Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 15

Chapter 153,862 wordsPublic domain

--Hij heeft, mevrouw, een allerliefst zoontje, sprak pastoor Doening.

Hij stond lachend recht en ging, om er zich nogmaals van te overtuigen, over de wieg buigen, die nooit verre van Vere verwijderd was en nu, op een rieten vierpikkel, achter een hoog zijden scherm stond.

Hij knikte het slapend wichtje toe.

Sinds dien sprak Vere meer en duidelijker met den goeden pastoor. Telkens als hij bij haar was, voelde zij zich op veiliger plaatse. Zij dierf eindelijk rechtstreeks van hare onrust gewagen en liet soms zonder omwegen verstaan dat zij, wegens Ernest, in groote benauwdheid verkeerde. Ze had vele zorgen inderdaad. Nooit behandelde Ernest haar met ruwheid; maar de zachte vormen, waarmede hij zijne verhoudingen tot haar aankleedde, waren meer de uiterlijke teekens van eene verstandige onverschilligheid, dan de kiesche tooisels van eene aandachtige liefde. Zij begreep dat niet ganschelijk. Het spookte in haar, en versnipperde zich gelijk lichte flarden in een angstigen wind. Ze dierf zelf niet al die waaiende brokken bijeenrapen en den toestand in zijn volledigheid aanschouwen. Ze werd alras de medeplichtige van dat folterend spook.

Pastoor Doening deed niets dat den toestand, spijts haar zelve, kon doen opklaren. Hij spaarde haar met eene teederheid die hij putte in de schatten van zijn ouderdom. Niet zelden, terwijl hij met mevrouw Verlat sprak, dacht hij aan een meisje, broos als sommige doorzichtige waterbloemen, en nauw in haar smal keurslijfje geprangd. Hij zag achteraan de witte vierkanten van een zonnige hoeve of de veelvervige trilling van een zomerrijken tuin. Niet zelden dacht hij aan zijne moeder of aan het peinzende hoofd van Gezelle. Het waren allemaal motieven van een eender gevoel. Het waren de verscheiden beelden van zijne uitermatige liefde, en hij kon ze met rustigheid herzien als hij Vere bezag. Het gebeurde dan dat hij in zijn hart de innigheid vond, welke hij, als een vonkelend sieraad, om zijne minste woorden liet gloeien, en Vere, terwijl ze luisterde naar hem, voelde voor een tijdje de bangheid wijken en een weeke vrede haar hart omdoen.

De avond viel. Vere zat bij de wieg van haar kind. Uit de hooge vensterruiten en door de lichte teems van effen raamgordijnen zifte een blauwe schemering hare schuinsche lichten. Het wichtje was tamelijk rustig. Het sliep. Men hoorde, buiten, de geruchten van de straat zeer duidelijk opklinken. Het had heel den dag door gevroren en de lucht was klaar en hard gebleven. Men kon de klappende rinkeling van een tram van verre gewaar worden zóo duidelijk, als ware zij het eenig klinkend leven van de stad geweest. De hakken van een haastigen voetganger klopten tegen het trottoir. De trage waggeling van een bierwagen of de rappe guttawielen van een voornaam rijtuig rumoerden, elk met eigen belang en eigen helderheid, voorbij. Bijwijlen steeg het gesprek van kijvende menschen. Een ruiter voer over het aarden pad. De kloefslag dreunde dof en deed, zou men zeggen, iets roeren in huis. Verder, naar het Terkamerenbosch toe, huilde de sireen van een automobiel .... Al die geluiden, die tegare het geroezemoes van de vlijtige stad vormden, klaarden afzonderlijk op en klonken nooit zoo eigenmachtig als bij dezen kouden winterdag.

Een paarse poeiering kleurde allengskens den blauwen dag, en het begon in mauve naglansen te donkeren. Het donkerde fluks.

Te halfzes, binst dat Vere peinzend in de violette duisternis zat, werd voor het diner gescheld, gelijk op iederen dag; maar, vlugger dan op andere, kwam eene oude meid Vere's plaats innemen nevens de stille wieg. Vere trad langzaam de trap af en wilde recht de eetzaal ingaan. In het voorportaal stond, met een groot pak, de oude Ko op haar te wachten. Zijn wit, houterig hoofd, hing fijn glimlachend over het groote pak. Het trof Vere dat dit levend hoofd zoo warm, zoo bevend van een lievend leven boven de vlakke kanten van het grijze pak uitscheen. Zij luisterde naar de stameling van de gelukwenschen die hij, in zijn naam en in name van het gansche dienstpersoneel, met diepen eerbied overbracht. Hij reikte onhandig het pak, hij die zoo handig alle pakken, gedurende zoolange jaren, had gereikt en aangenomen. Maar dit was "zijn" pak, en wat hij deed, viel zoo geheel buiten de gewoonlijke manieren van een strengen dienst dat hij onhandig werd en struikelde.

Vere had hem verschrikt aangehoord. Ze kon hem nauwelijks aanzien en werktuigelijk aanvaardde zij het groote geschenk. Haar naamfeest! .... Geen oogenblik had zij eraan gedacht en niets ook had haar daaraan doen denken. Ze drukte de beenderige hand van Ko en zei driemaal te reke dat zij het lief vond van hem en van de anderen allen. Ze kon waarlijk niets meer zeggen. Het overviel haar zoo schielijk en ze voelde zoo meteen de warme liefde die haar door gansch het huis tegenwoei ....

Op den drempel van de eetzaal sprong Francine haar om den hals en ontlastte haar van Ko's zwaarwichtig pak. Ze leidde haar onder het lieve gejubel, dat haar eigen was, blij-lachend binnen. Vóor de tafel, die onder het vele licht der zilveren luchters wit-zilverig en kristal-tintelend uitglansde, stonden mijnheer du Bessy, Simon Peter en pastoor Doening op eene rij. Achter hen kleurden in dikke verftrossels de verscheiden bloemtuilen. Mijnheer du Bessy deed een stap naar voren en las een Fransch gedichtje, dat hij voor de gelegenheid verzonnen had. Hij las het, zooals alleen mijnheer du Bessy kon lezen, uitmuntend voor, en hij was, eer hij op het laatste vers stilhield, zoo aangedaan, dat hij haast het slotrijm miste. Hij kreeg van Vere twee klinkende zoenen en gaf haar dan over aan het stillere proza van Simon en den pastoor.

Vere knikte en bloosde. Nu moest ze al de geschenken bewonderen, het theeservies van Ko, de pluimen boa van Oomken, den mooien halsband van Francine, het marmeren kinderkopje van Peter en het heel lichte ronde schrijn dat er zoo geheimzinnig uitzag en dat Doening uit een vouw van zijn sluier nam. Iedereen deed met gretigheid het een en andere opmerken dat inzonderheid merkwaardig was. De boa van Oomken was een wonder, en de halsband van Francine, een reeks schakels van platte robijnen, moest niet onderdoen. Pastoor Doening deed het schrijn openspringen en een gouden hart lag daar, effen en nederig, op de zware zijde.

--Daar is geen ringetje aan, riep Francine; kan men het ook opendoen?

--Neen, zei pastoor Doening, het is een massief en vlak hartje; het kan niet opengaan in twee helften en het is niet geschikt om rond den hals of op de hand te hangen. Het is te klein ook. Het is zoo maar een klein, klein hartje .... om te bewaren in een schrijn.

Iedereen vond dit van zeer uitgelezen smaak.

--Mijn kopje daar, sprak Peter, is niet zeer gelijkend, vrees ik .... maar mijn model is ook zoo bitter jong, Vere, en ik ben zoo vreeselijk rap te werk gegaan.

Hij lachte gul en opende breed zijne kloeke rechtschapen handen. Vere's krachten braken, toen ze, naast zijn zwarten stoeren kop, het broze doorschijnend steenen kopje zag.

--Ho, fluisterde ze vreemd, goede Simon, het is mijn pover kind! ....

Ze voelde de hitte van tranen opgaan in hare oogen, maar ze deed een groot geweld en lachte al hare vrienden tegen, en over haar lach perelde tot driemaal een snel lichtje dat van hare wimpers viel.

Men bracht haar op hare plaats aan tafel. Ze bekeek vragend pastoor Doening en ze werd zeer bang, als hij stilzwijgend zijn hoofd onder hare blikken boog. Nooit was ze scherper ongelukkig geweest dan nu, in de aaiing van al die vriendschap. Zij zat nevens mijnheer du Bessy en Peter kwam, rechts, eene plaats innemen, die open was gebleven; toen zei pastoor Doening dat hij nog iets bij had.

--Ik heb, sprak hij, nog iets bij van blijvende waarde, eene heerlijke madonna in miniatuurschildering. Zij is vervaardigd en geschonken door iemand die mij een hoop dwaze redenen heeft opgegeven, waarbij hij zich onwillens verplichtte op dit feestje afwezig te zijn. Hij heeft het fijne prentje in een oud medaljon van zijne overleden vrouw gelascht en, herkennende dat men den naamdag van zijne dochter viert, wil hij (Doening nam uit een ander plooi van zijn sluier een ander schrijn) haar het medaljon schenken.

Vere liet het mooie juweel om de tafel overhand gaan; en banger werd ze binstwijl; en rechts had, zonder een woord en voorgoed, Peter de ledige plaats ingenomen. Het eetmaal werd opgediend. Bijna te gelijk bracht Ko een telegram voor mevrouw Verlat. Ze scheurde het zenuwachtig, keek het vluggelings in en reikte het aan Oomken over, die het luidop voorlas. Ernest meldde dat hij verhinderd was de viering bij te wonen, dat hij pas laat in den avond kon aankomen en dat hij ondertusschen Vere zeer hartelijk gelukwenschte met haar feest.

Pastoor Doening dacht: "Hij heeft mijn brief te laat ontvangen;" maar mijnheer du Bessy, die nu geheel vergeten had dat, zonder de gelukkige verwittiging van een kiesch morgenbiljet, hij evenmin als Ernest aanwezig ware geweest, liet in een verstaanbaar geknor zijn misnoegen kennen.

Het maal liep goed van stapel. Francine was bijzonder vriendelijk; Simon, die anders nooit sprak, werd het praten niet moede en pastoor Doening had meermaals zetten van eene fraaie geestigheid. Oomken geraakte even boven zijn wijn, maar het deed niet hinderlijk aan, en de nimfen, tritonen en saters kregen daardoor in al zijne gekke redevoeringen overvloedig hun bekomste.

Vere leefde zonderling in die gulle stemming. Zij deed haar best om alles en iedereen met een blijde hartelijkheid te bejegenen. Men had het wiegje in het spreekvertrek, naast de eetzaal gezet, en soms liep zij daar eens binnen, verwijlde er een tijdje en, als ze weer kwam, hoopte ze telkens dat Ernest daar plots aan tafel zoude zitten .... Hij zat er nooit. Bij het dessert moesten nu al de dienstlui onder geleide van Ko voorkomen. Zij dronken een glas champagne en deden bescheid met mevrouw, en hunne gezichten waren gelijk vette zonnen onder den oranjen luchterglans.

Dan zonk stiller het feestje. De tafel werd opgeruimd, en mijnheer du Bessy die het wat zwaar op de tong kreeg, kroop zonder verlof naar zijn bed. Simon en Francine zaten vóor het speelbord en Pastoor Doening sprak, zooals naar gewoonte, bij den hoogen haard die kreesch, gemoedelijk met Vere. Nog altijd wachtte men op Ernest. Wat hadde zij al niet gedaan om hem nu bij zich te hebben, om hem nu te zien, te voelen nevens haar, te voelen dat hij mededeed aan de vreugd van het huis! Hoe fier hadde zij over zijne geschenken gesproken, en hoe gulzig hadde zij de liefde bewonderd die daarbinst van zijne oogen in gloeiende geuten zoude neerstorten op haar! .... En ze wachtte. En pastoor Doening wachtte. En van over het speelbord, ginds, belonkte men haar.

Eindelijk gaf zij zelve het teeken van het afscheid. Het was een stil, haast droevig afscheid. De bloemen in de rilde vazen, waren week geworden, en neigden hun slappen kelk. Het groote huis stond stil binnen den nacht. Op een vreemden blik van Doening en terwijl zij zijne hand drukte:

--Neen, mijn vriend, fluisterde ze, ik voel me niet alleen. Ik zal nooit alleen zijn, zoolang ik mijn kindje houd ....

Dat kindje hield ze niet. Het stierf, ruim twee weken later, op een witten sneeuwdag, en de struische dokter zei, al blazend, dat het gelukkig was.

IV.

EEN NIEUWJAARSNACHT TE BRUSSEL.

Op nieuwjaarsvooravond--het kon iets na tien uren zijn--ging Ernest Verlat bij Rupert Sörge aanschellen. Hij werd in het kleine salon geleid, waar Sörge hem dadelijk kwam opzoeken en stil-lachend hem de hand reikte.

--Hee, zei hij, ik wanhoopte waarlijk dat ge komen zoudt! Ik vind het wel vriendelijk van u, Ernest; maar moet ik niet vreezen dat ge weinig zin hebt in het nachttoertje dat we onder ons afgesproken zijn te doen? .... Ge ziet er zoo somber uit.

Ernest had, telkens hij vóor Sörge stond, het onaangenaam gevoel van iemand die zich gewend heeft aan een streng toezicht over zijne minste gebaren en die nu gebaart met aarzeling en toeziet met onzekerheid. Ik durf niet zeggen dat hij, in aanwezigheid van zijn kieschen en nauwkeurigen vriend, zich natuurlijk overgaf en nu met eene oprechtheid te werk ging, die hem van al zijne gewone peuterige omzichtigheid ontblootte. Hij deed wat hem mogelijk was om eene houding te bewaren die op zichzelf een leugen was, maar die hem in Sörge's oogen het voorkomen moest geven van een zelfstandig en sterk-gewapend man. Hij voelde dat het hem iedermaal mislukte, dat het eerste woord van Sörge op hem afkwam als een rake aanval, die gansch de stelling van zijn kunstmatig uitzicht overrompelde, en dat hij alsdan weerloos of verslagen stond. Hij dierf zijn eigen niet bekennen dat Sörge hem te sterk was. Hij wist echter dat hij hem niets verbergen kon en, dewijl hij juist in alles zoo ingewikkelde pogingen deed om 't binnenst wezen van zichzelf aan anderen te verbergen, werd hij onverbiddelijk aangetrokken op de plaats waar, tegen alle moeite in, niets te verbergen was.

Dat was de meesterschap van Sörge, en, al was Ernest er angstig voor, hij wilde ze belijden.

Dien avond taakte hij, alreeds bij zijn lachenden groet, Sörge's scherpen blik in zijn geweten. Sörge had gezeid dat hij er "zoo somber" uitzag, en Ernest wist genoeg dat hij er in 't geheel niet somber uitzag. Maar hij hadde het moeten zijn. Hoe gretig wilde hij thans zijn wezen onder een somber masker dekken! .. Sörge, zoo voelde hij seffens, had geraden dat hij het wilde, en gezien dat hij het niet kon.

--Ge ziet er zoo somber uit.

Dat was toegeven dat Ernest zich feitelijk had weten te verbergen, en deze inschikkelijke beleefdheid gold alsof hij zeggen wou:

--Gij hebt een hoop redenen om bij me te komen met een somber gezicht. Het spijt me dat gij er zoo luchtig uitziet. Maar ga uw gang maar--ik merk het niet eens.

Met Sörge slaagde Verlat er nooit in "zijn gang maar te gaan." Hij volgde Sörge's gangen. Het geestelijke proces van zulk een schijnbaar-vreemde handelwijze is licht begrijpelijk. Verlat, zal ik zeggen, was een zwakkeling die het klaar besef van zijne zwakheid had. Dit was al wat hij tegen zijne zwakheid vermocht: ze kennen. Het was waar dat zijn gansche leven éen leugen was geweest; maar die leugen, die eigenlijk niets meer dan de zorgzame aankleeding van zijne zwakheid was, vloeide voort uit de aandacht waarmede hij voortdurig beproefde, in het aanschijn der menschen, zijne gevoelens zoo vormrijk mogelijk te belichamen. Nooit bij hem rees een gevoel in eenklank met het uitzicht dat hij er aan gaf, omdat dit uitzicht steeds de uitslag was van eene voorafgaande cerebrale behandeling. Zijn gevoel--zoo mag ik het noemen--was de inspiratie die de bewerking van zijn geest ging bezielen en dan, naderhand, aanleiding gaf tot een literairen uitslag waarnaar hij zich uiterlijk gedroeg. Men zal willen inzien dat op een dergelijk gevoel het koude en rappe waarnemingsvermogen van Sörge een beslisten invloed uitoefenen moest. Verlat's wezen, in gepeinzen en manieren, veranderde er niet onder, maar het werd erdoor gefolterd en verward. Die verwarring hechtte hem aan Sörge, die hare oorzaak was. Sörge behandelde hem overigens met een smaakvolle en nauwgezette zachtheid en stichtte nooit, door te groote scherpheid of te bijtende scherts, een voorwendsel dat Verlat aanwenden kon om zich, in een opwelling van gekrenkte eigenliefde, aan de dwingende overmacht van zijn vriend te ontrukken. Hij hield Sörge voor een duivelachtigen kunstenaar--wat misschien wel waar was--maar hij meende dat hij niet loog wanneer hij hem, in de aanwezigheid van Vere of Peter, een "übermensch" noemde.

Hij drukte, met gewilde lichtheid, de hand van Sörge en antwoordde:

--Ik geloof niet dat ik somber ben, Rupert. Ik voel dat ik van huis weg moet, dat ik buiten het bereik van Vere's lijdzaamheid mij eens opfrisschen moet. Ik ben dus gekomen, zoo simpellijk als ik kan.

--Gij hebt gelijk, sprak Sörge terwijl hij met eene lieve zorgeloosheid zijn wit dasje wat dichter snoerde en in éen vingertoets de briljantspeld door den knoop stak, ge moet al die doode dingen, al die neerdrukkende dingen van uw schouders schudden. Laat ons zooveel mogelijk leven en zoo weinig mogelijk met de menschen. Weet gij wat onze zwaarste vijand is, Ernest?

--Spreek alsof ik het niet wist.

--Het verleden. En wie houdt het zakkend verleden op? Wij niet ....

--Praat maar.

--De menschen.

Hij stond in fijn-snedigen soirée-rok ruggelings vóor den spiegel, waar Ernest zijn glad-geleid en even lokkend haar blauw-donker zag glanzen. Nu lachte hij met, over zijn gebogen aangezicht, de gemoedelijke uitdrukking van iemand die het niet ernstig meent. Ondertusschen had hij toch gezeid wat hij zeggen wilde, en aldus met éen greep de atmosfeer gesticht, waarbinnen Ernest beïnvloed en gevangen zat.

Op het laatste oogenblik besloten ze het rijtuig, dat door Takker's zorgen ingespannen was, niet te gebruiken en ze vertrokken te voet, warm in de voering van hun mantel geduffeld. Ze stapten onder de doode kastanjelaars, wier knoestig gebeente wijdarmde in de groen-gele flikkering van de gaslantaarns.

De Louizalaan was eenzaam. Soms zoefde er een elektrische tram voorbij, die om zijn ijlende klaarte de stille schaduwen van den nacht verplaatste en, al jagende, een stralende gaping boorde door de donkerheid. De huizen stonden, zacht verlicht, voornaam en statig. Een droomende waker doolde langs de vlakke gevels.

--We hebben het weder niet tegen, Ernest, sprak Sörge in den opgetrokken pels van zijn kraag; het vriest lekker.

--Een echte lucht om lampions op te steken en zottigheid te doen.

Ze kwamen aan de Poelaertplaats van waar ze de lage stad zagen flikkeren en dampen. Ze voelden in het voorbijgaan nevens en over hen de ontzaglijke massa van het Gerechtshof opsomberen. Ze bleven een tijdje vóor de ijzeren leuning staan van waar zij een breed uitzicht hadden over de mooiste helft van Brussel. Brussel lag in een blauwig gesmeur, dat in paarse en oranje lichtvlagen opwalmde en niet hoog boven het duister getas van daken uitstierf in de groen-blauwe helderheid van de wintermaan. Geen wolk was aan den hemel. De maan hing in een diep-kleurigen koepel vlak over het rookende verfleven der stad. Op de hoogste dakvensters kwam ze glinsterruiten .... 't was een toets, een lichtelijk gefleer, een stilte van licht op die vonkelende stadsademing; maar 't verschroeide in het algemeen vuurgeblaas en 't verging in de golvende branding.

--Daar moeten we nu in, droomde Ernest, ge krijgt er een krieseling van .... men zou zeggen een menschenoven, en, luister, men hoort door mekaar de doffe harten beuken ....

--Al die harten zien beuken in ons aanschijn .... fluisterde Rupert; komaan, kerel, we storten in de wellust van deze hel!

Ze liepen langs de zijgende gaanderijen die bezij den rechtergevel van het Justitiepaleis afhellen trapsgewijs. Ze drongen door de halve duisternis der smalle steegjes van de Kapellewijk en nu waren ze binnen het volle stadsrumoer. Al de kroegen, kavitjes en kabberdoezen der Hoogstraat waren open en onder de lage lichten krioelde een bleek gepeupel van willokseters en kwakzuipers, vaartkapoenen en gauwdieven, wijventoekkers en makrellen, oude stumpers en jonge wurmen aldooreen. Harmonikagezoef hijgde op danskadens achter de gasbekladde ruiten of, uit een breede poort van balzalen, gutsten de knettergeuten van een balkend orgelorkest. Groepen scharrelden scheef-loopend over de straat. Een jacht scheldende meisjes vluchtte vóor de greep van een jongensbende uiteen.

Op het Kapelleplein waar, zoo ineens en altijd, het lawaai verstilde, rees stille de grijze kerk.

--Voelt ge dat? lachte Sörge; die kerk staat hier als het portret van een eerste-kommuniekantje op het marmerblad van een hoerelavabo.

Ze stapten rap door. In de Steenpoort, waar de omgang minder druk is en het verkeer van beter allooi, zagen ze de witte schorten van de krabben- en karikollenventers, en de hooge eierpaanders, welke leurende vrouwen van herberg tot herberg over hunnen ronden buik deden wippelen. Op den hoek van de Beiersteeg stond, als naar gewoonte, een oud mannetje met blikken stoof waar aardappels geurden, en met, in zijn linkerarm, een mandje vol sprot op cirkelvormige lagen. De Korenmarkt was rustig, eenzaam. Hel-kleurig vierkantte daar de uitstalling van een verkensslachter, een pasteibakker en een tabakswinkelier. De klaarte spetterde uit op de grijze kasseide. Weliger leefde de nauwe Hoedenmakersstraat. De huizen van de eene zijde verlichtten verscheidenlijk de gevels aan den overkant, en een drummend volk drong veelstemmig naar de Groote Markt op. De Groote Markt leek van hier een fornuis waar onzichtbare vlammen zouden laaien.

--Loopen we daardoor? vroeg Rupert.

--Om te zien. Voort maar.

Te midden van de wijde plaats en onder eene ronde kiosktent die de schatering van drie elektrische bollampen neer joeg, zag men de mouw van den kapelmeester op mate heen en weder zwaaien; maar de orkestgalmen overvloeiden nauwelijks het gaande volksgeraas. De gele lichtfestoenen die bij wijze van illuminatie in dubbele slingers rond de markt rankten, deden op duizenden menschenhoofden de tinteling dansen van hunne bevende pitjes.

Daarboven en ommendom rezen de heerlijke korporatie-huizen met hunne rijke versieringen en de gebrokkelde schaduwing van vensterbogen en balkoenen. Hooger uit, in de groene pracht van de maanbeglansde gewelven, stille in zijne onverschillige transen besloten en met de rust van eeuwen langs zijn steenen kantwerk om, heerschte de heerlijke stadhuistoren.

Sörge en Verlat maakten, al achter de Broodhalle, een korten omweg en geraakten over de Kiekenmarkt op de Anspachlaan. Hier was de grootsteedsche doening, het rammelend geharrewar van rijtuigen en 't snorrend geroer van trams, het verschillig geschater van oranje en wit-blauwig en roze terrasgekleur, en het gonzen van Weenerdamen- en Tjekken-symfonieën. Warm en dampend gloeiden binnenwaarts de koffiehuizen. Geen winkel was gesloten. De groote bazar liet gapen al zijn vuurschietende deurmonden, en overal, al beide kanten en tot aan het Statieplein tenden de Noordlaan, was 't éen blakende rij van ijverige ruiten. Hier voelde men sterkelijk de koorts, welke klopte in het hart zelf van de stad en zich uitzette allerzijds, langs alle nevenstraten. Op de hoogste huizen brandde in roode vlamletters de roep van advertenties en theaterreklaam.

Verlat die van het loopen wat warm was geworden en zich tusschen de hooge hotelgevels gaarne thuis waande, kreeg nu lust om te soepeeren, en Sörge die 't om te eten veel te vroeg achtte, stelde voor eerst in de Grill-room met een port bescheid te doen. Zoo deden zij.

--Ernest, zeide Rupert, toen ze daar in een hoekje tusschen hun opgehangen mantels zaten en reeds op het groen-houten tafelblad de gulden roemers glommen, als ge zoo in 't rumoer zijt van stuwende menschen en de klopping raakt van al die borsten, voelt ge u dan niet zijn een eenling van die kudde en walgt het u niet die eenling te zijn? .... Kijk, daar groet ons juffrouw Titine. Zij is erg in haar voordeel veranderd, juffrouw Titine, en ze heeft nu een genre over zich, waarbij ik gerust zeggen kan dat ze van haar dikken huidenvetter af is. Ze ruift en ze verpluimt zeer aardig .... Kudde, Ernest, de geest van de kudde .... Telkens werpt zich die walg op in mij.

--Neen, niet precies dát. Maar .... daar hangt, sinds ik van uw huis weg ben, iets zonderlings over mij. Het is mij .... of mij iets te wachten staat .... of mij iets bedreigt, waaraan ik nu niet meer ontsnappen kan ....

--Zijt ge verliefd?

--Pro-ost! 'k Zal liefst zwijgen. Ge flapt met uw scherts, eer ik gesproken heb, mijnen mond dicht.