Het Jongetje

Part 5

Chapter 54,238 wordsPublic domain

Wat werd het nog véél, véél gezelliger toen het was gaan sneeuwen! Dan liepen Paul en Corrie zoo gauw zij konden naar huis, en werd de slee voor den dag gehaald. Corrie met het hondje er in, en hij duwen.—Hij liep dan met zijn hoofd voorovergebogen, vlak aan haar oor te praten,—het mooie, fijne oortje, dat zoo rozig onder het mutsje uitkwam!—vlak bij haar zachte wangen, met haar warme, zijige haar telkens tegen hem aanstreelend.—En dan liep hij heel ver het Bezuidenhout uit, voorbij de Laan van Nieuw Oost-Indië, en dan links af, een eindje het Bosch in. Het Bosch zoo statig-stil, met die hooge, witte boomen, in den vrede van sneeuwen avondglans! Dan was zij een beetje bang zoo geheel alleen, in dat groote, groote Bosch, en zij leunde het hoofd achterover, om hem telkens goed te voelen, dat hij dicht bij haar was. En hij moest haar wel eens geruststellen dat er niets was, heusch, heusch niets was, maar bij zichzelven dacht hij: „wás er maar iets, kwám er nu maar eens wat!”—Hoe heerlijk, haar te kunnen beschermen, haar hulp en steun te wezen, haar tegen je aan te voelen leunen, met haar teêr, warm, goudblond hoofdje! En wat lief werd ze als het een beetje begon te sneeuwen, dan kwamen fijne witte kristalletjes op haar mutsje neêrdwarrelen, en gingen er zoo héél, héél zachtjes tegen aan zitten, en haar glanzend goudhaar kwam vol van die witte bloemetjes, en haar zwarte bont werd witgespikkeld! Ze leek dan wel de fee van het winterbosch, en wat tintelde alles aan haar, als ze langs een lantaren kwam; ze was zoo schitterend van diamanten schijn! En al die boomen zoo statig in het rond, met hun witte armen zoo plechtig uitgespreid boven haar hoofd, als om het te zegenen!

Nóg zie ik hem gaan, mijn Jongetje, nu ik dit schrijf, in zijn dikken, blauwen ulster, met hooge kaplaarzen aan, en een bruine pelsmuts op, een groote jongen al, wat tenger gebouwd, met ferme stappen achter de slee, en het kleine Meisje, warmpjes in een deken, en zoo lekker in haar bont gedoken, met haar hoofdje achterover leunende tegen zijn borst en haar lange, lichtende goudhaar langs zijn jas, twee lievelingen, zoo heerlijk alleen in het witte bosch, in den reinen winterwind, twee mooie, gezonde kinderen die van elkaar houden.

En met den winter kwam nog een andere, heerlijke dag in Paul’s leven. ’s Zondags morgens, om tien uur, moest Corrie naar de duitsche kerk, op het Bleyenburg. Een heel intiem, klein kerkje, niets dan witte muren, en hooge vensters met groene gordijnen, en de preekstoel, de banken, de lichtkroon, alles heel gewoon, maar met een groote vertrouwelijkheid, iets zoo veiligs en rustigs, dat het Jongetje er bijzonder op zijn gemak maakte. Mannen en vrouwen zaten er door elkaar, en Paul zat naast Corrie, op een der voorste banken. Hij was niet godsdienstig, en wist nog maar zoo heel weinig van God, maar o! hoe dicht, hoe heel innig dicht bij God was, onbewust, zijn zieltje als uit het orgel klaar choraal omhoog ruischte, en het plechtig psalmgezang opklonk, met vlak bij hem de heldere kindersopraan van het Meisje, zoo teêr en zwak nog, maar zoo vroom en puur als het zacht uitzingen van een engel! Dan was zijn ziel in zoo groote genade en volzaligheid onder die zilveren, jubileerende stem, die er zoo vér, vér doordrong met lange, zoet-vibreerende ademen...

En dan, als de zwarte, ernstige gestalte in den preekstoel de handen samenvouwde, met langzamen zwaai van zijne armen, en diep het hoofd neeg, in gebed! Dan bogen alle hoofden der menschen, en de mannen stonden op, eerbiedig. Dan stond hij naast Corrie, en zij bleef roerloos zitten, het hoofd gezonken op de borst, de handen gevouwen op haar schoot... En o! de vrome neiging van lijnen om haar ranke lijfje, het deemoedige van dat biddende hoofdje, van het glanzend goud harer lokken omschenen.... En die stilte, die plechtige stilte rondom, met die ernstige, galmende stem van den prediker, boven de zacht-genegen hoofden der menschen!

En als hij dan neêrstaarde op het reine, biddende hoofdje van het Meisje, waar haar teêre kindergestalte was neergebogen in zoo diepen ootmoed, dan welden hem zacht de tranen naar de oogen, en was hij, onbewust, zoo héél dicht bij zijnen God!....

En zóó ging het leven der kinderen rustiglijk door, met niets dat hun lieven stoorde. De groote wereld liet hen met vrede, ze konden stil hun gang gaan, en hun leven werd niet gemoeid door anderen.

Maar één avond, één heilige, heerlijke winteravond was de mooiste van allen. En ik weet niet in mijn eigen menschenleven een avond, ook zelfs één moment niet, van zoo hooge, goddelijke wijding.

Het leek maar zoo heel eenvoudig, een lief incidentje tusschen twee kinderen.—Hij moest ’s avonds een heel moeilijk algebra-vraagstuk uitwerken bij een vriend, die in de Rijnstraat woonde. Dadelijk na het eten, om zeven uur, moest hij er heen. En toen hij na de school zijn lieveling naar huis bracht, had hij haar gevraagd, hoe laat ze naar bed ging.

„Soms om negen uur, soms wel eens half tien,” had ze gezegd.

En hij: „Denk je wel eens om me als je naar bed gaat?”

„—Ik denk altijd dat ik je morgen weer zien zal, en dat is zoo’n prettig idee voor me. Dan doe ik mijn gebed en kruip er lekkertjes in. Doe jij ook een gebed voor je gaat slapen?”

Maar dat was het Jongetje alleen geleerd, toen hij heel klein was.—Zijn ouders waren niet godsdienstig, er werd nooit gebeden in huis, en nooit over God gesproken. En Paul antwoordde dus maar niet op de vraag, hij durfde niet goed te bekennen, dat hij niet bidden kon.—

„Zeg,” zei hij ineens, „ik kom om negen uur zoowat van Jan van Maere vandaan, ik moet wat met hem gaan werken. Mag ik je dan even goeien nacht komen zeggen? Het is toch zoo vlakbij, alleen maar het eindje van af de Rijnstraat. Kom dan even voor ’t raam, dat ik je nog éven zien kan!”

Hij kon haar zoo lief en vleiend iets vragen, en ze zei dadelijk van ja, dat ze het zoo’n aardig plannetje vond, en ze heusch zou komen.

Hoe gauw ging die avond bij Van Maere voorbij, en hoe vlug was het moeilijke vraagstuk opgelost! Precies om negen uur kon Paul weggaan, en ging hij het Bezuidenhout op. Wat was alles wit en puur en rein! De sneeuwen grond lag zacht te glanzen in het manelicht, en hoe blonken de witte daken van de huizen, en hoe stil, o! hoe stil stonden de witte boomen met hunne takken zoo roerloos uitgestrekt! Wat was er in de lucht voor een nieuwe, wondere schijn, en wat was er in het maanlicht, dat het Jongetje op eens zoo ernstig en eerbiedig werd, alsof er iets heel heiligs zacht naar hem toe was gekomen, waar zijn ziel van beefde? Nooit had hij zich zoo vreemd bewogen gevoeld. Hij bleef even staan, en keek om zich heen. Niets dan stilte, en eenzaamheid, alleen heel in de verte kwamen menschen aan.—Alles was wit, wit, wit rondom.—De lantarenlichten rijden pinkend weg, en schenen één fijne streep licht in de verte.—De statige huizen, de stille boomen, de sneeuw zoo zacht.—En aan den lichtblauwen hemel de sereene sterren, en de ronde, blanke maan.—Dat was al van vroeger, al meer gezien, en welbekend. En toch, er was iets, wat was er...? En het Jongetje ging peinzend door.

Nu, in de Van den Boschstraat, aan den overkant van de huizenrij gaan loopen, langs den muur van den tuin in het midden. Daar is het.... nommer tien is het derde huis voorbij de tweede lantaren.... Wat zijn al die huizen stil en rustig! Ze schijnen te slapen.

Beneden is alles dicht. Kijk, er is licht op in haar kamer. Het eerste raam boven de voordeur.—Het witte gordijn is verlicht. Nu maar bij dien boom gaan staan, en wachten, wachten.... O! haar éven, éven zien.... Zoú ze komen, zoú ze komen....? Ja, ze heeft het beloofd....

Wat is het stil!... wat is alles wit en rein en rustig.... En wat is het manelicht zoo mooi....

Waarom komt ze nu nog niet?.... Ze doet zeker haar gebed.... Haar gebed!.... Dan spreekt ze met God, met onzen Lieven Heer.... „Ik spreek nooit met God,” dacht het Jongetje.... „maar ik spreek met háár, en ik hoor nu eenmaal bij háár, en zóó, als zij ’t doet, ben ik er eigenlijk óók bij....”

Opeens, het licht weg. Het raam is donker. O! ze heeft het vergeten.... Het Jongetje voelde zijn hart kloppen. ....Nog éven wachten, nog éven.... Ja, kijk! weer een klein plekje licht op het gordijn.... het wordt grooter....

En toen is het gebeurd. Zoo heel eenvoudig. En zoo heel groot, zoo onvergankelijk.—Daar werd het raam weer lichter. Langzaam, langzaam rolde het gordijn omhoog. En daar stond ze, o! hoe stond ze daar! Het Meisje. Ze stond in haar blank nachtgewaadje. Een Meisje in een wit hemdje, in manelicht. Ze hield in de eene, opgeheven hand een kaars.—Hoe wit, hoe rein en kuisch was haar bloote halsje! Haar gouden haar hing los, en golfde over haar schouders, over haar teere borst, een stroom van heilig licht. Om haar hoofdje was het een glanzende aureool. Ze stond blank en rustig als een stille engel. Hoe straalde haar onschuldig maagdegezichtje van zoo wonderzoeten glans! Starende naar beneden stond ze, bewegingloos, een bruidje van Onzen Lieven Heer, een engel, zelf zoo licht, die uitziet in het donker buiten. Een vreemde, witte schijn van hemelglans was om haar heen. Zacht beefde de Ziel van het Meisje in die teere sfeer.....

Het Jongetje stond zoo stil, zoo stil..... Hij wou wel groeten en iets liefs doen, maar hij kon niet. Roerloos zag hij omhoog..... Zóó stond hij stil, zoo stil.... in diepe, diepe vereering.....

Tot eindelijk, ziet! er beweegt iets..... zachtjes wuift een wijde, witte mouw..... en langzaam, langzaam valt het gordijn.....

Toen voelde hij zijn ziel heerlijk opdeinen, als werd hij door de golven van een eindelooze zee zacht opgeheven naar den hoogen, hoogen hemel van maneglans en sterrenlicht. Een groote zaligheid van zoete tranen welde op naar zijne oogen, hij vouwde de handen in gebed, en het Jongetje weende zoo zacht, zoo heel zacht en vroom in den stillen nacht.....

Zoo was het goed, zoo was het goed, nietwaar, mijn jongen?..... zoo was je ziel zoo gansch tevreden, en zoo zalig..... alléén dit, en niets, niets méér.... Hoe zou het kunnen, méér... hoe zou nog ooit iets kunnen komen boven dit, nog ooit iets kunnen stijgen boven dezen eindeloozen vrede?.... Wat is er nog dat heerlijker kan wezen dan dit stille, biddende aanzien?... O! Het pure, blanke beeld als, door haar reine engelenlichaam, der Liefste Ziel zoo gansch rustiglijk heenschijnt, in allerzuiverste essence!... Hoe zou nog ooit één ding bestaanbaar zijn, een ding van leven of verlangen, waarbij dit heilige symbool verbleeken kan van het allergoddelijkste in ’t groote leven: een Maagd zoo kuisch en rein, in zulk een blank gewaad?... Het stille aanzien, de handen gevouwen, het roerloos, zwijgend bidden voor der Liefste Ziel... dit is genoeg, en niets kan nu meer komen... laat niets nu ooit nog komen, dat die zoete rust verstoort... dít is het allerhoogste, en de grootste Godsgenade, de kuische contemplatie van de Liefste, als haar Ziele heenschijnt door haar blanke leden, gelijk het reine maanlicht door de witte wolken droomt..... Ach, kon je mij maar hooren, mijn jongen, je zoudt gelukkig zijn.... Want nú weet ik het, o! ik weet het zoo sterk en zeker, niemand heeft ooit het Meisje gehad dan jij, mijn brave, niemand heeft ooit de ziel van het Meisje gezien, toen de misère van het Leven nog niet de groote, duistere schaduw had geworpen over haar maagdelijk hoofd.....

VII.

Tot nu toe was alles zoo vol licht en blijde zon, en de dagen gingen zoo zorgeloos voorbij, in altijd nieuwe vreugde. Het Jongetje liep maar te genieten, en dacht niet, want alles ging vanzelf zoo goed.

Maar nu moet ik van heel droeve tijden gaan vertellen, al voel ik mij bang nu ik begin, zoo bang, alsof ik alles zelf nog eens moet gaan beleven, wat nu gebeuren zal. En het is alles de schuld van het Jongetje zelf, dat is het ergste nog.

Paul was niet meer op school de vlugge baas van vroeger, die altijd nommer één zat. Hij was zoo vol van het Meisje, dat hij al het andere vergat. Bij de les lette hij niet op, en thuis werkte hij niet. Hij wilde wel, en probeerde telkens en telkens, boven, alleen op zijn kamertje. Hij ging er voor zitten, met al zijn boeken, en in ’t begin vlotte het ook wel. Maar o jee! dan kwam het blonde hoofdje van het Meisje uit de boeken kijken, en hij wist niet meer van lijnen en van hoeken en van cijfers, hij leunde met het hoofd op de armen, en droomde, droomde......

Het was heel liefelijk wat hij droomde, heel goed en rein. Het was zoo mooi, het zachte engelengezichtje, dat daar in die droomen lichtte, en o! hoe gaarne gaf ik van mijn beste weten om nog ééns met zulke reine oogen als het Jongetje in zoo groote puurheid naar dat maagdelijk schoon te zien....

Maar het was heel dwaas en ongehoorzaam van Paul, hij was al veel te groot om niet wat wijs te wezen, en zijn belangen te begrijpen, en zijn plicht als zoon, en nog zoo heel veel dingen meer. Het is hem alles later zoo goed voorgehouden en zoo bitter weinig kon hij er tegen zeggen. Hij is een domme en dwaze jongen geweest; pas véél later heeft hij geweten, wat hij zich zelf daarmee heeft aangedaan.

En nu wilde het toeval dat, door den dood van een leeraar in het Nederlandsch, opeens een nieuwe meester voor de klasse kwam. Mijnheer Van Raavendonk had nog maar weinig routine van met jongens om te gaan, en stond vreemd en verlegen te doceeren. En binnen enkele dagen was de klasse in vollen opstand, zoodra hij de deur maar achter zich gesloten had. Hij was een groote, lange man, met iets vreemds in zijn verlegen gezicht, en hij had rood haar, en hier en daar een puist.—En „de rooie” werd het mikpunt van alle laffe, wreede kwâjongensgrappen, die de jongens, ook de beste, vanzelf beginnen, als uit instinct, zoodra zij zien, dat hun leeraar bang voor hen is.—De les werd een concert van fluiten, brommen en gillen, en de toestand kon op den duur zoo niet blijven.

De directeur hield een toespraak in de klas, en waarschuwde de jongens, dat hij een voorbeeld zou stellen, en den eerste den beste, die zich weer misdroeg, van de school zou verwijderen.

En zoo gebeurde het, dat op een Zaterdag vier jongens toch weer moesten terugkomen om één uur ’s middags, om tot vier uur strafwerk te schrijven. Zaterdagmiddag, een vrije middag, de eenige in de week sinds met de tweede klasse ook de vrije Woensdagmiddag was verloren! Maar er was niet aan te doen. En Paul zat met zijn drie kameraden treurig in het triestige lokaal, met saai copieerwerk voor zich. En buiten wachtte Corrie in den Dierentuin, niet begrijpend waarom hij toch niet kwam, en zeker vol verlangen uitkijkend aan den ingang!....

Toen is er in de jongens een wanhopig idee opgekomen. Zij zaten in een bank dicht bij de deur, en de leeraar aan ’t andere einde van ’t lokaal, erg verdiept in corrigeerwerk. Stil, stil schoven zij naar de deur, en opeens, allen met dezelfde impulsie, de deur uit! Maar juist toen zij er uit waren het woedende opstaan van den leeraar, een stoel hard omver.... Piet van Kemper, bang, en éven ziende dat de sleutel van buiten stak, de deur op slot.... En toen allen, haast je rep je, naar beneden, en op straat. De portier was aan het andere einde van de school, en zou dus wel vooreerst het kloppen van den opgesloten leeraar niet hooren....

En den volgenden dag kwam de directeur voor de klas, en zeide, dat de jongen, die de deur gesloten had, zou verwijderd worden.—De heer van Raavendonk was eerst om half vijf uit zijne opsluiting verlost. En het verschrikte Jongetje, dat nu pas de portée begon te begrijpen van wat ging gebeuren, werd door den directeur uitgekozen om voor de anderen te boeten. Alleen als hij wilde zeggen, indien hij onschuldig was, wíe dan schuld had, zou hij mogen blijven, werd hem nog gezegd.

Maar het Jongetje had veel te veel in de ridderromans en in de boeken van Aimard gelezen om dat te doen. Een kameraad verraden, dat doet zoo’n Jongetje nu eenmaal niet. En Piet van Kemper zweeg, en sloeg de oogen neer.... Dat was misschien veel verstandiger van Piet.—Maar ik ben nog altijd heel blij dat Paul het niet heeft willen zeggen, en geen verrader was. Want dan zou hij toen al niet meer het Jongetje zijn geweest. En zoo gebeurde het, dat ’s avonds, toen de familie Waerens juist had gegeten, de brief kwam van den directeur, waarin werd kennis gegeven van het gebeurde.

Dom, dwaas mannetje! Nu gaan ze je van ’t Meisje wegnemen, en wat moet er dan van de twee inséparabeltjes worden?—

Paul verwachtte dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren, dat zijn vader woedend zou bovenkomen, en hem hevige verwijten doen, en dreigen, misschien wel slaan.

Maar er gebeurde niets.—Alleen werd de sleutel van zijn kamer omgedraaid, en mocht hij niet uit. Het eten werd door de meid binnengebracht.

Hoe eenzaam zat daar het Jongetje, en hoe klein leek hem opeens zijn kamer! Hoe lang, lang, lang duurden de dagen. Zelfs mama kwam niet. Hij hoorde haar loopen in de gang. Hij riep door het sleutelgat „Moesje! moesje!” Maar zij kwam niet.

Dat duurde drie dagen. Het Jongetje was een uitgestooten wezentje, ergens alleen in een hoekje, waar niemand om gaf. En hij voelde alsof het in hem van binnen, waar het zoo groot was geweest, nu weer alles ineenkromp.

Den vierden dag ’s ochtends vóór het ontbijt, kwam zijn moeder binnen. Zij zag bleek, en had zeker veel gehuild. Het Jongetje vloog haar tegemoet, wilde haar kussen en vergeving vragen. Maar zij weerde hem zacht af.

„Je hebt ons zooveel verdriet gedaan, dat je me niet meer kussen mag voor je weer een brave jongen bent geworden,” zei ze. „Je mag nu weer uit, maar vandaag een week ga je naar Schotevelde bij je oom Cateur. Papa wil je niet langer in huis hebben, en je moet de Hoogere Burgerschool afloopen. Je moet nu maar eens in die week overdenken, wat je gedaan hebt. Neen,.... je behoeft nu niet lief te doen, en niet te huilen, want dat helpt niets.... alleen als je het bij oom goedmaakt, en heel goed leert, mag je me weer kussen....

En zij keerde zich haastig om, en was weer weg. Het Jongetje wist niet dat zij papa had moeten beloven, zich zoo koel en streng te houden, en dat zij alleen met groote moeite de tranen weerhield, die in haar oogen stonden, en den lust bedwong om haar jongen in de armen te sluiten en te troosten.

Hoe arm en bleekjes stond daar het Jongetje. Zijn hart bonsde en bonsde. Met een vreeselijken slag op zijn hoofd, op zijn hart, op heel zijn levende lijf kwam het plotseling over hem:

„Ik moet van Corrie weg!”

Hij dacht niet eens om moeder, en om zijn huis. Hij dacht alleen om Corrie.

Van Corrie weg! Maar dat kon niet! Dat mocht niet! Dat zou niemand kunnen doen! Dat zou onze Lieve Heer niet eens kunnen doen! Dan ging je dood, allebei. Hoe zou je nu alléén kunnen leven, verbeeld je, alle dagen haar niet zien, niet bij haar zijn!—Waar is dan het licht en de warmte? O! wat moet het dan donker, akelig donker zijn, en zoo leêg, zoo leêg....

Het was gelukkig Woensdag. Nu om twaalf uur naar Corrie, en haar alles, alles vertellen.—En precies op tijd stond hij op zijn post, op het hoekje van de Vlamingstraat en de Groote Markt.

En het Meisje had ook al treurig nieuws. Grootmama Wallaert had in den laatsten tijd al zoo tegen haar mama geknord, dat zij Corrie maar zoo altijd met een jongen liet loopen. Dat stond niet, had grootmama gezegd, en Corrie begon nu al zoo langzamerhand groot te worden, en de menschen praatten er over. En eergisteren was grootma ’s middags weer gekomen, en had verteld, dat Paul Waerens van school was gejaagd, en dus zeker een slechte jongen was, en dat Corrie nu niet meer met hem mocht omgaan, en dat het nu uit moest zijn, anders zou zij er met papa over spreken. Wat zou tante Van Meeden wel zeggen, van de Surinamestraat, en nicht Wallaert van Hoogland van het Voorhout, die hofdame was van de koningin? Er was al over gepraat in de familie. En grootmama had ook háár, Corrie, apart bij zich aan huis geroepen, en haar gezegd, dat het niet te pas kwam, zoo maar overal met een jongen te loopen, en dat het nu heelemaal niet meer mocht met Paul, want hij was een gemeene jongen, die uit de school was weggejaagd. En ze had grootmama moeten beloven, het nooit meer te doen.

„En heb je het belóófd?” vroeg Paul, angstig.

„—Ik moest wel,” zei Corrie, een beetje beschaamd.—

Toen voelde het Jongetje een steek in zijn hart en zag haar verwijtend aan, dat zij hem zoo pijn kon doen, zij, die hem het liefste was van alles op de wereld.

„Maar ik doe het toch,” zei Corrie er gauw bij. „Ik kan je toch zoo maar niet in den steek laten.... en ik hoû veel te veel van je.... we zullen er wel iets op vinden, hoor.... We zullen nu wel niet meer naar den Dierentuin kunnen, maar dan maar ergens anders, waar ze ons niet zien.... Maar pas op, ga nu gauw weg.... daar is de knecht van grootmama.... ze heeft hem zeker uitgestuurd om eens te kijken....”

En weg was ze, naar de overzijde van de straat. Paul, om haar te helpen, ging een winkel in.

Dit is de eerste keer, dat het Jongetje het liefste en beste van zijn ziel heeft moeten verbergen, alsof het iets leelijks was, en de eerste keer, dat het Meisje van hem is weggeloopen. Toen is ook voor den eersten keer het vijandige van de wereld tegen wat heel goed is en eenvoudig tegen hem in gekomen, en is hij er voor teruggegaan, alsof het zonde en schuld was, te aanbidden wat mooi en rein is....

Het werd nu heel moeilijk om Corrie te zien. Zij werd bespionneerd door haar deftige grootmama, die zoo op het fatsoen van de familie was gesteld. Toen begreep hij het nog zoo niet, maar later heeft hij dat fatsoen van heel nabij teruggezien, en door en door leeren kennen!.... Nu eens was het de knecht, dan weer de juffrouw van gezelschap, en ook wel grootmama zelf, die in de Vlamingstraat wandelde als de school uitging, of ook wel verder, op de Heerengracht, of het Bezuidenhout.

En zoo gingen de dagen voorbij.—Hij kon maar niet bij het Meisje komen. Hij kon haar alleen maar in de verte zien, en o!—hoe klopte dan zijn hart van groot verlangen! Thuis was alles streng en koud geworden. Papa sprak in ’t geheel niet tegen hem, en mama maar heel weinig. Was zij dan zijn oude, lieve moedertje niet meer?..... Kon alles dan maar zóó ineens veranderen?.... Had hij dan maar liever een verklikker moeten zijn, en zijn makker verraden?.... Hij begreep er niets meer van, en was heelemaal in de war, het Jongetje.... En dan liep hij, smachtend om wat liefde en vriendelijkheid, het huis uit, om een laatste toevluchtsoord bij Corrie. Maar daar liep de knecht of de juffrouw, die moesten zorgen voor het fatsoen, en het Meisje durfde niet naar hem toe te komen....

En zoo werd het Donderdag. En ’s Zaterdags zou hij weggaan! Toen schreef hij een briefje, dat hij door Wies, een vriendinnetje, aan Corrie liet geven.

Lieve, mooie Corrie.

Ik smeek je, kom toch morgen om half twee voor den Dierentuin. Het is wel school, maar toe, blijf voor mij dan eens weg. Het is de laatste keer, ik moet Zaterdagmorgen weg. Er is niemand lief tegen me. Ik mag niet eens mama een kus geven. Als je niet komt wil ik dood zijn. Ik ga heusch dood als ik weg moet zonder je nog eens te hebben gekust. Ik doe niets als huilen. Denk om de parkietjes.

Je innig liefhebbende Paul.

P.S. Je zult komen, ja ik weet het zeker, je zult komen. Je kunt me zoo niet alleen laten. Dit briefje zit vol kussen voor je.—

Dien dag was het Jongetje heel stil. Hij heeft aan tafel van niets gegeten.—En na het eten is hij dadelijk naar bed gegaan. Daar heeft hij liggen wachten en wachten tot het morgen werd, met al de reliquietjes van ’t Meisje onder zijn kussen, een lok haar in een roze envelopje, een handschoen, een pakje briefjes, en vier lintjes van om haar hals, die ze hem gegeven had.... Zoo’n groote, groote schat voor zoo’n Jongetje!