Het Jongetje

Part 7

Chapter 74,408 wordsPublic domain

Toch was het altijd prettig om meisjes te zien. Want meisjes is ’t mooiste op de wereld. Meisjes zijn nu eenmaal meisjes. En al heb je het állermooiste Meisje wat bestaat, toch zijn de andere altijd even zacht en lief en vriendelijk. En je bent blij als je er tegenkomt en je hoort die heldere, hooge stemmetjes en je ziet die lachjes en al dat grazieuze, teedere, aardige gedoe. Het blijft altijd iets om je hoed voor af te nemen en diep voor te buigen. Het is zoo héél veel anders en beters dan jongens.

Schotevelde was een mooi stadje om te wandelen. Zoo anders dan den Haag. Zoo alles Zeeuwsche natuur, wijde weilanden met runderen, en hooge dijken, en polders. Je komt er weinig menschen tegen en je bent alleen met je gedachten.

En van Paul waren het al héél lichte en blijde gedachten! Dat was iets nieuws, zoo heel alleen tegen zoo’n dijk te liggen, met vér en klein de stad, lekker buiten, en dan zoo om haar te liggen denken. Wat ze nu doen zou. Hoe ze er nu uit zou zien. Of ze ook aan hém zou denken? Ja, natúúrlijk zou ze dat. Dat wist hij zeker. Misschien was ze wel in den Dierentuin, het was Zaterdagmiddag.

Altijd, altijd was ze bij hem.—Het Jongetje leefde wel ver van haar, alleen, en de dagen gingen en kwamen, en hij leerde nieuwe dingen, en voelde nieuwe indrukken, maar het eigenlijke, innige leven van het Jongetje bleef hetzelfde. Daar veranderde niets aan. Het Meisje bleef het groote heiligdom van zijn hart, dat waar hij voor leefde, en waar hij voor bestond. Alles kwam toch maar alleen op het Meisje neer. Hij werkte voor het Meisje. Hij leefde alleen om ’t Meisje later weer terug te zien. Hij stond op en dacht dadelijk om ’t Meisje, hij zei trouw iederen avond als hij slapen ging: „dag lieve Corrie! wèl te rusten hoor!” en heel dikwijls droomde hij ’s nachts van haar.

Wat een heerlijk leven moet dat voor ’t Jongetje geweest zijn! Ik weet maar heel weinig van al de kleine dingen van zijn leven toen en van zijn doen van alle dag, hoewel ik álles weet, precies, van vroeger met het Meisje.—Alles van toen in Schotevelde schijnt mij zoo gauw te zijn voorbijgegaan. Ik weet van wandelingen en partijtjes op een boerenhofsteê en van roeitochtjes op het kanaal naar de Schelde. Maar zoo precies, elken dag, zooals van vroeger toen hij met het Meisje leefde, met heel duidelijk hoe toen de boomen waren en de luchten, en alle dingen in ’t rond, zoo weet ik niets meer. Het was het groote licht dat van het Meisje afstraalde, wat alles vroeger zoo intens deed pralen voor zijn ziel, geloof ik. En nú in zijn eenzaamheid werden de dingen zachter en flauwer, en met de dagen vervloden zij in zijn herinnering.

Maar één ding, het allergewichtigste, weet ik alleen vast en zeker van zijn leven toen: dat het ganschelijk om het Meisje heendraaide, en het Meisje was het middenpunt van zijn ziel.

De grootste evenementen waren brieven van Corrie en van zijn moeder. Die van Corrie kwamen maar heel zelden. Ze moest het heel stilletjes doen, zei ze. Ma wist wel dat ze het deed, maar pa mocht het niet weten. Ze vertelde allerlei incidentjes uit haar leven, voor hém allergewichtigste dingen. Hoe het met Zorrie ging en met haar poesjes en haar vogeltjes. Ze had gewandeld met Wies, haar vriendinnetje. Hoe er een buitenpartij was geweest, en hoe het bal was geweest bij Marie. Ze stuurde hem haar balboekje om te laten zien hoe weinig ze maar gedanst had en nooit tweemaal met denzelfden jongen. Het was saai en vervelend als hij er niet was. Ze had een nieuwe jurk gekregen, met een langen rok, want ze werd nu al een groot meisje, zei ma. En dat vond ze heel akelig, je liep er zoo moeielijk mede. Ze wou geen groot meisje zijn, ze wou altijd zoo blijven als ze was. En ze moest deftig doen, ze was nu een jonge dame, zei grootmama. Ze werd in Augustus zestien, dan mocht ze het haar niet meer los dragen. Maar ze zou het natuurlijk toch doen als hij terug was.

Zulke gewone, kleine dingen. Maar hoe groot en gewichtig voor het Jongetje. Wat een heerlijkheid zoo’n brief, en wat werd hij afgezoend, en dan ’s avonds onder zijn kussen gelegd, als hij ging slapen!

En dan de brieven van mama! Wat vertelde zij trouw wanneer zij Corrie was tegengekomen. Het Meisje liep dan altijd een eindje met haar mede, ééns hadden ze samen plombières gegeten bij Sprecher. Ze had dit of dat jurkje aan en dát hoedje had ze op. Ze groeide erg. Ze werd een heele jonge dame. Altijd was ze alleen of met Wies of haar mama. Nooit was ze met een anderen jongen. Mevrouw Waerens wist hoe alles van Corrie haar jongen interesseerde, en maakte dikwijls haar geheelen brief vol van haar, om hem maar plezier te doen.

Als er dan weer zoo’n brief gekomen was dan leefde het Jongetje er voor een paar maanden van. En zóó ging de tijd al heel gauw voorbij. In Januari was Paul in Schotevelde gekomen, en met de zomervacantie mocht hij nog niet terug, al was hij met succes in de vierde klasse overgegaan. Hij moest eerst een jaar van huis zijn geweest en goed hebben opgepast, dan mocht hij weer komen. Met de kerstvacantie, in December misschien.

En hij droeg het heel dapper. Het was immers allemaal voor Corrie! Je kon haar toch zoo maar niet krijgen zonder er iets voor te doen! Wat hadden de ridders vroeger al niet moeten doen! Die maakten heele kruistochten, en waren jaren gevangen in donkere kerkers, en bleven toch trouw. Dat was nog iets véél ergers!

Het ging op school van een leien dakje, en de wiskunde was nu niet meer zoo moeilijk, al bleef hij het beste in de talen. Hij mocht zooveel lezen van oom Cateur als hij maar wilde. Het allerliefste was Heine. Heine! dat was pas een groot, goddelijk dichter, die had pas van meisjes gehouden! Die zou pas verliefd zijn geweest op Corrie! Goed dat hij haar nooit gezien had! En heel wat tranen van het Jongetje zijn op het Buch der Lieder gevallen. Hij begreep niet dat Heine nog was blijven leven toen het Meisje weg was. Hij kon het zich eigenlijk niet voorstellen hoe Corrie ooit weg zou kúnnen zijn, maar hij zou doodgaan, dat was zéker. Maar Corrie was veel te lief en te goed, zij zou hem nooit verdriet kunnen doen. En toch moest hij heel erg huilen toen hij las van den Fichtenbaum en de Palme. En onbewust was het altijd Corrie, die in het Buch der Lieder werd bezongen, en een bloem was, en een ster, en een engel, en de Loreley met het goudene haar. Wat heerlijk, om zoo zacht in de golven te verzinken, als zíj daar bóven zat op de rots, en hem lief aanzag met haar blauwe oogen, en zij zong. Wat goddelijk, met haar te drijven in een ranke boot, en in de verte schemert het geesteneiland, en stil, stil kabbelt het water. En o! als zij eens dood waren en ’s nachts op een kerkhof, zou hij óók niet in haar grafje komen, en heel dicht bij haar blijven liggen in het kistje?—Toch deed hem al dat mooie soms heel veel pijn. Het Meisje van Heine had hem bedrogen, en zijn hart was vol vergif, zeide hij. Hoe kon dat nu? Hoe kan zoo’n Meisje ooit haar lieveling pijn doen en liegen?

Want zoo dacht het Jongetje over den loop der dingen: het Recht zegeviert en de Liefde. Er is wel veel strijd en veel slechts, en het lijkt somtijds wel of de Goeden verslagen zijn en de Kwaden winnen, maar als je maar wacht, dan is het niet zoo. Het Goede wint altijd. De Liefde is de schoone ridder uit de sprookjes, die de draken en roovers verslaat, en altijd overwint. Als je maar goed bent en je blijft maar altijd van elkaar houën dan wordt je ééns gelukkig. Als je maar dapper bent en ridderlijk, dan is alles rechtvaardig in de wereld. Dat dacht het Jongetje toen heusch, en het was zijn hoogste levenswijsheid, al was hij zich dat zoo niet bewust. Hij vond het zoo gemakkelijk, en zoo eenvoudig was het! Hoe kon hij nu anders dan houën van Corrie, en wie zou niet dapper zijn, om háár te winnen? Hoe kon het leven ooit leelijk zijn, of de wereld slecht, met zoo’n heerlijk mooi Meisje, met zoo’n zuivere, schitterende, stralende liefheid, die over álle dingen lichtte, hoe kon er ooit leugen bestaan, die niet wijken moest voor haar oprechte, trouwe oogen vol waarheid en liefde?

Corrie was altijd bij het mooiste wat hij las en hoorde en zag. De heldin van elk boek was eigenlijk Corrie. Hij stelde haar zich altijd voor als Corrie, en hoe vreeselijk als zij ongelukkig was en leed, en hoe heerlijk als het dan weer goed werd! Hoe gemakkelijk was het eigenlijk voor hem, die haar liefhad, om goed te zijn, en sterk te blijven en eindelijk te zegevieren. Want de gedachte, dat zij van hem hield, die moest hem vanzelf wel onoverwinnelijk maken!

De zomer ging voorbij, verbleekend in den herfst, en de herfst stierf weg in den winter, en iederen dag bracht het Jongetje weer dichter bij het Meisje. Elken avond als hij zijn kalender afscheurde dacht hij vol hoop: „alweêr een! alweêr een dichter bij haar!”—

En eindelijk, eindelijk liep het naar Kerstmis. Nu kwamen de donkere dagen van verleden jaar, toen hij van school was gestuurd, en alleen had zitten treuren, opgesloten in zijn kamer. Wat was het nu anders! Nú was het groote geluk weêr ophanden, en was iedere dag een nieuwe blijdschap omdat hij hem er weer dichter bij bracht.

De rapporten van school waren mooi geweest. De wiskundige vakken waren voldoende, en in de talen had hij op één na ’t hoogste cijfer dat kon gegeven worden. Papa was erg tevreden, en er kwam een brief, dat hij met de vacantie mocht thuiskomen.

Een paar dagen daarna zag een blij jongenshoofd, ver uit het portierraampje van een wagon gestoken, met vroolijk lachende oogen den trouwen, grijzen toren van den Haag statig omhoog rijzen, toen de sneltrein met stormende vaart het Jongetje weer terugbracht naar het Meisje.—

IX.

Eerst de vreugde van weer thuis zijn. Mama om den hals gevlogen en gekust, gekust! Papa veel vriendelijker dan vroeger, omdat hij zoo goed gewerkt had, en er zulke mooie rapporten waren gekomen.

En, zoodra er maar een gelegenheid was gekomen, stil met mama in een hoekje aan ’t fluisteren. Hoe zag ze er uit? Toe, maatje, alles zeggen! Was ze zoo groot geworden, zoo inééns, in dat ééne jaar? Was ze erg, héél erg deftig? Droeg ze héusch lange rokken, en stond het haar lief? Droeg ze dat mooie haar in een kapsel, en niet meer los? Had ze haar hier, en dáár, en daar gezien? En wat had ze toen gezegd? Met wie liep ze? Ze was nog net even mooi en lief, hè, neen, nog mooier en nog liever, hè?

Hij had in drie maanden geen brief van haar gehad, maar ze kón zeker niet, het stáát niet, zeggen ze. Maar nu was hij er zelf. Hij zou haar wel vinden, o jee, dat zou mama eens zien. Wat gewed dat het vandáág nog was!

En om drie uur ’s middags liep Paul in de stad. Misschien was ze daar wel aan ’t winkelen, het was de tijd nu, zoo tegen Nieuwjaar. Nu maar de Hoogstraat, en de Veenestraat en de Spuistraat op en neer loopen. Wat heerlijk, al die oude straten van vroeger! Hier heb je Bahlmann, waar we zoo dikwijls samen handschoenen en lintjes hebben gekocht, en verder de winkel van Perry. Kijk, de Vlamingstraat. Dáár stond ik, een jaar geleden. Een jaar? Welneen, een paar dagen maar. Het is alles precies eender als vroeger. En straks komt ze. Ik wéét het. Ze komt, ze komt! Ik zal haar weer zíen! God, God, wat ben ik gelukkig; zie je wel dat het altijd weer goed wordt, ze komt, ze komt!

O, waar is ze, waar is ze? Het Jongetje is terug! Wat ’n menschen! Ik ken ze niet, wat loopen die daar nu allemaal, wat moet dat nu?....

En opeens—net als vroeger,—felle, zoete pijn klopt in zijn hart. Het wordt héél licht. Daar is ze, daar is ze! Daar komt ze aan, in de verte! Ze blijft stilstaan voor den winkel van Sarluis. Maar o! wat een fijn, rank, gracieus dametje!

Wat is ze groot! Grooter dan hij! En wat deftig! Met lange rokken! Met een grooten hoed op, en een voile voor! Is dat zíj?.... Is dat het Meisje?.... Het Meisje van den Dierentuin, en van het strand?.... Vreemd, vreemd .... Hoe is dit nu ineens zoo ánders?

En het Jongetje werd bang. Het is veel te groot voor hem. Er is weggegaan. Er is iets bijgekomen wat hij nog niet kende.... Hij zal niet meer durven, hij is te klein.... Het is ineens heel hoog bóven hem!....

Stil, daar komt ze.... Ze is met een oude dame; o jee, het is die grootmama.... Daar komt ze, daar komt ze.... ze ziet hem niet.... Zoú hij durven?....

O God, God, daar ís ze..... vlák bij hem....

Ootmoedig, in diepen eerbied, neemt hij zijn hoed af. Ze kijkt, ze kijkt.... Daar is ’t Meisje weer, het Meisje, het Meisje!.... Kijk ze nu lachen, kijk nu dat mooie, vriendelijke gezichtje lachen!.... het is van vroeger!.... er is niets veranderd!.... Dag lieveling, dag mooie, heerlijke, beste, brave lieveling!

Nu naar haar toevliegen, voor haar op de knieën vallen, haar voeten kussen.... Maar o wee! die grootmama!.... Het gáát niet.—Nú nog niet.... En al die menschen!....

Stil, stil nu. Héél voorzichtig! Op een afstandje haar achterna.... Nu zullen ze wel naar rechts gaan, de Veenestraat in.... Kijk, om den hoek blijft ze nog even staan.... Ze lacht, ze lacht, en ze knikt.... en nóg eens!.... dag lieve, lieve, lieve Corrie, dag mijn mooie, mooie, mooie lieveling!.... Wat ben ik blij, zoo blij! zoo blij!....

Nu zíe ik het allemaal weêr. Kijk, zoo waren de huizen, en zoo de straat.... en zoo gaan de menschen.... Het is weer alles in een groot licht.

En daar gaat ze, voor hem uit. Ja, ze is grooter.—Maar zoo rank, zoo teêr! Zoo lucht loopt ze, en zacht beweegt haar lijf.... Je zíet haar dádelijk. Hoe apart, onder al die menschen!.... Wat wordt die straat er lief en mooi van!....

Daar kijkt ze wéér om!.... ze wijst éven op haar grootmama, die deftige, dikke dame.... Het Jongetje begrijpt haar. Ja, hij zal oppassen. Die nijdige, oude theetante mag niet zien dat hij er weer is, want dan zou alles misloopen. Ze heeft hem nog niet herkend.—Hij maakt een gebaar van schrijven, en zij knikt van ja. Nu is alles in orde!....

En nu gauw terug naar huis, en alles aan moê vertellen. En dan goed verzinnen hoe haar een briefje te bezorgen.

Wat een heerlijke dag verder! Alles is weer terug. Het is niets veranderd. Corrie is er weer. En moê is er weer. En wat heerlijk, weer eten thuis. Moê heeft alles gegeven wat hij lekker vindt, wat een gesmul! Wat gezellig, die oude dingen weer om je heen. Zie je wel dat het zoo gebleven is en dat het tóch altijd goed blijft!....

En, vreemd, al die dingen in Schotevelde zijn zoo verflauwd, ik zie ze nog maar vaag. Maar nu opeens zie ik zoo goed die oude, intieme zitkamer, en al de dingen er in kijken me zoo aan! En daar komt die ouwe, goeie Mie binnen, en ze zegt zoo lief,—ja lief zei ze ’t, of ze ’t wist: „Een brief voor den jongeneer!” Een brief, een brief! Natúúrlijk van Corrie. Gauw, gauw!....

Lieve Paul,

Wat was ik blij toen ik je weer zag. Ik heb je niet meer kunnen schrijven want ik mocht niet meer voor ma. Het zal erg moeilijk gaan om je te zien want ik ben een groot meisje en nu mag ik niet meer. Ze mogen niet weten dat je er bent, anders laten ze me nooit alleen. Loop dus niet meer in de stad. Ik zal probeeren om overmorgen met Wies te gaan wandelen en dan kom ik in den Dierentuin. Is dat geen goed plannetje? Ben ik niet groot geworden? Jij bent ook groot geworden, maar niet zoo groot als ik. Ben ik heúsch een dame, vind je? Kaatje zal dit briefje stilletjes bij je afgeven.

Je liefhebbende Corrie.

P.S. Wat ben je een heertje geworden. Je moet erg galant zijn hoor! In haast. Ik hoop maar dat het lukt.

Anders niets. Zoo maar een briefje. Van een jong meisje. Van een klein Haagsch dametje.

Maar kijk, hoe nu het gezicht van mijn Jongetje glanst! Hij ziet op. Dáár zit zijn vader in den grooten fauteuil, met de courant. Dáár zit zijn moeder, en lacht zoo vriendelijk, wetend wat daar voor liefs voor hem is gekomen. Dáár is de piano, en daar zijn de stoelen, en de schilderijen, al die lieve, oude dingen, en het theeblad staat te wachten. Anders niets. Maar daar staan ineens de groote, warme tranen in de oogen van mijn Jongetje, en het geluk, het krópt op naar zijn keel, en alles begint te wemelen en te draaien, en luid snikkend valt hij zijn moeder om den hals....

Het was hetzelfde mooie weer als toen hij haar voor het laatst zag, een jaar te voren. Het was of ’t pas een paar dagen geleden was. Want kijk, het Bosch daar was precies eender, toen hij wachtte voor de brug van den Dierentuin. Zóó waren toen ook de boomen geweest, en zóó de Maliebaan. Zoo was de brug geweest, en de huizen aan den overkant van de Koninginnegracht. En nu stond hij daar weer precies eender te wachten. Wat was een jaar gauw voorbij! En wat was alles goed gebleven! Zie je nu wel?

Zóó stond Paul te peinzen op de brug, starende naar de Maliebaan, of ze nu nog niet komen zou.—Wat knusjes, daar weer te mogen wachten, net als vroeger! Er was niets, niets veranderd. Ja, Corrie was grooter geworden. Ze was nu een heel erg deftig dametje. Nu ja, maar híj was ook grooter. Hij droeg hooge boorden en een lorgnet, en in plaats van een rond hoedje een bruine heerenhoed. Je wordt natuurlijk een beetje ouder. Maar het houën van mekaar, dat blijft toch hetzelfde.

Daar komen twee meisjes aan, in de verte. Ja, ze zijn het, Corrie met Wies.—Nu gaat het geluk weer beginnen. Zie ik er wel netjes uit? Zit mijn boordje goed? En mijn dasje? Even de manchetten wat uittrekken, dat je ze zien kunt.

Hij nam heel diep zijn hoed af, en de meisjes groetten deftig terug, zooals ’t hoort.

„Wat lief dat je gekomen bent!” zei Paul.

„Als ze het maar niet te weten komen,” zei Corrie. „Wies komt me om vier uur hier weer halen, want ik moet met háár weer thuiskomen.”

„Ja, ik wil geen fâcheuse troisième zijn,” riep Wies in ’t weggaan, „flirt maar prettig!”

Paul begreep het niet goed. Waarom nu die vreemde woorden? Maar Wies was weg, dat was één ding. Nu was hij met het Meisje alleen.

Een beetje vreemd was het eerst. Wat was ze groot! Wat een deftig dametje! Haar kleeren allemaal nieuw, die hij nog niet kende. Er was iets bijgekomen, waar hij een beetje bang voor was. Waar was haar mooie haar gebleven? Waar al die lieve, intieme dingen van vroeger? Het groene manteltje, en het bont, en het mutsje? Ze had geen mandje met brood en suiker bij zich, zooals vroeger. Daar was ze nu zeker te groot voor. En hij voelde wat pijn en was een beetje bang. Zoo liepen zij den Dierentuin in, de laan aan den ingang door.—

„Nu, wat ben je stil,” zei Corrie, „zég je nu niets?”—

—„Ik ben zoo blij dat ik weer bij je ben. Ik durf niet goed. Je bent zoo groot geworden, Corrie. Je steekt boven mij uit. Ik ben bang dat ik een beetje te klein voor je ben.”

—„Ja, ik ben groot, vind je niet? Ik vond het vroeger erg akelig om groot te zijn. Maar nu vind ik het wel prettig. Ik ben nu ook al vijf maanden zestien. Maar ben ik zóó veranderd dat je me niet meer hebben wilt?”

—„Dat wéét je wel! Maar ik vind het níet prettig dat je zoo groot bent. Ik ben nu een beetje bang voor je. En waar is nu je mooie haar? Mag ik je nu nooit meer zien? En mag ik je nu nooit meer een kus geven?”

Zij lachte, en bloosde even.

„Zóó zóó, moet je maar weer dadelijk kussen? Ben je nog altijd zoo zoenerig? Maar groote meisjes mogen zich zóo maar niet laten kussen, hoor! Wat denk je wèl? Dan moet je eerst geëngageerd zijn, zegt ma.”

En híj: „Geëngageerd zijn?? Hoe bedoel je dat, Corrie? Dat kan nú toch nog niet?”

—„Geëngageerd zijn, dat is als je later wilt gaan trouwen, en het mág, en ze vinden het allemaal goed. Dat wéét je toch wel. Als je nu erg knap bent geworden en je krijgt een betrekking, dan moet je heel deftig naar pa en ma gaan en dan vraag je om mijn hand. En als ze het dan goedvinden dan gaan we samen uit, arm in arm, en dan mogen we overal samen naar toe, en behoeven we niet bang meer te zijn voor grootmama. Is dat nu niet aardig? Of wil je dan tegen dien tijd al niet meer van me weten?”

Paul deed of hij het heel grappig vond, dat idee van geëngageerd te zijn. Maar hij moest er nog niet veel van hebben. Verbeeld je, geëngageerd zijn! En hij zat nog maar pas in de vierde klas! Hij wou liever nog maar wat klein blijven zooals vroeger, en alles met haar stilletjes alléén hebben, zonder dat de anderen er van behoefden te weten. Hij wou het haar wel zeggen, want er kropte iets op in zijn keel van verdriet alsof er iets weg was gegaan, maar hij durfde niet, hier in die lichte laan, waar ook wat menschen liepen. O! nu met haar alléén in een hoekje! Wacht, een idee. In de serres gaan; daar was bijna nooit iemand, in de middelste zaal, waar de bank stond, onder de palmen.

En hij troonde haar zachtjes mee, langs het hoofdgebouw en den vijver om, doorpratende over allerlei dingen tot ze bij de serres waren.

„Hè, nu nog eens al die mooie planten zien,” zei hij, en deed de glazen deur open om haar binnen te laten.

—„En nu gáuw weer sluiten, voor den tocht.”—

Plof, daar was de deur weer dicht. En ze waren alleen. Alleen in een pracht van groene varens en vreemde, wondere bloemen, in een warme zacht-trillende atmosfeer. Nu gauw de eerste zaal door, en in de tweede. De deuren weer goed, stevig dicht. En nu in dien grooten, ronden koepel van mat groen glas, waar een teeder, bleek licht doorheen zilverde. Overal palmen, met breede, statige waaier-bladen. Hoe stil, hoe stil was het daar, en hoe zalig warm, met zachte, exotische geuren! Hier en daar keek een vreemde, geelroode bloem mystiek door het fijn-kanten groen van ranke varens en grassen....

Eindelijk, eindelijk, hier is het goed. Hij nam het Meisje bij de hand, en trok haar zachtjes mede naar de bank. Laat zij nu éven, éven maar bij hem komen zitten.... Zoo, zoo is het goed.

Nu zat het Meisje weer naast hem, voor hém alleen, veilig, achter die glazen deuren, in dat stille teêrgroene licht. Een groot, donker palmblad troonde plechtig boven hunne hoofden, en bewoog niet in de droomerige stilte.

Toen durfde het Jongetje spreken en gaf zijn schuchtere ziel zich weer ganschelijk bloot.

„Bén je daar weer?.... bén je daar weer?....” zei hij lief, „ik heb een héél jaar op je gewacht, Corrie, en ik heb zoo mijn best gedaan, ik heb zoo hard gewerkt, en het ging zoo gemakkelijk.... ik heb áltijd, áltijd aan je gedacht..... Als ik wakker werd zei ik „dag lieveling” en als ik ging slapen riep ik „wèl te rusten”.... Ik sliep met je briefjes onder mijn kussen, en vóór ik naar bed ging zoende ik je lokje haar.... bèn je daar dan weer, bèn je daar dan weer, en hoû je nog van me, zeg, hoû je nog altijd van me? ....Je bent zoo groot geworden.... ik ben een beetje bang dat er wat weg is gegaan, en dat er wat bij is gekomen, ik weet niet wat, er is iets vreemds aan je, dat er vroeger niet was.... ik ben bang dat ik een beetje te klein voor je ben.... maar ik hoû toch zoo van je, o, ik hoû zoo van je....”

Hij had zijn arm voorzichtig om haar heen geslagen, en leunde zijn hoofd tegen haar schouder.... O! heerlijk, heerlijk!.... daar voelde hij haar weer.... daar was weer dat zachte, warme, weldadige, dat bevend in hem vervloeide.... daar was weer het oude, groote geluk!

Kijk, daar zijn weer haar handjes,—gauw, die handschoenen uit,—ja, daar zijn ze weer, zoo klein, zoo fijn, met dat roze, fluweelige vel en die teêre adertjes.... o! even kussen, eventjes maar.... en hier is weer haar zachte borst, nóg zachter dan vroeger, nóg zaliger, om zacht je hoofd aan te vleien.... en hier zijn haar witte halsje, en haar roode, roode lippen, en haar mooie, blozende wangen, en kijk, haar engelachtige oogen, en haar gouden haar, het glanst nog éven prachtig, o! alles, alles is er nog, het hééle goddelijke Meisje, en hoor! hoor! daar is het klare sopraantje weer.

„Wat bèn je toch nog een verliefde jongen, Paul.... wat bén je weer zoenerig....” zei ze plagend, en trok coquet haar handje terug. Maar haar oogen keken heel vriendelijk en zagen hem innig in de zijne.

„Ik heb een kus van je gehad toen je wegging,” zei hij vleiend. „Ik krijg er nog een, hè? Ik heb er zoo geduldig op gewacht! Denk eens, Corrie, een héél jaar!”