjes worden flauwer.... het is of ze nog heel zacht iets willen roepen.... maar Paul moet wèg, wèg, en het nooit, nooit weer terugzien....
En toch moest hij kijken, of hij wilde of niet, en zacht, o! zoo zacht, fluisterde hij voor zich uit: „o! Corrie! Corrie! Corrie!”
Was het dan toch mogelijk?.... kon dan alles maar zoo ineens weg zijn zonder dat er iets vreeselijks gebeurde?.... bleef alles zoo maar zijn gang gaan, al werd het heiligste vermoord? .....Of droomde hij?.... Neen, dit is geen droom.... Dit is de trem, wèlbekend, met de banken, en de latten, en de ijzers.... heel gewoon.... en dit is de Nieuwe Weg, en straks komen het Kanaal, en de Koninginnegracht, en de Koningskade.... en hoe scherp en hard schelt de bel.... hoe bruut, als het in je hoofd zoo bonst en klopt!.... Ai!....
Gelukkig, hier is nu al de brug bij den Dierentuin. Nu afstappen. Alleen zijn. Nog eens denken, denken, goed denken....
Het bosch stond somber, zwijgend, grootsch opgerezen. Een donkere, zwarte massa, vol duister geheim. Er was geen licht dan somtijds ergens een paar sterren, hoog boven een opening in de zware bladerkronen.
En het Jongetje kende het Bosch niet meer, en het Bosch kende evenmin het Jongetje. Het had niets met hem te maken, dit voelde hij dadelijk, het was even apart als de zee. Treurig liep hij een eind de Boorlaan in, en ging op een bank zitten. Hoe eenzaam en hoe groot was het daar! Hoe somber en zwart rezen die hooge gevaarten op in het donker, en hoe stil, hoe stil, hoe wanhopig doodstil was het in het rond.
En hij zoo klein en arm; zoo alleen en verlaten!
En weer stond het scherp en fel voor hem, als een hel, reëel ding, dat de wereld om hem heen apart leefde, en hij een enkel, apart wezen was, zonder verband met het andere.
Ja, dát was het.... hoe was het in Godsnaam mogelijk, dat nú eerst te zien!.... hij had al die jaren apart geleefd, en wat nog véél erger was, ook Corrie had apart geleefd....
Ze was grooter geworden. Ze had nieuwe indrukken gekregen. Ze was veranderd. Haar lichaam was anders geworden. Ze was veel ouder dan hij. Een meisje van zeventien is ouder dan een jongen van zeventien. Die kijkt niet naar jongens, maar naar heeren. Die kan trouwen....
Stil, stil.... stil.... o! God, daar komt het, wat ze op school hebben gezegd.... wat ik altijd heb vergeten als ik bij háár was.... o! al het leelijke, het vuile, het gore, het slechte.... ”Alleen als er Liefde is, mijn jongen, dan is er niets slechts, dan wordt alles wat vuil en leelijk schijnt verreind, en dan is alles heilig,” had mijnheer Cateur gezegd.... ja, ”maar zonder Liefde, echte, zuivere Liefde is het leelijk, is het héél leelijk.”
En plotseling, als een afgrond die zich opent, vol goor ongedierte en vunzige walmen, zag Paul de vreeselijke realiteit voor zich van wat gebeurd was, en wat gebeuren ging. Dat kon geen Liefde zijn tusschen Corrie en dien man. Dat kon zijn lichamelijke attractie, spelerij en grillige fantazie van een kind, maar geen Liefde. En.... groote God.... dan was het vuil, dan was het leelijk!.... Kijk, dít, dít, dít zal gebeuren.... zij weet het niet, géén meisje dat zoo trouwt weet het in al zijn brutale, gore verschrikking, maar hij, die man, híj weet het wèl, en hij verheugt zich er op, hij likt zijn baard van gulzige verwachting en zet de borst hoog op van trots!....
O, God! o, God!.... dit is het gevaar.... dit is het groote, groote gevaar, dat maar niet komen wou.... Maar nú is het er, en is niets meer te redden.... dit zijn geen woeste bandieten, en wilde draken en vlammen.... dit is de gewone loop der dingen, waar niemand wat in ziet.... waar alles over feest en jubelt.... dit is het trouwen zonder heusche, reine liefde..... het offeren van een schuldeloos, jong wicht aan een ouden zondaar....
„Lieveling! lieveling!” snikte het Jongetje, „lieveling kom dan toch!”
Maar het was eenzaam en donker rondom. En het Bosch wist niet, en stond somber zwijgend in den nacht. „Het kàn niet!.... het kàn niet!” riep hij radeloos in de stilte.
Neen, het kon niet. Als hij zuiver, kalm nadacht, kom, nu bedaard, mijn jongen, en niet zoo huilen, dan kòn het niet. Ze is zoo teêr en zwakjes nog. Die fijne schoudertjes. Al die frêle, luchtige dingetjes van haar. De handschoentjes, de droomefijne kantjes en borduurseltjes, het zachte bont, en het fluweel en de glanzige zijde. Dit is toch veel te teer om zoo maar ruw te durven aanvatten.—Zoo’n rank, slank figuurtje, dat is om éven je hand om te leggen, maar zoo voorzichtig, zoo voorzichtigjes, het zou breken!... zulk goud, zacht haar, hoe fijn en licht zijn al die lichte lokken, daar kan je heel even je wang aan houden, maar zoo zacht, zoo vol eerbied.... en die mooie lijfjes van mousseline, en zijde, en crêpe..... je zou haar japonnetjes zoo kreuken als je haar wat hard tegen je aandrukt.... o! wonder, fragiel wezentje van rozige teêrheid.... wat is het alles broos, en lucht, en ijl aan haar!....
En ja, niet waar?... dien avond, dien heerlijken, heiligen avond.... ze is een bruidje van God... een wit bruidje met een kuische offerkaars.... een kind in een wit hemdje.... en ze stond zoo stil, zoo stil, zoo stil.... er was zoo’n vreemd wonder licht om haar,.... en ze had haar gebed gedaan.... het gouden haar lichtte een aureool om haar maagdelijk hoofd...... o! Weenen, weenen.... O! Bidden, bidden.... Neen, niet bidden, want God hóórt niet.... God, waar ze voor geknield heeft in de kerk, met het hoofd zoo vroom gebogen.... en al die menschen in gebed.... en de statige stem van den dominé....
Was het dan dáárvoor alles geweest.... moest dan zoo dat uiterst reine verloren gaan, onder bruten hartstocht van een man, die niet waard is haar éven maar te zien?.... Is dit dan het einde voor wat goed en edel en rein is?.... Is dit dan de wereld, die dat toelaat, dat de Liefde wordt vermoord?.... En dan is er nog Recht, verbeeld je, Recht, dat richt over moordenaars en dieven.... En schaamteloos wordt de Liefde vermoord, het heiligste op de aarde, en het Recht weet niet, en ziet niet om.... Het is fatsoenlijk, zooals het is, en ze gaan naar ’t stadhuis, en, groote God, naar de kerk, en ze zingen en bidden er, juist als vroeger.... O! niet bidden, niet bidden.... Vloeken.... vloeken.... het is alles verdoemd.... Het is verdoemd.... Het is niet de Liefde, die het leven beweegt.... Het is het fatsoen.... Het is dan ook zoo heel fatsoenlijk, dat deftige stadhuis, en die kerk.... Ze zullen nu allen bij elkaar komen, de fatsoenlijke familie, om het feestelijk te vieren.... een blank lam, dat niet weet, en ten offer wordt geleid.... met wijn en bloemen en vlaggen moet het worden gevierd, de dood van het Meisje.... en zij weet niet, zij kón niet weten, het is nog alles spel bij haar, zoo heel van buiten.... en argeloos, met blijden lach, loopt het Meisje in ’t gevaar.... En het zachte, het lelie-reine, het moet gebroken, vernield, door ruwe, roode handen.... En alles gaat zijn gang, het evenwicht der wereld is niet verstoord, omdat de Liefde sterven moet, en het reine neêrbuigt in het slijk.... Vast en machtig staan de dingen en weten niet, en leven hun apart leven, onbewogen....
Met brandend hoofd stond het Jongetje op, en beefde over al zijn leden. O! wat bonsde en bonsde het tegen zijn slapen.... Nu weg, weer weg, ook hier is het niet meer veilig.... en het Bosch kent hem niet en is somber en zwart....
Werktuigelijk liep hij de laan uit, en de brug over, de Koninginnegracht langs, en het Voorhout.... Dit is de stad.... hier branden de lichten.... en vele menschen gaan er, elk naar eigen doel.... ze weten niets van wat hij lijdt, hij is een eenzaam, arm wezen.... Nu door de Houtstraat, en hier is het Plein.... rijk schittert het licht van de Witte Societeit.... het lijkt daar ál vreugde en geluk.... dat licht, dat licht, de menschen weenen niet, maar lachen.... Er is niets gebeurd, niets.... Maar ai! hoe brandt zijn hoofd, hoe bonst en brandt het!
En opeens een stem, brutaal, vlakbij, met valsch gefleem:
„Zèg, lievert, ga je méé?”
Met een schok bleef hij staan. Wat moet die stem daar? hoe durft-ie!....
En hij zag haar. Een flets, bleek gezicht. Een valsche flauwe lach. Het leek een vrouw.
En hij begreep, opééns....
Dit is het allerlaatste.... dit is de zuster van het Meisje.... dit is ééns ook een Meisje geweest.... en dit wil hem nu geven de schande van het lelie-reine, de ruïne van het hoogst gewijde, voor wat geld..... En velen zijn de zusteren van het Meisje.... en ook zíj zal nu heel gauw het Meisje niet meer zijn.... Het is te véél, mijn God, het is te véél, dit is het einde van álles....
Toen daalde de groote nacht over de ziel van het Jongetje, de groote, sombere nacht van duisternis, met zware, zwarte schaduwen wijd neervallend over wat daar blank en licht was geweest......
En toen is het Jongetje daar eenzaam en verlaten gestorven, toen hij het absolute Kwaad van aangezicht tot aangezicht aanschouwde, en hij zag de fatale, droeve gelijkenis met wat het reinste en heiligste was uit zijn grimmig, omnacht gelaat.... En wie dit allerwreedste van het leven heeft gezien, als ’t absoluut slechte eensklaps uit het allerreinste loert, als giftige adder uit het blinkend groen, en niet meer waakt over hem de Liefde, die scharlakenrood maakt wit,—die weet hoe toen mijn Jongetje wel moest heengaan, om nooit weer terug te komen. Toen het Meisje zou gaan sterven kon ’t Jongetje niet langer leven, en wèl trouw hield hij zijn woord, tot in den dood......
En dit is de geschiedenis van ’t Jongetje, zooals ik die heb gevonden in oude, gele dagboekjes, en half vergane reliquiën, en lokjes haar, en heel ver in vage schuilhoeken van mijn herinnering.
Ik weet wel dat Paul nog altijd leeft, al heeft hij ’t Meisje nooit weer teruggezien, en ik geloof dat ik nog wel eens zal kunnen schrijven, hoe het verder met hem ging, en hoe het lange duister eindelijk eens weer wijken zou voor ’t groote licht der wijsheid, en hoe over alle donkere dingen nieuwe glans van wijding ging....
Maar het Jongetje is dood, sinds het fijne droomenweefsel van zijn zieltje opeens met fellen, wreeden slag verscheurd werd.... Ik zal nu ook van Paul niet meer verhalen met zoo fijne, lieve woordjes, van zoo teeder, zwak geluid.... Die pasten alleen bij zoo’n droomend Jongetje, die met zoo bevende oogen de werelddingen aanzag, en met heel fijne vingeren de uiterlijkheden van het leven zoo voorzichtigjes beroerde, bang dat hij ze breken zou....
Nu is mijn Jongetje begraven in dit Boek, om nooit weer op te staan, en er is niets, niets meer van hem over dan wat zachte woorden en wat lief geluid, dat in mijne herinnering gefluisterd heeft, al jaren lang, tot ik het eindelijk opschreef, in wat stille uren.... Nu was het hier, dan daar, dat vaag gefluister, en als ik even stilstond, en luisterde, midden in het doen van alle dagen, dan was het plotseling weer heengegaan en riep ik tevergeefs....
Toen heb ik mij heel diep over mijn ziel gebogen, en alle dingen van buiten heb ik weggedaan, en lang, lang heb ik geluisterd, waar het eenzaam was en stil.... en geen gerucht der wereld dat het kon verstoren....
En toen is alles weêrgekomen, voorzichtig, voorzichtig, en met brooze, teêre woorden heb ik het langzaam in dit boek gezet van het Jongetje....
Nu kan het Leven vrij weer doorgaan. Ik ben bereid en onvervaard....