Het Jongetje

Part 8

Chapter 84,347 wordsPublic domain

„—Neen, neen, daar komt niets van in, hoor.... Ik ben een groot meisje en mag geen jongens zoenen.... Wacht maar tot later, over een paar jaar, als je heel goed oppast!”

„—Nee, ik wil niet wachten.... ik wil niet groot zijn.... Je moet niet zoo zeggen dat je groot bent, Corrie.... dat doet me pijn.... je mág niet anders wezen dan vroeger.... je moet net hetzelfde zijn.... er mag nooit iets weggaan.... je moet altijd mijn oude lieveling van vroeger blijven.... als het anders moet worden wil ik liever dood zijn.... zeg, je houdt nog evenveel van me, hé?”

Hij zag haar angstig aan, met zijn oogen heel dicht bij de hare. Zijn stem beefde een beetje.

Toen werd het zieltje van het Meisje weer heelemaal wakker en waar het eerst schuchter verscholen lag onder haar idee van groot zijn kwam het nu ineens naar voren, en glansde uit haar mooie, blauwe kijkers. Zie, nu is de ziel van het Meisje weêr gekomen, het Meisje van de zee en de duinen, het Meisje van dien avond aan het venster, in het reine manelicht.

Verlegen en zacht-blozend boog ze het hoofd naar hem toe, en onder den kuischen drang van haar ziel, die naar de ziel toe wilde van het Jongetje, drukte zij haar reine lippen éven, zacht, op de zijne.

En daar kweelt weer fluisterend het engelensopraantje:

„Ja, ik hoû nog wel van je, hoor!.... Ik hoû nog wel van je....”

De jonge, teedere zielen, zij raken elkaar aan.... de zuivere, de onbevlekte, de puur-maagdelijke, vér van ’t Leven.... de ziel van het Meisje komt zacht-bevend neer naar de ziel van het Jongetje, en die twee ongerepte heiligheden droomen éven, stil, tegen elkaar aan.... Dit is het geluk, dit is het geluk....

Zwijgend bleven zij zitten, onbewust ondergaande wat gebeurde, hand aan hand en ziel aan ziel. Zwaar trilde de loome warmte om hen heen, en zalig-moê droomden hunne hoofden in die vreemde sfeer.... Somtijds zuchtte vaag een luchttochtje over hen heen, en zachtjes, zachtjes wuifden éven de veêren varens....

Toen Paul dien avond naar bed was voelde hij zich moê, moê van geluk. Hij was het niet meer gewoon geweest, al dien tijd, een geheel jaar. Het was een zacht, rustig wachten geweest, een tevreden glijden van den eenen dag in den anderen, met ergens vér een zaligheid die ééns bereikt zou worden. En nu het geluk gekomen was, nu het Meisje zoo opeens weer voor hem gestaan had, in het intenze licht van haar mooi-zijn, nu hij zich had durven aanvleien tegen haar heerlijk lichaam, en zijn ziel in zoete mengeling met de hare had gedroomd, nu was hij moê, moê van al dat geluk, en voelde hij zich loom van lieven.

Het was zoo heerlijk geweest! Ze hadden nog lang onder den palm gezeten, dicht tegen elkaar, tot er eindelijk menschen kwamen, en toen waren zij deftig opgewandeld, om niets te laten bemerken. Ze waren nog overal geweest, bij de olifant, en in het Aquarium, waar hij haar nog een kus had mogen geven, en bij de parkietjes ook. Die zaten nog precies eender bij elkaar te vrijen op het stokje, en vertelden elkaar weer nieuwe geheimpjes. En het hertje was er ook nog en was dadelijk komen aantrippelen toen het sopraantje riep. Alles was nog net eender als vroeger, en er was niets veranderd. Hij was er al gauw aan gewend geraakt dat ze zoo groot was. Het was eigenlijk nog een beetje aardiger zoo, en hij was ongemakkelijk trotsch geworden dat hij nu zoo’n elegant jong dametje als meisje had. En wat zag ze er netjes uit! Wat een keurigen mantel had ze aan, en wat had zij een fijn middeltje gekregen! En wat zacht glansde haar mooie, vriendelijke gezichtje achter die transparante, witte voile! Dat was toch wel mooi zoo’n voile, en als je een kus geeft doe je haar maar even in de hoogte.

Tegen vier uur was Wies gekomen, met een grooten jongen, eigenlijk een meneer al, en toen was Corrie weer ineens groot en erg deftig geworden. Zij had hem heel ernstig aan dat heertje voorgesteld: „mijn neef Jan van Meeden, en Paul Waerens”, en hij had „aangenaam kennismaken” gezegd. Een erg chique vent, die Van Meeden, die er verbazend dandy-achtig uitzag. Die was zeker verliefd op Wies, dacht hij dadelijk.—De meisjes waren toen voorop gewandeld en hij met Van Meeden er achter. Bij het hek gekomen was er deftig afscheid genomen, en van een kus was geen kwestie meer. Van Meeden en hij hadden diep hun hoed afgenomen en gebogen, en een buiging teruggehad. Toen was hij een eindje met den neef opgewandeld en had de kennis voortgezet. Het was wel een aardige vent. Hij zat al in de vijfde klas en zou dit jaar eindexamen doen. Hij was verliefd op Wies, juist zooals Paul gedacht had, en hij wist dat Paul op Corrie verliefd was. „Het is jammer dat je niet wat ouder bent,” had Van Meeden gezegd.—

„Waarom?” vroeg Paul.

„Och.... zóó....” zei Jan ontwijkend.

Maar Paul maakte zich niet ongerust. Hij wist wel dat Corrie op hem zou wachten. Ze hóórden immers bij elkaar!....

Hij was vroeg naar bed gegaan, zoo moê was hij, en het duurde lang eer hij insliep, met een klein takje varen onder zijn hemd, op zijn borst, dat zij afgeplukt had in de serre.

Den volgenden dag, toen hij wakker werd, was natuurlijk zijn eerste idee: Corrie weer zien. Ja, maar hoe? Het zou nu niet zoo gemakkelijk meer gaan als vroeger. Ze kon niet meer zoo iederen dag alleen uit, had ze gezegd. Maar ze kwam nog al veel in de stad, en ’s Zondags wandelde zij met haar mama op den Scheveningschen Weg. Nu moest hij maar tevreden zijn met wat hij krijgen kon.

En het was toch óók wel prettig, zooals het nú werd. Het verlangend loopen wachten in de stad, tot ze dan eindelijk kwam, en dan het lieve lachje dat hij kreeg, als hij groette, en dan gaúw een zijstraatje in en even òmloopen om haar weèr tegen te komen, en dan nogeens. En dán weer terug, en op de trem, om haar, heel toevallig natuurlijk, nog eens tegen te komen, en hoe ze dan knikte, en nogeens omkeek, en, als haar ma er niet op lette, even wuifde met haar zakdoekje. Of op den Scheveningschen Weg loopen, tot ze eindelijk kwam, zíj op het Bovenpad, en dan hij stilletjes op het Benedenpad, op een afstandje, en hoe ze dan telkens omzag, en lachte, en wel eens wenkte. Dan had hij zoo héél lang haar lucht, rank figuurtje voor hem uit, en hoe heerlijk was het voor hem, daar in zijn eentje van te loopen genieten, en te denken, „zie je, ze is van míj, van míj, wácht maar!”

Hij was zoo al heel tevreden. Bijna iederen dag zag hij haar. Hij kende nu weer haar japonnetjes. Het kwam weer alles in zijn leven wat aan en òm haar was. Eéns was hij ’s avonds weer langs haar huis gewandeld, om half tien. Het gordijn was weer verlicht, en dáár was haar kamertje. O! kwam ze nu maar weer eens éven, éven kijken!.... Maar er kwam niets.

En o, wee! wat waren opeens die dagen gauw om! Nu was het al een week, het was Vrijdag, en Zondagmiddag moest hij weer weg. Gelukkig kwam hij Wies tegen in de stad, die hij een briefje mee kon geven. Of zij toch asjeblieft nog ééns komen wou, stond er in, toe, het was zoo vreeselijk, hij moest overmorgen weer weg, nog één keertje maar, dan zou hij tevreden zijn, en weer geduldig wachten, tot de groote vacantie. Ze moest hem nu zoo niet laten weggaan....

En ja, gelukkig, daar kwam ’s avonds weer een briefje. Hoera! Hoera! Of hij dan morgen avond om half acht maar even langs de deur kwam, want overdag ging het niet. Pa en ma gingen naar een concert, en ze was alleen thuis met Kaatje de meid, die niets vertellen zou.—Het mócht eigenlijk in ’t geheel niet, schreef ze, maar voor één enkelen keer dan maar.

En hij den volgenden avond er op af. Het vroor een beetje, en zijne ooren deden pijn. Maar wat heerlijk, zoo stilletjes naar je Meisje te gaan, in het donker ’s avonds! Wat gezellig waren die straten, met al die lichtjes, en wat liepen alle menschen er vroolijk! Wat was het toch een goddelijke stad, dat lieve, goede, oude den Haag! En wat mooi toch, dat Bezuidenhout, met dat bosch aan je linkerhand. Die zware, stille boomen zoo roerloos in de koude, reine lucht. En die deftige heerenhuizen met het licht achter roode gordijnen, hoe kende hij ze allen van vroeger!

Daar is de oude, oude straat, waar zij woont. Kijk, éven voorbij de tweede lantaren, daar is het. Daar is het Meisje nu dat hééle jaar geweest, toen hij ver weg was. En dat is nu voorbij, zoo gauw hè, het lijkt alles nog pas geleden.

Er is niemand te zien. Nu voorzichtig langs de huizen, tot nommer tien. Daar is het. Nu even door het glazen raam van de voordeur kijken. Er staat iemand achter. Ze is het! De deur gaat open, op een kiertje.

„Kom, gauw,” zegt het sopraantje, maar héél, héél zacht.

En daar staat hij in het portaal! En daar is ze weer bij hem!

„Als ze het te weten komen zal het wat geven,” zegt ze bang. „Als ze het eens gezien hadden hiernaast! Ma zou zoo boos zijn! Maar je kunt zoo dwingen, en nu mag je even afscheid nemen, maar éventjes, hoor!”

Hij hoorde niet goed wat ze zeide. Hij stond haar in innige bewondering aan te staren. Zoo lief had hij haar nog niet gezien. Ze had een blauw huisjaponnetje aan, heel wijd en heel lang, zonder ceinture. Haar voetjes in goudleeren muiltjes staken er onder uit.—Een lange, dikke vlecht hing tot over haar middel neer, met een blauwen strik aan het eind.—

„O! Corrie, wat ben je mooi, wat ben je mooi geworden! Je bent nog véél mooier dan vroeger!”

„Géén complimentjes, géén complimentjes,” lachte ze. Maar hij zag wel, dat ze het wàt aardig vond.

Er stond een bank in het portaal. Nu éven, éventjes maar daar zitten, toe, éventjes.—En ze liet zich meêtroonen. Wat gloeide haar gezichtje lief in den schijn van den rooden ballon boven hun hoofd.

„Je mag maar éven blijven, hoor! Ik ben vreeselijk bang,” zei ze.

„Ja, dadelijk,” zei Paul, „maar eerst even samen zitten, hoor!”

Hij vleide haar tegen zich aan. Het bloed golfde naar zijn hoofd. Wat was ze zacht en warm, zoo zonder mantel, wat gloeide zij ineens tegen hem aan! Wat was ze toch mooi, o God, o God, wat was ze mooi! Wat een vlecht! Stil, stil het lintje er af van onderen, en nu zachtjes uitvlechten. En kijk, opeens, een golf van goud, het valt wijd over zijn schouders, en op zijn schoot!

„Ha!” juichte hij, „daar heb ik het weer! Nu heb ik al je mooie haar weer, dat zoo stijf in dat kapsel zat! Nu ben je weer het oude Meisje van vroeger. Maar het is nog veel langer, en véél mooier geworden!”

Zij deed of ze een beetje boos was, maar het was zoo erg niet, dat zag hij wel.

Zacht liet hij haar zijige haar door zijn handen glijden, en hield het tegen zijn wang, en kuste het.

„Dag lieve Corrie, je zult me niet vergeten, hè?” vroeg hij. „Je zult aan me denken, hè? En je zult niet te groot voor me worden, en ik mag je weêr zien zien als ik terugkom met de groote vacantie. Nu is het maar een hálf jaar.”

En ze beloofde het hem, als vroeger. Ja, ze zou op hem wachten. En als hij maakte dat de brief tegen den middag kwam mocht hij haar nog wel eens schrijven ook. Kaatje zou dien wel stilletjes aan haar geven. Maar nu was het al mooi geweest, hoor! Ja, een zoen, dat mocht hij nog, éentje. Hè, dat is valsch, nu geeft hij er haar drie! Dag Paul, hoû je maar goed, en werk maar goed, hoor!”

Nu stil de deur weer open, op een kier, en nu gauw er uit. Dag!.... dag!....

Dapper liep Paul door, zonder om te zien. Maar hoor! ineens weer het sopraantje, zoo klaar in den avond, en zoo luid:

„Paul! Paul!”

Was zij nu niet bang meer? Ze stond voor de deur, in de koû, met haar bloote hoofd.

Hij vloog terug.

„Wat is er.... wat is er, lieveling?....”

Hoe stond ze daar zacht en ganschelijk kuisch, in haar wijde, blauwe gewaad, met het lange blonde haar golvend over haar schouders, in het flauwe licht van de lantaren....

Ze was een beetje bleek. Haar mooie oogen keken bedroefd. Ze zag hem zwijgend aan....

Het was haar zieltje van Meisje, dat hem nog ééns riep.... het zieltje van het Meisje heeft áltijd bij het Jongetje willen zijn.... en het was of het opeens héél, héél bang werd, voor wát wist het niet, en daarom riep het hem terug, in kuisch verlangen. O! Laat hem toch niet weggaan, laat hem niet weggaan, en het Meisje alleen laten in die groote stad, met al die menschen, en al het fatsoen, dat zeide dat het niet mocht!....

„Wat ís er, wat ís er?” vroeg hij. „O, huil je heúsch omdat ik wegga?”

En hij voelde hoe het Meisje heel dicht bij hem kwam, en daar was haar lieve, lieve gezichtje, nat van tranen, en o! daar kreeg hij een kus; daar voelde hij haar zoete, warme lippen.... Nog éven, nog éven.... Nog éven raakte de maagdelijke ziel van het Meisje zacht de zijne, in allerheiligsten, onbevlekten staat.... éven beeft nog het onbewuste, reine Geluk van kuische zielemengeling door hun zalig sidderende harten.... Dán is het hoog moment voorbij.

Het Meisje loopt inééns weer weg, en dicht gaat de deur, met een slag.

En zacht snikkend gaat het Jongetje zijn weg, daar gaat hij, eenzaam door de koude straten, ik zie hem loopen, met bleek gezichtje, en tranen in de oogen; o! waar ga je nu heen, waar ga je nu heen, mijn jongen?....

X.

Toen hij weer in Schotevelde terug was leek alles van de vacantie wel als een mooie droom. Hij herkende zijn kamer weer, en alles in het huis van oom Cateur, en de straten van het stadje. Dat was wáár ook. Daar had hij nu al een jaar gewoond, en in den Haag was hij het glad vergeten! Een héél jaar had hij daar op Corrie gewacht, en nú had hij haar alweer gezien, en het was alweer voorbij. Hoe gauw, hoe gauw gaat alles! En hoe gemakkelijk! Als één jaar zoo gauw doorgemaakt was, dan zouden vier of vijf jaar toch óók wel ééns over zijn. En dan zou hij óok groot zijn. Dan was de Hoogere Burgerschool al lang voorbij, en was hij al een paar jaar student. Corrie zou dan een en twintig zijn, en hij ook. En dan zou hij ’t heusch doen, wat zij gezegd had. Dan zou hij heel deftig naar haar papa en mama gaan en om haar hand vragen. Haar hand! Neen, haar héélemaal, haar mooie gezichtje, en haar schoudertjes en haar zachte borstje, haar hééle Meisje. En dan mocht zij altijd bij hem blijven, altijd, altijd. Verbeeld je eens, zeg, altijd zoo’n lieveling bij je in huis hebben, en de deuren toe, heel alleen van je eigen, en al de andere menschen zijn buiten, en mogen niet binnenkomen!

Als ze maar bleef van hem houën! Als Corrie maar altijd om hem bleef denken. Ze was zoo héél, héél mooi! Er zouden zooveel ánderen verliefd op haar worden. Natuurlijk, dat moést wel. Ze was het mooiste meisje van den Haag. En die anderen waren misschien veel ouder dan hij, en misschien wel erg rijk! Zou ze dan wel om het Jongetje blijven denken? Ja, natuurlijk zou ze dat. Het is leelijk om niet te gelooven wat ze gezegd heeft. En hoe zou het nu ook kúnnen? Ze hóórden nu eenmaal bij elkaar, evenals de twee parkietjes. Dat had ze zèlf gezegd.

Zoo filosofeerde het Jongetje daar in zijn eentje, toen hij weer terug was.

En zijn gewone leven van alle dag begon weer. Ik weet het zoo goed niet meer, wat hij alzoo deed. De dingen op school gingen gauw voorbij. Wiskunde, en aardrijkskunde, en natuurkunde, en natuurlijke historie, en zooveel meer. Het was niet zoo erg moeilijk nu hij zooveel tijd had, en niet meer altijd naar het Meisje kon. En oom Cateur hielp hem altijd als hij iets niet begreep. Het was of die een tweede papa voor hem werd, en ik herinner mij nog heel goed zijn vriendelijk gezicht, met de grijze haren, en die goedige oogen, die zoo aardig over den gouden bril konden kijken. Wat had hij veel boeken! Als het werk voor school af was mocht Paul altijd in zijn bibliotheek snuffelen. Het Buch der Lieder had hij op zijn verjaardag cadeau gekregen, en dat werd als een bijbeltje voor hem. Het was een kleine uitgave in een rood bandje met gouden stempel. Hoeveel tranen van het Jongetje zijn daar op gevallen! Hoe innig, innig hield hij van dien grooten, ongelukkigen dichter, die zijn lieveling had verloren en toch niet dood was gegaan! Eenzaam en verlaten, met vreeselijke pijnen, half-blind had hij op zijn ziekbed gelegen:

Es kommt der Tod—jetzt will ich sagen Was zu verschweigen ewiglich Mein Stolz gebot: für dich, für dich, Es hat mein Herz für dich geschlagen!

O! wat een emotie is dat geweest voor het Jongetje! En juist omdat hij zoo gelukkig was, en zoo blij uitzag in de toekomst, één altijddurende zaligheid met het Meisje, begon hij van zijn dichter te houden zooals kinderen van vrome menschen houden van Jezus, die zoo leed. Het was het éérste van groot, statig lijden wat het Jongetje hoorde. Er was thuis nooit over Jezus gesproken, en hij was nooit op de catechisatie geweest. Door Heine leerde hij voelen wat lijden is, intuïtief, omdat hij zelf nog niet geleden had.

Het was wèl een beetje gevaarlijke lectuur voor zoo’n klein Jongetje, vind ik nu, omdat er ook zulke ontzettende dingen in staan. En toch deed het hem geen kwaad als hij las:

........was gut und gross Und schön, das nimmt ein slechtes Ende.

Want dat was niet waar, voelde hij. Dat had Heine zoo maar gezegd in zijn lijden, zonder te weten wat hij deed. Want het Goede overwint. Het dúúrt wel eens lang, maar het overwint. Dat zou je altijd zien. Dat zag je ook uit de geschiedenis. De vrijheid wint en het recht. De Goeden zijn de sterksten.

O! Die heerlijke avonden, tegen de lente, als Paul ging wandelen, met zijn bijbeltje in den zak. Wat was het dan mooi in de weilanden! Hoe rustig en zacht-tevreden lagen zij uitgestrekt, en wat stonden de koeien stil te wachten in het late licht! Wat zacht, die boomen op de dijkjes in het verschiet, wat ’n teere, fijne stammetjes! En dan heel in de verte van den dijk een kar met een paard, zoo gevoelig om te zien aantrippelen! Hij liep altijd zoo ver mogelijk den kant op waar hij dacht dat den Haag was. Daar was je toch een héél klein beetje dichter bij haar, dacht hij. En als hij dan moê was, en ging uitrusten onder een boom, dan keek hij heel innig naar het Noord-Westen, waar zij nu ergens vér, vér zijn moest, en zei „Dag Corrie! Dag lieveling!”

Zoo’n Jongetje nog!

Ook bleef hij wel voor het open venster zitten. Zijn kamer zag uit op de kade, waar veel schepen lagen. Als het begon te schemeren lagen zij zoo stil op het water, met hunne hooge masten zoo plechtig, roerloos in de lucht. Beneden was lachen en praten, en hooge stemmen van meisjes op een brug. Zóó zat hij ééns, dít weet ik opeens nog heel goed, het was ook zoo’n gewichtig ding,—een vogeltje was heel zacht aan ’t kweelen in den boom voor zijn raam—o ja, zóó zat hij eens vroeg op een avond met een nieuw boek. Het was eene engelsche vertaling van Dante, door Rossetti. „The New Life” heette het, Vita Nuova. Dat moest van heel mooie, edele liefde zijn, had hij gehoord. En toen lás hij het, in de zachte schemering:

„Nine times already since my birth had the heaven of light returned to the selfsame point almost, as concerns its own revolution, when first the glorious Lady of my mind was made manifest to mine eyes; even she who was called Beatrice by many who knew not wherefore. She had already been in this life so long as that, within her time, the starry heaven had moved towards the Eastern quarter one of the twelve parts of a degree; so that she appeared to me at the beginning of her ninth year almost, and I saw her almost at the end of my ninth year....”

Zie je nu wel dat het kon? Negen jaar waren ze maar, negen jaar! En dan hadden ze nog wel gezegd dat het niet kon als je nog zoo jong was! En Corrie en hij waren al veertien geweest! En zou dat dan niet nog beter kunnen? Gekheid, kalverliefde, had papa eens gezegd. Maar Dante, die wist wel beter. Hoe heerlijk, hoe heerlijk! Dante, dat was immers de allergrootste dichter geweest, had oom Cateur wel eens gezegd, die had geschreven van de Hel, en het Vagevuur, en het Paradijs. Dat zou hij later ook gaan lezen! En zoo iemand, zoo’n hééle Groote, waar eeuwen na zijn dood de menschen nog met eerbied van spreken, die had het Meisje gezien toen hij nog maar negen jaar was, en die was altijd zijn lieveling gebleven. En later was hij bij haar in den Hemel gekomen, had oom gezegd.

Toen voelde Paul zich trotsch. Dante, díe zou hem wel geloofd hebben. Díe zou het wel mooi gevonden hebben dat hij al zoo vroeg was gaan houën, al was het nog zooveel láter dan híj met Beatrice. En wat dan de andere menschen er van zeiden, dat deed er immers niet toe. Heine en Dante, díe weten het wel.

Het was een heel moeilijk boek verder. Moeilijk Engelsch ook. En die verzen die er in stonden, die begreep hij nog niet. Maar van dien avond af aan was Dante óók iets heel groots en gewichtigs in zijn leven geworden.

Dat was toch nog véél, véél mooier dan Cooper en Aimard en Verne vroeger!

Het Jongetje werd ook grooter, net als ’t Meisje. Ik spreek nog altijd maar van hem als van ’t Jongetje, maar als hij toen zoo genoemd was zou hij raar opgekeken hebben. Hij liep nu naar de zeventien. Hij groeide erg in de lengte, en was op één na de grootste van de klas. Hij droeg een heerenhoed, en zelfs een pandjas, english fashion, in de vacantie in den Haag gemaakt, en heel hooge boorden met omgeslagen punten, en de nieuwste dassen die ze in den Haag droegen. Hij leek al heel aardig op een pas aangekomen student, en liep er al een beetje naar, met gewichtige, wijde stappen, het hoofd een beetje vooruit gestoken, en met een Haagschen stokzwaai. Je zoudt hem niet voor een Jongetje hebben gehouden, maar voor een would-be studentje, zooals er in de hoogste klasse van ’t gymnasium zijn in den Haag.

En dat ik nog altijd van het Jongetje spreek is omdat ik niet dien aankomenden student zie, met zijn uiterlijkheden en zijn schijn van grootzijn, maar omdat ik zijn ziel maar altijddoor zie, zijn jonge ziel, die van niets droomde dan het Meisje, het Meisje, het Meisje.

En dat was nog héél erg de ziel van een Jongetje!

Het onwankelbare geloof aan recht en trouw en liefde, het naïeve voelen van de onoverwinnelijke macht van het goede en schoone over het slechte en leelijke, is dit niet nog héél erg van een Jongetje?

En nu zie ik opeens een heel zwarten tijd voor het Jongetje. Het was kort nadat hij weer terug was. Hij had een nieuwe plaats gekregen in de klas.

Toen kwam er iets heel gevaarlijks voor Paul. Naast hem in de bank zat een groote jongen, Anton Meeker, al een lange slungel van bijna achttien jaar, veel te oud voor de derde klas. Hij was erg achterlijk, en schaamde zich niet eens om met zooveel kleine kameraden te zitten.

Anton was een gemeene jongen. Hij was bekend om zijn succes bij meisjes, en daarom had de geheele klasse een soort eerbied voor hem. En toch sprak hij altijd heel plat en minachtend over meisjes. Hij lichtte zoo tusschenbeide zijn medescholieren over allerlei dingen in, waar zij wel veel van hadden gehoord, maar toch nog niet het fijne van wisten. Gemeene, triviale dingen, gezegd met grove woorden, onder snood gelach....

Ik kan het alles niet zeggen. Ik kan het niet over mij krijgen om het hier neêr te schrijven in dit boek van het Jongetje.—Het is de gore, brutale schijn-realiteit van het leven, als het niet wordt gezien in ’t licht van reine Liefde. De Liefde wèg en kijk!.... hoe droef en duister wordt het leven, hoe dierlijk wordt het doen der menschen, en hoe bang en vreeselijk wordt het gansche wereld-wezen. Dan lijkt wel alles troebel en van slechten reuk, dan is het doen der menschen als het wilde drijven van het redelooze dier. En zoo was Anton Meeker’s opvatting van het leven. Hij was een wees, die nooit zijn moeder had gekend.

En hij had er een zeker bruut plezier in, om zijn jongere vrienden te vertellen wat hij wist. Te vertellen van meisjes en wat ze eigenlijk waren, en wat je van haar hebben moest, en waar het eigenlijk wel om te doen was, en niets anders.....

En toen hij zag, dat het Jongetje onder den indruk kwam, en het hem pijn deed, koos hij hem tot zijn voornaamsten vertrouweling.