Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven

Chapter 14

Chapter 144,033 wordsPublic domain

Lucia ging weer stille de tafel om en kwam, gelijk te voren, nevens haar broeder staan. Ze wilde haren arm om Pezza's schouder leggen, en ze boog reeds over hem, om hem in een zacht gevlei van uiterste woordengedoezel te overhalen.

Pezza, als onder een veêrschok, sprong recht. Hij was lang, en recht vielen de vouwen van zijn zwarten priestersrok.

--Houd af! riep hij, gij zult mij niet verder krijgen, Lucia. Straks voel ik dat ik u even haten als vreezen kan .... Het is genoeg alzoo. Wat gedaan is, gij zegt het, helaas! is nooit uit te wisschen; maar daarom verder gaan, nog verder, nog ploeteren in bedrog en kapot zakken in wroeging, nog meer verraad, nog meer vuiligheid? Lucia, neen, ik wil niet, ik wil niet, ik ben dood eer ik nog wil, want ik kan niet meer willen! ..

Hij nam zijn hoofd in beide handen en snikte droog. Lucia bezag hem zonder onrust. Ze liet hem uitklagen en hij deed het geweldig, driftig, gelijk een radeloos dier dat men in een nauw hok zoude opsluiten. Hij vloekte en verwenschte en kwam naderhand in het aanschijn van het onbeweeglijk Kristbeeld jammerend zijn groote wanhoop weenen. Hij dierf niet opblikken naar zijne zuster. Hij wist dat ze roerloos daar stond, dat haar gelaat onveranderlijk bleef, dat geen ongemeen vuur in hare oogen schoot en dat geen vezel van dat schaduwend vrouwenlijf trilde. Wanneer haar beeld op die manier opkwam in zijn geest, overviel hem eene wilde woede. Zijne handen wrong hij op zijn hoofd tot bevende vuisten dicht en een purperen gloed benevelde ijlings zijne blikken. Hij deed dan een stap, wankelde op dien eenen, geraakte niet verder. Eene plotselijke loomheid kwam wegen in zijne armen en hij begon als een vod op zijne beenen te slodderen. Hij was af. Hij gaf zich overwonnen. Hij werd rood en zweetend, en het was van schaamte dat hij nu te hakkelen stond.

Lucia, alsof er niets gebeurd was, sprak:

--Ik zeg dat ge Dissel moet hebben. De gelegenheid is nu schoon en gunstig genoeg. Gij zijt het hoofd van het volk. Ge zult het blijven. Wat zoudt gij afstand doen van eene macht, die gij zoo goed als zelf verworven hebt? Maar, onthoud het, broer: afstand doen van die macht is lakei blijven, en zie! gij voelt het even goed als ik, daar dreigt reeds de willekeur van uw meester! Gij hebt het zwaarste veroverd, gij zijt verloren indien gij het luttelste niet aandurft.

Hijgend ging Pezza neerzitten. Hij hief voor het eerst zijn gefolterd aangezicht op naar het vredige aangezicht van Lucia, en vroeg, verlegen, of "dit het luttelste was."

Lucia naderde hem weer.

--Wat u te doen rest, is eenlijk het volk te volgen dat gij vooruit gedreven hebt. Vooruit zal toch het volk. Blijf niet achterwege. Blijf aan het hoofd van dat volk. Ik vermoed dat wij het stilaan ééns worden. Denkt gij niet?

Hij knikte flauw. Hij veegde met zijn zakdoek het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde. Hij snoot zich met een luidelijk gerucht. Hij haperde nog ergens ..

--Ik wil bij u blijven, stotterde hij, ik peins over al die dingen te gelijk. Maar kan Dissel dat allemaal niet te weten komen? Veronderstel .... och, wat zal ik weer veronderstellen? .... wacht even, Lucia.

Ze boog eindelijk over hem en drukte stille, innig, wonderlijk met hare streelende armen op zijne armen, om zijne schouders en lager over zijn rug. Stijf bukte haar struisch, houtig lichaam, en haar hals bleef eene harde kolom met, als een steen daarboven, de doffe zwaarte van heur blauw-zwart haar. Maar tooverig spreidden hare zoete soepele armen een lauwe aaiing langs geheel zijn zieke lijf.

--Wij hebben den tijd, fluisterde ze heimelijk, en zult ge dan nooit op mij vertrouwen?

Ze glimlacht niet, maar de lichte buiging van hare stem klonk als een gulden glimlach, als een geluid van eindelooze goedheid. Pezza voelde den liefelijken klank van den onzichtbaren glimlach en hij werd rustig. Hij zei:

--Ge hebt gelijk.

--O ja! ....

Dit was de eenige jubeling, welke haar ontsnapte. Langzaam richtte zij zich op, lengde uit naar de lamp, draaide voorzichtig de vlam lager, die onderwijl opgeflapperd was en met een zwarte tong het porseleinen schermhoedje overlikte.

Zich nu ganschelijk overgevend aan de dringende werkzaamheid, welke hem gewoonlijk na dergelijke strijden bemeesterde, begon Pezza, nadat zijne zuster hem verlaten had, alles in zijne werkkamer om te draaien. Alle boeken, alle papieren moesten onderzocht worden. Hij maakte ordelijke pakjes van sommige dokumenten, stelde zorgzame lijsten op van de gewichtigste onder hen, doorzocht en besnuffelde alle laden van het bureel.

Zoo was hij--een zwak man, dien men moet opwinden, en die dan met wonderbaren ijver te werk gaat. Hij dacht aan niets meer dat hem storen kon. Voor een tijd was weer het verleden uit zijne gepeinzen gewischt en ganschelijk had hem de koorts van het levend heden in beslag genomen. Straks zou hij eene vergadering van geheime volksleiders voorzitten en hij zoude het doen met de zwierige knapheid, de schrandere bevoegdheid en den schoonen ernst van een geslepen politieker en een talentvol redenaar.

Eene kleine dienstmeid kwam melden dat een heer aan de deur stond en zeer aandrong om seffens binnengeleid te worden.

--Hoe heet hij? vroeg Pezza, terwijl hij eene rij boeken altegaar binnen de planken van eene enge boekenkast sloot.

Hij toonde zich nu uitermate opgeruimd. Hij liet de dienstmeid niet uitspreken en, werkend aan eene nieuwe vracht, zei dat hij den heer ontvangen zou.

Het was een vreemdeling, in wijden pelsen mantel. Hij groette korrekt. Pastoor Pezza vingerde het stof van zijne handen weg en boog rustig. Hij schoof een stoel bij en ging zelf in den zetel zitten, vóor de schrijftafel. De vreemdeling bleef rechtstaan.

--Mijn bezoek, mijnheer Pezza, zei hij, belangt mij zóo weinig dat ik het onnoodig acht u mijn naam te noemen. Wat ik u te vertellen heb, heb ik, als een vreemdeling, vernomen en wil ik u als een vreemdeling toevertrouwen. Ik gis het belang voor u van het nieuws dat ik u breng, al kan het mij niet schelen welk gebruik gij ervan zult maken. Met betrekking tot het hoofd van de politieke volksbeweging, en ik weet dat gij dit hoofd zijt, heeft mijn bezoek eene gewichtigheid welke u niet ontsnappen zal. Iemand, mijnheer Pezza, meent te weten dat gij door mijnheer Dissel zijt omgekocht en dat gij het verraad van alle volksleiders voorbereidt.

Pezza bleef kalm en goedig-oplettend. Hij stond echter recht en verzocht den vreemden heer het bezoek als ongedaan te willen beschouwen, ten minste als hij niets van meerdere ernstigheid te vertellen had.

--Ik kan mij inbeelden, mijnheer, wedervoer de vreemdeling, dat een dergelijk gerucht u onverlet laat, maar de bron ervan hoop ik dat ge met meer belangstelling zult vernemen. Laat mij ongezegd de reden voorbijloopen, die mij dwingt u den man te noemen, welke u voor een verrader houdt. Ik heb die reden en tevens eene andere om u de eerste te verzwijgen. Een volksleider zelf is hij die u verdenkt, en zijn naam is Simon Peter. Gij kent hem.

--Waarlijk, zei zeer aandachtig pastoor Pezza, gij verwondert mij. En wat zegt Simon Peter dat hij weet van mij?

--Dat gij, tot viermaal, minister Dissel in uw huis hebt ontvangen, dat gij zijn knecht zijt en de ergste vijand van het volk.

--Grappig, mijnheer.

--Was mijn bezoek noodeloos?

--Geheel noodeloos, mijnheer. Zulke tijden zijn immers voorbij, mijnheer, en de politiek van een modern land berust, Goddank! op steviger gronden. Gij lijkt mij een Oosterling en niet zeer met deze noordelijke gewesten vertrouwd te zijn, neem het mij niet kwalijk. Het spijt me ook dat ge u niet bekend maakt, mijnheer. Ik zoude gaarne u meer ervan vertellen. Wat gij mij-- met de beste inzichten, en daar dank ik u voor--gezegd hebt, is een aardig, een alleraardigst mopje.

Onder meer liefelijk gesnap deed hij den vreemden heer uitgeleide, schelde de meid en groette minzaam. Toen liep hij bij Lucia en begon, op hare borst, te schreien als een kind.

III.

HET SCHRIJN MET HET GOUDEN HARTJE.

Mijnheer du Bessy, die tamelijk vroeg en seffens na de lezing van zijn morgenkoerier was uitgeloopen, kwam in den middag zeer opgeruimd thuis. Hij zag er uit als iemand die een groot gevaar voorkomen heeft en nu zich lekker en veilig voelt. Hij ging zich in zijne kamer flink aankleeden en besteedde een dik uur aan zijn diner-toilet. Toen riep hij den ouden Ko en vroeg waar Fran en Ernest zaten.

Juffrouw Francine was kort na het déjeûner met het poneymandje vertrokken, en mijnheer Verlat, die, in den ochtend, vroeger dan mijnheer du Bessy het huis verlaten had, was nog niet terug. De oude Ko moest mijnheer du Bessy verwittigen, zoodra een van beiden zoude inkomen.

--Ouwe jongen, sprak de baronet met ronkende voornaamheid, daar is hier vandaag een familiefeestje, namelijk--en ik hoop dat mijnheer Verlat u wat den tafeldienst en zoo al meer betreft, de noodige orders zal gegeven hebben--het naamfeest van mevrouw. Zorg er voor dat, ook vanwege het dienstpersoneel, de avond met wat bloemen en een woordje of anderszins, gelijk het u vrijstaat, opgeluisterd wordt. Het moet blijken, Ko, dat gansch het huisgezin, inbegrepen de keuken en de stallen, de goedheid van mevrouw naar waarde weet te schatten .... Gij hebt, oolijke vriend, over uw wezen een glimlach als een heimelijken sluier hangen, dewelke mij aan de vool herinnert van de beroemde Isis, vereerd en aanbeden in den tempel van Saïs. Deze Isis werd in andere oorden vergoddelijkt onder de lichtere gedaanten van eene Cinthia, eene Eilithyia of eene Artemis. Zult gij den sluier oplichten, snaak?

--Daar is alreeds voor gezorgd, mijnheer. Gij moogt voor zulke dingen, mijnheer, ten alle tijde op Ko berusten.

Mijnheer du Bessy knikte voldaan, bloosde even en ging, naast de eetzaal, in het gezellige spreekkamertje zitten. De waarheid was dat mijnheer du Bessy niet eens aan Vere's naamdag gedacht had en dat hij deze onachtzaamheid, die aan pastoor Doening niet ontsnapt was, op diens bescheiden aandringen gauw weer goed had gemaakt. Van pastoor Doening had hij een kort briefje ontvangen en hij was opgesprongen als door een bijangel gestoken. De geheele stad had hij op- en afgeloopen, een mooi geschenk gekocht en zijn eigen op geen oogenblik verweten dat hij eigenlijk aan eene beleefdheid, zooniet aan eenen plicht, was te kort gekomen. Hij voelde nu voor Vere eene liefde, een eerbied, die soms in heete aandoeningen opschoot naar zijn hoofd en in de hoekjes van zijne oogen kittelde. Feitelijk was hij het zich niet bewust, dat hij te weinig aan Vere dacht en uitsluitend aan de beminnelijkheid van eene blozende Henriëtte. Nu dacht hij aan Henriëtte in het geheel niet meer, en het mag gezegd dat deze uitstekende man geen hoofd had, waar te gelijk twee peinzende beelden konden leven, en geen hart dat tweevoudig bij verscheidene gevoeligheid kon slaan.

Hij zat vóor het ronde tafeltje en Francine, die kort daarop binnenkwam, vond hem in groote beslommeringen bezig met het opstellen van een feestmadrigal.

--Oomken, vroeg ze terwijl ze boog over hem en met frissche lippen een vluggen zoen op zijn voorhoofd lei, wat maakt ge dat u zoo zwijgend houdt?

Hij lachte luid en dook onder zijn arm het kleine blad, waar rekewijs de korte verzen vlekten. Hij beeldde zich in dat Francine, die hem van Vere's naamdag niet gesproken had, voor hem en voor allen de bereiding van eene lieve verrassing verborgen hield. Hij wilde daarom geheimzinnig doen en het voorkomen hebben van een die de slimste en onverwachtste doening op touw stelt. Hij deed het met die gewone kinderlijke naïefheid, welke gansch zijne sluwheid was. Hij keek in de groene oogen van zijn nichtje en merkte er de groote verlegenheid, die trillend en schroomvallig erbinnen waterde.

--Luister, vertelde hij na een tijdje, we mogen er wel wat van aan mekaar toevertrouwen. Zullen we niet? Zeker zullen we dat. Wat zijt ge een schavuitig duikertje, kind! Wat zijt ge een duikertje om in te lijsten, zooals in die bleekroode lekstokken, die men ook paddestoelen of stampers noemt, en die ik in mijne kleine jeugd zoo dolgaarne mocht! Wel, wel! hoe hebt ge mij dat allemaal in 't geniep kunnen schikken! Maar, sphinx, ik heb u doorgrond. Ik heb al dikwijls de blosjes beloerd, die het naarstig bedrijf van uwe paarlemoeren vingeren verkonden .... Knik niet, schud niet. Ik ken u. Ge zijt zooals de gulden Lucina, die nooit meer dan eene helft van haar glanzend wezen laat zien, maar algelijk niet beletten kan dat men de andere helft gaat gissen. Of misschien zijt gij het monsterachtige masker, dat de waarheid met een kunstmatigen schijn verbergt? .... Licht of verve, ik zie u, en ik ken u. Gij zijt een minzaam zusje en gij poetst, ter eere van eere, met het fluweel van uwe liefde het goud van uw hart. Zoo doen in stilte de vrome begijntjes: ze poetsen de gele kandelaars, wanneer de processie ommewandelt, en zingen alzoo de glorie van hun God .... Poets maar, snoezig begijntje, en wend u niet af van mij--want, in waarheid, gij duikt u te vergeefs: alreeds heeft de gloed van den klaren kandelaar u verraden.

Francine had zich neergezet rechtover hem. Ze blikte angstig op en wonderlijk trilden hare lange wimpers.

--Zie, zeide mijnheer du Bessy, het blad blootleggend waarop hij zijn kompliment wilde neerschrijven, hier ligt de helft van een madrigal, dat maar niet tot een geheel wil gedijen. Ik draag het aan die goede Vere op. Het zal bij haar, de inschikkelijkste aller vrouwen, met goede uitkomste, naar ik hoop, de lompheid inleiden van het geschenk dat dees oogenblik in de linkerlade van mijn secretaire ligt opgesloten en dat ik u niet zal laten zien, vooraleer ge mij met al uwe eigen verrassende kunstgrepen zult bekend maken.

Het ernstig gezichtje van Francine bleef nog een poosje onveranderd opstaren naar het jolig gezicht van mijnheer du Bessy. Toen zeeg het voorover op de tafel in hare beide handen en schokte lijdelijk opwaarts in snikken los.

Mijnheer du Bessy was zeer aangedaan. Hij vernam nu dat, evenmin als hij, Francine het naamfeest van Vere indachtig was geweest en dat ook zij een kiesch briefje van pastoor Doening had ontvangen. Mijnheer du Bessy werd uitermate beschaamd, en zijn geweten dat over het algemeen weinig streng was, schoot op met eene hevigheid, welke hem van kop tot teen deed schrikken. Hij overkwam die emotie tamelijk gauw, en Francine insgelijks was niet zóo diep getroffen dat ze langer dan een kort tijdje met haar leed moeite had. Vijf minuten later zaten beiden nevenseen te keuvelen. Mijnheer du Bessy bracht zijn madrigal tot een galant einde en Francine teekende op den omslag van Doening's brief de schikking van de tafel, de stelling der bloemen en de plaatsing van de vierende familie. Naderhand liepen zij leutig de trap op, en mijnheer du Bessy die eerstens zijn geschenk had uitgehaald en het zelf in een vloed van woorden had geprezen, mocht nu de geschenken van Francine zien, waaromtrent hij, met de hulp van al de Olympische goden, lucht gaf aan eene geestdriftige en overdadige bewondering.

Onderwijl zat mevrouw Verlat bij de wieg van haar kind.

Het wichtje kwam niet goed op. Het lag klein en zwakjes in de kanten, sliep korte wijlen, om dan in pijnlijk gekreun weer troostloos zich uit te rekken. Het roerde zijne bevende vuistjes en pootelde wanhopig over de witte dekens. Het werd iedermaal blauw-rood en vroege rimpels gaven hem het uitzicht van een zonderlingen ouderdom. Vere omringde het met de zoetste zorgen, was nooit moe, nam het op en suste het in hare armen. Soms zweeg het tegen de warmte van hare borst, en telkens had zij dan het wijde gevoel dat de eindelooze kracht van het leven is en de bitterste moederlijkheid maakt tot een dankbaar genot.

Tweemaal overdag kwam de dokter bij haar. Hij zei dat het kindje gauw flink zoude worden; hij betastte en beluisterde dat nietig lijfje, waarlangs het roze vleesch onvast en rauw te slodderen hing; hij knikte voldaan met zijn groot warm-levende hoofd en, daaronder, lag, gelijk een naakt diertje, het kind, haar zoete kindje langzaam en spartelend. Zij bekeek hem strak. Zij wantrouwde zijne woorden, wilde in zijne oogen de waarheid lezen die zij nergens raken kon, en hij vertrok met die waarheid die een geheim was geworden. Nochtans ondervroeg Vere hem nooit. Na 't geen hij altijd zei van haar kind, voelde zij dat zij niets meer vragen kon. Hij kwam op gelijke uren terug, kwam soms in de lauwe kamer met, om zijn groot lichaam, de levendige frischheid van den buiten. Soms was hij rood en gloeiend, alsof hij gehold had, al roepend, over eene weeke winterweide. Steeds, hoe het haar ook docht dat hij een uitzicht had, bracht hij, boven het zieke wichtje, de onverschillige vormen van eene zware gezondheid die haar als een lompe ikzucht voorkwam.

Het kindje sukkelde.

Dikwijls sprak zij met Ernest erover. Hij vond ook dat het kindje niet sterk was; maar, zeide hij, andere kinderen meer zijn alzoo, en sommige, die later stevige kerels worden, zijn slapper en ziekelijker dan dit. Hij meende dat zij zich het geval te veel aantrok en dat, zekerlijk, het kind goed gebouwd was, dat het, na een tijdje, ineens en ganschelijk bovenop zoude geraken. Zij geloofde hem gaarne, en ze ging stille lachen over de wieg en sprak het wichtje toe met diepe innigheid.

Eens vroeg ze:

--Ernest, ge hebt toch ons kindje lief, niet waar?

Hij knikte gretig en kuste haar, en ze moest beloven dat ze nooit meer zulke akelige dingen wilde vragen. Ze geloofde hem; maar een andere maal scheen het haar dat hij in de kamer, evenals de dokter, eene ongevoelige gezondheid bracht. Zijn adem was koel en ruchtig, en een geur van landelijke winden walmde om hem. Zij wilde raden dat hij was uitgereden te paard. Hij vond dat ze geheel onzinnig was.

--Ik begrijp u waarlijk niet meer, sprak hij streelend, gij zegt bijtijden zulke rare woorden. Ik ben in geen drie dagen uitgereden, en vandaag ben ik niet eens uit den huize geweest. Hoe komt ge aan die zotte gissingen? Gisteren hebt ge mij gezegd dat mijn haar naar een verschen hooiopper rook ....

Zij was verlegen en ging tegen hem aanleunen. Vandaar blikte ze naar het kindje en, daar het sliep bevallig, liet zij eene stilte komen, waarbinnen het getik van het schouwhorloge als een trage regen neerdruppelde.

Zij kon zich zelf moeilijk rekenschap geven van de zonderlinge gevoelens die, dikwijls met eene scherpe raakheid, massale gestalten werden in de wereld van haren geest. Het beeld rees op in klare zelfstandigheid, en precies op de eenige zwelling van haar onrustig hart. Het beeld werd, uit een stuk als het ware, uit heur hart op, in haar geest geworpen, en zij verwonderde zich telkens zelf dat het daar stond met harde vormen, vlug en onbedriegelijk. Zij wilde zich gewennen aan het idee, dat dit alles buiten de werkelijkheid om gebeurde, en dat het ontastbare verzinsels waren, die redeloos ontstonden en bij den minsten toets zouden vergaan. Maar tegelijk voelde zij dat zijzelf niet méer bestond dan de figuren van hare angsten, van hare vertwijfeling en van haar leed. Zij beredeneerde dat niet verder. Wat, na alles, overbleef was eene lastige onzekerheid die soms den dokter in hare oogen tot een vijand maakte en Ernest tot een vreemdeling.

Op een morgen schreef ze aan haar vader dat zij hem gaarne eens wilde zien. Ze meende dat zij in zijne aanwezigheid rustiger zoude worden en hoopte dat zijn blik, zijn woord, zijn goedig gebaar het vertrouwen moest weergeven dat zij in haar eigen niet meer hebben kon. Dit was een ongelukkige inval. Lieven Lazare antwoordde haar per omgaanden bode dat hij zich zeer verheugde over den goeden staat van hare gezondheid en dat hij in zijne gebeden het wichtje herdacht, dat nu gauw weer goed kon opknappen. In zijn vreemden brief, die zeer keurig opgesteld was, deed hij tevens zijn voornemen kennen om maar liefst van alles en allen verwijderd te blijven, die in zijn geheugen "de dochter van vroeger" terugwekten.

--"Het zoude mij spijten," schreef hij, "als gij mijn bezoek op dien droeven dag van Oktober, voor meer dan eene beleefdheid gingt aanzien, mij opgelegd door een onverwachtsche verwikkeling van zeldzame omstandigheden. Een daad heeft eene beteekenis als zij goed bedacht eenerzijds, en anderzijds goed begrepen wordt. Ik kan niet zeggen--en hieraan heb ik schuld--dat ik mijn daad goed bedacht heb. Mits haar te bedenken, zoude zij mij waarschijnlijk evengoed bij u gedreven hebben, maar zij ware dan begrijpelijker geweest in uwe oogen. Eergisteren is Johan Doxa mij komen overvallen. Hij ziet er zeer ellendig uit. Hij sprak me dadelijk van u. Toen heb ik hem gevraagd dat ik mocht verschoond blijven van alle zinspelingen of gebaren, welke mij herinneren konden aan iemand, die thans te vergeefs een hart wil herwinnen dat zij zelf voor altijd gebroken heeft. Verschoon mij eenderlijk, Veronica. Ik zeg niet dat ge mij een vreemdelinge zijt. Ik vrees echter dat gij het worden moet, zoodra ik u zal naderkomen."

Vere had geweend.

Pastoor Doening, wien zij des anderen daags den brief overhandigde, troostte haar zoo goed als hij kon. Zulke handelwijze, zei hij, was wezenlijk merkwaardig.

--Van wege een ander man, mevrouw, zoude zij mij nochtans meer dan van dezen verwonderen. Hij is wild. De vele rampen van het leven hebben een ruig uitzicht gegeven aan dat edel en fijngevoelig wezen. Ik durf hem niet gelijk geven en wil allerminst eene weigering verontschuldigen, die mij in dees geval geheel misplaatst voorkomt. Maar zeker weet hij niet hoe misplaatst zij is. Het zal u, bij dezen brief, gedocht hebben dat uw vader zich den stap beklaagd, welken hij, op het eenig teeken van zijn hart, uwaarts gedaan heeft. Dàt doet hij niet. Maar hij is zeer beschaamd en hij meent dat men hem eene zwakheid zal verwijten, daar waar men alleen hem voor zijne goedheid dankbaar is. Zooals kinderen in de donkerte met zingen hunne vreeze paaien, zoo wil hij in eene schijnbare ongevoeligheid de sporen smoren van wat hij zijne zwakheid noemt. Geloof hem niet, of liever: geloof wat gij daar ziet van hem en raden kunt, en let niet op zijne woorden.

Zij beproefde het moedig. Met pastoor Doening kon zij vertrouwelijk omgaan en nooit kwam hij onverlangd. Zij begreep dat zij voor hem geen raadsel was, dat hij met de vezels van zijne fijne hersens de minste trillingen raakte die beefden over haar. Lang bleef ze zonder met hem over Ernest te spreken; maar omdat hij, met tastelijken willekeur, zich onthield ooit de eerste Ernest's naam te noemen, voelde ze dat hij hare angstigheid inzag.

Op een avond, kort na de herstelling van haar kraambed, zat ze rechtover pastoor Doening rond den hoogen haard van de eetzaal. Francine had met Simon Peter een damesspel opgezet en mijnheer du Bessy was met Ernest naar den schouwburg.

--Pastoor, zei Vere, hebt ge, meer dan eens en elders ook dan hier, mijnheer Sörge gezien?

--Ik heb hem een paar malen elders ontmoet, mevrouw. Hier komt hij dikwijls.

--Ja, hij is een goede vriend van Ernest. Ernest houdt heel veel van hem. Vindt ge dat jammer?

--Ik weet het nog niet, sprak langzaam pastoor Doening, onderwijl diep in de oogen blikkend van mevrouw Verlat; Sörge is een jongmensch dat men zoo niet ineens doorgronden kan. Wat ik echter jammer noem, is de zoo goed als volkomen verwaarloozing van Simon. Ik geloof niet dat Ernest ooit een beter vriend treft dan Simon, en dan zie ik met leedwezen en eenigszins met verwondering dat de vriendschap voor mijnheer Sörge geleidelijk de verwaarloozing van Simon nasleept. Dat alles komt natuurlijk terecht, indien mijnheer Sörge een goede vriend is, en daaraan zult gij het merken, mevrouw.

--Gij spreekt mijnheer Sörge zelden aan ....

--Het is mijnentwege onrechtvaardig hem zóo zelden aan te spreken dat gij het opmerkt; maar ik heb waarlijk geen reden om hem vaker aan te spreken.

Zij zwegen dan eene lange poos en naderhand, alsof hare vraag daarmede in verband stond:

--Ernest, vroeg ze, zoude liever een dochtertje gehad hebben, dan het zoontje dat hij nu heeft, denkt ge niet?