Het intieme leven der vogels

Part 5

Chapter 54,043 wordsPublic domain

Het wijfje vindt de betooging ook niet al te onaangenaam en blijft soms een minuut rustig en bedeesd toeluisteren. Eindelijk maakt zij er een eind aan door of onverschillig weg te loopen, of even een paar trippelpasjes te maken in de richting van den indringer, die na een kort vaarwel bliksemsnel en nog aldoor tierend wegvliegt.

In deze conversaties hebben de scholeksters veel genoegen en reeds vroeg erlangen zij daarin een zekere vaardigheid. Het babbelinstinct is hun aangeboren en wordt in de jeugd gevierd als een spel. ’t Is een van de aardigste zomertafereelen; een scholeksterpaar, man en vrouw wakend over hun drie- of viertal jongen, die verdiept zijn in het dans- en conversatiespel.

De jonge vogels zijn even groot als de oude, ja zij lijken zelfs iets grooter. Maar ’t is direct te zien, dat ze nog kindertjes zijn, hun snavel mist den feilen gloed, de pooten zijn eer grijs dan rood, het gitzwart van de veeren is getemperd, doordat de uiterste randjes van elke veer een bruine franje bezitten en aan de keel vertoont zich een groote halvemaanvormige witte vlek.

Trouw worden ze door de ouden bewaakt en gevoed, in ’t binnenduin en op de hooge weiden, meest met insecten en wormen. Opeens krijgt de moeder—hoe dat weet ik niet—den indruk, dat de eb is ingevallen en nu begeeft zich de heele familie met groot geschreeuw naar ’t strand, om in de terugloopende golfjes naar kwallen en schaal- en schelpdieren te visschen.

Hebben ze daar genoeg van, dan retireeren ze naar den duinvoet en daar hebben dan weer, onder leden van ’t zelfde gezin of onder vreemden, de allervermakelijkste begroetingen plaats. Er is nu in ’t najaar natuurlijk geen sprake van nestbouw en broedschheid, maar de gesprekken en bewegingen zijn toch zoo energiek, dat ik niet kan nalaten, de jongelui te verdenken van ’t maken van afspraakjes voor Maart-over-een-jaar.

DE KIEVIT.

De kievit is voor ons, Hollanders, de vogel van de lekkere eieren. Niet, dat de Hollanders zooveel kievitseieren eten; de meesten weten niet eens, hoe een kievitsei er uitziet. Maar allen lezen ze omstreeks midden Maart in de krant, dat het eerste kievitsei gevonden is en dat het een daalder heeft opgebracht of een rijksdaalder, in alle geval een fabelachtig hooge som. En daar zit hem de kneep: het voordeeltje, het onverwachte voordeeltje, dat een wilde vogel, die niets kost van „onderhoud”, wel zoo vriendelijk is, om eieren te leggen, die hun gewicht aan zilver waard zijn.

Later daalt die prijs wel en brengen ze niet meer op dan een versch kippenei in den winter, maar daar houdt de volksverbeelding geen rekening mee en ze verkoopt haar kievitsei nooit voor minder dan „drie zesthalven”. En een feit is het, dat sommige polderperceeltjes in ons land meer opbrengen aan kievitseieren dan aan grasgewas.

„Il est fort malheureux, que dans certains pays, en Hollande surtout, on fasse si grand commerce de ses oeufs, assez insipides.”

Deze uitspraak van den grooten Zwitserschen ornitholoog Fatio geeft ons juist de meening weer van vele beschaafde menschen over kievitseieren en kievitseieren rapen en verkoopen. Ze vinden de eieren niet zóó lekker, als de roep ervan gaat en zouden daarom gaarne zien, dat ’t eierrapen ophield.

Ik voor mij zou dat ook gaarne zien, want hoe rustiger de vogels zich kunnen ontwikkelen, des te beter kunnen we ze leeren kennen. Maar ge kunt het onmogelijke niet vergen. Het zoeken van kievitseieren is voor de plattelandsbevolking een gezonde uitspanning, levert aardig wat op en behoeft de vogels zelf niet direct te schaden.

Ik wil nog een stapje verder gaan en volhouden, dat onder de tegenwoordige omstandigheden de handel in kievitseieren voordeelig voor de kieviten is, en dat, indien die handel werd verboden, de kievit-bevolking met ondergang zou worden bedreigd. Eerst na een halve eeuw van zeer verbeterd onderwijs zou men aan ’t verbod van kievitseieren rapen kunnen denken.

Wie daar meer van weten wil, moet in ’t voorjaar de advertentie-kolommen van plaatselijke blaadjes in kievitrijke streken eens inzien. Telkens wordt er geadverteerd: Het is verboden eieren te rapen op het land van Dinges zonder schriftelijke toestemming van den eigenaar; of Dinges maakt het nog erger en verbiedt elk betreden van zijn terrein.

Doet hij dat als gevolg van het bijwonen van een winterlandbouwcursus, en omdat hij overtuigd is van het onberekenbare nut, dat de kieviten stichten in veld en wei? Nu, ik geloof wel, dat één op de tien boeren al zoo ver is, maar de negen anderen zijn alleen belust op de tantièmes, die ze genieten van de door hen geautoriseerde eierrapers. De veldwachter krijgt een extra fooi en zoo wordt dan met vereende krachten gezorgd voor een min of meer behoorlijke uitvoering van de wet, die het eierrapen toestaat tot en met 28 April en het vervoeren en verkoopen tot en met 30 April of indien deze dag op Zondag valt tot en met 1 Mei.

Maar wanneer nu de wet het eierrapen en den eierhandel ineens heelemaal verbood, dan kwam er van de heele zaak niets terecht. De eieren waren dan niets meer waard, de veldwachter kreeg geen premie, de boer geen tantièmes, de arbeider geen geld en dan zouden stroopers en kwajongens zoo goed als vrij spel hebben en ik verzeker u, dat ze de gelegenheid niet ongebruikt zouden laten. De veldwachter zou van niemand aanmoediging en steun ondervinden en daardoor vrij wel machteloos staan.

Tegenwoordig wordt ook in den verboden tijd, in Mei en Juni, nog al goed opgepast, omdat men de kip, die de gouden eieren legt, niet wil dooden, maar zoodra dat gewone eieren worden, bekommert men zich om de kip niet meer.

In den allerlaatsten tijd is dan ook in ons land het aantal kieviten niet zoo sterk verminderd, als men wel zou moeten vreezen, hoewel het overal veel geringer is dan honderd jaar geleden. Doch dat is een algemeen verschijnsel en ligt aan heel andere oorzaken.

Eén leelijk ding nog. Het dooden van kieviten is in ons land ten allen tijde ten strengste verboden en in streken, waar het zoeken van kievietseieren een winstgevend handelsbedrijf is, wordt daar ook terdege op gelet. Maar hier en daar in ons land, met name in Zuid-Holland tusschen Rijn en Maas, worden in den trektijd duizenden kieviten gevangen en gedood en als plevieren—wat ze ook zijn—naar het buitenland verzonden.

Dit is veel erger dan het rapen van eieren in April. In ’t bouwland raken die April-eieren bij de bewerking van den bodem toch verloren en elders loopt zoo’n vroeg broedsel toch nog veel gevaar door ’t gure weer, en daarom is het misschien zelfs zeer goed, dat wij den kievit noodzaken zijn broedsel in Mei en Juni groot te brengen. Maar een doode kievit is dood, daar is niets meer aan te doen.

Ik heb omtrent dien Zuid-Hollandschen kievithandel geen volledige gegevens kunnen erlangen. Dat gaat in ons landje zoo. Er wordt wel nog al eens kwaad gesproken, maar een ferme, openbare beschuldiging wordt zelden vernomen. Ook zijn we te goedig, om een armen vent zijn wel is waar onwettige broodwinning zoo opeens te ontnemen en een zekere analogie tusschen kievitjagen en eierrapen valt ook niet geheel te ontkennen. Intusschen kan het niet uitblijven, dat we binnen korter of langer tijd in dit opzicht internationale verplichtingen krijgen en dan komt er natuurlijk een eind aan alle verkeerde lankmoedigheid.

En nu willen we eens naar den kievit zelf zien, den prachtvogel van onze weiden. Denk nu niet aan ’t verfomfaaid opgezet gedrocht, dat in April bij Saur en Van Laar de wacht houdt over een schaal met eieren, maar ga den polder in, kruip weg achter een dammetje. Of—en dat is in Februari gemakkelijker te doen, dan lang stil zitten—neem een onverschillig uiterlijk aan en loop den polder door alsof er geen kieviten op de wereld waren.

Ze zijn pas aangekomen en nog in troepen vereenigd. Maar lang zal dat niet duren, want reeds nu beginnen de mannetjes om de wijfjes heen te draaien en uit den stilstaanden troep verheft zich nu hier dan daar een zwart-wit-zwarten vogel in grillige vlucht. Hij gaat niet hoog, noch ver, tuimelt als het ware weer op zijn vroeger plaatsje neer.

Nu staat de heele troep weer stil, alle met den kop in den wind, die de lange kuiven golvend beweegt. Wanneer in de verre toekomst de kievit niet meer de vogel met de lekkere eieren zal zijn, dan wordt hij de vogel met de kuif. Wij hebben meer vogels met kuiven, denk maar aan leeuwerik, gaai en lepelaar, doch niet een is er, bij wie dat sieraad zoo in ’t oog valt en die er zoo expressief mee werken kan, of het moest de hop wezen, maar die kent toch bijna niemand.

Die kievitkuif van bronsgroene veertjes strekt zich van schedel en achterhoofd uit tot op den rug. Als de vogel zijn kuif laat hangen, slieren bij de mannetjes de eindpunten tot tusschen de schouders. Maar hij laat zijn kuif niet gauw hangen. Integendeel, hij draagt hem zelfs in ’t voorjaar niet dikwijls horizontaal, maar steekt hem recht omhoog. Eigenlijk is ’t een dubbele kuif, een linker en een rechter en als die nu wordt opgetild, dan lijken het twee lange horens boven op den kop. Tegelijk gaat ook de breede, wit met zwarte wenkbrauw de hoogte in en als ge dan zoo den vogel met zijn verheugd, verbaasd, vertoornd gezicht voor u ziet staan, dan lijkt hij in ’t geheel niet op den traditioneelen kievit, noch op ’t monster uit de uitstalkast, noch op ’t gekleurde plaatje in ’t vogelboek.

Dit is de belooning, die het wandelen met zich brengt; ge ontdekt telkens een heel nieuwe wereld, het allerbekendste dier, de meest gewone bloem heeft altijd nog iets nieuws te vertoonen, iets dat niet geregistreerd was en zoo wacht ik dan ook nu op een portret van den kievit met hoog opgestoken kuif, op zijn teenen ronddansend in ’t korte gras van de voorjaarswei.

Want de kievit is een teenganger. Hij zet maar zelden den bal van den voet op den grond en versmaadt de hulp van ’t bindvliesje, dat hij tusschen midden- en buitenteen bezit, om volgens de boeken niet in de modder te zakken. Dat gevaar is ook zoo heel groot niet, want een kievit is een lichte vogel, al lijkt hij nog al groot en hij loopt met groote snelheid. Dikwijls ook wordt hij gesteund, doordat hij de vleugels onder ’t loopen een weinigje uitsteekt.

Naarmate de paren zich vormen, worden de troepen kleiner en in gewone jaren zijn ze tegen het eind van Maart geheel weg. Daarentegen is nu de vlakte vol van paren, die elk hun bepaald terrein bezitten.

Hieruit volgt nu niet, dat dan alle kieviten gepaard zijn. Langs de Zuiderzee, op de Wadden en de Zeeuwsche stroomen worden het heele jaar door troepen van ongepaarde vogels aangetroffen. Daar hebben zij vrij spel, in ’t land worden ze door hun gelukkiger soortgenooten niet geduld.

Intusschen trekken nog steeds troepen van kieviten over. Dat duurt voort tot in de laatste weken van April. Het is een lust, op zonnige dagen hoog in de lucht de breede maar ondiepe colonnes te zien voortijlen, bij iedere vleugelheffing het zonlicht weerkaatsend met de witte buik- en okselvederen. Die gaan naar streken, waar ’t later lente is, dan bij ons, want de kievit nestelt tot bij den Poolcirkel.

Ook daar blijven veel vogels ongepaard en die komen in Juni weer zuidelijk afzakken. Al die vrijgezellen zoeken elkaar op, vogels, wier broedsel mislukt is, voegen zich dan bij hen en zoo krijgen we dan vroeg in den zomer alweer groote troepen van kieviten, bij wie de jongen zich kunnen aansluiten.

Maar zoover zijn wij nog niet. Eerst willen we het echtpaar eens begluren. Het mannetje is vol opgetogenheid en zijn luchtbuitelingen wel tienmaal hooger dan verleden week, toen de liefdesbetuigingen nog geheel en famille voorvielen. Hij slingert zich als ’t ware de lucht in; het lijkt er niet op aan te komen, hoe hij vleugels of lichaam of staart beweegt, omhoog gaat hij toch, al is ’t ook langs de ongelooflijkste kronkelbanen. Dat heet „schermen.”

Hij schreeuwt nu niet eenvoudig „kiewiet,” maar laat een zegezang hooren van vele lettergrepen, vol heesch gekrijsch en rollend geroep en bij de stoutste bewegingen van zijn liefdesvlucht roffelt er uit de strak gehouden slagpennen een geluid als van een bromtol. Dit „zwoegen” zooals wij het vroeger altijd noemden, schijnt niet, zooals wij meenden, veroorzaakt te worden door de moeilijkheid van de vliegbeweging, maar doodeenvoudig een willekeurige vreugdeuiting te zijn, analoog met het blaten van snippen of het baltsen van hanen.

Dikwijls schermt de kievit zonder eenig geluid te maken. Dan wordt het een stille luchtdans vol gratie en meer dan ooit herinnert op zulke oogenblikken de vogel aan een grooten nachtvlinder, die wiegelend dartelt over de bloemen.

Ook op de terra firma weet hij zijn gemoed te luchten. Het wijfje staat stil. Zij is iets kleiner en doffer dan ’t mannetje en heeft een veel kortere kuif. Toch kunnen de kuiven van oude wijfjes langer zijn dan die van jonge mannetjes.

Nu gaat het mannetje om het wijfje heenloopen; vooruit, achteruit, omdraaien, kuif op, kuif neer en weldra volgt ook de ootmoedige buiging. Deze révérence wordt echter anders uitgevoerd dan door de scholekster. Hier worden geen verzenen gebogen. De pooten blijven langgestrekt maar ’t heele lichaam duikt voorover en de glimmende zwarte borst wordt tegen den grond gedrukt, heen en weer bewogen, alsof de vogel het broedkuiltje maakt.

Niet lang duurt het, of het heele gebied is vol met zulke kuiltjes en weldra verschijnen in één ervan de vier gladde, doffe, groenachtige, bruingevlekte, priktolvormige eieren. In den regel liggen die met de spitse polen naar elkander toe.

De bekleeding van het nest is zeer verschillend. Soms ligt er niets in, een ander maal is er een volledige bodem van grassprietjes of stokjes. Het lijkt mij toe, dat op de allernatste en allerdroogste plaatsen de bekleeding het rijkst is, daartusschen ligt een optimum van vochtigheidstoestand, waarbij geen voering noodig is.

Bij ons nestelt de kievit zoowel laag in de polders als hoog op de duinen, op kaal, versch omgeploegd bouwland, zoowel als in de grazige weiden en ook de groene strandvlakten zijn niet zonder kievitsnesten.

Het bebroeden duurt omstreeks drie weken en wordt in hoofdzaak, althans overdag, door het wijfje verricht. De broedende vogel op onze foto is ook een wijfje, wat niet alleen te zien is aan de korte kuif, maar ook aan het vele wit aan den kop, de witte kin en de lichte plek aan de keel. Deze lichte plek is een overblijfsel van het winterkleed; eerst laat in Mei krijgen de wijfjes een geheel zwarte keel en borst.

Zij zit met de vleugels geheel vrij, dus eenigszins uitgeslagen, een houding, die voor op den grond broedende vogels met breede nesten wel de meest doelmatige is.

Het mannetje brengt den tijd door met stil te staan bij het nest, met het maken van danspasjes en met schermen en schreeuwen. Bovendien beschermt hij het nest. Alle groote voorwerpen, die zich bewegen in of over zijn broedgebied, worden onmiddellijk aangerand. Daarbij schermt en schreeuwt hij op een manier, die sterk herinnert aan zijn liefdesbetoogingen. Als ik niet zoo bang voor regels was, zou ik wel willen bekennen, te durven gelooven aan dezen regel: De liefdesbetoogingen van de mannetjes bij de vogels zijn dikwijls niet anders dan bewegingen en geluiden, die nuttig zijn voor het behoud der soort en die ten aanzien van het wijfje worden verricht, zonder dat op dat oogenblik de noodzakelijkheid daartoe bestaat.

Het is alsof dat mannetje zeggen wil: Zoo kan ik vechten, schrik aanjagen, prooi vangen, voedsel zoeken, voederen, en wat wil je nog meer? We zullen ook bij andere vogels voorbeelden hiervan aantreffen.

Meen nu niet, dat de vogel werkelijk die redeneering maakt, als hij zijn kunsten vertoont. Ik geloof niet, dat de vogels redeneeren, wel, dat zij emoties ondervinden en dat op een voor hen onbewuste manier de emoties van den paringstijd aanleiding geven tot het speelsgewijze verrichten van bewegingen, die in de periode van het bebroeden der eieren en het groot brengen der jongen telkens noodzakelijk verricht moeten worden.

Dat verjagen van vreemde indringers is ten minste iets, waar de kievit den heelen dag handen vol werk aan heeft. Zoo gauw een kraai of meeuw zich vertoonen, randt hij ze aan, nog lang, voordat ze het nest of den broedenden vogel bespeurd hebben. Die broedende vogel gaat trouwens ook meteen het nest af.

En nu zou ik weer een regel willen stellen en wel een heel gevaarlijke, maar alleen voor de vogelwereld, nl.: wie zich het meest boos maakt, krijgt zijn zin. Een kievit is in geen enkel opzicht een te duchten aanvaller. Hij heeft weinig gewicht, dus kan met niet veel vaart aanvallen, zijn snavel is week en het eenige werkelijke wapen dat hij bezit is een familiewapen, dat alleen symbolisch en heelemaal niet gevaarlijk is.

Hiermee bedoel ik het eeltplekje in de polsstreek, dat een flauwe herinnering is aan de spoor van de spoordragende kieviten uit tropische gewesten.

Toch gaan voor dezen ongevaarlijken vogel de meeste indringers op zij. Zij kunnen al de beweging en het gekrijsch niet verdragen en zoo kan men dikwijls zien, dat een kraai of een reiger honderden meters ver door de kieviten worden uitgeleid. De buren nemen het werk van elkander over.

Zoo beschermt hij zijn nest nog effectiever dan de scholekster en wordt zijn aanwezigheid meteen een bescherming voor andere weidevogels, zooals de kemphaan en tureluur, die minder driest en nagenoeg geheel weerloos zijn.

Intusschen wordt het broedsel en ook de broedende vogel zelf nog maar al te dikwijls het slachtoffer van sluipende viervoeters, zooals wezels, bunzings, hermelijnen, katten en ratten en door vereenigd optreden weten kraaien en kauwen ook hun deel te bemachtigen.

De jonge kievitjes loopen bijna onmiddellijk wanneer zij uit den dop komen, maar blijven soms toch nog vrij lang in het nest. Dan gaan zij ronddolen in de buurt, altijd opgepast door de ouden.

Het zijn de mooiste donsvogeltjes, die ik ken. Ze bewegen zich gemakkelijk, kijken glunder, hebben goed geproportionneerde bekjes en pootjes en een donsbekleeding, die in fijnheid van tinten: rossig bruin, zwart en zuiver wit alles overtreft, wat er op dit gebied te zien is. Het witte nekkraagje is hun distinctief; zooals de oude kievit de vogel is met de kuif, zoo is de jonge de vogel met het witte nekkraagje. Daaraan alleen is hij al te onderscheiden van al ’t andere klein gedoe van scholeksters, kluiten, tureluurs, kemphanen, sterntjes en pleviertjes, die met hem in denzelfden polder hun eerste levensdagen slijten.

En wanneer er gevaar dreigt, dan is hun eerste werk: stilzitten en het witte kraagje verbergen. Ze duiken dicht ineen, liefst tegen een donker kluitje, of in een donker kuiltje en dan moet je heusch goed kijken, om het jonge dier te vinden. Komt het dreigend gevaar zeer nabij, b.v. als men de hand uitsteekt, om ze te grijpen, dan komt er beweging in ’t donsballetje. Het kopje gaat omhoog, het nekkraagje komt te voorschijn en op zijn stevige pootjes rent ’t dier er van door als een kleine struisvogel, meestal hevig piepend en in de lucht begeleid door zijn bezorgde ouders.

Die hebben heel wat te doen, om hun drietal of viertal bij elkaar te houden, en dat is is de eerste dagen toch dringend noodig, anders zouden de kleintjes stellig omkomen van honger en koude. De sterfte onder de kievitjes is werkelijk ook zeer groot, hun kleine cadavertjes zijn overal en vooral in greppels te vinden.

Wie de kwestie wil bestudeeren, of de vogels over middelen beschikken, om elkander gedachten mede te deelen, kan dat mooi doen door ’t gedrag van jonge vogels te observeeren, wanneer ze aan ’t dwalen zijn onder leiding van de ouden. Ze richten wel wat uit met hun geschreeuw, die oude vogels, en ten slotte krijgen ze hun volkje wel bij elkander, maar dat gaat zoo met moeielijkheden en omwegen, dat er van taal en bevelen geven geen sprake kan zijn. Meestal komt het erop neer, dat de oude vogel op een hoog punt gaat staan schreeuwen uit alle macht en daar sturen de kleintjes dan op los.

Wanneer ze pennen beginnen te krijgen, gaan ze hun ouden verlaten. Het kievitgezin blijft niet zoo lang vereenigd als de scholeksterfamilie en zoo komt het, dat ge in Juni en Juli overal langs den zeekant heel veel alleenloopende kieviten kunt aantreffen. Ze gaan hoe langer hoe meer op de oude gelijken, maar ze hebben heel korte kuiven, de lichte plekken aan den kop zijn niet wit, maar zandkleurig en alle veertjes van de rugzijde hebben lichtbruine randjes. De kunst van zich dood te houden verstaan zij alleruitmuntendst.

Ten slotte voegen zij zich bij de rondzwervende troepen. In Augustus beginnen ook al de jonge kieviten uit den vreemde hierheen te komen. De ouden hebben weldra geruid en in September zijn alle weiden vol met de vlugge pierenzoekers.

Ze zien er nu anders uit, dan in ’t voorjaar. De rug glanst minder, aan de keel is een groote witte plek gekomen, de kuif is korter. Het is moeilijk, nu mannetjes en wijfjes en jongen te onderscheiden. Ze zijn nu veel minder schuw; een wei kan nu tegelijk kieviten, spreeuwen, roeken en meeuwen bevatten, zonder dat er één hard woord valt.

Alleen het feit, dat de kieviten nu in gezelschap leven van meeuwen, roeken en spreeuwen, toont aan, dat het uiterst nuttige vogels zijn en dat er van die nuttige soort nooit te veel kunnen komen. Duizend vogels vinden dag aan dag overvloed van voedsel op één stuk weiland. Ga nu eens na, wat er gebeuren zou, als die duizend vogels daar eens niet dag aan dag arbeidden.

Hoogstwaarschijnlijk kan niet één van deze vogelsoorten gemist worden en de kievit stellig niet, want hij is eigenlijk een nachtdier en verdelgt dus de larven en slakken, die ’s nachts te voorschijn komen en dat zijn er heel veel.

Diep graven kan een kievit niet, daarvoor is zijn bek te zacht en te kort, maar hij kan goed kijken, hard loopen en stevig trekken. Wanneer de October- en Novemberregens plassen op de weiden hebben gebracht, dan staan de kieviten in dichte drommen daar rond omheen en alles wat aan de overstrooming tracht te ontsnappen, valt hun ten buit.

Ook kennen ze een bijzonder kunstje, om de wormen uit de grond te jagen. Ze drukken een poot tegen den grond en brengen dien dan in trilling en door die beweging komen dan de wormen te voorschijn, wellicht doordat ze den indruk krijgen, dat er een mol aan ’t werk is. De zwartkopmeeuwen doen iets dergelijks door snel op den grond te trappelen, maar als er kieviten in de buurt zijn, dan geven zij er meestal de voorkeur aan, om dien vogels hun zuur verworven buit af te stelen.

De kieviten werken ook op de manier van de lijster, door te luisteren. Op deze manier vangen zij stellig de zoo schadelijke ritnaalden, die dicht bij de oppervlakte van den grond aan de gras- en graanwortels knagen. Plantenvoedsel heb ik ze nooit zien eten; als ze tusschen de koolplanten zitten dan is het hun alleen om de koolrupsen te doen. O, wat kun je een massa goeds van die kieviten vertellen.

Hun nuttige arbeid op ’t veld duurt tot de eerste harde vorst, dus in den regel tot omstreeks Nieuwjaar. Als dan de bodem een paar dagen lang bevroren is, dan kunnen ze het niet uithouden en dan wijkt het grootste deel uit naar Engeland en Ierland. Maar er blijven er ook nog heel wat hangen aan de monden van de Maas en op de Ooster- en Wester-Schelde, zoodat we het heele jaar door kieviten bij ons hebben.

Het is gedurende de laatste maanden van het jaar, alsof zij zich gedurig gereed houden voor de heenreis. Troepen van honderden en duizenden azen gezamenlijk op de velden en ieder oogenblik wordt er vliegoefening gehouden. In breede zwermen vliegen zij voort. Er zijn dagen, dat er elk oogenblik zoo’n kievitswolk in de lucht te zien is, en wanneer ze in ’t zonlicht vliegen tegen een donkere lucht, dan blinken hun witte veeren een half uur ver u tegen.

II.

IN ’T NAARDERMEER.

DE LEPELAAR.