Part 6
En om één uur precies stond hij den volgenden dag al voor den Dierentuin op de brug te wachten. Het was koud, en het vroor een beetje, maar de lucht was helder. Als het eens erg gewaaid en gesneeuwd had! Hij was eerst naar de stad geweest om in de Veenestraat een broche voor Corrie te koopen, een blauw porseleinen duifje op goud, en in de Schouwburgstraat was hij in den albumwinkel een paar gedroogde Edelweiss-bloemen machtig geworden, op mooi papier geplakt. Dat waren bloemen, had hij gelezen, die hoog in de bergen groeiden, en die het symbool zijn van vlekkelooze onschuld, van altijd door blank en rein blijven, de bloemen van het edele wit.... de bloemen van ’t Meisje....
Wat stonden de boomen van ’t Bosch weer mooi! Ze waren wèl kaal, maar hoe fijn en gevoelig al die teere takjes, zoo roerloos uitgestrekt. En wat stonden de huizen klaar en gelukkig in het heldere wintermiddaglicht! Er was iets in de lucht, alsof ze wel komen zou....
En ja, daar kwám ze, daar kwám ze. Dat was het groene manteltje in de verte, dat was het mooie rood van de flanellen voering als het even opwoei.—Ze had hem niet vergeten. Daar is het Meisje weer voor het Jongetje gekomen. Ze kon hem zóó niet laten weggaan. En ze was alleen, heel alleen. Geen knecht, geen juffrouw achter haar, en geen fatsoen. Het Meisje van altijd vroeger, met alleen haar liefelijk, teer maagdelijfje, daar komt ze aanstappen op haar zweefrythmusje van dansende pasjes. Dat is het oude Meisje weer van vroeger, dat bij het hertje kwam....
„Dag Paul, dag lieve Paul! daar ben ik weer,” riep het mooie sopraantje, „wees nu maar niet bedroefd, hoor, ik mag weer bij je zijn.... ik heb gisteren alles aan mama verteld, en ik heb haar je briefje laten lezen, en ze vindt het goed dat je geen verrader wou zijn, hoor.... en nu mag ik den heelen middag bij je zijn, en grootmama zal er niets van weten.... Wat zie je bleek, heb je zoo’n verdriet gehad?.... Ben je nu niet blij dat ik er weer ben?....”
Of hij blij was!
Kijk, daar stond ze immers weer voor hem, met het vriendelijke gezichtje, en haar blauwe, zachte oogen, en haar wangen, en haar lippen, en haar wit halsje, en al haar glanzende gouden haar. Daar waren haar schoudertjes weer, en haar éven, teer welvende borstje, en haar handen, en haar kleine voeten en alles, alles van haar. En het was van hém, van hém, van niemand anders. Het kon nooit van een ander zijn. Het hoorde bij hem, evengoed als zijn eigen hoofd, en zijn handen, en zijn voeten. Het hoorde allemaal bij zijn eigen ziel. Hij kon weggaan, en ver van haar af zijn, maar het kon toch nooit verloren zijn, het moest toch ééns weer terugkomen, dat kon niet anders....
En het Jongetje klaarde weer op, en lichtte van den ouden, blijden glans.
Ze zouden niet naar den Dierentuin gaan, daar moest grootmama eens komen, met dat mooie weer. Neen, ergens waar ze heel alleen waren en niemand konden tegenkomen. Naar Scheveningen, daar was nu niemand in den winter. Om twee uur ging er een stoomtrem van de Rijnstraat, die konden zij nemen.—Dus hier maar even wachten.
De trein was leeg. Nu in de eerste klas, voor dezen keer, hij had nog een oud abonnementje van den zomer, van mama. Wat gezellig, op die zachte banken, en de deuren toe, en nu de gordijnen achter en voor uitschuiven. Zoo zag niemand je. Zoo heel lekker in een hoekje, dicht tegen elkaar aan, warmpjes, als de inséparabeltjes op het stokje.
En nu al het leed vertellen. Corrie was ook erg verdrietig geweest. Ze was wel bang geweest voor grootmama, en had niet durven komen, maar dacht je dat ze niet heel bedroefd was geweest? Ze had ééns in haar bed liggen huilen, en ook gisterenavond, toen ze mama had overgehaald, waren de tranen alweer voor den dag gekomen. Ze zou hem niet vergeten, hoor, ze zou altijd om hem blijven denken, en hem wel eens schrijven ook, en nooit naar andere jongens kijken. Dáár behoefde hij in ’t gehéél niet bang voor te zijn, hoor, hij wist wel dat ze maar van één kon houden, en ze zou áltijd, áltijd zijn Meisje blijven, wát er ook gebeurde....
Ze was nog nooit zoo lief tegen hem geweest, en zoo innig had ze nog nooit met hem gesproken. Was het misschien ’t onbewuste zieltje van het Meisje, dat zich uit intuïtie aan hem vast wou klemmen om toch vooral goed en rein te blijven en nooit te veranderen in ’t Leven, dat nu aankwam?....
En wáár, absoluut oprecht en wáár was alles wat het Meisje toen gezegd heeft, dit weet ik vast en zeker, als ik mij in stilte neig over mijn ziel; en vèr, vèr in mijn herinnering hoor ik vaag de reine stem, zooals die daar nog zachtkens, zachtkens doorzingt....
Al het verdriet was nu weer vergeten. Corrie zou immers altijd van hém blijven al was hij weg! Dat was in de boeken toch ook altijd gebeurd, daar waren ze somtijds wel jaren en jaren van elkaar, en hun liefde werd juist grooter en grooter.
De trouw van twee lievelingen komt pas uit in de beproeving. Misschien was het wel goed om eens gescheiden te zijn. Hij kon nu toonen, dat hij een echte, trouwe ridder was, hij kon nu goed, flink leeren, en heel knap worden, en dan terugkomen, als hij het verdiend had. Je mocht er toch heusch wel wat voor doen. Het was eigenlijk wèl wat véél geweest, om al dien tijd zoo heel gelukkig te zijn zonder er iets voor gedaan te hebben....
„Nu moet je heel dapper zijn,” zei Corrie, „en niet meer zoo treuren, hoor! Je gelooft me wel, hè, en je vertrouwt toch wel op me?”
En nooit heeft het Jongetje iets zekerder geloofd. Wat die reine stem zeide met haar zoet geluid kon immers niets dan heilige waarheid zijn!
In Scheveningen waren ze heel alleen.—Het Badhuis en de Galeries, ’s zomers zoo vol, stonden eenzaam, alsof daar niemand woonde.—Nu gauw naar boven, tegen den wind in, naar het terras. En kijk! daar is de zee!
O! Hoe eindeloos groot was de zee! Was dit de kalme, zachte, van in den zomer? Met hooge, grauwe golven stormde de zee wild aan, en sloeg met sombere, doffe slagen op het verlaten strand.—En zwaar-sonoor galmde een bang gezang uit de wijde, wijde woeling.
Het werd stil in de zielen der kinderen.
En Paul trok haar zachtjes mede naar beneden, naar het strand.—Er was maar weinig over, de zee stond veel verder dan ’s zomers. Zij moesten door de mulle duinen, want de houten trapjes waren weggenomen. Er waren geen tentjes, geen stoelen, geen koetsen. Het strand was eenzaam en stil. Hoe groot, hoe rustig rezen de duinen in de verte! Hoe zuiver en puur was alles nu, met niets slechts, overal hooge, strenge waarheid, de zachte duinen, de ruischende zee, het eenzame strand! En de ernst van dit waarachtig schoone kwam over het Jongetje en het Meisje.
„Hoor, hoor,” zei hij zachtjes, „is het niet of het je iets zeggen wil? Maar ik weet niet wat... ik heb er vroeger ook zoo dikwijls naar geluisterd, maar ik begrijp het niet.... En toch is het iets.... hoor jij ’t niet?....”
Zij luisterde, met de hand aan een oor, en boog voorover. Hoe klein en frêle stond ze daar, zacht luisterend kinderfiguurtje, voor de groote, groote zee....
„Het is zoo mooi, het is zoo mooi, Paul,” antwoordde zij,..... „maar het is te groot..... je wéét niet wat het zeggen wil.... ik word er bang van als ik er lang naar luister....”
—„Ik ben niet bang,” zei Paul. „Het is of er daar, ver, ver, ergens een land is waar het heel goed is en heel mooi.... en het is of ze ons roepen.... O! Ik zou nu wel met je weg willen, daar over de zee, en nooit meer terugkomen.... Heel alleen op een eiland met jou, altijd bij elkaar, en overal in het rond de golven die zoo zingen....”
En ze bleven nu zwijgend doorloopen. Hij had zijn arm om haar heen geslagen, en zij leunde het hoofd tegen hem aan. Ze bleven maar luisteren naar de zee, en ze hadden langen tijd niets te zeggen, zoo innig waren ze toen één. Niets was op het strand te zien dan hun teêre gestalten, dicht tegen elkaar, zoo klein, zoo klein in dat groote álom!
Het is of ik ze weer zie gaan, zooals toen. ....Hoe groot zie ik nu dat strand, zoo ver, zoo ver, met die duinen rijzend en dalend!.... En hoe eindeloos de zee, kijk, hooge, hooge golven, grauw met wit, overal, overal komt het aan, met wilde, breede deining, hier, en daar, en ginds, en vér, en vér. ....Het heeft geen einde, en het is eenzaam, en het is onvergankelijk groot.... En daar ergens, heel teer, twee kindergestalten, zoo zwak en verloren in dat groote, een heel klein gelukje, zoo broos, zoo broos....
Ze hebben daar heel lang geloopen, en nooit hebben ze zooveel van elkaar gehouden, hun jonge zielen spreidden zich uit, wijder en wijder, met die eindeloosheid voor hen.
Corrie werd het eerste moe. Er was in de duinen zand in haar schoen gekomen, en er waren fijne steentjes bij. Haar voet deed pijn. Even gaan zitten en de schoen uit doen, ginds bij dat duin.—Mocht hij haar even helpen? Wat een kleine laarsjes! Daar zou hij niet in kunnen. Alles is toch zoo klein en teeder bij zoo’n meisje!.... Het schoentje zat vol zand. ....Maar o, wee! nu is het nog niet weg.... er zitten steentjes onder de kous, er was zeker ergens een gaatje in. ....En het doet pijn.... Nu maar even de kous ook nog uitdoen....
Hoe voorzichtigjes deed ze dat! Haar rokje ver over het been.... en daar is opeens een klein, klein voetje in het zand.... Zoo zacht en witjes, wat een lief, heerlijk voetje, en wat fijne blanke nageltjes!...... En het Jongetje, heel ondeugend, nam het in zijn hand en kuste het af met grage lippen.... Het Meisje bloosde en deed of ze boos was. En dadelijk was de kous weer aan. Ze was erg verlegen, en de blos lag zacht-roze over haar hals.
„Je bent verlegen! je bent verlegen!” plaagde hij. „Maar toch heb ik je voetje gekust, hoor. Je hebt het kleinste voetje in het land, net als Asschepoes.... Hoe kom je toch zoo mooi, er is géén meisje zoo mooi als jij....”
Zij lachte en zei dat hij altijd maar vleide. Ze wist heel goed dat ze niet mooi was, hoor! Ze was net als een ander, een heel gewoon wichtje, en niets bizonders. En hij meende er niets van, hij wist wel beter en ze hield niet van complimentjes....
Maar heimelijk vond het Meisje het heel prettig, en ze wist heel goed dat ze zoo mooi was. Dat kon ze heusch niet helpen. Haar spiegeltje had het haar zoo dikwijls verteld, en dat spreekt altijd waarheid.
Het was al laat geworden, bijna vier uur. Nu nog even blijven zitten, hier tegen het duin. Wat heerlijk frisch in den wind! Alleen je vingers, die worden te koud. Maar daar is Corrie’s mof wel goed voor. Laat hij nu ook maar zijn handen er in doen. Ziezoo, nu is het warm. Is het nu niet gezellig? „Is hij nu niet heel dicht bij haar, en is hij nu niet bedroefd meer, is het nu goed?”
Ja, nu is het goed.... nu is het heelemaal, heelemaal goed.... nu is hij dicht bij haar, en haar hoofdje is op zijn schouder.... haar zachte, zijige haar valt over zijn borst, het is goud, edel, glanzend goud.... haar ranke lijfje is dicht tegen hem aan, en het is goed en warm bij haar.... zacht gloeit het in hem van binnen van geluk... en hoor, hier is haar stem, die zoete muziek is...
Niemand is òm hen, ze zijn alleen, alleen met de rustige duinen, en het wijde, eenzame strand, en de groote zee.... Wèl slaan de golven zoo woest op het zand, met zoo somberen, harden slag.... Maar het is zoo veilig en vertrouwd, en er is niets, wat hun kwaad wil....
Zóó is het goed, volmaakt, ganschelijk goed. Er is nu niets meer wat de ziel van het Jongetje nog wil, alleen zoo, heerlijk bij haar zijn, veilig tegen haar aan, met haar handen in de zijne, en haar hoofd tegen zijn borst..... Een groote, zalige vrede is in hunne harten, dit is het pure, maagdelijke geluk, dat eindeloos zacht is en stil.... En nu zal het ook goed worden. Hij moet weggaan, en vèr van haar af, maar wat is dat, een paar jaren?.... Het zal blijven, nooit zal het weggaan, want dit kan niet sterven, dit geluk....
Het begon al een beetje donker te worden, toen zij met de stoomtrem van half vijf naar huis reden. Zij waren zoo innig van elkaar vervuld, dat zij stil hand in hand zaten, zonder iets te zeggen, tevreden, en zoo veilig tusschen de dichte deuren, achter de groene gordijntjes. En voor ze het wisten waren ze alweer bij de brug voor den Dierentuin.
Nu hier uitstappen, en dan nog gezellig samen door het bosch, de Maliebaan over. Het begint nu te schemeren. De boomen staan heel teer en voorzichtig in het late licht, en hun roerlooze, naakte kruinen, zij wachten en wachten.... Alle takjes komen zoo helder en duidelijk uit, en alles staat zich zoo oprecht en eerlijk te geven. En zoo liepen de twee lievelingen in het open, wijde Malieveld, met in het vierkant de rijen statige boomen die hun innigste pracht uitspreidden in de kuische schemering. Een vaag rood bloosde zachtjes in het Westen.... En de ziel van het Jongetje was tevreden en gerust. Alles was goed en zou goed blijven. Alles wist het, dat hij nu éénmaal hoorde bij het Meisje. De zee wist het, en de duinen, en ook het bosch. Zij hadden alles van zijn zoete liefde gezien en begrepen. O! Hoe zeker wist hij het, zoo in het zacht-eerwaardige licht van de schemering, met al die stille, wachtende boomen, en het teeder opdroomende rood daarginds, het was alles goed, en altijd zou het goed blijven.... nooit, nooit kon het verloren gaan, en het zou eeuwig leven....
En toen zij voor haar huis stond was hij niet eens meer bedroefd en opgewonden. Hij vroeg haar alleen nog heel zacht, en al zéker van wat zou komen:
„Dus zal je altijd aan me denken, Corrie?.... zal je me nooit, nooit vergeten?.... En als ik met de vacantie terugkom ben je mijn lieve Meisje weer van vroeger?....”
Kijk ze nu liefderijk, innig zacht met haar mooie, onschuldige maagdegezichtje naar hem opzien, kijk nu die reine, blauwe engelenoogen eerlijk en oprecht in de zijnen staren!
„Ik zal je nooit vergeten, dat weet je wel.... ik heb je beloofd dat ik een heel trouw meisje zal zijn.... en je weet wel, al had ik niets beloofd, hè, ik zou immers toch nooit van een ander kúnnen houden!....
En hij, smeekend: „En krijg ik nu een kus?”—Zij had hem nog nooit een kus gegeven. Hij had wel háár gekust, maar zij had hem nog nooit een zoen teruggegeven. Ze was zoo’n deftig jong dametje altijd!
Gelukkig, dat de straat zoo eenzaam was, zoo heelemaal aan ’t einde van de stad! Alleen in de verte, aan den Boschkant, was de lantarenopsteker met zijn lichtje.
„Dag, beste Paul!” zei ze innig, met haar lief sopraantje zoo vriendelijk als het nog nooit geweest was, „daar heb je je kus, hoor!”
En haar zachte, reine lippen, waar haar maagdelijk zieltje op beefde, kusten kuisch zijn mond.—Hoe sterk en groot en uitverkoren voelde hij zich! Toen nam hij zijn hoed af, zooals hij altijd gedaan had als hij haar goedendag zeide, en boog diep, in grooten eerbied.
En resoluut, zonder dralen, ging hij heen.
Een kus! Een kus van háár!—Nu moet je ook dapper en geduldig zijn, dacht hij. Nu moet je er ook een heeleboel voor doen en als het kan een heeleboel lijden, eer je weer zoo’n geluk verdiend hebt!
En hij verlangde bìjna om nú al weg te zijn, om nú al dadelijk te beginnen, en te toonen dat hij nu wel jaren, jaren verdriet zou willen hebben en heel alleen zijn, om dan eindelijk nog weer één zoo’n kus te mogen halen. Laten ze hem nu thuis maar negeeren, laten ze nu maar niets tegen hem zeggen, laten ze maar veel leelijks tegen hem doen en hem erg slecht vinden. Laat hij nu maar asjeblieft ergens komen, waar ze hem slecht behandelen en geen eten geven, en koû laten lijden. O! eindelijk zou hij dan toch iets kunnen doen om haar te verdienen. Hoe gemakkelijk zou hij alles dragen! Want had zij hem niet gekust, het liefste, mooiste meisje van de hééle wereld, en was het niet van hém, van hem alléén, het reinste, blankste, heerlijkste wat bestond?
VIII.
Den volgenden dag was hij in Schotevelde.
Het was heel anders gegaan dan hij verwacht had. Mama was weer heelemaal goed met hem geworden, en had hem alles vergeven, en hem afgekust. Zij was hem ’s avonds nog komen toedekken, zooals vroeger, toen hij nog kleiner was, en had allerlei lekkers in zijn koffer gedaan, en een beurs met vijf gulden, een heele schat. Papa had heel ernstig met hem gesproken, maar was veel zachter geweest dan vroeger. Hij had hem gebracht tot Roosendaal, en hem daar in den trein naar Schotevelde geholpen; hij had hem toen een kus gegeven, en heel vriendelijk gezegd, dat zij nu voortaan goede vrienden zouden blijven, als er maar flink gewerkt werd.
Aan het station in Schotevelde was oom Cateur, de directeur van de Hoogere Burgerschool, bij wien hij in den kost zou komen. Paul was eerst een beetje bang geweest, zoo naar een directeur te moeten gaan, en had hem zich voorgesteld als een nijdigen, grimmigen ouden heer. Maar wat wás dat meegevallen! Wat een vriendelijk, prettig gezicht, zoo heelemaal geen schoolfrik, zoo net een goede, oude oom uit een boek. En tegelijk zoo knap, zoo of hij alles uit zijn hoofd wist.
Toen zij thuis waren gekomen nam mijnheer Cateur Paul even apart, in het spreekkamertje.
„Hoor eens, Paul,” zei hij vriendelijk, hem met zijn goedige oogen over den gouden bril heen aankijkend, „ik heb gehoord dat je in den Haag van de school bent verwijderd, omdat je het daar te bont maakte. Je mama heeft me alles geschreven, en ik weet overal van, hoor! Maar pas op dat je me hier op school níet méér van die aardigheden uithaalt, want dat zou je leelijk opbreken, en we maken hier korte metten. Je mama heeft me ook van je meisje geschreven,—nou! krijg nu maar geen kleur, hoor! het is niets verkeerds, en ik mág dat wel,—maar als je dat meisje nog wilt terugzien in je leven, dan moet je hier niet den kwâjongen uithangen, maar een flinke vent worden. Begrepen? Dat je zooveel van de natuur houdt, en graag buiten bent, en dat je graag leest, dat doet me plezier. Ik heb een heeleboel boeken en die mag je allemaal lezen. Maar dat mag je niet verhinderen om ook te leeren, wat je nu minder prettig vindt, en alles te doen wat de leeraars je opgeven. Je moet me beloven om nu de studie voor je plezier te laten gaan, en je vooral toe te leggen op de wiskundige vakken, waar je achterlijk in bent. Dan zullen we goede vrienden worden, en je zult het hier goed hebben.—En als er iets is wat je hindert of wat je niet begrijpt, ook al is het niet direct van de school, dan kom je me maar vragen wat je wilt, hoor! Nooit iets achterhouden of achter mijn rug doen, want dat vind ik leelijk, en dan krijg ik het land aan je. Ziezoo, ik geloof dat we elkaar begrijpen, hè?....”
Dat speechje, met die zachte, vriendelijke stem, en die goedige oogen, hem diep in de zijnen kijkend, maakte indruk op Paul. Dát was me nu pas een directeur! Als de leeraars zoo allemaal waren!
Mijnheer Cateur was weduwnaar. Zijn eenige zoon was in de Oost, en zijn ongetrouwde zuster, een vriendelijk oud vrouwtje, nog ouder dan hij, deed het huishouden.—Paul kreeg een heel gezellige kamer om te studeeren, en een klein slaapkamertje.
Toen hij den volgenden morgen aan het ontbijt kwam lag er een brief op zijn bord.—Hij kreeg een kleur van blijdschap, maar durfde hem niet openmaken onder ’t eten; dat stond niet.
„Lees maar gerust eerst je brief, hoor! Je zult wel nieuwsgierig zijn,” zei meneer Cateur met een lachje. „Wat een mooi roze envelopje!”
En Paul deed gauw zijn brief open. Ja, hij had zich niet vergist! Hij was van Corrie! En een lange, van bijna vier zijdjes, met haar mooie lettertjes zoo wijd uit elkaar.
Lieve, beste Paul!
Je zult wel erg bedroefd zijn en daarom maak ik gauw dat je wat van mij hoort. Ik ben ook verdrietig. Nu je weg bent merk ik pas hoeveel ik van je houd. Ik moet je zeggen dat ik je eigenlijk niet schrijven mag want dat staat niet, zegt ma, en grootmama moest er eens achter komen! Maar ik zal het toch nog wel eens stilletjes doen. Als je weer terugbent houden we toch evenveel van elkaar.
Toen je gisteren weg was, is er nog iets heel vreeselijks gebeurd. Een van mijn sijsjes was dood. Ik heb hem in den tuin begraven bij de parkietjes. Het was zoo moeilijk want de grond was zoo hard. Ik lees de sprookjes van Andersen die zoo mooi zijn, heb je gezegd.
Ik ga geloof ik niet meer naar den Dierentuin, want daar moet het nu erg saai zijn als jij er niet bent. Ik kijk nooit naar andere jongens, daar behoef je niet bang voor te zijn. En jij mag niet naar andere meisjes kijken hoor! We gaan immers later samen trouwen en dan gaan we in een mooi huis wonen en een grooten hond koopen net als oom Frits. Maar dan moet je eerst heel knap worden en veel leeren, zegt ma.
Ik kan me nog niet begrijpen dat je weg bent en als ik naar school ga denk ik altijd dat je op den hoek zult staan bij de Pooten. Morgen ga ik met mama een nieuwe jurk koopen en ik ga blauw nemen omdat je dat zoo mooi vindt. Het broche met het duifje zal daar erg goed op staan. En de Edelweiss ligt in de sprookjes bij het leelijke jonge eendje. Ik wou dat je maar weer hier was want ik verlang zoo naar je en ik verveel me erg.
Hè, gorrie, want heb ik een langen brief geschreven! Ik moet nu naar bed, zegt ma. Ik laat Kaatje mijn brief nog even in de bus doen om den hoek. Nu wel te rusten! Wees nu maar niet bedroefd hoor, want ik houd toch zoo van je. Dag Paul! Slaap lekker hoor! Dag! dag! dag!
Je altijd liefhebbende Corrie.
P.S. Je moet maken dat ik jou brief zoowat tegen den middag krijg dan is pa uit. Ik zal toch nog wel eens stilletjes schrijven. Ik tel de dagen tot je weer terug bent.
Paul had wel kunnen huilen van plezier, maar hij hield zich goed. Wat lief van haar zoo om hem te denken! Wat een beste, goeie lieveling! Ja, hij zou knap worden en veel leeren, o! zoo veel! Dat zou haar mama eens zien. Er was zooveel niet aan, hoor, aan die Meetkunde en die Algebra. Nu het voor háár was zou hij nog wel véél, véél meer kunnen. Het was eigenlijk wel goed dat hij van haar weg was. Nu kon hij eens toonen wat hij wel voor haar doen kon. Het zou nu wel goed gaan.
En het gíng goed. Hij was er nú al heel gauw achter wat (a + b + c)² is, en waarom het kwadraat van de hypothenusa gelijk is aan de som van de kwadraten der beide rechthoekzijden. En nog een heeleboel dingen meer. Hij begon er zelf meer plezier in te krijgen, nu hij niet meer zoo altijd verlangde dat de les uit zou zijn, om naar ’t Meisje te vliegen. Het werd nu langzamerhand veel rustiger in zijn zieltje.
Het was héél zenuwachtig geweest al dien tijd met het Meisje, en hoe langer hoe erger. Altijd maar verlangen en verlangen om bij haar te zijn, en als zij er niet was werd hij zoo onrustig en klopte zijn hart van begeerte dat de tijd toch maar vooruit ging!
Maar nú was alles kalm en vlak in hem. Nu had hij er zich bij neêrgelegd haar niet te zien, nu hij het beschouwde als iets wat hij doen moest, om haar te verdienen. En hij kon met plezier zitten werken aan allerlei moeilijke vraagstukken, iets wat hij in langen tijd niet alleen had kunnen doen.
Onder de jongens op school had hij geen intieme vriendjes. Ze vonden hem te deftig, ze noemden hem het Haagsche heertje. Hij zag er altijd zoo netjes uit, met manchetten en hooge boordjes. En de Schoteveldsche jongens kwamen voor ’t grootste deel van de dorpen uit den omtrek en vonden hem een fatje, wat hij misschien wel een beetje was. Meisjes waren er óók. Wel aardige meisjes waren er bij. Maar Paul liep ze niet na. Niet waar, als je Corrie eenmaal gekend hebt, hè? Dan is daar immers geen kwestie van! Het léék er niet na! Één ja, die was heel erg mooi; maar alleen omdat ze ook zulk lang blond haar had. Maar dat van Corrie was natuurlijk véél, véél mooier.