Part 4
Maar een millioen gewone beschaafde menschen kunnen ook wat uitrichten en zoo groot wordt over de geheele wereld langzamerhand de belangstelling in het leven der vogels, dat het niet lang zal duren, of wij kunnen in alle deelen van de wereld op goede waarnemers rekenen. En eindelijk zal er wel een geniaal man komen, die ten slotte den heelen berg van boeken en tijdschriften zal reduceeren tot het kleine boekje, dat de lang verbeide wijsheid bevatten zal.
Zeer belangrijke gegevens zijn in de laatste jaren verkregen door het „ringen” van vogels. Men brengt aan een poot van een vogel, (meestal neemt men daarvoor bijna vlugge jongen op de broedplaats) een gemerkte aluminium-ring aan. Wordt dan de vogel later gevangen of gevonden, dan weet men tenminste de plek, waar eens zijn wiegje stond. Wie aan dit onderzoek wil meewerken, kan ringen aanvragen bij Dr. E. D. van Oort, Rijksmuseum Leiden.
Ons land—ik heb het al meer gezegd—is even gunstig gelegen als Helgoland en veel rijker aan broedvogels, zoodat hier behalve het grootsche verschijnsel van de voorjaars- en najaarstrek ook waarnemingen kunnen worden gedaan omtrent het gedrag van oude en jonge vogels in en kort na den broedtijd in de nabijheid van de broedplaatsen. Ik voor mij geloof, dat deze laatste van het allergrootste gewicht zijn, en daar is tot nu toe weinig aan gedaan. Het stille water der ornithologie (de maanden Juli en Augustus) heeft diepe gronden.
Nu maakt de zwartkopmeeuw in ons land half den indruk van een standvogel, half die van een trekvogel en het is daarom ’t voorzichtigst, hem als zwerfvogel op te vatten.
De eenjarige zwartkopmeeuwen, die nog niet broeden, zijn natuurlijk vanzelf zwerfvogels. Let in den zomer op zwartkoppen met zwarten staartzoom. Ge ziet ze niet veel. Op de broedplaatsen worden ze niet geduld en nu zwerven ze rond over de heele wereld, zoodat ze nergens algemeen kunnen zijn.
Wanneer nu de jonge meeuwen van dit jaar vliegen kunnen en, na door de ouden verlaten te zijn, gaan rondzwerven in de buurt van hun geboorteplaats, dan kan het niet uitblijven, of zij ontmoeten zeer spoedig een klein troepje van die voorjarige jongelui en daar kunnen ze zich dan gemakkelijk bij aansluiten. Die kennen de wereld en weten den weg door heel Europa. Een heelen winter hebben zij rondgezworven in gezelschap van oudere, zelfs zeer oude soortgenooten en gedurende den broedtijd hebben ze van de opgedane ervaring terdege geprofiteerd. En als de zomer op zijn eind loopt, dan zijn zij volkomen berekend voor hun taak van leiders der jeugd.
We moeten het met de leiding niet al te letterlijk opnemen. Meen niet, dat zoo’n Ulysses op een troep jonge meeuwen afgaat en zich opwerpt tot hun cicerone. Integendeel, de jonge vogels zoeken hen op, of liever voegen zich bij hen. Ze zien soortgenooten op jacht of rustend en sluiten zich dan doodeenvoudig bij hen aan.
In Juli of Augustus beginnen dergelijke gezelschappen zich te vertoonen in Amsterdam en andere steden, die met grachten gezegend zijn. Altijd bestaan die gezelschappen uit piepjonge vogels met een klein aantal eenjarige vrijwilligers. Heel oude vogels worden in dien tijd in de steden weinig gezien; op het land des te meer. Die worden in October gaandeweg talrijker op de grachten, zoodat ze hier en daar zelfs de meerderheid gaan vormen.
In ’t algemeen blijven de oude vogels ook gedurende den winter zich afzonderen van de jongen. De scheiding is niet zoo streng als in den broedtijd, maar sommige vakken van de Heerengracht en Keizersgracht bevatten bijna niet anders dan oude vogels, terwijl op andere plaatsen de bruingevlekte jongen in de meerderheid zijn.
Nu krijgen we den heelen winter in verband met wind en weer, een heen en weertrekken van de meeuwen naar de stad en naar het land. Als ’t vriest, komt alles naar de stad, maar bij dooiweer werken de meeuwen op de weiden en akkers. Ze zijn nu bijna altijd in gezelschap met de bonte kraaien, die met een zekere bonhomie de mooie blanke vogels naast zich dulden op mestvaalten en vuilnisbelten.
De stad is hun als winterverblijf al zoo dierbaar geworden, dat zij zelfs bij zeer strenge en langdurige vorst er niet aan denken, om elders een goed heenkomen te zoeken. Uitgehongerd en afgemat vliegen ze over de dichtgevroren grachten, vechtend om een stukje afval, maar blijkbaar vol vertrouwen op den korten duur van onzen Hollandschen winter.
Soms vliegen ze dan hoog in de lucht, veel hooger dan den Westertoren alsof ze uitzien naar open water. Ze zien dan de bevroren Zuiderzee, waar niets te halen is en de groene Noordzee, waar ze niet gewoon zijn te werken. In een paar minuten kunnen ze naar het strand vliegen en binnen het uur kunnen ze de Wadden-eilanden of de groote riviermonden bereiken, waar altijd wat te halen is. Toch blijven ze rondzweven boven de hongerstad; slechts enkelen zoeken gunstiger streken op.
Eigenlijk kan dit alleen met zekerheid worden uitgemaakt door telling; we moeten gedurende den winter een meeuwencensus hebben in de steden en op sommigen plaatsen aan het strand en de zeegaten. Dit is lang niet ondoenlijk. Professor Forel heeft ’t uitgevoerd voor het meer van Genève, waarom zouden wij het niet kunnen voor de hoofdgrachten van Amsterdam of voor het Wierhoofd te Nieuwediep?
Forel maakte eenige malen in ’t jaar een rondreis om ’t heele meer en telde dan de „mouettes rieuses”. Hij vond er in April 645, in Mei 250, in Juní 150, in Juli 1580 en in September 2935. Gedurende den winter kon hij geen tellingen verrichten, omdat dan de booten niet varen. Ook verzuimde hij te letten op den leeftijd en daardoor zijn die gegevens niet van zooveel belang, als zij hadden kunnen zijn.
Toch blijkt uìt die getallen reeds, dat in April de laatste broedvogels vertrokken. Die 250 Mei- en de 150 Junigasten zijn waarschijnlijk eenjarige rondzwervers. In Juli komt de voorhoede van de wintergasten en nu had ik graag willen weten, of dat oude of jonge vogels waren. Een van Gätke’s grondstellingen is, dat de jongen het eerst trekken, alleen met uitzondering van de koekoek, en dat ze niet geleid worden door oude vogels. Dat zou men nu voor de meeuwen op de Zwitsersche meren mooi kunnen nagaan.
In Amsterdam komen altijd de jongen het eerst aan, zoowel bij het begin van den herfst, als telkens gedurende den winter bij het invallen van de vorst. Zij zijn kleinzeeriger dan de ouden.
DE SCHOLEKSTER.
Dit is de meest in ’t oog vallende vogel van Holland. De ijsvogel met zijn schittering van blauw en groen, de Vlaamsche gaai met zijn bonte wieken, de wielewaal in ’t rood en geel, ze maken geen van alle zoo’n diepen indruk als deze schreeuw-genius van stranden en moerassen. Het felle rood van den langen snavel, de als met bloed beloopen oogen, de dikke, roode pooten en het hagelwit met deftig zwart van gevederte geven een gewaarwording van schreeuwende bontheid.
Met verbazing constateert men, dat dit krachtig effect wordt bereikt met drie kleuren en twee tinten. Maar men mag niet vergeten, dat deze drie kleuren juist zoo zijn, dat ze steeds een contrast vormen met het groen van het weiland en het blauw van den hemel.
Een voorbeeld van de eindelooze veelzijdigheid der natuur. Waar zij het bijna onmogelijke bereikt heeft op het gebied van beschermingskleuren, wanneer de nachtzwaluw bedriegelijk lijkt op stukjes dor hout en schors, wanneer de griel en de wulp sprietje voor sprietje en vlekje voor vlekje den valen duingrond of heibodem nabootsen, om niet gezien te worden, daar schept zij dezen vogel, die door schreeuwende kleuren en felle contrasten zich opdringt aan den minst oplettenden beschouwer. Hij wil gezien worden. Indien uw oog nog niet voldoende geprikkeld wordt door het git, het sneeuw en het koraal, dan zal hij uw oor treffen met zijn luiden alarmkreet, die, als ge hem van dichtbij hebt gehoord, blijft natuiten in uw droom. Maar ’t is geen droom, als ge in den zomernacht zijn kreet verneemt. Dan zwerft de rustelooze op zijn trillende zwart-met-witte wieken over duin en wei, dartelend met de even wakkere kieviten, wegscheerend over het logge vee. En als de kievitseieren-zoeker bij het grauwen van den dag het bedauwde veld betreedt, dan stormt met luid gejuich de Pruisisch gekleurde wachtvogel hem te gemoet.
Van alle vogelcharges, die ik heb mogen verduren, is die van de scholekster wel de meest bewonderenswaardige. Sterntjes, meeuwen, kieviten, kluiten, ze hebben alle hun bijzondere manieren van aan te vallen, maar altijd min of meer zijdelings, indirect of aarzelend.
De scholekster evenwel bedenkt zich nooit. Regelrecht, als een pijl uit den boog, komt hij reeds van verre, o, wel honderd meter ver, op u af, laag bij den grond, den langen, harden, rooden snavel precies op uw oog gericht. Zijn vleugels bewegen met een ongelooflijke snelheid en zonder rechts of links af te wijken, snelt hij toe. Alleen op het laatste oogenblik glijdt hij vlak langs u heen, u zijn duivelsch „tepìet” in de ooren gillend, haalt wijd uit en herhaalt onmiddellijk zijn aanval met dezelfde onstuimigheid.
Dat is mooi, o, dat is zoo mooi! Die andere vogels hebben bij al hun brutaliteit toch nog altijd iets angstigs over zich, en ze pauseeren even voor zij tot den aanval overgaan. De scholekster niet. Hij bedenkt zich geen oogenblik, toont geen spoor van vrees en laat niet af, voor hij zijn doel bereikt heeft.
Welk doel? Natuurlijk het redden van zijn nest of jongen. Wanneer een scholekster zijn lansaanval doet, dan is het nest niet ver weg. In een kring van vijfentwintig meter radius vindt ge dan stellig de drie of vier groote geelbruine, donkergevlekte eieren, in een vlak kuiltje in ’t gras of in ’t zand. Meestal ligt het in de minst drasse stukken, dikwijls op dijkjes of slootwallen en zelfs op vrij hoog bouwland en hooge duinruggen.
De groote eieren zijn gemakkelijk te zien en de broedende vogel ook. Maar wanneer de waakzame steltlooper u afleidt met zijn aanvallen, zijn kleurgeschitter en bazuingeschal, dan blijft het nest licht onopgemerkt. In de boeken staat, dat het legsel in den regel niet meer dan drie eieren telt; op Texel vinden wij er nog al dikwijls vier in, ja, meestal zelfs vier.
Nu geloof ik, dat de scholekster op de Noordzee-eilanden zijn krachtigste ontwikkeling bereikt. Scholeksters komen voor over de heele oude wereld, maar de Noordzee-oevers van Schotland tot Jutland zijn hun hoofdgebied, en Texel heeft daarin een centrale situatie. Vandaar, dat zomer en winter onze stranden opgevroolijkt worden door de tegenwoordigheid van dezen monteren gast, den vogel met den snavel.
Hij heeft naar verhouding den langsten, duidelijksten en hardsten snavel van al onze vogels. De wulp en de grutto kunnen wat lengte betreft met hem concurreeren, maar die hebben toch eigenlijk niets anders dan weeke wroetwerktuigjes. De scholekstersnavel is tegelijkertijd een speer, een wig en een lepel. De punt is hard en scherp, schuin afgesneden en saamgenepen, de wortel is breed en massief, het middenstuk buigzaam en beweeglijk.
Met groote behendigheid weet hij den smallen snavel tusschen de schalen van een mossel in te werken en de sluitspier door te snijden. De doos valt dan open en in een ommezien schept hij ’t weeke hapje uit de schelpen. Als de mosselbanken in de Waddenzee bij eb droogvallen, komen de scholeksters bij troepjes aanvliegen, om daar hun maaltijd te doen. Ook groote kinkhorens en wulken tast hij aan, en eens heb ik er een bezig gezien met een vrij groote krab.
Bij ’t begin van de eb trekt hij naar ’t strand en volgt de terugtrekkende zee. Ge weet, dat de zilte baren in een speelsche bui soms onverwacht weer een groot stuk van het verloren terrein kunnen heroveren, al is het maar voor enkele oogenblikken. Wandelende meisjes stuiven dan met luid gegil en natte voeten landwaarts in.
De scholekster laat dat echter gebeuren. Hij geeft er niet om, dat ’t zeewater een paar centimeter om zijn dikke beenen stijgt en ziet er ook niet tegen op, dat de golven zijn witte buikveeren raken. En als ’t nog erger wordt, dan laat hij zich tevreden met de golf optillen en zwemt een eindje mee. Ten slotte komt hij weer op zijn zes teenen te staan en dan gaat de koraalroode snavel rechts en links, om te bemachtigen wat door ’t terugstroomende water weerloos wordt medegevoerd.
De strandwormen, die in ’t zand huizen, weet hij te bemachtigen door met den harden, scherpen, steekbeitelachtigen snavel met groote snelheid in den grond te spitten. Het is geen boren, zooals de spreeuw en de roek doen, maar de roode snavel vlijmt den grond in en heeft den worm te pakken, eer die zich in ’t diepst van zijn schuilgang heeft kunnen terugtrekken.
In onzen polder Het Noorden hebben wij hem betrapt op een zeer ernstig misdrijf. Een dwergsterntje schoot met veel misbaar door de lucht altijd heen en weer op dezelfde plaats. Daar stond een scholekster, blijkbaar ernstig bezig en zich in ’t geheel niet bekommerend om de aanvallen van het kleine vogeltje.
Toen wij nader kwamen, keek hij op met zijn groote bloedroode oogen en vloog toen gillend weg. Het sterntje vervolgde hem een stuk weegs en viel toen ons aan, hoewel we geen kwaad in den zin hadden.
Doch het kwaad was reeds verricht, de mooie sterntjeseitjes waren middendoor gehakt door den rooden snavel, struif en doppen verontreinigden het kleine nest. De eitjes waren nog in ’t geheel niet bebroed, zoo schoon als zilver en wij verbaasden ons erover, hoe de scholekster, zoo wij hem niet gestoord hadden, met zijn langen, smallen snavel den vloeibaren inhoud verorberd zou hebben.
Nu weten wij dus, dat tenminste één scholekster zich schuldig maakt aan eierroof. Later hebben wij nog meer gevallen kunnen constateeren, onder andere ook in Artis, waar de in gevangenschap levende scholeksters de eieren vraten van de waterhoentjes, die met hen in dezelfde volière huizen.
Geen enkel ornithologisch werk noemt den scholekster als eierdief of vogelmoordenaar. Zou het een nieuw instinct zijn, dat zich bij de soort begint te ontwikkelen? Tot nog toe broedt hij ongestoord te midden van de andere steltloopers en zwemvogels, die door zijn waakzaamheid voordeel hebben van zijn gezelschap. Maar als hij nu een nestroover wordt, dan is hij de wolf in de schaapskooi.
Daarentegen hebben wij op Rottum gezien, dat daar de scholeksters de groote sterns helpen, om hun eieren te verdedigen tegen de zilvermeeuwen.
Laat ons hopen, dat het bij dien eenen vogel blijft, dat de innovator geen volgelingen krijgt. Het is in ’t geheel niet noodig, dat de scholekster naar een nieuw voedingsmiddel uitziet. De zee, het strand, het slib en de weiden maken, dat hij altijd en overal aan den kost kan komen.
Hij vindt dan ook meestal zoo rijkelijk voedsel, dat na een half uurtje arbeid rust of verpoozing kunnen volgen. De verpoozing hangt af van ’t jaargetijde, de rust wordt genoten aan ’t strand, aan den oever van de kreek of in ’t gras van ’t hooiland.
Wie ’s zomers langs de zee wandelt, kan niet missen, den scholekster slapend aan te treffen, hetzij aan den voet van ’t duin, hetzij op een half-drooggeloopen zandbank. Het is noodig een honderd meter ver vooruit te zien, want zoo vast slaapt de vogel nooit, dat ge zeer dicht bij hem zoudt kunnen komen.
Maar hij slaapt formeel, het hoofd omgedraaid, den langen zwaren snavel uitgestrekt over den breeden rug. Dit ziende kunt ge eerst goed beseffen, hoe een dergelijke houding den vogel rust moet verschaffen. Het vordert geen geringe spierinspanning, om een kop met zoo’n langen snavel rechtuit te dragen en de scholekster heeft dan ook sterk ontwikkelde nekspieren met ferme uitsteeksels aan de halswervels als aanhechtingspunten. De oogen zijn maar zelden geheel gesloten, doorgaans echter geborgen achter ’t derde ooglid, het wenkvlies. Dat is met den kijker goed te zien. Toen ik de wacht hield in ’t fort van Selous, kwam een gezelschap van achttien scholeksters in de kreek staan en die gingen gezamenlijk den dut in, alle met dichtgehaalde wenkvliezen.
Dat is gemakkelijk te zien. Alles is aan den scholekster gemakkelijk te zien. Mocht ge vreezen, het oog niet spoedig genoeg te kunnen ontdekken, hij komt u te gemoet door een breede witte streep te dragen onder het vuurroode ooglid. Meent ge dat op zoo’n grooten afstand het gemis van glans niet voldoende is, om de aanwezigheid van ’t wenkvlies te verklaren, dan behoeft hij maar even dat derde ooglid op zij te schuiven en een karmijnroode iris schittert u tegen. Merkwaardig is ’t, hoe die vogel in de kleine oogstreek de vier hoofdkleuren van zijn kleed, zwart, wit, vermiljoen en karmijn repeteert.
Wanneer scholeksters nog in Juni in troepen rondvliegen, dan bestaan deze uit ongepaarde individu’s, zwervers zonder nest. In den regel zijn dat, evenals bij de zwartkopmeeuwen, eenjarige vogels, die een zwervend leven leiden. Den heelen zomer dolen ze rond langs zeegaten en riviermonden, dikwijls in gezelschap van andere langbeenige kornuiten, als regenwulpen en rosse grutto’s. In de avond- en morgenuren worden die benden het meest gezien en wanneer ze zich zoo in V-vormige troepen aan den warmen zomerhemel vertoonen, dan lijkt dat een vermaning uit de verre poolgewesten—wat het natuurlijk heelemaal niet is.
Tegen het najaar groeien die troepen aan in talrijkheid. Gedurende de wintermaanden schijnen ze zich te verstrooien, maar toch heb ik aan de Westerschelde in December nog wel troepen van honderden gezien, die stonden te wachten op de eb. In Februari en Maart zijn de benden het talrijkst en tegelijk het woeligst, want dan hebben de ceremonies plaats, die leiden tot paring en nestbouw.
Bij duizenden verzamelen zij zich dan op de slikken en schorren van de Wadden en de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stroomen. Rij aan rij staan ze geschaard in ontelbare massa’s, de roode snavels blinkend in de voorjaarszon. Nu eens staan ze minuten lang in doodsche stilte, dan weer ontstaan hier en daar in ’t groote vogelheer plaatselijke woelingen van booskijkende individu’s die om elkaar heenloopen, tegen elkaar opspringen, elkaar in de vleugels bijten, om dan weer plotseling stil te staan, met den rooden snavel loodrecht naar den grond gericht en uit alle macht fluitend en schreeuwend.
Soms breiden de onrust-haarden zich uit en de heele armee wordt één tooneel van woestheid en wanorde, van vecht- en danspartijen, alles onder oorverdoovend geschreeuw. En een oogenblik later staan ze alle weer roerloos en doodstil, alsof ze opeens betooverd waren.
Het is niet gemakkelijk, om in zoo’n groot gezelschap het gedrag van afzonderlijke individu’s te bestudeeren en de mannenrollen van de vrouwenrollen te onderscheiden. Ook is er in kleur en vorm geen verschil tusschen mannetje en wijfje, alleen is zij een flink stuk grooter dan hij. En ik geloof ook wel, dat zij het heft in handen heeft.
Men is zoo licht tot generaliseeren geneigd en zoo is door de waarneming van hoenderachtige vogels de meening ontstaan, dan bij de vogels het mannetje almachtig is en de wijfjes altijd gereed zijn, om gedwee het mooiste en sterkste mannetje, den overwinnaar in ’t gevecht of in den zangwedstrijd te volgen. Niets is minder waar.
Zelfs bij de hoenders zit menige haan onder de plak en bij zeer vele vogelsoorten is het wijfje de krachtigste persoonlijkheid. Zij beslist, wat voor mannetje ze wil nemen en beschermt desnoods den eenmaal gekozene tegen aanrandingen van derden. Ook hieromtrent weten we lang niet genoeg, er is maar heel weinig op gelet. Wanneer het voorjaar komt en de vogels onze aandacht beginnen te trekken, dan zijn ze meestal reeds lang gepaard. Het vrijen en trouwen begint voor de meeste reeds gedurende de wintermaanden en in het winterverblijf en wat wij gedurende lente en zomer te zien krijgen, is veelal niets meer dan de epiloog.
Dit is zeker, wanneer de scholeksters eenmaal elkander gekregen hebben, dan zonderen ze zich af van den grooten troep en betrekken het terrein hunner keuze. Bij zoo’n afzonderlijk paar is al vrij spoedig na te gaan, wie van de twee het wijfje is, daar ’t verschil in grootte nu heel goed in ’t oog valt. En nu blijkt dadelijk, dat het mannetje niets liever doet, dan ’t wijfje te behagen.
Hij vliegt en trippelt om haar heen, blijft in extase stilstaan, knielt—zooals een vogel knielt: op zijn hielen—komt weer omhoog en gaat met neerwaarts gerichten snavel het scholeksterslied zingen. Dan weer springt hij de lucht in, vliegt met veel vertoon van witte veeren in ’t rond, al schreeuwend en fluitend. Met de vleugels zoo wijd mogelijk uitgestrekt scheert hij neer langs ’t groene gras, bereikt met de teenen den bodem, maar heeft nog zoo’n vaart, dat hij niet stil kan staan, maar klapwiekend loopt hij verder en als hij eindelijk erin geslaagd is, door krachtig remmen tot stilstand te komen, dan houdt hij nog eenige oogenblikken de vleugels loodrecht omhoog, zoodat de onderdekveeren al hun witheid vertoonen boven gras en bloemen.
Een andermaal bukt hij voorover, drukt de borst stijf tegen den grond en wiebelt het lichaam heen en weer, draait zelfs in een halven cirkel of een heelen cirkel in ’t rond. Deze broedsche beweging herhaalt hij verscheidene malen op verschillende plaatsen en ook het wijfje verlustigt zich erin. ’t Is de inleidende beweging voor het maken van het nest. Het maken van ’t nest is waarschijnlijk voor de vogels niet zooals wij wel eens meenen een moeitevolle arbeid, maar een genotrijke instinctvervulling.
Het is een lust, in ’t vroege voorjaar de steltloopers in den polder dien nestendans te zien uitvoeren. Telkens boort een blanke borst in ’t zand of ’t gras, nu eens is ’t een scholekster, dan een kievit, een sterntje, een tureluur, een kluit, of een strandpleviertje, soms wordt de beweging slechts even aangeduid, de borstveeren raken nauwelijks den grond, ’t is meer een révérence dan de graafbeweging, maar een andermaal gebeurt het met groote energie en tolt het dartele vogeltje rond in zalige verrukking.
Zoodoende wordt het aantal nesten, of liever broedkuiltjes veel grooter dan de broedende paren, en vooral van onzen scholekster is het aantal speelnesten legio.
Dat neerzitten en de borst tegen den grond drukken is een emotie-uiting, die den vogel ook nog te pas komt, lang nadat het eigenlijke nest al kant en klaar is. Zoodra een gevaar dat nest bedreigt, vooral in de eerste dagen van het broeden, neemt de vogel die houding aan. De onervaren eierzoeker meent dan, dat het dier daar op zijn nest zit en stapt, na met zorg de plaats te hebben vastgesteld, erheen, om niets te vinden.
Men heeft hierom den scholekster wel een „listigen bedrieger” genoemd en die term is ook zeer geschikt om aan te duiden, welken indruk het gedrag van den vogel op ons menschen maakt. Maar daarmee is nog lang niet uitgemaakt, of hij op dat oogenblik werkelijk zelfbewust en met overleg handelt.
Hierboven heb ik reeds verteld, hoe de scholekster ook het gevaar met geweld weet te keeren en niet te versmaden aanvallen doet op menschen, kraaien of vee, die zijn bebroede eieren of jongen bedreigen.
Ook van rondzwervende vrijgezellen van zijn eigen soort heeft hij last. Maar dat loopt doorgaans, dank zij zijn pootige ega, nog al goed af. En heel dikwijls draagt de intrusie het karakter van een vreedzaam en hoffelijk bezoek.
Een mannetje staat voor zijn wijfje te fluiten. Daar komt een tweede mannetje aanvliegen, met de welbekende orkaan-vaart van scholeksters. Hij strijkt neer bij ’t wijfje, paradeert even met de vleugels, loopt driftig om het echtpaar heen, houdt opeens halt, maakt front voor ’t wijfje en steekt nu ook zijn compliment af. De wettige echtgenoot vindt hierin aanleiding tot meerdere stemverheffing en wordt daarin weer dapper nagevolgd door de visite. Gelukkig hebben ze een aangenaam orgaan, juist passend bij de onmetelijke ruimte, zoodat wij het getier altijd met groot genoegen hooren.