Het intieme leven der vogels

Part 6

Chapter 63,939 wordsPublic domain

Het had weinig gescheeld, of voor den lepelaar in Nederland was het woord van Ruskin bewaarheid, dat de natuurlijke historie van menigen vogel niet anders vermeldt, dan hoe en waar het dier voor ’t laatst gezien is en wie of wiens jachtopziener de laatste heeft geschoten.

Nu de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten het Naardermeer gekocht heeft, is er naar wij hopen voor zeer langen tijd een einde gekomen aan de lijdensgeschiedenis van deze prachtige en interessante dieren, tenminste wat ons land betreft. In de Rijndelta zijn ze nu voortaan veilig; in de Donaudelta, waar ze hun Europeesch hoofdkwartier hebben, schijnen de zaken minder goed te gaan en wordt hun aantal allengs geringer.

Voor zoover wij uit vroegere eeuwen betrouwbare berichten hebben, blijkt, dat niet alleen in ons land, maar ook in Engeland de lepelaar in groot aantal voorkwam. In ons land is aan historisch onderzoek aangaande onze Flora en Fauna nog niet veel gedaan. Mij dunkt, dat in gemeente-archieven en oude rekeningboeken wel belangrijke vondsten zouden gedaan kunnen worden, al waren het maar alleen opgaven omtrent jachtdieren en zoogenaamd schadelijk gedierte.

De Engelsche zoölogische geschiedenis vermeldt reeds in 1300 de benoeming van een commissie om na te gaan, wie de lepelaarsnesten in Norfolk vernield heeft. In 1534 werd er een verbod uitgevaardigd tegen het uithalen van eieren van reigers, lepelaars, kraanvogels, roerdompen en trapganzen. Doordat echter het dooden van de oude vogels niet werd verboden, zijn al deze soorten behalve de reigers in Engeland thans uitgestorven. Nog omstreeks 1670 bezat Engeland een kolonie van broedende lepelaars bij Trimley in Suffolk.

Voor Frankrijk wordt door Belon vermeld, dat daar omstreeks 1550 lepelaars broedden in Bretagne en Poitou.

Wat ons land betreft, danken wij ook weer de oudste en volledigste berichten aan de Engelschen. John Ray vertelt in zijn „Observations made in a Journey through part of the low Countries” van een bezoek, dat hij bracht aan de moerassen in de nabijheid van Zevenhuizen. Daar broedden in groot aantal gekuifde aalscholvers, kwakken, reigers en lepelaars.

Het moeras behoorde aan den baron van Pelenberg te Leuven, die de jacht en het grasgewas verpachtte voor drieduizend gulden ’s jaars. Wanneer de jongen groot genoeg waren, dan werden zij door middel van lange stokken met ijzeren haken uit de nesten geschud, om verkocht te worden. Het schijnt dat men die beesten at.

Dan krijgen we in 1770 de beschrijving van het broeden van den lepelaar in de Wollefoppenpolder nabij Rotterdam door Nozeman. Hij vond ze broedende op een bijna ongenaakbare plaats in het moeras in de laagste takken van de elzen, en ook op den moerasbodem zelf. Tegelijk vertelt hij, dat ze ook broedden in de omgeving van het Haarlemmermeer en in de Biesbosch.

Hoe het met de lepelaars ging van 1770 tot 1850, dat weten wij niet, maar dan verschijnt Schlegel’s boek, de Vogels van Nederland, en die vermeldt weer de Biesbosch, Nieuwerkerk a/d IJsel (dat is dezelfde plaats van Nozeman) en het eiland Rozenburg als broedplaatsen.

Omstreeks 1870 werden de polders bij Nieuwerkerk en Rotterdam drooggelegd en toen verstrooiden de lepelaars zich over ons land. De hoofdmacht sloeg haar tenten op in het Horstermeer, en hoogstwaarschijnlijk vestigden zich toen de kolonies aan het Zwanewater bij Callantsoog en op Texel. Daar wordt ten minste voor dien tijd nooit melding van gemaakt.

In het Horstermeer woonden ze tien jaar lang in druk en tegenspoed, als we tenminste de berichten kunnen vertrouwen. In 1877 nestelden er volgens Sclater en Forbes duizenden, in 1880 schatte Seebohm de troep op driehonderd stuks. Kort daarna werd het Horstermeer drooggemalen en nu trokken de lepelaars daarvandaan naar het Naardermeer ten getale van ongeveer tweehonderd.

Indien dat bericht van Sclater waarheid bevat, dan was het voor den lepelaar een groot geluk dat ’t Horstermeer is drooggemaakt, want ze waren daar veel te veel blootgesteld aan vervolging. Als in drie jaar tijds het aantal achteruitgaat van duizenden tot eenige honderden, dan beteekent dat natuurlijk volledigen ondergang.

In ’t Naardermeer bleef tenminste het aantal vrijwel stationnair. Soms was ’t meer, soms wat minder, enkele malen werden er jongen geroofd of door de jagers van ’t Meer zelf verkocht, maar over ’t algemeen kan men toch zeggen, dat zij er meer veiligheid genoten dan ooit voor dien tijd in ons land. Wij zijn er nu natuurlijk zeer benieuwd naar, hoe het met de kolonie gaan zal onder de zeer gunstige levensvoorwaarden, die haar nu ten deel vallen.

De Texelsche lepelaars bouwden hun nesten in de uitgestrekte duinpannen in het zuidwesten van het eiland achter het dorp Den Hoorn. Deze pannen werden gedraineerd door het graven van de Moksloot en daardoor moesten de vogels verdwijnen. In 1890 kwam een enkel paar nog eens kijken en in 1904 is zelfs een paar bezig geweest een nest te bouwen in een duinplas benoorden het dorp De Koog, maar dat is verstoord.

De kolonie in ’t Zwanewater bij Callantsoog heeft zich ongestoord kunnen ontwikkelen en geniet nog voortdurend de noodige bescherming.

Het heden is voor de lepelaars dus beslist gunstiger dan ’t verleden, dat hun tot nu toe niets anders bracht, dan vervolging en vernieling.

En nu wordt het tijd, de natuurlijke historie der lepelaars te bestudeeren, niet in de boeken, maar in het Naardermeer zelf. Doordat onze twee kolonies de eenige zijn in West-Europa, kunnen wij met groote juistheid gegevens verzamelen omtrent het gaan en komen van deze vogels.

De sterntjes en meeuwen, kieviten en scholeksters bewonen een zoo uitgestrekt gebied en verplaatsen zich in ’t najaar zoo weinig of zoo geleidelijk, dat we van hen omtrent den eigenlijken grooten vogeltrek niet veel kunnen leeren. Maar van de lepelaars weten we, dat ze overwinteren in de Nijldelta en nu zou het uiterst interessant zijn, als we eens konden ontdekken, langs welke wegen en in hoeveel tijd ze hierheen komen.

Ze komen dikwijls reeds in ’t midden van Maart, als ’t jonge riet nog pas een decimeter boven ’t water uitsteekt, of nog niet eens de oppervlakte heeft bereikt. Het meer is echter zoo groot en sommige gedeelten zijn zoo moeilijk te betreden, dat er nog heele plekken oud riet staan en daarin vinden de vogels dan een voorloopige schuilplaats. De heele troep komt niet in eens, het kan wel eenige weken duren, voor de kolonie voltallig is.

Wie het eerst komen, de mannetjes of de wijfjes, de ouden of de jongen, dat waag ik nog niet met zekerheid te zeggen, eigenlijk heb ik den indruk, dat er telkens een gemengd gezelschap komt, maar dat kunnen we over eenige jaren beter weten.

Het is niet zoo heel gemakkelijk, de mannetjes van de wijfjes te onderscheiden, want doodschieten, dat doen we om zoo’n kleinigheid niet en doode lepelaars hebben geen levensgeschiedenis meer. Op onze foto is duidelijk te zien, dat het mannetje grooter is dan het wijfje, maar daar heeft de perspectief ook schuld aan: in de werkelijkheid is het verschil niet zóó groot. De man heeft naar verhouding een langer kuif en de gele, soms oranjekleurige plek aan ’t begin van de borst is bij hem veel grooter.

Maar nu nemen we in plaats van een geweer een roeibootje, een warmen mantel, ruime schoenen, een trommel vol boterhammen en een verrekijker. Van ’t visschershuis tot de broedplaats van de lepelaars is ’t meer dan een uur roeiens, gelegenheid genoeg dus, om op dezen kouden Maartmorgen warm aan te komen op de onderzoekingsplek.

Het water is leeg, waterlelies, gentiaan, veenwortel, fonteinkruid sluimeren nog op den bodem of steken aarzelend bruine groeipiekjes omhoog in ’t heldere koude water. Waar ’t riet gemaaid is, ziet de vlakte groengrijs van de nieuwe toppen, daar achter verheft zich de grijze muur van het oude riet. Lisschen en lischdodden steken groene puntjes boven ’t water en op enkele plaatsen komt uit een dicht pakket van frisch groene en glimmend bruine bladeren de eerste dotterbloem te voorschijn.

De elzen strooien mild hun stuifmeel en de waterwilg wuift zijn twijgen, met goudgele katjes bezet.

Alle heesters zijn bladerloos, alleen de kamperfoelie is uitgebot, maar zijne grijsgroene bladeren, schaars gestrengeld om groote donkere elzenstammen, geven eer een indruk van winter dan van lente. Rietgorzen vliegen rond met veel staartparade en zwermen sijsjes in de elzen doen denken aan meezen in den winter. Koeten en eenden zwemmen rond in de verte en ook de bruine kiekendief is op zijn rooverspost.

Toch lijkt ’t nog in ’t geheel geen plaats noch tijd voor de vogels uit het warme Zuiden. Wanneer deze, zooals zeer waarschijnlijk is, in één of twee dagen hierheen trekken, dan hebben ze een zeer groote verandering van temperatuur, klimaat, planten- en dierenwereld te verduren: Zondag aan de oevers van den Nijl, bij palmen en papyrus, Dinsdag aan ’t Naardermeer, waar de kikkers nog niet eens ontwaakt zijn.

Want ze zijn er. Ze staan in een grooten troep op hun verzamelplaats aan de Oostzijde van den grooten plas bezuiden de spoorlijn. Aan den anderen kant liggen de eigenlijke broedplaatsen, een terrein, dat wel wat overeenkomt met den grond, waarover Nozeman spreekt, alleen groeien hier geen elzen. ’t Is echt verveend meer, een veenhoekje, dat los op ’t water drijft en bijeen gehouden wordt door de stengels en wortelstokken van ’t riet. ’t Is niet raadzaam, het te betreden, dat gaat alleen, als we er een paar planken of roeiriemen op leggen, die dan den voet een wankelen steun verleenen.

Maar dat is vandaag niet noodig. We drijven de boot tusschen ’t riet en gaan languit liggen onder onze mantels. Liggende wordt je niet zoo gauw koud als zittend. En nu den kijker voor ’t oog.

Daar staan misschien een honderd lepelaars. Een dertigtal bezet de droge plek, die het centrum vormt van het vergaderterrein, de andere staan verspreid door ’t lage riet er omheen.

Er is heel wat beweging in den troep; ’t is weer het oude liedje. Blijkbaar zijn de vogels reeds gepaard, het heele gezelschap lijkt in tweetallen of viertallen verdeeld; telkens groote en kleine. De groote zijn het drukst in beweging; niet een geeft er een kik, doch het is een buigen en stappen zonder eind. En ’t mooist zijn de kuifgebaren of liever de maanwuivingen.

Het voornaamste sieraad van de lepelaars is hun lange kuif, die van het achterhoofd langs den nek neerhangt als het naar achter gekamde haar van een jong meisje. ’t Zijn witte veeren, met een gelen tint overtogen, die bij de oude mannetjes het sterkst is.

Die kuif, daar komt het op aan. De lepelaar kan heel eventjes schreeuwen, en ook een beetje klepperen op zijn ooievaarsch, maar dat doet hij toch niet dikwijls. Hij drukt zijn emoties uit met de kuif. Elk veertje is beweeglijk en doordat het sieraad uit heel veel veeren bestaat, is het hem mogelijk ze zoo op te zetten, dat ze een omhuiving, een aureool vormen om het trotsche, breedgesnavelde aangezicht met de roode oogen. ’t Is een paar koude voeten en een stijven nek waard, om dat te zien.

Daar blijft het niet bij. Nu is de kuif omlaag, de vogel zet zich schrap op zijn stevige zwarte beenen en heft zijn snavel in de lucht, zoodat de oranje veeren aan de borst en vooral de groote oranje naakte plek aan kin en keel te zien komen. Hoe ouder vogels, hoe dieper van tint die kale plek is en daar zijn ze heel grootsch op. Ik kan dat nooit zien, zonder een sterken indruk te krijgen van het Zuidelijk karakter van dezen vogel. Bij Noordelijker vogels komen uitgestrekte onbedekte huidvlekken slechts zelden voor.

Het hofmaken van den lepelaar is dus heel en al parade en pronk. Van welsprekendheid of kunstigen zang is bij hem geen spoor. Misschien heeft hij een liefdevlucht; maar die is van een geheel anderen aard dan de buitelpartij van een dartele kievit. Soms gaat de heele troep zonder blijkbare oorzaak de lucht in, met vluggen vleugelslag en lang uitgerekten hals en pooten. Ze zweven door elkaar in wijde kringen, al hooger, en hooger, totdat het wit der veeren in ’t bleekblauw van den hemel wegsmelt. En tien minuten later daalt de troep weer statig neer op de vergaderplaats, waar ’t kuivenspel opnieuw een aanvang neemt.

Het duurt eenige weken, eer er een begin gemaakt wordt met den nestbouw. Soms worden nesten van ’t vorig jaar wat opgelapt, een ander maal wordt de bouwstof van ’t oude nest gebruikt voor het optrekken van een nieuw, maar even dikwijls wordt er een nieuw nest opgetrokken uit kersversche bouwstoffen.

Wanneer de lepelaar werkt, hetzij hij rondstapt, om de rietwortelstokken voor zijn nest bijeen te garen, of zijn voedsel zoekt, maakt hij altijd een heel anderen indruk dan de trippelende plevier of de deftig stappende of grappig hollende ooievaar. Bij hem is geen sprake van nuffigheid, noch van maniertjes, hij is een flinke stoere werker en anders niet.

Hij stapt op zijn lange, dikke, zwarte pooten rond als een grondwerker in een heiput. Dat gaat al dieper en dieper tot zijn staart langs ’t water sliert en als hij ’t noodig vindt, om nog verder te gaan, dan zwemt hij er lustig op los.

De bewegingen van den snavel stemmen met die der pooten overeen. In stevige breede halen steekt hij door modder en water, grijpt wat hem lijkt en rukt het los met forsche nekbeweging. Zoo haalt hij zijn rietstengels uit de modderkanten en als hij een bekvol bij elkander heeft, dan draagt hij ze naar het uitverkoren plaatsje op de trilmodder.

De oude berichten gewagen ervan, dat de lepelaar vroeger hoog in de boomen bouwde, en in zijn Horstermeer-tijdperk deed hij het nog in lage wilgenstoven. In ’t Naardermeer evenwel worden de nesten gebouwd op de dunne veenkorst of den vasteren bodem heel diep in ’t rietbosch.

Hij bouwt langzaam maar con amore. Als het eerste onderlaagje zich boven het water verheft, dan wordt het gevierd met een bescheiden familiefeestje. Uren lang staan de echtgenooten op de fundamenten van hun paleis, elkander complimenteerend en nu gaan ze zelfs wel zoo ver, dat ze een paar rauwe kreten uitstooten en als de uiterste extase nadert, dan wordt niet alleen de breede snavel omhoog geheven, maar er weerklinkt zelfs een onzeker geklepper, een flauwe herinnering aan den ooievaarsratel.

De vergaderplaats aan den oostoever wordt nu minder bezocht; huiselijke vreugd vervangt de convivialiteit en achter het hooge dorre riet, waartusschen de jonge groene spruiten nu reeds een halven meter zijn opgeschoten, spelen zich de allerintiemste tooneeltjes af. Daarvan heb ik echter nog lang niet genoeg gezien, om er over te kunnen uitweiden.

Al hooger en hooger verrijst het nest uit het moeras, de onderste lagen bijna alleen opgebouwd uit de bontgevlekte taaie rietwortelstokken. Hoogerop komen doode rietstengels en eindelijk komt daarboven een laagje van dorre rietgrasbladeren. Daarna wordt het eerste ei gelegd, een mooi, groot, welgevormd ei, soms zuiver wit, maar veelal met enkele bruinroode en groenachtige vlekken en stippen.

Nu is voortaan altijd minstens één der beide vogels op het nest aanwezig. Na eenige dagen komt het tweede ei, de vogels gaan broeden en dan kan het nog een heelen tijd duren eer het derde, of in zeldzame gevallen het vierde ei het legsel voltallig maakt. Deze lange tusschenpoozen hebben natuurlijk het gevolg, dat de jongen niet tegelijk uitkomen en het komt niet zelden voor, dat het derde ei wordt uitgebroed met behulp van de beide eerstgeboren jongen. Beide ouders kunnen dan het nest verlaten, zonder dat het ei gevaar van verkoeling loopt. Op onze foto is het middelste van de drie jongen ook duidelijk kleiner dan de beide andere.

Ze zijn bedekt met dicht vlokkig dons, de oogstreek is geheel kaal. De snavel is wel reeds breed, maar vertoont nog lang niet den karakteristieken lepelvorm. Bovendien is hij zeer buigzaam en ietwat gekromd, waardoor de jonge lepelaars een geheel ander type van gelaatsuitdrukking hebben dan de oude.

Het is niet goed, nu in den eersten tijd de nesten te verontrusten, want de jonge vogels zijn zeer vreesachtig en loopen bij het minst alarm van het nest af. Ik weet niet, of de ouden er dan wel altijd in slagen, ze in het rietbosch op te sporen en ze weer op het ouderlijke platform te brengen.

Wijd en zijd gaan nu de ouden voedsel zoeken, en langs de heele Zuiderzee, van Schellingwoude tot Harderwijk kunt gij ze nu aantreffen. Ze waden tot de enkels in ’t water en slaan dan links en rechts met de snavel door de modder. Iedereen ziet in, dat zij op deze manier hoofdzakelijk de bodembewonende schaaldieren moeten bemachtigen en dat ’t heel moeilijk voor hen zou zijn, zoo al het vischbroed te vangen, dat hun in de boeken wordt voorgediend. Hun hoofdvoedsel zijn garnalen.

In ’t midden van Juli zijn de meeste jongen al vlug. Ze zijn heel gemakkelijk van de ouden te onderscheiden, doordat hun kuif zoo goed als niets te beduiden heeft, hun snavel is aan de bovenzijde glad en eenkleurig en de groote slagpennen hebben zwarte schaften en zwarte strepen, iets, dat aan vliegende vogels op een afstand van wel honderd meters heel goed is te zien.

Tegelijkertijd zijn er nog heel jonge vogels en zelfs nog wel een enkel ei, zoodat de Julimaand in zijn eerste helft de meest geschikte tijd is om zooveel mogelijk van de lepelaars te zien.

In Augustus worden de broedplaatsen verlaten en dan zwerven de lepelaars een korte poos door het heele land rond, hoogstwaarschijnlijk nog in gezinnen vereenigd. De Zwanenwaterkolonie vervroolijkt dan de heele Waddenstreek en de Naardermeerders vertoonen zich iederen dag in den modderdriehoek bij den Schellingwouder afsluitdijk. Wie een avond doorbrengt aan het strand bij Valkeveen mag er op rekenen een troep van deze vogels te zien voorbijtrekken in rustige vlucht. Ze vliegen niet hoog; misschien twintig meters boven ’t watervlak. De lange hals is recht uitgerekt, de snavel gaat eventjes schuin omhoog, de pooten zijn recht achterwaarts gestrekt en vormen een natuurlijke voortzetting van het slanke lichaam. Zoo vliegen ze in rechte lijn vlak achter elkander met zeer regelmatigen vleugelslag, veel vlugger en flinker dan reigers: je zoudt zeggen een goed getrainde bemanning van een tienriemsgiek. Langzamerhand versmelten hun witte gestalten in ’t nevelig verschiet.

Dat zijn nu nog eens echte trekvogels. Al dat zorgeloos gedoe van grutto’s, tureluurs, scholeksters en wulpen maakt op de zoele zomeravonden ook wel groote vertooning van troepenformeering en trekmanoeuvres, maar ’t zou mij zeer verwonderen, als ze verder gingen dan de Wester-Schelde. De lepelaars echter vereenigen zich tot een grooten troep en rusten niet, voordat zij hun Nijldelta hebben bereikt. Meer nog dan de ooievaars verbinden zij Amsterdam met Alexandrië.

DE ZWARTE STERN.

Het zal niet lang duren, of ook dit vogeltje komt in het gedrang. Deze bewering moge wat pessimistisch lijken, vooral voor hen, die de zwarte stern kennen en weten, hoevele honderden er ’s zomers ons drassig land bewonen en hoe veelzijdig het diertje zelf is.

Maar met die drassigheid van ons land wordt het al minder en minder, stuk voor stuk worden door landbouw en veeteelt de verwaarloosde terreinen opgeëischt. De droogmaking van de Zuiderzee, de regulatie van de Vecht, de draineering van Friesland, ’t is alles slechts een kwestie van tijd. Het turfbaggeren geschiedt met groote activiteit en overal verandert het laagveenlandschap met zijn poelen en breede slikkige slooten in netjes verkavelde kleipolders met een zoo gering mogelijk wateroppervlak.

En als nu de zwarte stern niet bijtijds de huik naar den wind hangt, dan zal het hem hier gaan als in Engeland, waar hij, ook al tengevolge van draineering en intensieve cultuur, sedert een halve eeuw het broeden heeft moeten opgeven.

Ik moet eerlijk zeggen, dat het mij moeite kost, mij daarvan een voorstelling te maken: heel Engeland zonder zwart sterntje. ’t Is haast ongelooflijk. Maar ’t staat in de boeken, en als die zoo iets erkennen, dan zijn ze wel te gelooven. En er staat bij, dat ieder jaar enkele paren zich langs de Oostkust vertoonen, om een broedgelegenheid te zoeken, maar die vallen meestal als slachtoffers van verzamelaars en rariteiten-jagers.

Over het algemeen worden de menschen nog al eens tamelijk bezorgd, wanneer er cholera of pest in de buurt is. Nu hebben wij hier iets in de buurt, dat wel niet zoo onmiddellijk ons hachje raakt, maar toch heel onaangenaam aandoet: een land, dat slag op slag zijn broedvogels verliest, zonder dat er zich nieuwe soorten vestigen.

Ziehier het lijstje van de Engelsche verliezen in de laatste eeuwen: kraanvogel, trapgans, ooievaar, kwak, woudaapje, roerdomp, kluit, kemphaan, grutto, wielewaal, spotvogel, snor, wouw, buizerd, havik, bruine kiekendief, geoorde fuut, zwarte stern. En dan kunnen nog wel een tiental soorten genoemd worden, die er zoo goed als niet meer broedend voorkomen.

Ik heb mij vroeger wel eens vroolijk gemaakt over de naargeestige declamaties van al te ijverige vogelbeschermers—en ik houd nog altijd vol, dat ze rare dingen beweerd hebben—maar in den laatsten tijd is er bij mij den schrik ook ingekomen en heb ik wel eens medelijden met mijn achterkleinkinderen. Dat moet toch niet aardig zijn, als de mooie verscheidenheid van dieren- en plantenleven vermindert en de zoo levendig gestoffeerde vogellandschappen van tegenwoordig zullen verdwijnen. Die achterkleinkinderen zullen vechten om een roeibeurt in ’t Naardermeer.

Na de koeten is er niet een vogel, die ’t Meer zoo aardig stoffeert als ’t zwarte sterntje. Van zijn aankomst in ’t laatst van April tot zijn vertrek in September zwerft hij rond over plassen en poelen, langs waterlanen en kreken, den heelen langen zomerdag, spiedend naar zijn veelvormig voedsel, zorgend voor zijn steeds hongerig kroost.

Hij lijkt nog meer op een zwaluw dan de andere sterntjes, zijn staart is iets korter, zijn vleugels langer en de nek niet zoo geprononceerd. Het gewone witte vischdiefje en vooral de groote stern vertoonen onder ’t vliegen een heel stuk nek, wat soms niet mooi is. Bij het zwarte sterntje is de aansluiting van kop en romp mooi gelijkmatig en daardoor wordt het mooie vogeltje een echte compacte vliegmachine.

Toch bestaat er een groot verschil tusschen zwaluwvlucht en sterntjesvlucht. Zwaluwen slaan hun vleugels uit in een veel sneller tempo, om telkens weer geruimen tijd op uitgespreide wieken te zweven. Nu zweven de zwarte sterntjes ook wel, maar nooit lang achtereen en hun vleugelslag is dikwijls zoo langzaam en bedaard, dat iedere beweging is na te gaan. Je kunt de slagen tellen en dat lukt bij de zwaluw nooit.

Door dien langzamen slag lijkt het sterntje zeer gemakkelijk te vliegen. ’t Is, alsof het hem in ’t geheel geen inspanning kost en alsof hij alleen uit speelschheid zijn loodkleurige wieken veerend op en neer slingert.

Dat zou ik zijn wandelvlucht willen noemen. Anders is het, wanneer hij druk werk heeft: kikkervischjes vangen, schrijvertjes en schaatsenloopers oppikken, muggenlarven en watertorren verschalken, visschen, vliegende insecten ophappen, wormen zoeken en wat al meer, want zoo’n sterntje doet van alles.

Kikkervischjes vangt hij aan den waterkant, net als een schooljongen, met dit onderscheid evenwel, dat hij niet aan den waterkant gaat zitten met een schepnetje, maar klapwiekend in de lucht even stilstaat, tot hij zijn prooi goed in ’t zicht heeft, om dan bliksemsnel neer te schieten in ’t ondiepe water en den bullekop in zijn zwarten snavel te pakken. De mondhoeken zijn rood.

Hij heeft een zoo groote juistheid van blik en een zoo zekere vlucht, dat hij de schaatsenloopers, die op hun ranke pooten rondloopen op het wateroppervlak er afpikt, zonder dat hij ’t water zelf raakt: een verschilletje van een millimeter. En dat hij schrijvertjes kan vangen moet ieder met verbazing vervullen, die weet hoe snel deze wezentjes elk naderend gevaar bespeuren en op hoeveel manieren zij zich uit de voeten kunnen maken.

Het spreekt vanzelf, dat voor zoo’n vogel het vangen van watertorren, muggenlarven en kleine vischjes kinderspel is.