Het intieme leven der vogels

Part 7

Chapter 74,056 wordsPublic domain

Hij is veel meer insectenvanger dan visscher en wordt dan ook op bouw- en weiland meer aangetroffen, dan eenig andere sterntjessoort. Evenals de zwaluwen vliegen ze meestal in gezelschap en al naar den aard en hoeveelheid van de prooi kunt ge ze dan in wolken zien dwarrelen of in rijen onstuimig zien voorwaarts schieten. Haften, schietmotten en elzenvliegen worden zonder moeite vermeesterd, maar de groote libellen, vlugge zweefvliegen of grillige vlinders vereischen veel zwenken, draaien en stilstaan, met veel vleugelgeklep en staartgesprei.

Sprinkhanen pakken ze heel netjes van den grond op, zelfs de veldkrekel is aan den ingang van zijn hol niet voor hem veilig. Heel dikwijls heb ik gezien, wat bij Naumann verteld wordt, nl. dat ze langs hoopen paardenmest of koevla heenvliegen, om de insecten op te schrikken en dan ineens rechtsomkeert maken om ze te vangen. Dat is eigenlijk kwikstaartjeswerk.

Ofschoon het zwarte sterntje bij het bouwen van zijn nest een minder groote verscheidenheid vertoont dan het gewone vischdiefje, volgt hij toch ook niet een vast schema en zijn er zelfs in ’t Naardermeer drie verschillende typen op te merken, terwijl elders in ons land nog een vierde wordt aangetroffen.

Het meest traditioneel, maar niet ’t meest algemeen is het zwarte sterntjesnest op levende waterplanten. In het meer vinden we dan ook in één vaart de nesten op de dicht opeen groeiende rozetten van de water-aloe of krabbeschaar en op een andere plek rusten ze op een mooien effen vloer van waterleliebladeren. Het nest zelf bestaat dan uit weinige dorre stengels en bladeren, ligt zeer dicht op ’t water en gaat bij iederen golfslag op en neer. Dat is nu niet zoo heel erg, want de golfslag heeft in zulke dichtbegroeide slooten niet veel te beduiden.

Verreweg de meeste nesten worden gevonden op saamgewaaide hoopen van stengels en bladeren van oeverplanten, voornamelijk van riet, egelskop, kalmoes en lischdodden. Deze planten vermenigvuldigen zich door hun uitloopers zoo sterk, dat men genoodzaakt is telkens de kanten der vaarten af te steken, anders zou er in korten tijd geen doorkomen aan zijn. De afgesneden stengels laat men ronddrijven en die vormen dan in rustige en beschutte hoekjes uitgestrekte vlotten.

Hierop nestelden nu de zwarte sterntjes en we hebben gezien, dat ook de zwartkopmeeuw zijn voordeel er mee doet. Steenhuizen geeft hiervan in zijn stereoscoop-collectie een zeer mooi en uiterst leerzaam voorbeeld.

Niet minder belangrijk echter is de foto van Tepe, die het derde type bijzonder gelukkig illustreert. Dit is een zeer verlaten uithoek van het Meer, geheel begroeid met egelskop, dat nu weer opnieuw zijn donkergroene stijve bladeren omhoog steekt. De planten ontwikkelen zich daar ongestoord, niemand komt het vergeten modderhoekje bezoeken en tegen den winter sterft alles af, zooals het stond.

De afgestorven bladeren en stengels blijven gedurende den winter staan, knikken bij hevigen wind door en vormen dan verwarde bundels, zooals in den linker-bovenhoek van de plaat, schuin boven het nest met de eieren heel mooi te zien is.

De sterntjes hebben nu niets anders te doen, dan die massa nog wat ineen te drukken, hier en daar een stengel of blad door te breken en dan hebben ze een onderlaag voor een nest, even ongenaakbaar als krabbeschaar of rommelvlot en veel steviger, want de oude stengels en bladeren zijn nog in verbinding met den modderbodem, terwijl nieuwe bladbundels door het nest heengroeien en het zoo op twee, drie plaatsen vaststeken.

Sommige individu’s zijn hiermee tevreden, andere sleepen nog een massa materiaal er bovenop, waardoor zoo’n nest van het derde type ook weer een zeer aanzienlijken omvang kan krijgen.

Een groot contrast met deze drie typen vormt een vierde, dat wij op Texel aantroffen. Daar nestelt het zwarte sterntje op natte hooilanden. Geen vlot, geen trilbodem, geen waterplanten: de eieren liggen op een klein bodempje van doode stengels en dorre grasjes vlak op den grond, haast net als kievitseieren. Toch is het altijd niet zonder eenige moeite te bereiken, daar het dier steeds de laagste plekken van het hooiland kiest, die altijd min of meer overstroomd zijn.

Het legsel bestaat in den regel uit drie eieren, dikwijls uit twee, een heel enkele maal uit vier. De eieren zijn betrekkelijk groot, meer peervormig dan de andere sterntjeseieren en zeer donker van kleur: bruin met bijna zwarte vlekken.

Zoodra de zwarte stern eieren of jongen heeft, stormt hij als een kleine zwarte furie op alles los, wat hem te dicht naar zijn zin in de buurt van zijn nest komt. Er komt geen eind aan hun geschreeuw van „krie-ie, krie-ie” en ze chargeeren zonder ophouden. Ik geloof dan ook niet, dat de kraaien en bruine kiekendieven er dikwijls in slagen hun een ei te ontfutselen, vooral omdat ze elkander trouw bijstaan.

De jongen blijven niet heel lang op ’t nest. Ze kunnen, zoodra ze uit ’t ei komen al wel een beetje loopen, maar daar maken ze heel weinig gebruik van, als wisten ze, dat het niet goed met hen zou afloopen, als ze van hun vlotje rolden. Want al die meeuwen en sterntjes zijn een heel ander genre van zwemvogels dan eenden en ganzen. Deze kunnen dadelijk zwemmen, maar een sternjong of een meeuwenjong zou al heel gauw nat worden en verdrinken.

Wanneer nu de sterntjes en meeuwen nestelen op de weilanden of zandvlakten van den polder, dan is voor de jongen ’t gevaar van verdrinken niet zoo groot, maar in ’t Naardermeer hebben de ouden er steeds voor te zorgen, dat de jongelui niet van ’t nest afdwalen. Wie de broedplaatsen bezoekt, mag daar wel om denken, want die jonge vogels zijn zeer schuw en als ze worden opgeschrikt, loopen ze om een haverklap van ’t nest af.

Dan gaan de ouden allerjammerlijkst te keer en wij hebben wel gezien, dat ze zoo’n reislustig jong met stompen en duwen weer op het nest brachten.

Het liefst brengen ze hun jongen naar de plaatsen waar de waterlelies dicht opeen groeien. Daar kun je dan in Juli de jonge zwarte sterntjes bij troepen op de groote groene plompeblaren zien zitten, wachtend op ’t voedsel dat de ouden hun brengen. Als ze wat vlugger worden, gaan ze met de ouden meevliegen, als die op jacht zijn, en dat ziet er dan wel naar uit, alsof ze onderricht genoten.

In Augustus zijn de jongen groot. Ze hebben dan een wit voorhoofd, witte wangen en ook veel wit aan de onderzijde van ’t lichaam. Nog eenige dagen blijven ze in ’t Meer rondzwerven, tot troepen vereenigd. Ze houden ervan, om in rijtjes stil te zitten op schuttingen en palen, en op den middag en ’s nachts slapen ze op de nu ongebruikte woonvlotten, die bij langdurig droog weer weldra wit zien van de uitwerpselen.

Als ze de groote reis gaan aanvaarden, dan verlaten ze hun geboorteplaats in het uur na zonsondergang.

III.

IN DE DUINEN.

DE WULP.

Er is voor den naspeurder van vogelgewoonten geen geriefelijker en rijker onderzoekingsterrein te bedenken, dan de duinen. Nergens kun je je zoo gemakkelijk verschuilen, nergens bestaat zoo goede gelegenheid om de „prooi” ongemerkt te naderen, en nergens kun je zoo gerust en met zoo weinig gevaar voor gezondheid of kleeding de horizontale positie aannemen.

Voor een liggend mensch zijn de vogels lang zoo bang niet als voor een zittend of loopend individu, en als men zich verbergt onder gras of struiken, dan hebben ze in ’t geheel geen erg. Dat komt, doordat de vogels geheel afgaan op het gezicht en het gehoor. Hun reukzintuig is zeer slecht ontwikkeld en daardoor is de vogeljacht heel wat gemakkelijker dan het besluipen van gemzen of herten.

Meen nu niet, dat het opeens zoo heel gemakkelijk gaat. De scherpte van het gezicht grenst bij de vogels aan het ongelooflijke: zij zien mijlen ver en de minste lichtflikkering in hun nabijheid wordt terstond opgemerkt. Menig aardig tooneeltje is mij ontgaan, doordat de vogels verontrust werden door de spiegeling van het objectief van den verrekijker en dat terwijl ik verscholen zat in ’t dichtste gebladerte.

Bovendien zijn ze uiterst wantrouwig. Als ze je hebben zien binnengaan in een boschje of wegkruipen onder een struik, dan duurt het wel een half uur, voordat ze de zaak vertrouwen, en ge moet dan ook alles, wat ge gedurende dat eerste half uur kunt waarnemen, beschouwen als een meevallertje. Doch daarna kunnen ook de aardigste dingen gebeuren in uw onmiddellijke nabijheid.

Maar dat kost dan ook uren: een uur om naar het terrein van waarneming te loopen, een halfuur wachten, eer het geschokt vertrouwen hersteld is, en dan nog een uur waarnemingen doen, dat is samen twee en een half uur. Daarom is het ’t best, de vogeljacht te beoefenen bij wijze van ontspanning, dan wordt het: een uur wandelen en anderhalf uur languit in ’t duin liggen, wat allebei bezigheden zijn, die op zich zelf reeds tot de alleraangenaamste mogen gerekend worden.

Zomer en winter is dat vol te houden. Zelfs bij vriezend weer kunt ge, mits behoorlijk gekleed, in de duinen op den loer liggen, altijd is er een luw plekje te vinden, al is het ook niet altijd dat summum van lekkerheid: uit den wind en in de zon. De dichte duindoorns, meidoorns, die langzaam gegroeid zijn, en vooral de fijn vertakte liguster, geven een uitmuntende bescherming tegen den wind, en het lange helmgras of struisriet levert ligstroo in overvloed. Natuurlijk moet je die nooit uittrekken, maar met een scherp mes afsnijden.

Zoo heb ik dan in het Bloemendaalsche duin mijn wachtkamers en schuilholen, waar ik gerust den nacht zou kunnen doorbrengen.

Wie nu geen zin heeft in dat stilliggen, kan ook zijn heil zoeken in actief optreden, en daar heb ik ook al mooie resultaten van gehad. De landwaartsche helling van de duinrichels is altijd steil: hellingen van meer dan zestig graden zijn geen zeldzaamheid. En nu is het een uitstekende methode, om eerst door boschjes en struiken, desnoods op handen en voeten kruipend, ongezien den voet van zoo’n steile helling te bereiken en die dan voorzichtig te beklimmen of liever te bekruipen op een plek waar de richel het smalst is.

Dan heb je, zoodra je boven bent, ineens een overzicht over de heele volgende vallei, en ge kunt het treffen, de fazanten en patrijzen, wulpen, kieviten, boompiepers of tapuiten van heel nabij aan hun bezigheden te zien. Maar pas op, dat uw hoofd niet merkbaar over den richel uitsteekt. De laatste stijging moet o zoo langzaam geschieden; millimetersgewijze. En als dan op ’t laatste oogenblik zoo’n ongeluksdier van een konijn de lucht van je krijgt en verschrikt wegholt, dan is ook opeens alles bedorven: de fazanten, patrijzen verschuilen zich in ’t hout en de wulp springt met zijn lange beenen een el van den grond, slaat zijn wijde wieken uit en gaat in een grooten kring schreeuwend om je heen vliegen: „kloe-iet, kloe-iet”, lang uitgehaald en helder van toon galmt het over berg en dal en al naar zijn temperament en den toestand van zijn huisgezin, blijft hij u korter of langer begeleiden.

Hij komt niet dichtbij, maar ’t is zoo’n groote vogel, dat de gebogen snavel, het grijze lichaam en de lange pooten, die even buiten den staart uitsteken, duidelijk te zien zijn. Al heftiger wordt zijn geschreeuw, zijn onrust neemt toe, naarmate wij voortstappen en nu daalt hij zelfs neer met trillende, wijd uitgespreide vleugels. Op een duintop gaat hij staan, waar zijn prachtig silhouet mooi uitkomt tegen de lucht.

De snavel lijkt nu veel grooter dan in de vlucht. Stilstaan kan hij nu niet. Hij loopt met groote stappen over ’t zand, beweegt den kop op en neer, zoodat de kromme snavel langs de wolken schermt en eindelijk springt hij op en begint opnieuw zijn kringvlucht en krijgsgeschreeuw.

Nu komt hij weer aan den anderen kant. Op eens klinkt uit de richting van zijn eerste standplaats een welluidend: „wie, wie, wie.” Daar is wulp nommer twee; ze hebben in de buurt een nest of jongen en nu kunnen we systematisch een paar uur gaan zoeken, of op een gunstig toeval vertrouwend de vallei snel doorkruisen om het nest te vinden.

Meestal lukt dat niet, doordat men te ongeduldig is of doordat men tijdig aan een spoorwegstation moet verschijnen. Wie echter een wulpennest wil vinden, moet zich met dergelijke wissewasjes niet ophouden.

Wat een voldoening, als je eindelijk voor het nest staat! De eieren behooren tot de grootste, die er in ons land te vinden zijn. In vorm en kleur hebben ze wel wat van kievitseieren maar de schaal is gladder en de tinten zijn veel fijner en warmer. Misschien vind ik ze wel zoo mooi, omdat de vondst van een wulpennest altijd een buitenkansje is, terwijl de kievitsnesten zoo maar voor het grijpen zijn.

Sommige menschen zijn verzot op wulpeieren en vinden ze veel lekkerder dan kievitseieren. In ieder geval zijn ze veel grooter, maar het dunkt mij toch verkeerd, die eieren te rapen. De wulp broedt tamelijk laat, de argumenten, die aangevoerd kunnen worden ten voordeele van het rapen van kievitseieren gaan hier dus in het geheel niet op. En er broeden veel te weinig wulpen in onze duinen. Ik zou willen, dat er in iedere vallei minstens één paar nestelde. Wat zou het dan vroolijk in de duinen toegaan!

Want de wulp is een vroolijke vogel. Hij schreeuwt lang niet altijd uit angst of boosheid, maar dikwijls uit pure pret. Dan wordt zijn geroep een snelle opeenvolging van mooie metaalachtige fluittonen, vol en melodieus en evenals de zang van de merel goed en prettig binnen het bereik van ons gehoor.

De meeste vogels zingen ontzettend hoog; één of twee octaven hooger dan het zesde hulplijntje boven den balk, maar de wulp blijft zoowat in de vijfde positie op de e-snaar en dat is voor een vogel al een heel laag geluid. Hij beschikt over velerlei geluiden. Wanneer hij zijn lentelied gaat zingen, dan laat hij nog op den grond staande meestal een soort van introductie hooren, bijna binnensmonds: „truu, truu, truu,” ietwat herinnerend aan het gekrieuw van kippen, maar er zit meer klank in. Dan gaat hij vliegen en dan komt het welbekende „kloeiet, kloeiet” dat langzaam maar sterk wordt uitgeroepen, de eerste lettergreep gerekt, de tweede korter. Langzamerhand wordt het tempo sneller, de articulatie zwakker en er ontstaat een soort van gejodel, dat mij in de ooren klinkt als „keloeje, keloeje, keloeje.”

Aan deze geluiden heeft hij zijn Engelschen naam van „curlew” en de Fransche „courlis” of „louis” te danken. Het mannetje is veel luidruchtiger dan het wijfje, dat echter gerust kan meedoen en alleen in de lang uitgehaalde mooie tirades te kort schiet.

In April ga ik er altijd op uit, om den wulp te zien dansen en het spijt mij altijd, als er een jaar voorbij gaat, zonder dat ik het gezien heb. Als nu iedere duinvallei een verliefd wulpenpaar herbergde, dan zou dat veel makkelijker gaan.

De heele vertooning is nog al gevarieerd en doet denken aan de vertooningen van vele andere vogelsoorten. Het begint met een paar kraanvogelpassen; de wulp stapt in ’t rond met stijve beenbewegingen en herhaald opheffen en nederdalen van den langen snavel. Dan staat hij opeens stil en roept eenige malen kloeiet, kloe-iet. Een zeer zonderlinge indruk maakt het, dat hij daarbij meestal zijn aangebedene in het geheel niet aankijkt, maar als het ware in een welsprekend terzijde den hemel en de heuvels ten getuige roept, bij wat hem in vervoering brengt.

En dan gaat hij uitpakken. Zijn voornaamste voortreffelijkheden, snavel, vleugels en pooten en ’t mooie geluid heeft hij reeds vertoond, maar er is nog iets in petto. Hij gaat nu rondloopen met hangende vleugels (kluitenmanier) en klept herhaaldelijk den waaiervormigen staart uit- en in.

Deze pauwenmanoeuvre is heel mooi, want die staart is werkelijk een verrassing. De wulp is nog al eenvoudig van kleur en teekening; donkerbruine veeren met lichtbruine randen en aan de bovenzijde en aan de borst en buik geelgrijze veeren met donkere vlekken en strepen; heel mooi en des te mooier naarmate je het beter beziet, maar in ’t geheel niet opzichtig. Integendeel, de kleuren zijn zoo, dat de broedende vogel haast niet kan worden opgemerkt.

Maar onder die schutkleuren zit de witte rug, versierd met zwarte strepen en aan ’t eind daarvan de staart. Die bestaat uit driemaal vier veeren; de middelste vier zijn aschgrauw met een tiental zeer donkere dwarsstrepen en de vier buitenste aan elken kant zijn spierwit met tien zwarte dwarsstrepen. Soms zijn er negen, maar dat doet er niet toe.

Wanneer nu die staart wordt uitgespreid, dan komt er een bonte dambordfiguur, die al van heel ver duidelijk te zien is. Dat is me een beweging, zooals nu die staart uit- en inklapt. De vogel wordt hoe langer hoe meer opgewonden, nek en snavel bewegen zich in overeenstemming met den staart en eindelijk buigt hij voorover, legt den kop langs den grond, steekt den pronkstaart in de lucht en blijft zoo eenige seconden onbeweeglijk stilstaan.

Soms raakt het wijfje nu ook een beetje aan het dansen, maar meestal doet ze wat schuchter en wil ze liever de plaats verlaten. Dan gaat de man als een dolle om haar heen loopen, tot ze hem zijn zin geeft, of ze drijft haar zin door en vliegt weg, waarop hij dan onder klagelijk gehuil mistroostig een kilometer of zoo de lucht rondvliegt met zweeftoeren op en neer als de baan van een montagne russe.

Ik had gehoopt, dat ze vaste paradeplaatsen zouden hebben, maar dat schijnt zoo niet te zijn. Mannetje en wijfje vliegen in April zoowat den heelen dag en vrij zeker ook den heelen nacht in elkanders gezelschap rond en als het wijfje zich ergens neerzet, dan is het mannetje dadelijk klaar, om zijn kraanvogel-pauwendans te beginnen. Mij dunkt, ze moet dat op ’t laatst wel wat vervelend vinden.

Het einde van ’t liedje is intusschen, dat het wijfje ten slotte terecht komt op de vier groote eieren en dat het mannetje de wacht moet betrekken op de heuvelen. Het bouwen van het nest veroorzaakt weinig moeite; het nest op onze fotografie is een der best afgewerkte, die ik ooit van een wulp gezien heb. Er blijkt ook uit, dat de vogel gaarne gebruik maakt van een begroeiden ondergrond, in ons geval was er een dikke laag van rendiermos.

De broedende vogel zit met den nek ingetrokken, den snavel neergebogen, vaak rustend op den grond. In ’t eerst is hij erg schuw en bij het minste alarm sluipt hij weg van ’t nest, om een heel eind verder op te vliegen. Naarmate het broeden vordert, wordt de vrees overwonnen door de zorg en zoo kan het dan gebeuren, dat ge, mits rustig loopend en wakker uitziend, vlak bij een broedenden wulp kunt stilstaan, zonder dat hij wegvliegt.

Maar het groote oog is in angstige spanning op u gericht, iedere zenuw is in werking, elke spier tot den arbeid gereed. Plotseling begeven alle remzenuwen het; met een sprong en een schreeuw, met de hevigheid van een ontploffing, gaat de vogel de lucht in. De vrees heeft overwonnen.

Wat nu nog onze foto betreft, zou ik wel willen weten, hoe dat konijnepilletje in het nest komt. Is het een onbescheidenheid van de konijntjes of een bewijs voor de hypothese van Selous?

Van de jonge wulpen weet ik zoo goed als niets. Wel, dat ze zeer kort na het uitkomen het nest verlaten en de kunst van schuilvinkje beter verstaan dan eenige andere steltlooper. Waren er wat meer broedende wulpen in onze duinen en op onze heiden, dan was de kans op een ontmoeting natuurlijk veel grooter.

Nu zie ik ze pas, als ze al lang vlug zijn en in de maanden Juli en Augustus met ander jong goed vliegen van het strand naar de weide, van de weide naar het strand. In de boeken staat, dat de wulpen onder elkaar zeer gezellig zijn, maar zich met andere vogels niet ophouden. Dit laatste is wat de jongen betreft, beslist onwaar. Iederen zomer kunt ge ze aantreffen in gezelschap van jonge grutto’s en jonge scholeksters op de hooge weiden in ’t midden van Texel, op het slijkerig strand bij Valkeveen in ’t Gooi, op ’t Friesche wad en aan de weinige duinplassen, die ons nog resten. Ze zijn als jonge vogels altijd dadelijk te kennen aan den vrij korten snavel, de tamelijk dikke pooten en aan den lichteren tint van het gevederte, dat in zijn lichte partijen bij hen wit, bij de ouden geelachtig is. Ook zijn ze aan staart en onderzijde minder gevlekt.

Doordat ze minder schuw, minder voorzichtig of minder waakzaam zijn, dan de ouden, is het nog al gemakkelijk, iets gewaar te worden van hun manieren en gewoonten. Op de hoogvlakte is hun voornaamste bezigheid stilstaan, slapen en insecten vangen. Vogels zijn virtuosen in het stilstaan en stilzitten, vooral de zwemvogels en steltloopers. Meestal doen ze dat, omdat ze niets anders te doen hebben. Zoo ook deze jonge wulpen, ze staan letterlijk als beelden en heel dikwijls vierkant op twee pooten.

Soms geeuwt er een, maar er kan een kwartier voorbijgaan, voordat er een een vin verroert. Toch is dat stilstaan niet altijd niets doen, want nu strekt er een plotseling den nek, buigt den snavel naar den grond en hapt een insect op. Ook gaat soms een geopende snavel de hoogte in, klapt dicht, en de dikke vlieg of het mestkevertje is gevangen.

Bijna alle steltloopers vangen insecten op deze manier, niet als hoofdbezigheid, maar als meevallertje gedurende de siësta. Ik heb wel gezien, dat lepelaars zoo hapten naar libellen en dat was een heel geval, zooals die groote breede snavel door de lucht gezwaaid werd en de platte kaken samenklapten om het dunlijvig insect.

Als er wat veel sprinkhanen in een wei zijn, dan maken de wulpen er formeel jacht op. Ze stappen heen en weer door ’t gras en waar maar een sprinkhaan zich verschrikt uit de voeten maakt, wordt hij dra achterhaald door den snel vooruitgestoken krommen snavel. Soms ook raakt de heele wulp in een draf en als een heele troep in een weiland bezig is, dan wordt dat een heel aangename en tierige vertooning. Er wordt geen woord bij gesproken.

Opeens vliegen alle wulpen op. De grutto’s en tureluurs blijven op het weitje, maar de wulpen vliegen westwaarts; eerst in een troep, dan in een breede lijn en eindelijk in een V. Die verschikkingen gaan zoo geleidelijk en gewoon, dat ge vanzelf de overtuiging krijgt van hun noodzakelijkheid. Als ze in den V-vorm vliegen, dan profiteeren ze ieder zooveel mogelijk van elkanders vleugelbewegingen.

Het is niet zoo heel gemakkelijk, zich een goede voorstelling hiervan te vormen. Meestal stelt men zich tevreden met te denken dat de V-vorm een vliegende troep beter in staat stelt, om de lucht te doorsnijden. Ik geloof niet, dat dit in de eerste plaats van belang is. Indien we de lucht rondom een vliegenden vogel eens zichtbaar konden maken, dan zou blijken, dat iedere vliegende vogel omringd wordt door een groot aantal luchtstroomingen, die hij zelf veroorzaakt met zijn vliegbeweging.

Elke vogel is zoodoende het middelpunt van een stormsysteem. Nu gaan de vogels zich zoo plaatsen, dat ze zooveel mogelijk voordeel hebben van elkanders luchtstroomingen. Een klein verschil in plaats, een kleine verandering in het tempo van de vleugelbeweging kan het voordeel doen verkeeren in nadeel Dit zou allemaal wiskundig kunnen worden aangetoond.

Men behoeft maar even aandachtig naar een troep vliegende ganzen of wulpen te zien, om de overtuiging te krijgen, dat de beweging van den heelen troep en elke beweging van de afzonderlijke individu’s aan bepaalde wetten gebonden is. Het geheel maakt een heerlijken indruk van harmonie. Let er vooral op, dat de bewegingen niet gelijktijdig gebeuren, maar bij iederen volgenden vogel een deeltje van een seconde later, dan bij de vorige, zoodat er een regelmatige bewegingsgolf door den heelen troep vaart.

Waar gaan onze sprinkhaanjagers nu zoo ineens naar toe? Wel naar de zee: het ebt, de slikken loopen droog en nu kunnen ze daar in zeer korten tijd een copieus maal verorberen.

Hoe weten ze zoo precies, dat juist nu zes kilometer hier vandaan aan de andere zij van de hooge duinen krabbetjes en klein goed te verkrijgen is? Hoe wist heel Gallië in minder dan geen tijd elk belangrijk nieuws? Wel, de eene Galliër schreeuwde het more suo den andere toe en zoo verspreidde het nieuws zich met de snelheid van het geluid, dat is 333 M. per seconde.