Part 8
Met de eb-tijding gaat het op dezelfde manier. De vogels dicht bij ’t strand zien, dat er wat te bikken valt en vliegen er heen. Anderen zien dit gebeuren en richten ook hun vlucht dien kant uit en zoo beweegt zich dan binnen weinige seconden de heele troep van meeuwen, scholeksters, wulpen en kraaien zeewaarts. Op een hoog duin in een drukke vogelbuurt kan men dit op de minuut af zien gebeuren. Aan de Zuiderzee met zijn gering verschil in waterstand gaat het niet zoo punctueel toe, hier regelen zich de bewegingen meestal naar den stand der zon.
Aan ’t strand gedragen de wulpen zich op velerlei manier. Ze pikken rond in het aanspoelsel, dat geheel op ’t droge ligt, in de terugtrekkende golf, en op de slikken visschen ze de slijkpoelen en kreeken af. Dat is eigenlijk hun hoofdbezigheid. Met wat een vuur en overtuiging steken ze den buigzamen snavel met de harde punt in de weeke modder. Hoe weten ze de kleine diertjes uit te zoeken en haastig naar binnen te werken?
Het water is hun niet licht te diep. Ze houden ervan, om tot over de hielen door ’t nat te plassen en als er een ondoorwaadbaar gedeelte komt, dan zwemmen ze rond met evenveel gemak als een kluit of een scholekster. Ze hebben dan ook vrij belangrijke zwemvliezen tusschen alle drie de voorteenen en hun veeren worden niet gauw nat.
In het najaar zijn de wulpen geduchte besseneters. Het meerendeel van de kraaibessen van Bergen en de Noordzee-eilanden valt hun ten deel en zij dragen niet weinig bij tot de verspreiding van deze plant. Overal vindt ge daar in Augustus de blauwe uitwerpselen met de zaadjes er nog in en menige duinenvallei, die tien jaar geleden niet anders was dan eene kale vlakte, is nu aardig begroeid door de goede zorgen van onzen kromsnavel.
Op Terschelling komen zij ook hun deel eischen van de mooie roode bessen van de lepeltjeheide (Vaccinium macrocarpon) en alweer is het aan hun hulp te danken, dat deze fraaie en voordeelige plant zich thans heeft uitgebreid tot de meest westelijke valleien van Terschelling en zich ook reeds op Vlieland, op Texel en op het vasteland begint te vertoonen.
In ’t Oosten van ons land voedt hij zich met de andere Vaccinium-soorten, zoodat hij een bessenkweeker van den eersten rang mag heeten.
Hoogstwaarschijnlijk gaat het met de wulpen als met de jonge zwartkopmeeuwen en broeden zij niet voordat zij twee jaar of ouder zijn. Zoo komt het, dat er het heele jaar ongepaarde wulpen rondzwerven door duin en hei en langs het strand.
Er komt zelfs in ons land een wulpensoort voor, die hier nooit broedt, nl. de regenwulp, die van de gewone gemakkelijk te onderscheiden is door zijn geringere grootte en een lichten streep over het midden van den kop. Deze vogel heeft zijn broedplaatsen in ’t Noorden, maar de ongepaarde exemplaren blijven rondzwerven langs de heele Atlantische kust.
Met onzen grooten wulp gaat het net zoo. Hij nestelt nog in België, Frankrijk en Spanje, maar al deed hij dat niet, dan zouden daar in den zomer nog wel zwervelingen worden aangetroffen. Ja, wij kunnen aannemen, dat er in het najaar wulpenposten zijn van Noordkijn tot Cap Verd en misschien wel tot aan de Tafelbaai.
Dit is voor den trek der vogels van de allergrootste beteekenis. De groote vraag: „hoe weten de vogels hun weg?” is voor de wulpen heel gemakkelijk te beantwoorden. Ze vinden hun weg, net als een fietser door Nederland, doordat er overal wegwijzers zijn.
Ze trekken zoowel bij dag als bij nacht, soms laag, soms zeer hoog, maar meestal met luid geroep. Het is voor den natuurvriend een van de heerlijkste gewaarwordingen, om hun wild „tloe-iet, tloe-iet” te hooren, ’t zij op den middag boven de drukte van de stad, hetzij in den stillen nacht. ’t Meest zijn ze te hooren in September en October na stormachtig weer.
O, ’t kan soms zoo ver en zoo fijn klinken. Maar hoe ver en fijn ook, altijd hooren andere wulpen het nog veel fijner en beter dan gij en die geven onmiddellijk antwoord. Zoo wordt de troep voortgeleid van strand tot strand en wanneer ze zich neerlaten, om te rusten of voedsel te zoeken, dan vinden ze dadelijk kameraden, die daar de kaart van het land kennen en bij wie ze zich kunnen aansluiten.
De terugtocht in de lente is weinig lastiger, want ook gedurende den winter blijft de postenketen bestaan, daar de meest geharde en sterkste individu’s het meestal met succes probeeren, om in de Noordelijke gewesten te blijven vertoeven.
Het gezelligheids-instinct komt hierbij onze wulpen dus heerlijk te pas en die enkele lokroep van „tloe-iet, tloe-iet” vervangt al onze reisboeken en atlassen. Daarom hoor ik hem zoo graag.
DE NACHTZWALUW OF GEITENMELKER.
Natuurlijk gelooft geen mensch het geitenmelkersprookje. Ook is het niet verzonnen door onze boeren, of door de Engelsche, Fransche of Duitsche, Hongaarsche, Zweedsche of Spaansche boeren, want die zijn daarvoor allemaal te slim of te onverschillig. De meeste plattelandsmenschen kennen den vogel heelemaal niet en het verhaal benevens den naam van geitenmelker is doodeenvoudig een gevolg van de omstandigheid, dat tot voor een paar eeuwen de natuurlijke historie der dieren altijd gebaseerd is op de werken van Aristoteles of Plinius.
Bij Plinius is dan ook het heele verhaal te vinden: „Caprimulgi appellantur grandiores merulae adspectu fures nocturni, interdiu enim visu carent. intrant pastorum stabula caprarumque uberibus advolant suctum propter lactis, qua iniuria uber emoritur caprisque caecitas quas ita mulsere oberitur.”
„Geitenmelkers noemt men tamelijk groote nachtroovers, die wel wat lijken op merels. Af en toe ontbreekt hun het gezichtsvermogen. Zij gaan in de stallen der herders en vliegen naar de uiers der geiten, om er de melk te zuigen. Door dit letsel sterft de uier af en de geiten, die aldus gemolken zijn, worden er blind door.”
Dat is zoo van geslacht op geslacht naverteld door menschen, die nooit een nachtzwaluw gezien hadden. Maar zoodra iemand den vogel kent, dan spreekt hij ook onmiddellijk de mythe tegen en nu moesten we dien onplezierigen naam ook maar afschaffen. Ik wil dus voortaan alleen spreken van de nachtzwaluw.
Wel kan tegen dien naam worden ingebracht, dat onze vogel eigenlijk geen zwaluw is en geheel buiten de verwantschap van huis- en boerenzwaluwen staat, maar dat is overigens geen overwegend bezwaar. Een waterhoen is ook geen hoen. „Vliegende pad” zou in ieder geval nog veel erger zijn en „dagslaap” vind ik een leelijk en misleidend woord.
Vooreerst slaapt de vogel lang niet den geheelen dag en ten tweede wil ik een naam hebben, die hem mij teekent niet in zijn minst interessante rusturen, maar in al de gratie en activiteit van zijn nachtelijk bestaan. En daarom zal hij nachtzwaluw heeten.
Hoe heerlijk is het, den vooruitgang van de lente te gevoelen door de verandering van geluid in bosch en veld. Eerst komen de heldere, blijde jubelzangen van lijsters, leeuweriken, winterkoninkjes en vinken, dan ’t liefelijk gekweel van roodborstjes, fitisjes, roodstaartjes, dan de extase en hartstocht van nachtegaal en zwartkopje en eindelijk de bijzondere zomergeluiden van wielewaal en nachtzwaluw. De frischheid is nu zwoelte geworden, de teere knop heeft zich ontplooid tot een kleurige bloem, die bedwelmende geuren in ’t rond spreidt. Als de nachtzwaluw voor goed is aangekomen, dan bloeit de meidoorn, dan ontluikt de eerste bloem van den egelantier.
Het bestudeeren van de natuurlijke historie van de nachtzwaluw behoort dan ook tot de aangenaamste en gemakkelijkste bezigheden van den ornitholoog en ’t is eigenlijk een groote schande, dat we omtrent enkele van zijn gewoonten nog in ’t onzekere verkeeren. Als verontschuldiging kan aangeroerd worden, dat de duisternis de waarnemingen bemoeilijkt en dat zelfs het volste vollemaanlicht in kracht verre bij het daglicht achterstaat.
Wij willen daarom met ’t daglicht beginnen. De nachtzwaluw heeft evenals de meeste vogels zijn lievelingsplekjes, zijn lievelingstak. Wat hem leidt bij de keus van zulk een plaats is moeilijk te zeggen, maar zeker is het, dat jaar in jaar uit deze vogels dezelfde plekjes bezoeken. Dat zijn dan soms dezelfde individu’s, maar het komt ook voor, dat wanneer de bewoners van 1905 om het leven zijn gekomen, een ander nachtzwaluwpaar hetzelfde verblijf weer betrekt.
Van deze omstandigheid maak ik altijd gebruik, om mijn vogels te bezien. Nu weet ik, dat in die of die vallei, onder den een of anderen boom een nachtzwaluw huist, dat hij er overdag uitrust, of dat hij er eieren of jongen heeft.
En nu is niets gemakkelijker, dan die plek te besluipen of stoutweg erheen te wandelen. Ik prefereer nog altijd de sluipmanier, want ik ben er nog altijd niet zeker van, of ik den vogel wel tijdig genoeg zal zien. Dikwijls heb ik hem opgejaagd, eer ik vermoedde, dat ik zoo vlak bij hem was.
Maar als je nu de plek besluipt en heel opmerkzaam iederen duim gronds monstert, steeds denkende aan den vogel en zijn wonderbare schutkleur, dan kunt ge het groote genoegen beleven van een langwerpig stuk boomschors of een plek in den grond te zien veranderen in een goed belijnden, mooi gevormden, zeer mooien levenden vogel.
Dan is het een lust, om met den kijker veertje voor veertje na te gaan en dan krijg je ook wel trek, om die zachte veeren te betasten en te verschikken en de groote wieken te ontvouwen en weer toe te slaan. Wie daar nu erg naar verlangt, moet maar wachten, totdat hij bij gelegenheid eens een doode nachtzwaluw in handen krijgt.
Intusschen ben ik er ruim mee tevreden, als ik den vogel op tien meter afstand in ’t veld van een goeden kijker heb. Ieder veertje, ja ieder baardje is duidelijk te zien. Hoe prachtig sluiten de kleurplekken der afzonderlijke veertjes aan elkander, zoodat ze te zamen het stelsel van donkere en lichte lengtestrepen en fijne dwarsteekeningetjes opleveren, waardoor de eigenlijke lichaamslijnen te loor gaan, zoodat het dier ’t uiterlijk krijgt van een onbezield voorwerp.
Zeer mooi is op onze foto te zien, hoe de donkere omgeving van ’t oog juist aansluit bij een donkere rugvlek, hoe borst en keel en vleugeldekveeren een tweede donkere streep opleveren en hoe de grijze strook daartusschen volkomen harmonieert met den zandbodem, met het rendiermos en met de uitgebleekte grassprietjes van het vorig jaar.
Natuurlijk dringt zich telkens de vraag op: „Weet de vogel, dat hij door zijn kleur zoo goed beschermd is en kiest hij met voordacht plekjes uit, waar hij van zijn schutkleur profiteeren kan?”
Ik kende een mannetje, dat zat in ’t eind van Augustus altijd op zijn eentje te dutten in een klein valleitje, door grove dennen omringd. Hij was als mannetje te kennen aan de twee groote zijdelingsche vlekken aan den staart en witte vlekken op de vleugels. Het liefst zat hij aan den voet van een ouden den. Daar groeide een weinig slaapmos, wat rendiermos en er lagen ook brokken tak en schors van den boom: een echte traditioneele nachtzwaluwrustplaats.
Toen ben ik begonnen met de brokken tak en schors op te rapen en daar gaf de vogel niets om; hij zat er ’s middags weer, alsof er niets gebeurd was en kwam ook terug, toen ik het mos had verwijderd. Maar nadat ik de heele plek met mijn schopje had omgewoeld, meed hij het witte zand en sloeg hij zijn tenten een meter of tien verder op onder een eikje, waar de grond weer een gevarieerd uiterlijk had.
Op onze foto is gelukkig ook te zien, dat de nachtzwaluw niet altijd slaapt: zijn oogen zijn open en hij heeft zijn kop niet in de rugveeren. Ik weet zeker, dat het broedende wijfje het grootste deel van den dag niet slaapt, maar wakker en wel op haar twee eieren zit. Soms knipoogt ze heel duidelijk en een enkelen keer heb ik haar zich zien verlustigen in een echte onverholen geeuw.
Dat is nog eens iets, een geeuw van een nachtzwaluw. Eerst hief ze den kop met het kleine snaveltje een eindje omhoog, toen ging de ondersnavel naar beneden en toen, ja toen leek het alsof de vogel in de lengte doormidden zou worden gescheurd. Ge ziet op onze foto onder het oog de duidelijke witte streep, die even voorbij het oog de breede lichtgrijze strook raakt. Welnu, die streep wordt gevormd door de witte veertjes langs de bovenkaak en de mondhoek is dus voorbij het oog. Stel u nu maar voor, dat het heele stuk lichaam, dat ge eerst voor keel en borst gehouden hebt, eigenlijk onderkaak is en nu naar beneden gaat, totdat de mondhoek een wijdte heeft van 90°.
Het is, om zoo te zeggen, onmetelijk. Het fijne snaveltje, dat juist geschikt lijkt, om nuffige kleine zaadjes van den grond te pikken, of bladluizen af te lezen van de boomen, verandert op eens in een gapenden afgrond, groot genoeg, om de grootste van onze inlandsche kevers of vlinders te verzwelgen.
De binnenkant van dien muil is donker roodachtig paars; van een tong is weinig of niets te bespeuren; die is maar heel klein.
Met een klap slaan de kaken weer dicht en de geeuw is volbracht. Ik heb al veel vogels zien geeuwen: musschen, vinken, lijsters, vliegenvangers, sterntjes, meeuwen, scholeksters: die geeuwen, zooals vogels geeuwen, maar een nachtzwaluw geeuwt als een mensch.
Nu zit de vogel weer stil; wakend, maar onverschillig. Een hagedisje komt te voorschijn met geritsel van bladeren en loert op een groote groene vlieg, die zich warmt op den heeten zandgrond. Die loopt vlak langs de nachtzwaluw heen en ondergaat dan zijn noodlot. De vogel heeft geen veertje verroerd, niet eens geknipoogd.
Dit is een bewijs van groote inertie, want een vlieg is altijd welkom en vooral voor een broedende vogel een hoogst welkome tijdpasseering en versnapering.
Doordat we nu de ligging van de kaken kennen, zien we ook gemakkelijker de groote stijve haren, die uit de bovenkaak ontspringen. Het zijn zwarte glimmende borstels, die algemeen beschouwd worden als vangharen, maar ik zou ze toch liever tastharen willen noemen.
Wat eet de nachtzwaluw en hoe bemachtigt hij zijn prooi? Daar is al heel veel over geschreven, maar het rechte weten wij er nog niet van, zoodat ik u alweer moet verzoeken, ook in deze een beetje mee te helpen.
Meestal wordt de nachtzwaluw voorgesteld als een soort van lucht-walvisch, die met wijd geopenden muil in duizelingwekkende vaart door de lucht schiet en dan, vooral met behulp van die vangharen, alles door zijn keelgat jaagt, wat hij op zijn baan kan inhalen. Nu heb ik jaren achtereen in de avondschemering zoowel als in den morgenstond met gewapend en ongewapend oog uren lang naar de vliegende nachtzwaluwen gekeken, en dat wel op plaatsen, waar er soms drie of vier, ja zes tegelijk rondvlogen, maar van die lucht-walvischmethode is mij nooit iets gebleken.
Ik geloof er dan ook in ’t geheel niet aan, want indien de vogel met wijd geopenden bek rondvloog, dan zou hij een onoverkomelijken weerstand ondervinden. Het vogellichaam is er juist op ingericht, om de lucht te doorklieven; naar voren toe wordt alles spits en smal en nu zou deze vogel gaan rondvliegen met een trechter van verscheidene vierkante centimeters groot voor voorsteven! Ik zou het moeten zien, om het te gelooven.
Wel heb ik gezien, dat ze Julikevers vingen; dat was heel mooi. Ieder Hollander kent natuurlijk het meertje van Caprera, ook wel genaamd het meertje van Berkhout, halfweg tusschen Bloemendaal en de ruïne van Brederode. Vlak achter dat meertje ligt een hooge duin, de laatste verheffing van de reeks, die bij Kijkduin begint en zich over het Kopje en het Koninginneduin tot zoover uitstrekt.
Het bovenste gedeelte van deze duinhelling is heel aardig begroeid met beuken, eiken en hazelaars en als we een Julikever-jaar hebben, dan snort en bromt het daar ’s avonds van die groote diklijvige bruin-met-witte torren. De zon gaat juist onder achter den vuurtoren van IJmuiden. Zandvoort, Haarlem, Amsterdam en de Zaanstreek steken hun lichtjes op, een lichte nevel zweeft over het weiland om ’t meertje en over het land langs Liede en Spaarne aan gene zijde van het Schapeduin, waar de zanglijsters hun avondlied galmen en de laatste nachtegalen fluiten. Een roodborstje zit te zingen in den hoogsten dorren eikentak van den duintop, het roode borstje gekeerd naar de roode ondergaande zon. Zacht ruischt de zee in de verte.
Wij zitten tusschen de duindoorns, geheel verscholen maar met een vrij uitzicht naar alle kanten. Er ritselt iets in ’t eikenloof, alsof er wat valt en nu dwarrelt daar heel langzaam een duistere gestalte omhoog, vierkant en groot, met breede, snel trillende vleugels en op den kop een dubbele pluim van tasters. ’t Is een mannetje van de Julikevers.
Dra volgen er meer, ook wijfjes, en dat dwarrelt en zwiert al door elkander langs den helderen avondhemel, een meter of vijf boven den duintop en de eikenkronen. Soms vallen ze bij paren neer in de toppen van het bosch, maar er komen er uit het donkere gebladerte steeds weer nieuwe te voorschijn, zoodat de lucht vervuld blijft van groote snorrende kevers.
Indien wij wilden, zouden we naar de eikjes kunnen gaan, om daar op de takken in koortsige drift de logge kevers met hoogopgerichte sprieten te zien ronddribbelen, nu eens op den tak, dan tuimelen ze om, maar met hun groote scherpe klauwen houden ze zich vast en klauteren ze er weer boven op. Het is niet eens gemakkelijk, ze van den tak los te maken en voortdurend protesteeren ze dan met snerpend gepiep.
Doch we blijven liever liggen; er is beters in ’t zicht. Een paar groote, breedvleugelige vleermuizen zijn uit de vallei komen opdagen, belust op vette prooi. En terwijl we die nazien in hun grillige vlucht, doorsnijden opeens een paar groote sikkelvormige vleugels de lucht en een groote vogel zwaait geruischloos door de gonzende torren. Nog een komt er en weer een en nu liggen we hier in den lauwen zomeravond, boven op het duin met de lucht vol Julikevers, vleermuizen en nachtzwaluwen; een eerste-rangplaats bij een welverzorgd tooneel.
Nu komt het er op aan, om voet bij stuk te houden en niet geheel en al onder den indruk te raken van dit wonderlijk natuurtafereel, met al zijn passie en verschrikking. Vergeet niet, dat wij hier liggen, om uit te maken, hoe de nachtzwaluw zijn prooi grijpt en niet, om ons te verdiepen in de beteekenis van vernieling en dood. Dat komt later.
Al heel gauw vertelt de kijker, dat ’t met de walvischtheorie mis is, de nachtzwaluwen vliegen met gesloten bek. Wanneer ze bij een kever komen, dan is die opeens als met een tooverslag verdwenen en hoe dat nu precies gaat, is niet zoo gemakkelijk uit te maken. Ik krijg den indruk, dat ze, vlak bij den kever gekomen, die ineens ophappen.
Als de kevers pas uit de eiken opstijgen, dan is hun vlucht onzeker, vol afwisseling in snelheid en richting. Maar na een poosje krijgen ze hun vaart en dan gaat het in mooie vaste vlucht omhoog. Nu heb ik dikwijls gezien, dat de nachtzwaluw dit oogenblik afwachtte en klapwiekend bleef stilstaan in de lucht, totdat de kever goed stuur hield. En dan schoot hij er als een bliksemschicht op af en de brommer was verloren.
Soms gaat het vrij langzaam en vliegt de nachtzwaluw een poosje gelijk op met den kever. Opeens duikelt en zakt hij en de kever is weg. Hij heeft met zijn vlerk den kever geraakt, zoodat deze niet meer vliegen kon, en voor dat het vallend insect den grond kon bereiken, heeft de vogel hem gesnapt.
Op deze manier slaat hij ook insecten van de boomen; dat heb ik hem in Zeddam zien doen met berken-bladwespen. Een groepje berken bij den tol aan den Terborgerweg zat vol met bladwespen, en nu kwamen ’s avonds de nachtzwaluwen uit het dennenbosch die wespen van de bladeren tikken.
Zelfs kunnen ze voedsel van den grond opnemen. Ze bidden dan eerst in de lucht, vallen neer naast hun prooi en happen die dan zittend op. Sterntjes doen dat ook.
Maar ’t mooist van alles, dat heb ik nog nooit gezien. Gilbert White vertelt al, dat de nachtzwaluw zijn prooi grijpt met zijn poot en J. A. Owen heeft dit in den jongsten tijd ook beweerd en het volgehouden, toen een der grootste ornithologen van onzen tijd, Lord Lilford, haar erover interpelleerde. Zij zegt, dat de vogel zijn buit rustig en netjes (deftly) greep met zijn poot en toen naar den mond bracht.
De klauw van den middenteen heeft naar binnen een hoornachtige verbreeding, die bij oudere vogels insnijdingen krijgt en zoo een soort van kam wordt. Deze kam zou dan het aangrijpen en vasthouden vergemakkelijken. Het spijt mij zeer, dat ik met zekerheid hier nog niets van kan zeggen, aan den anderen kant is het prettig, dat we aan dat vraagstuk nog eens een paar zomeravonden of zomermorgens kunnen besteden.
Ik raad u aan, de nachtzwaluw ook te bestudeeren in den morgenstond. Hij is dan even actief als ’s avonds en het helderder wordend morgenlicht maakt de waarneming gemakkelijker. Hij blijft nog wel eenigen tijd na zonsopgang aan het werk, langer dan men wel zou meenen. Ook begint hij in de eerste dagen van Juni reeds voor zonsondergang; hij is dan veel minder slaperig dan anders en raakt ook wel eens op klaarlichten middag in extase.
De extase van de nachtzwaluw uit zich op velerlei manier. Voor zoo’n slaapkop pakt hij nog al heel aardig uit; hij evenaart met gemak al de vertooningen van kieviten, wulpen en scholeksters.
Alleen doet de zang van de nachtzwaluw ons veel rustiger aan en dat komt wel, doordat het geluid zoo zonderling en vreemd is en in ’t geheel niet herinnert aan menschelijke gemoedsuitingen.
Als ik den nachtegaal hoor, de boomleeuwerik of de fitis, dan zijn dat voor mij niet alleen vogelgeluiden, maar zeer duidelijk en diep te voelen vertolkingen van stemmingen, die ik als mensch heb doorgemaakt. Die passie, die innigheid, die weemoed zijn mij niet vreemd; ik heb menschen zoo hooren spreken of zingen, ik heb gewenscht, ook mijn gevoel zoo klaar en rein en sterk te mogen uiten. Hierdoor ontstaat een gevoel van sympathie, dat voor ons den vogel verheft tot mensch, of ons verheft tot de vogels.
Natuurlijk is dit een zuivere gevoelskwestie en de wetenschap der ornithologie wordt er weinig door gebaat, tenminste niet onmiddellijk.
Bij den zang van de nachtzwaluw echter kan ik zuiver objectief blijven: het rateltje wordt in ons orkest niet meer gebruikt. Dit geregeld gesnor is niets anders dan een natuurgeluid, evenals het verwijderd gedruisch der kikvorschen of het pas verstomde gesjirp der sprinkhanen, en wij nemen het waar, meer met nieuwsgierigheid dan met instemming.
’t Is een wonderlijk geluid: zacht en toch doordringend, want het is op grooten afstand te hooren, wel tweehonderd meter ver. Dichtbij is het bijzonder krachtig: de letter r twintig seconden lang volgehouden op eenzelfde toonhoogte, dan een paar seconden wat lager en dan weer zeer lang op de oorspronkelijke toonhoogte. Het inzetten is meteen krachtig en beslist en aan het einde is ook geen sprake van decrescendo. ’t Is doodgewoon ineens bom-uit.
In ’t begin van Mei snorren wel vijf, zes vogels tegelijk in één klein duinvalleitje. Kom je daar dan den volgenden avond met vrienden, om die ook te laten genieten, dan blijft het dikwijls doodstil. Het waren vogels op den trek, die nu alweer verder zijn. Morgen komen er misschien weer andere.
In onze duinstreek is heel goed op te merken, dat de voorjaarstrek lang niet geschiedt met de snelheid en hartstocht, waar Gätke van gewaagt. Hij vertelt, dat de vogels linea recta langs den kortsten weg en met zoo weinig mogelijk oponthoud naar hun broedplaatsen trekken. Maar in onze Bloemendaalsche duinen vinden die trekkers het zoo plezierig, dat ze hier dikwijls een paar dagen vertoeven, zingend en spelend zonder eenigen kommer of overhaasting. Nu eens zijn ’t nachtzwaluwen, dan weer boomleeuweriken, zwartgrauwe vliegenvangertjes of tapuiten, om van sijsjes en goudhaantjes niet eens te spreken. Sommigen blijven een dag, andere wel een week, zoodat we al gaan uitzien naar hun nesten.