Het intieme leven der vogels

Part 9

Chapter 94,099 wordsPublic domain

In het laatst van Mei houdt dat op. De nachtzwaluwen, die er dan zijn, blijven en dat zijn er dikwijls nog zooveel, dat één vallei twee of drie nachtzwaluwparen herbergt. Het is dan ook niet ongewoon, dat er bij de ruïne van Brederode een half dozijn tegelijk rondvliegen.

De wijfjes snorren net zoo goed als de mannetjes. Nog op klaarlichten dag heb ik er een zien ratelen op een grenspaal midden in ’t duin. Toen zij opvloog was daar duidelijk te zien, dat staart en vleugels geen witte plekken vertoonden.

Maar het mannetje kan meer. Vooreerst snort hij langer en luider en mooier dan ’t wijfje, altijd zittend. Dat wisselt hij af met zeer mooie vliegtoeren, op en neer en zijwaarts, in razende vaart en dan op eens dat prachtige stilstaan in de lucht: het bidden. Een minuut lang blijft hij op dezelfde plaats, de lange vleugels gaan zoo snel op en neer, dat ze nauwelijks meer te zien zijn, een geweldig vertoon van kracht, maar zonder eenige suizing of geluid.

Ik heb het wel gehad, dat hij dat vlak voor mij kwam doen, terwijl ik door de duinen liep en ik kan u verzekeren, dat het een zeer bijzondere gewaarwording is, zoo van nabij op den keper bezien te worden door een biddende nachtzwaluw. Flap! deden de vleugels, en meteen was hij ervan door.

Wat kunnen ze met de vleugels slaan! Vier, vijf keer achtereen, een echt houtig geklepper. De vleugels komen niet tegen elkander, ’t is meer een zweepgeluid dan een kleppergeluid; ik heb ook dikwijls genoeg gezien, dat het met horizontaal uitgespreide vleugels werd voortgebracht. In die kleppervlucht wordt ook het meest den roep: „koeiek, koeiek” gehoord.

Nu neemt de vogel opeens een zwaai, raakt den grond en gaat nu langs den effen bodem voort, dertig meter ver, half loopend, half springend en vliegend. De lange vleugels blijven voortdurend uitgespreid, slaan nu eens tegen den grond, dan weer in de lucht, altijd met veel geraas, terwijl de vogel ook nog afwisselend roept en snort. Dat is de hoogste opgetogenheid.

Het wijfje zit daarbij op den grond goedkeurend „tuk, tuk” te roepen en komt bij de laatste parade ook wel een paar stapjes tegemoet.

De eieren worden gelegd op den kalen zandgrond, nooit meer dan twee. Ze zijn van alle andere vogeleieren direct te onderscheiden, doordat het haast zuivere ellipsoïden zijn: er is bijna geen onderscheid in kromming tusschen de beide polen. De schalen zijn dof, witachtig met groote waterverfachtige, grijze vlekken; in den regel verschillen ze in kleur en teekening.

Ze worden 17 of 18 dagen bebroed door het wijfje en ’t mannetje, natuurlijk door het wijfje ’t meest en overdag evengoed als ’s nachts. Wanneer de eene vogel overdag zit te broeden, rust de andere meestal een heel eind verder. Het zou voor de hand liggen, dat hij, daar hij toch niets anders te doen heeft, de broedende vogel gezelschap zou houden, doch dat heb ik maar eens gezien.

En toen begreep ik meteen, waarom ze dat zoo weinig doen: één nachtzwaluw blijft licht onopgemerkt, maar wanneer twee van die groote, precies op elkaar gelijkende vogels (altijd behoudens de witte vlekken) zoo vlak bij elkaar zitten, dan vallen ze meteen in het oog.

De jongen zijn in de eerste dagen bedekt met fijn dons, maar voordat ze een week oud zijn, beginnen zich reeds de eigenlijke veeren te vertoonen. In hun donskleed zien ze er nog al ruig en haveloos uit. Zoodra echter de dekveertjes en pennen zich gaan ontwikkelen, worden ze onbeschrijfelijk prachtvol en lijken het allerkeurigst uitgedoste dametjes.

Elk veertje is een kunststuk op zichzelf, met echt Oosterschen rijkdom van teekening, vol arabesken en meanders in de allerfijnste kleurschakeeringen. Ze zijn geschikt in pluimen en festoenen, op den kop een kuifje van streepjesveeren, een fijn manteltje over den rug en neerhangende veeren om de flanken. Onze foto geeft een zeer goed begrip van dat weelderig kostuum.

Het is niet gemakkelijk, die jonge vogeltjes te vinden. Het beste is, bijtijds te zoeken naar de eieren—die zie je gemakkelijker dan jongen—en dan dag aan dag de lotgevallen van de familie na te gaan.

Ook dit is nog lastig genoeg, want als de kleintjes wat opgroeien, worden ze ’s avonds ook al beweeglijk en loopen zij hun ouders tegemoet, als die ze komen voeren en zoo bevinden ze zich dan ’s morgens op een heel andere plaats dan ’s avonds. Toch kunt ge er meestal op rekenen, ze binnen een kring van 25 meter weer te vinden.

Heel in den eersten tijd, als ze zelf nog niet mans genoeg zijn, om te gaan rondwandelen, worden ze wel door de ouden versjouwd. Dat heb ik eens gezien. De oude vogel kwam bij het jong zitten en gaf hem telkens een duwtje, terwijl hij onophoudelijk „tuk, tuk” zei. Het jong piepte wat tegen, maar moest toch toegeven en werd zoo door den ouden vogel langzamerhand anderhalven meter op zij geduwd naar een plekje, dat zeker meer veiligheid bood.

Toen pakte ik het jong op en zette het een meter of vijf verder neer. Dat was een paniek. De oude schoot heen en weer, vloog mij rakelings langs het hoofd, ging snorrende op den grond zitten, liep klapwiekend voort, meestal met een vleugel hoog in de lucht, daarbij telkens struikelend en duikelend.

En toen ik mij weer in ’t bosch verscholen had, bleef hij nog een poos snorren en liet het jong waar ik ’t gezet had. Daar zat het een uur later nog en daar werd het ook door de oude gevoerd.

Dat voeren gaat heel mooi. De oude vogel komt bij het jong zitten. Dit is al levendig geworden, zoodra het zijn moeder zag en loopt nu schommelend op de oude toe. Deze doet den bek open en nu steekt het jong zijn heele kop erin, om zijn voedsel te bemachtigen. Het lijkt dan heusch alsof de oude vogel zijn jong gaat verzwelgen.

Zelfs als de jongen reeds lang kunnen vliegen, worden ze nog door de ouden gevoerd, maar altijd zittend. Nog nooit heb ik gezien, dat ze in de vlucht gevoerd werden, zooals dat bij de echte zwaluwen geschiedt.

Van het trekken der nachtzwaluwen heb ik weinig gezien, niets anders, dan dat in het laatst van September op een avond een gezelschap van zeven van deze vogels voor mijn voeten opvloog. Ze reizen ’s nachts, in kleine troepen.

DE GRIEL.

Wanneer ooit een vogel miskend of mishandeld is door taxidermisten en teekenaars, dan is het wel deze aardige steltlooper. Ze weten nu eenmaal, dat hij groote uilenachtige oogen heeft, een ranke gestalte en hooge, dikke pooten en daarom moet er dan maar meteen een karikatuur van gemaakt worden. Misschien hebben de literateurs onder de ornithologen wel een weinig overdreven, als zij uitweidden over de zonderlingheid van dezen vogel, met name Selous, die hem verwant verklaart aan Don Quichotte en den Markies van Bradwardine.

Nemen wij nu uit onze collectie photografieën van den vogel, bukkend bij zijn eieren, dan valt daar wel wat voor te zeggen, want dat dier heeft wel wat van een berooid edelman. Doch dat ligt in dit geval toch meer aan het onvolkomene van de foto en de minder gelukkige pose. Wanneer de Venus van Milo eens instantané gekiekt had kunnen worden op ’t oogenblik, dat ze juist beginnen zou, om over een sloot te springen, dan zou dat er ook gek genoeg hebben uitgezien.

Maar zie nu eens de foto van den broedenden vogel. Waar blijft nu Don Quichotte of de Hansworst uit de vogelcollectie?

Welk een edele, rustige houding. Hoe heerlijk wordt het groote oog omgeven door de sierlijk gebogen oogleden. De schedel welft hoog over het oog heen, de hals ontspringt stevig uit den romp. De korte rechte snavel met de duidelijke neusopening is volkomen gebalanceerd en de wijde mondspleet, die evenals bij de nachtzwaluw tot onder de oogen doorloopt, wordt tegelijk aangeduid en verborgen door een rij van stijve veertjes.

Zie, wat mooie partijen gevormd worden door de veeren van den mantel en de dekveeren van de vleugels. Hun sobere kleuren, geelgrijs met bruin, worden heel even afgewisseld door de witte streep op de vleugels en het wit en zwart van den staart. Daardoor komt wat afwisseling in de grijze schutkleuren, ja, daardoor wordt de vogel des te beter beschut, want nu worden de eigenlijke omtreklijnen verbroken en vervormd, zoodat op eenigen afstand de gewone vogelcontour bijna niet is op te merken.

Een prachtige vogel is de griel; op zijn minst even mooi als een wulp, een scholekster of een kievit, en stellig beter geproportionneerd dan de twee eerstgenoemde langsnavels. En met de dikheid van de pooten of van de hielen is het lang zoo erg niet, als wel verteld wordt; die valt bij de jonge vogels het meest in ’t oog, maar er zijn wel meer jonge vogels met logge, dikke pooten.

Ik heb de foto van den broedenden griel vergeleken met de gekleurde platen in een paar van de beste vogelboeken en met zeer groote verbazing en consternatie gezien, dat die zeer sterk van de waarheid afwijken. Die gekleurde platen zijn meestal gemaakt naar opgezette vogels. In den regel zijn die voorbeelden niet goed opgezet. De artist weet dat en al naar zijn kennis van vogels „verbetert” hij dan in zijn schets het opgezette exemplaar en zoo krijgen we dan de fantasie-afbeeldingen, die in hoofdzaak wel eenig idee geven van vorm en kleuren dier vogels, maar eigenlijk toch allerdiepst gewantrouwd moeten worden.

Ongetwijfeld zal de vogel-fotografie, zooals die thans in vele landen met vlijt en succes beoefend wordt, groote verbetering brengen in de illustratie van ornithologische werken en zullen naar ik hoop binnen een tiental jaren de paskwillen van thans vervangen zijn door goed werk.

Dat goede werk kan slechts gedaan worden door artisten die gebruik maken van de photografieën en van de methode der photografen. Vooral het laatste is van belang: niemand kan een vogel schilderen, die niet uren lang met den verrekijker voor het oog den vogel in zijn doen en laten heeft gadeslagen.

Het observeeren van grielen is gemakkelijk genoeg, als men maar eerst weet, waar ze zich ophouden. In ons land komen ze meest voor in de duinstreek tusschen Den Haag en Den Helder, vooral in de Schoorlsche en Berger duinen en in de duinen van Velzen en Bloemendaal. Ieder jaar hebben we hier eenige broedende paren; in 1903 heeft een grielenpaar zelfs een zekere beroemdheid verworven door te broeden in Aardenhout, vlak bij een drukke villabuurt met de electrische tram en al den aankleve van dien.

Er wordt in de boeken altijd hoog opgegeven van des grielen schuwheid. Hij is echter volstrekt niet schuwer dan een wulp of een kraai en dat hij door zoo weinig menschen gezien wordt, ligt hem alleen aan de zeldzaamheid van den vogel en aan de zeldzaamheid van de menschen, die er werkelijk eens een paar uur voor over hebben, om te probeeren, hem te zien te krijgen.

De griel is een nachtvogel. Dat is nu eigenlijk niets bijzonders, want de meeste vogels zijn nachtvogels gedurende den voorzomer. Eigenlijk is het dan nooit nacht, theoretisch is de avondschemering niet eens geëindigd, wanneer de morgenschemering reeds begint. De steltloopers zijn den heelen nacht bezig in de weiden en aan de zee, en een groot aantal zangvogels blijven voortdurend monter of rusten alleen een uurtje vóór en na middernacht.

Het eenige verschil is, dat sommige vogels op den dag meer rusten of slapen dan andere, en in dit opzicht gedraagt de griel zich dan ongeveer zooals de uilen en de nachtzwaluw. Geen van deze vogels rust echter den geheelen dag, eigenlijk kunt ge ze op alle uren wakker en vliegend aantreffen.

De groote vogels van het duin komen alle van tijd tot tijd naar de vlakte, hetzij om voedsel te zoeken op de weilanden, hetzij om te baden en te drinken. Vroeger, toen de duinen waterrijk waren, geschiedde dat misschien in mindere mate, maar thans is het een onvermijdelijke noodzakelijkheid.

De voornaamste punten van aantrekking zijn het Brouwerskolkje, het meertje van Berkhout en de slooten en weteringen nabij de ruïne van Brederode. Langs vaste wegen begeven zich kneutjes, piepers, grasmusschen, lijsters, scholeksters, kieviten, wulpen, nachtzwaluwen en grielen naar deze drinkplaatsen en ik behoef maar een paar uren de wacht te betrekken in een bepaalden bergpas, om een overzicht te krijgen van de vogelbevolking van het duin. Wanneer de weinige drinkputten, die zich nu nog in sommige valleien bevinden, zijn uitgedroogd, wordt dat overzicht natuurlijk nog vollediger.

De griel gaat laat in den avond naar zijn drinkplaats en is dan in ’t voorbijgaan het best te herkennen aan zijn geschreeuw, dat wel wat heeft van het „tloei-iet” van den wulp, maar schriller en scherper is. Smaken verschillen: de beroemde Engelsche ornitholoog Newton noemt den kreet van den griel veel zoeter en welluidender dan die van den wulp, maar in die meening staat hij vrijwel alleen.

Er is in de eerste lettergreep iets krassends, in de tweede stijgt de toon zoo hoog, dat het trommelvlies er dikwijls onaangenaam door wordt aangedaan. Soms is er heel goed „scharr-luup” uit te maken en ook wel „grie-iel”, want beide volksnamen van den vogel zijn nabootsingen van den roep.

Onder het vliegen ziet de griel er ook heel anders uit dan de wulp: zijn staart lijkt langer, de nek is ingetrokken, zoodat de kop met den korten snavel slechts weinig buiten de vleugellijn uitsteekt; op de vleugels is veel wit te zien van de dekveeren en van de kleine slagpennen, ook worden de vleugels veel sneller bewogen en vliegt de vogel laag bij den grond en in een rechte lijn. Wie op al deze dingen let, kan gemakkelijk op een helderen avond zijn vogel herkennen.

En dan een van de volgende dagen het duin in, om zijn woonplaats te ontdekken. Duin op, duin af, de valleien doorkruist in hun lengte en breedte of, als het marcheeren vermoeit, een uurtje rust genomen op een duintop met een wakend oog naar alle zijden. Niet te gauw den moed opgeven en dankbaar aanvaard, alles wat ongezocht zich aan de blikken vertoont.

Let vooral ook op de voetsporen in ’t zand. Wat is er op de open plekken veel te lezen! Hier hebben fazanten geloopen, ginds trippelde een leeuwerik, daar ging een hermelijn zijn kronkelweg of tobde een logge pad op tegen een hellinkje. Een kraai drukte hier zijn scherp geteekende voetballen in ’t zand, een mestkever maakte er een dubbele rij van hoekige figuren. En hier is ook het grielenspoor. Drie teenen staan scherp afgeteekend in den grond, de middelste het grootst, de buitenste bijna de helft kleiner. De voetzool zelf is ook duidelijk afgedrukt, op rulle plekjes zelfs de verbindingsvliezen tusschen de teenen behoorlijk verantwoord.

Nu verdubbelt onze opmerkzaamheid en spoedig zien we den vogel voor ons opvliegen. Hij neemt nog al een langen aanloop en als hij eenmaal vliegt, duurt ’t nog een poosje, voordat hij de lange, groenachtig gele pooten behoorlijk opgetild en tegen den staart achterwaarts gestrekt heeft. Nu hij langs het groene berkenboschje vliegt, valt hij heel duidelijk in ’t oog met zijn warme bruingele kleur en het vele wit op de uitgespreide vleugels. Maar als hij neerstrijkt op het schaars met grauw mos begroeide zand, is hij moeilijk te onderscheiden van de omgeving en wanneer we hem niet hadden zien neerkomen, zou hij voor ons onzichtbaar zijn.

Hij staat een poosje stil, mooi rechtop, flink rondkijkend. Dan zakt hij langzaam ineen, zijn hielen knikken achterwaarts en nu zit hij vlak op den grond, juist zooals scholeksters zoo gaarne doen. Zoo blijft hij zitten, als wij de plek voorzichtig besluipen, en eerst als we dichtbij zijn, staat hij op en loopt weg met den hals vooruitgestrekt en den kop omlaag.

Blijven we nu stilstaan, dan gaat hij ook weer zitten of zelfs liggen, met hals en kop vlak tegen den grond. Dan is hij op den bleeken duinbodem weer bijna onzichtbaar.

Het best gelukken de waarnemingen in de nabijheid van het nest. Eigenlijk kan van een nest niet gesproken worden, want de eieren liggen zoo maar op ’t zand in een heel ondiep kuiltje, dat niet opzettelijk wordt gemaakt, maar langzamerhand ontstaat door het neerzitten van den vogel.

Zooals de eieren daar liggen, vallen ze heel goed in ’t oog. Ze lijken in ’t geheel niet op den bodem of op de voorwerpen in hun omgeving. In andere streken en andere landen bewoont de griel bij voorkeur steenachtige vlakten en het heet, dat zijn eieren daar precies gelijken op keisteenen. Dat is bij ons in ’t geheel niet het geval. De eieren worden op open plaatsen meteen opgemerkt, mijn eerste griel-eieren zag ik al liggen, toen ik er nog wel een vijf en twintig meter vandaan was.

Het is heel merkwaardig, dat bij de griel, evenals bij de nachtzwaluw, de beide eieren dikwijls verschillen in kleur en teekening. Op de foto met de staande griel is dat zeer duidelijk. Deze omstandigheid bemoeilijkt wel eenigszins het opsporen van de eieren, want natuurlijk zou men ze veel eerder opmerken, als ze allebei even licht, even donker en op dezelfde manier gevlekt en gestreept waren.

Wat is het toch dom, om die eieren op te rapen, mee te nemen, en dan al of niet uit te blazen en te bewaren. Met deze opmerking bedoel ik niets kwetsends voor de echte oölogen, die met veel vlijt en kennis een eiercollectie bijeenbrengen en door zorgvuldige bestudeering van vorm en kleur der eieren allerlei mooie wetenschappelijke ontdekkingen doen. Integendeel, hoe meer ik hen helpen kan, hoe liever.

Maar de gewone eierverzamelaar sticht weinig nut. Toch is hij nog altijd beter af, dan iemand die in ’t geheel niet om vogels, nesten of eieren geeft. Maar het zou toch veel beter zijn, als hij de eieren liet, waar ze waren en zich tevreden stelde met nauwkeurige notities van tijd en plaats en een beschrijving van de voorwerpen, liefst geïllustreerd met een foto.

Ik ken al veel liefhebbers, die op deze manier werken en die zoodoende een verzameling van feiten krijgen, die heel wat meer waard is dan de traditioneele verzameling van leege doppen.

Deze algemeene beschouwingen vloeien mij uit de pen, nu ik mij herinner al het genoegen, dat ik beleefd heb, door een paar grieleneieren rustig op hun plaats te laten. Nu kon ik, zoo vaak mijn vrije tijd mij de gelegenheid er toe gaf, rustig langs bekende paden de plek besluipen en reeds van verre het nest in den kijker nemen.

’s Morgens bij zonsopgang zat altijd strijk en zet de vogel op de eieren; ook in den laten avond, en ik twijfel er niet aan, dat ze den ganschen nacht zonder ophouden bebroed worden. Tusschen achten en twaalven echter waren de eieren vaak onbedekt. Zonder noodzaak, zonder opgeschrikt te worden, verliet de vogel het nest, om rond te gaan loopen in de omgeving. Aardig was het om te zien, hoe hij, onmiddellijk na het verlaten van ’t nest even stilstond en dan één voor één de vleugels uitstrekte, zijwaarts en omlaag en heel wijd uit, juist zooals scholeksters doen. Er is heel veel overeenkomst in het gedrag van scholeksters en grielen.

Dan kwam ook nummer twee opdagen: buiging en begroeting en daarna gingen beide samen wandelen: zij aan zij, het mankeerde er nog maar aan, dat ze elkaar een arm gaven en de verleiding was sterk, om er een gesprek bij te fantaseeren. Dat mannetje en wijfje bij de vogels stilletjes en innigjes naast elkaar zitten, gebeurt dikwijls genoeg: let maar eens op meezen en duiven. Maar dat ze met elkander echt uit wandelen gaan, heb ik alleen bij de grielen gezien; bij de eenden lijkt het soms zoo, maar dat is eigenlijk toch weer anders.

Op ’t heetst van den dag werden de eieren weer trouw bebroed en bij het dalen van de zon, tegen half vier, kwam er weer verpoozing; echter zonder gezellige wandeling; nummer twee deed zeker ergens een dutje. In den avond waren beide vogels weer present en dan wisselden ze elkander zeker niet af met broeden, want ik zag, dat de op het nest zittende vogel door den ander gevoerd werd.

Het was niet gemakkelijk, zeer dicht bij het nest te komen. Blijkbaar heeft de griel een verbazend fijn gehoor: ik kon hem nooit dichter naderen, dan tot op twaalf meter en dan nog wel door een boschje. Hij bleef dan stil zitten zonder eenige beweging tot op het laatste oogenblik. Andere vogels draaien in zulke gevallen met den kop, kijken rond of geven andere teekens van ongerustheid. De griel echter niet; die loopt ineens weg, zonder overhaasting maar toch zeer snel en zonder om te zien. Hij vliegt dan ook niet op, maar hij kruipt tegen den grond, zoodra hij meent buiten gevaar te zijn. En de twee eieren liggen dan open en bloot op den kalen zandgrond.

Eigenlijk deed hij veel verstandiger met stilletjes te blijven zitten, want in onze geel-grauwe duinen valt de vogel veel minder in ’t oog dan de eieren. Dat instinct van wegloopen heeft zich stellig ontwikkeld op de steenige vlakten, waar de eieren minder in ’t oog vallen. Wij mogen vooral niet vergeten, dat er al lang grielen op de wereld waren, voordat onze duinen bestonden en dat wij dus de gewoonten van den vogel niet mogen beoordeelen in verband met onze duinen, die door hem aanvaard zijn als een surrogaat voor steppen en woestijnen.

Op een morgen vond ik noch mijn griel, noch de eieren en ik begon reeds de verzamelaars, of de kraaien, of de hermelijnen te verwenschen. Maar toen ik naar het broedplekje stapte, om in somberen weemoed nog eens de plaats aan te staren, waar ik zooveel liefs genoten had, vloog de griel een meter of tien van mij af schreeuwend weg—naar ik meende, geheel tegen zijn gewoonte—en toen zag ik voor mijn voeten, precies op de aloude nestplek twee jonge grieltjes liggen. De doppen waren verdwenen.

Geen wonder, dat ik ze eerst niet had opgemerkt. Dit zijn nog eens schuilkleuren! Daar haalt de nachtzwaluw niet eens bij, noch zijn jongen. Het dons van ’t jonge grieltje bootst precies den zandbodem na in al zijn korrelige fijnheid en met al zijn schaduwscheurtjes en streepjes. Onze foto is genomen bij helder zonlicht en daardoor geven de sterke slagschaduwen een duidelijk relief, maar bij een grijze lucht of bij een gewoon bewolkten hemel zijn ze zoo goed als onzichtbaar.

Alsof ze weten, dat de schaduw verraderlijk is, maken ze zich zoo plat mogelijk en drukken ze den kop met lang uitgerekte hals plat tegen den grond. Zoo liggen ze doodstil, de oogen dicht en ze laten zich zonder tegenspartelen opnemen en bekijken.

Van de eierdoppen was wijd en zijd geen spoor te bekennen. Die waren door de ouden zorgvuldig verwijderd. Het verwijderen van de doppen is een instinct, dat bij zeer veel vogels voorkomt, vooral bij steltloopers. Het spreekt van zelf, dat de groote eierschalen met hun lichten binnenkant dadelijk de aandacht zouden trekken en de ligging van het nest verraden, wat in de eerste dagen het leven der jongen in gevaar zou brengen. Later komt het er minder op aan, want dan loopen ze al vlug en ver rond.

Hoe de jongen door de ouden gevoed worden, weet ik nog niet zeker: ik meen gezien te hebben, dat ze hun voedsel nemen uit den bek der ouden, maar dat zijn allemaal werken der duisternis.

Evenals bij de scholeksters blijft het gezin nog al lang bijeen, en de gelijkenis gaat zoover, dat ook hier de jongen in den herfst heel veel praats en beweging maken en dat nog wel in tegenwoordigheid hunner ouders. Ze maken allerlei danspassen en buitelingen en schreeuwen in den avond luidkeels en zonder ophouden. De eene familie lokt met zijn geschreeuw de andere, en zoo hebben wij hier in de duinen wel eens zes grielen bij elkaar gezien, wat voor Holland een nog al zeldzaam en bijzonder schouwspel mag heeten.

Ze blijven rondzwerven tot in October. Hun voedsel bestaat uit slakken, kevers, sprinkhanen en aardwormen. Het ligt voor de hand, dat ze door hun nachtelijke leefwijze vooral onder de laatste geweldig moeten huishouden en ik heb dan ook al vele zomeravonden eraan besteed, om ze te betrappen op de pierenjacht. Maar dat is mij niet mogen gelukken; er zijn pieren genoeg, maar weinig grielen, en ook weinig vrije zomeravonden.

DE ZILVERMEEUW.

De nachtzwaluwen bewonen den binnenkant der duinen, de wulpen en grielen de groote valleien in ’t midden, de zilvermeeuwen betrekken de hooge toppen en hoogvlakten aan den zeekant. Daar liggen hun nesten tusschen het hooge helmgras, vandaar overzien zij hun arbeidsveld; de ondiepe randzee.