Het intieme leven der vogels

Part 3

Chapter 33,949 wordsPublic domain

Op den top van den bovensnavel ontwikkelt zich een hard tandvormig uitsteeksel, dat juist de schaal raakt en wanneer nu het jong volwassen is en zich even beweegt, dan boort die eitand juist door de eierschaal heen: het ei is aangepikt. Onmiddellijk trekt het vogeltje den kop weer in, strekt daarna den hals en nu treft de eitand weer de schaal, maar nu een kleinigheidje van een millimeter hooger op, zoodat het gaatje iets, al is het nauw merkbaar, grooter wordt.

En nu blijft die instinctmatige beweging voortduren met de regelmatigheid van een machine, in een langzaam tempo met kleine schokbewegingen. Het ivoren bijltje gaat onophoudelijk heen en weer, het vogeltje begeleidt zijn werk met opgewonden gepiep, de oude schreeuwen hoog in de lucht, de scheur in de schaal wordt al wijder en wijder, een stukje brokkelt af, de schaal splijt en het jonge wezentje is op de wereld, nat en slordig en doodelijk vermoeid. Hijgend blijft het liggen tusschen de brokken eierdop.

Het is niet goed, nu bij het nest te blijven, want meer dan ooit heeft thans het jong de zorg der ouden noodig. In dit opzicht verschillen de meeuwen en sterntjes weinig van de zangvogels, die nog hulpeloozer zijn, wanneer zij ter wereld komen, terwijl, zooals wij weten, bij sommige hoenderachtige vogels en steltloopers het jong al dadelijk vrijwel zelfstandig is.

Maar dit meeuwenjong moet door zijn ouders verwarmd en gedroogd worden. Het is of de oude vogel in den eersten tijd voor het jong nog meer zorg heeft, dan voor de eieren en nog dagen, weken later wordt het van tijd tot tijd onder de beschermende vleugels genomen. Zelfs wanneer het jonge dier reeds plompverloren van ’t nest is afgestapt en rondscharrelt over de vlakte, weet de bezorgde moeder het nog te vinden.

Niets is aardiger, dan zoo’n groote vlakte vol jonge sterntjes en meeuwen. Ze houden er niet van, om in ’t nest te blijven, dat doen ze hoogstens een dag of zes. Al heel spoedig gaan ze rondwandelen op hun loodkleurige of geelachtige zwempootjes, maar er is nog geen sprake van, dat zij in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.

Den heelen dag vliegen dan ook over de vlakte volwassen sterntjes en meeuwen af en aan met voedsel—meest kleine vischjes—en zoodra ze nu maar een jong zien, dan leggen ze dat vischje bij hem neer of laten het naast hem neervallen. Ik geloof niet—maar gij behoeft mij niet te gelooven—dat de ouden dan wel weten, of ze hun eigen jong verzorgen.

En wanneer het guur of regenachtig weer is, dan ziet ge hier en daar een stern uit de lucht neervallen om een jong eventjes te verwarmen, soms een kwartier lang, soms maar eenige oogenblikken en onweerstaanbaar dringt zich daarbij de gedachte op, dat die vogel zoo niet handelt uit medelijden met het jonge dier, maar om het genoegen van het bebroeden zelf, of zoo ge dat liever wilt, om te voldoen aan zijn bebroedingsinstinct.

Eens, dat was aan den Hoek van Holland, heb ik een gewoon sterntje zien zitten op een dood jong.

Het schijnt, dat de oude meeuwen en sterns liever zien, dat de jongen wat langer in of op het nest blijven. Ze probeeren ten minste de jongelui weer terug te brengen in de woning, maar geven dat na een gevecht van een halven dag in vredesnaam maar op.

De jonge meeuwen zijn nog het minst onhandelbaar en dat is maar goed ook, want die komen vaak ter wereld op plaatsen en onder omstandigheden, waar afdwalingen van den goeden weg hun niet anders dan zeer noodlottig zouden kunnen worden.

Er is namelijk geen een vogel, die op zoo velerlei manieren zijn nest bouwt, als de zwartkopmeeuw. Hier in den polder heeft hij vrij groote kussens van dor gras gebouwd op de groene graspollen in de slijkvlakte. Een andere, talrijker kolonie echter aan het Kil, een rietplas midden in Texel, had nesten van een halven meter hoog, opgestapeld en opgebouwd uit dorre rietstengels. Vlak daarbij had een excentrieke zwartkop zijn legsel gedeponeerd zonder eenige poging om een nest te maken, midden in het vochtige grasveld en de kroon op ’t werk gezet, door in plaats van drie eieren, er vier te leggen, zoodat zijn huishouding volkomen den indruk maakte van die van de kievit. In het Naardermeer vonden we een heel hoog nest, mooi opgeworpen tegen een reusachtigen waterscheerling op een slijk-eilandje, een ander formeel in een lagen elzenstronk en weer een paar andere klein, nietig en broos op drijvende massa’s van lischdodden en rietstengels, precies zooals de zwarte stern zijn nest maakt.

Een veelzijdigheid, om de samenstellers van handboeken wanhopig te maken!

Trouwens in zijne geheele doen legt de zwartkopmeeuw een groote plooibaarheid aan den dag, en juist daardoor is hij een allerdankbaarst studie-object.

Dat hij zich voornamelijk met insecten voedt, meer een landvogel dan een watervogel en dan weer eerder zoetwaterdier dan zeedier is, wordt tegenwoordig al met zooveel nadruk in boeken en artikelen verteld, dat het alweer geen kwaad kan, om heel eventjes tegen overdrijving te waarschuwen. Ik heb hem tenminste nog al eens dikwijls op zee visschend aangetroffen: op Texel en Terschelling als getijvisscher, langs de Zuiderzee als stormvisscher.

Wandel maar eens met een stevigen Noordwestenwind langs den Zuiderzeedijk van Amsterdam naar Muiderberg, dan zult ge op verscheiden plaatsen heele kolommen van zwartkopmeeuwen aantreffen, staande met den kop in den wind en loerend op de kleine vischjes, die door het woelige water tegen den dijk worden gedreven. Dit is eigenlijk sterntjeswerk, maar soms zijn er in die troepen meer meeuwen dan sterntjes.

Ook zal ik nooit vergeten, hoe ik op het IJ een zwartkopmeeuw een paling zag vangen. Hij slikte hem al vliegende in, dat leek geen gemakkelijk werkje.

Op de getijstroomen en riviermonden, is hij dikwijls bezig aan den rand van draaikolken en ook langs het strand kunt ge, althans in den nazomer, de zwartkopmeeuwen dikwijls genoeg visschend en rondzwemmend aantreffen op en tusschen de zandbanken.

Maar het kan niet ontkend worden, dat in hoofdzaak deze meeuw thuis hoort op het land en dat er wellicht duizenden en duizenden nimmer de zee te zien krijgen, n.l. die nestelen aan de groote meren in Midden-Europa.

Op het weiland en de akkers zijn de zwartkopmeeuwen volkomen de gelijken van roeken en kraaien. Ze stappen niet alleen achter den ploeg aan, maar bewerken den grond ook zonder de hulp van het kouter. In den regel gaan ze daarbij gezellig te werk, maar ik heb het ook wel eens gezien, dat een enkele eenzame meeuw een boonenveldje voor zijn rekening nam en daar dag aan dag tegen den avond een paar uur kwam werken. Wij hadden er plezier in, zoo geregeld als dat dier in zijn tuin verscheen. Hij duldde er volstrekt geen hulp van anderen en had groote altercaties met een jonge kievit, die ook een onverklaarbare voorkeur voor dat terreintje vertoonde.

In de weiden werken ze even hard als de spreeuwen, al loopen ze niet zoo bedrijvig met zooveel vertoon van organisatie en harden arbeid. Ge kent dat wel. Die spreeuwen werken een hoekje weiland af, en slieren dan opeens met heesch geschreeuw naar een andere plek, waar ze tien minuten rondpikken, om dan weer met hun stijve exerceerbewegingen naar een nieuwe plek te trekken.

Maar de meeuwtjes vervullen het heele weiland met hun liefelijke tegenwoordigheid. Hier trippelt er een, ginds nog een paar en overal in ’t groene gras komen de rein witte lijfjes te voorschijn. Soms vliegt er eentje met langzame vleugelslag laag over de bloemen een paar meter verder en als ze allen behoorlijk hun taak hebben verricht (hun honger gestild) dan komen ze schijnbaar onopzettelijk en heel langzamerhand bijeen op een plek midden in ’t land, waar ze nu uren lang blijven zitten, of liever staan op één poot. Ze dutten niet bepaald, neen, soms loopt er één vrij snel door de menigte, een paar anderen strijken elkaar de veertjes glad of heffen even hun witte vleugels omhoog, een ander geeuwt even of krabt zich achter ’t oor en als de rust lang genoeg geduurd heeft, dan vliegen ze kalmpjes op. Eerst laag over de bloemen, dan hooger en hooger, langs spiraallijnen door elkaar kringend tot ze hoog genoeg zijn, om hun slaapplaats te zien: een van de wijde plassen, waaraan in Holland nog geen gebrek is.

Een ander tafereel. De wijkende zomer heeft voor het laatst van Augustus een paar van zijn mooiste dagen bewaard. Heet brandt de zon op de jonge roode blaadjes van het Sint Janslot der eiken, op gelende oude bladeren van de abeelen. Het is in den ruitijd, de vogels zijn stil, maar het leger der insecten ontwikkelt zijn grootste activiteit. Wespen gonzen bij dozijnen het nest in en uit; de roode bloempjes van het radijsboompje en de witte trossen van de late liguster zijn één gezoem van bijen en hommels.

Hoog in de lucht zweven opeens een twintigtal meeuwen. Die worden anders zelden gezien, midden in deze boschstreek. Ze vliegen hoog, nu eens in een rij achter elkander—als een eskader van witte oorlogsschepen—dan weer opeens in een ongeregelden troep, vol grillige verandering. Telkens daalt of rijst of keert er een met plotselingen schok, maar de heele bende blijft toch een geheel vormen en het resultaat van al hun beweeg is, dat zij langzaam, uiterst langzaam, in Noordwestelijke richting wegdrijven.

De verrekijker brengt nadere opheldering. Het is duidelijk, dat de meeuwen daar op jacht zijn; ze vervolgen een kleine vliegende prooi. Telkens happen de snelle snavels, de vleugels kleppen vlug of zijn strak uitgespreid, al naar de flauwe wind helpt, of zijn steun ontzegt. En ’t mooist van alles zijn de onvergelijkelijk gladde rem- en stuurbewegingen van den witten waaierstaart of van de roode pooten.

Dat is een lust, om hoog in de lucht in ’t heldere zonlicht die meeuwen te zien sturen met hun pootjes. In ’t wit en blauw van vogel en lucht gloort opeens het helder rood van de zwemvliezen van één poot, rechter of linker, die uit zijn achterwaarts gestrekten stand omlaag wordt gestoken, om met een roeiriembeweging het blanke scheepje zijn draai te doen volvoeren. Ik kan den kijker niet van de dieren afwenden en wacht met steeds grooter wordend genoegen op elke nieuwe roode opflikkering.

En wat jagen ze nu? Er is een ijl, grauw wolkje, dat naar beneden toe smaller en duidelijker wordt, trechtervormig toeloopt en met veel lichtjes eindelijk terechtkomt in mijn eigen tuin, in ’t grasveld. Daar woelt en warrelt het in de grassprietjes, honderden en honderden gevleugelde mieren, dikke wijfjes en slanke mannetjes, komen uit den grond gekropen, klauteren tegen de grassprietjes op, lanceeren zich met zacht geruisch van hun lange zijdeachtige wieken in de lucht en stijgen omhoog, om bruiloft te vieren, of om een prooi te worden van de vogels. De meeuwen zijn op de mierenjacht!

Het droomerige zomerweer, de stille bewegingen van de miertjes, de hoogblauwe hemel en de gemakkelijke langzaamheid van de meeuwentroep geven aan dit moordtooneel heel geen schrikwekkend aanzien.

Maar anders was het op een Julimorgen bij Muiderberg. Daar maakten in de luwte van den zeedijk veel groote libellen jacht op vliegen en vlinders. Als blinkende kleurige schichten schoten ze bij twintigtallen door de lucht, met zonneglans op de strakke gaasvleugels en op de gemoireerde groote oogen. Stil kwamen zes zwartkopmeeuwen uit zee, flusjes over den zeedijk heen en die schoten nu met nog woester vaart door de wilde libellenvlucht heen, zoodat ze naar alle kanten verschrikt uiteenstoven.

Maar iedere meeuw had zijn prooi beet. Wie ooit libellen gejaagd heeft, kan beseffen, tot welk een hooge trap van volmaaktheid die meeuwen het als insectenvangers gebracht hebben.

In beide gevallen, mierenjacht en libellen-aanval, waren het zwartkopmeeuwen met zwarte koppen en zwarten staartzoom, jonge, eenjarige vogels, die volgens den adat der kokmeeuwen nog geen gezin mogen stichten en dus den heelen zomer niets te doen hebben, dan in de wereld rond te zien. Ze zijn dan in hun leer- en zwerfjaar.

Ook de sterntjes zijn goede insectenvangers, daar heb ik veel aardige dingen van gezien.

Op een kouden Meiavond kort voor zonsondergang heb ik ze bezig gezien in een hooiland achter een elzebosch. Een zestal gewone vischdiefjes vlogen loerend rond, een meter of tien boven den grond, langzaam tegen den wind in. Soms stonden ze stil, met roerloos uitgespreide vleugels, maar meestal hielden ze zich op één plek door middel van snelle vleugelslagen, die mooie vliegbeweging, die men „bidden” noemt.

De fijne roode snavel wees loodrecht naar beneden, de bruine oogjes tuurden en tuurden en opeens schoot het witte dier neer in ’t gras, onmiddellijk weer opstijgend met een vrij groot insect in den bek: een grijzen sprinkhaan; daar wemelde het van in dat veldje.

In twee, drie happen was het dier verslonden en onmiddellijk begon de jacht opnieuw. In een half uur schoten ze drie-en-veertig maal neer en—zooals het beroemde signaalvers van de tirailleurs-afdeeling zegt—altijd was het raak. Nu weet ge, hoe nadeelig sprinkhanen zijn voor het grasgewas en ik kan dus de gevolgtrekking ten gunste van de sterntjes gerust aan u overlaten.

Ze kunnen niet goed genoeg loopen, om op de manier van roeken en meeuwen te werken voor landbouw en houtteelt, maar toch worden ze vaak gezien bij ’t ploegen, niet stappend over de kluiten, doch zwevend in de lucht. En dan kunnen ze met verbazingwekkende juistheid neerschieten langs de versche voor, om de opgewoelde larven en wormen te bemachtigen. Ook heb ik een stern gezien, die zat op een hek in het land en schoot dan van tijd tot tijd neer om insecten te vangen, juist zooals een klauwier of een grauwe vliegenvanger zou doen. Dat ze uit de rusthouding ook visch vangen, kunt ge overal waarnemen, waar palen staan in vischrijk water.

In alle gevallen, dat ik sterntjes heb aangetroffen bij de insectenvangst, werd de prooi dadelijk verslonden en op de broedplaatsen heb ik niet kunnen constateeren, dat de jongen met insecten gevoed werden. Het nieuwerwetsche menu is dus waarschijnlijk alleen voor eigen gebruik.

De rol van insectenvanger schijnt voor de sterntjes betrekkelijk nieuw te zijn, althans in de meeste vogelboeken vindt men er geen gewag van gemaakt. Het is nogal van belang, dat een dier zijn gewoonten verandert; daar hangen weer allerlei kwesties van verstand, instinct en erfelijkheid mee samen. De sterntjes en meeuwen vertoonen groote veranderlijkheid in hun broedgewoonten en voeding en vormen daardoor een voor de wetenschap hoogst belangrijke vogelgroep.

De mierenvangende zwartkopmeeuwen waren alle éénjarige vrijgezellen, zieltjes zonder zorg, die overal rondzwerven en in dat eene jaar misschien meer van de wereld zien dan gedurende de rest van hun lange meeuwenleven.

Hoe oud wordt een meeuw? Ik zou het niet met zekerheid kunnen zeggen, maar schat het tusschen de vijftien en twintig jaar. Alleen gedurende de eerste twee levensjaren kan met eenige nauwkeurigheid hun leeftijd worden vastgesteld, al wat er verder volgt behoort tot de „onzekere” jaren.

In de eerste dagen is het jong gehuld in zijn nestkleed, dat geheel uit donsveertjes bestaat. Het is dan een zacht ruig balletje, bruin geel met donkere vlekken, de onderzijde lichter van kleur. Al dat jonge goed lijkt wel veel op elkander; de meeuwtjes en sterntjes zijn van de overige jeugdige polderbewoners te onderscheiden aan hun tamelijk korte pooten, voorzien van zwemvliezen. De donsmeeuw is wat donkerder dan de donsstern, vooral aan voorhoofd en keel.

De eitand blijft zelden langer aanwezig dan tot den derden dag, op onze foto van jonge kokmeeuwen is hij nog aanwezig bij het linker vogeltje. Op de foto’s van ’t dwergsterntje en de groote stern is er niets meer van te zien.

Nu worden de donsveertjes van rug en schouders gaandeweg vervangen door echte dekveeren (zie de foto van dwergstern-jongen) tegelijk beginnen de slag- en stuurpennen te groeien en ongeveer vier weken na het uitkomen van ’t ei kan de jonge meeuw vliegen. Gedurende al dien tijd is hij door zijn ouders beschermd en gevoed.

Hij draagt nu zijn eerste jeugdkleed. Van ’t zuigelingenpak heeft hij nog eenige donsveertjes over gehouden, die pluizig boven den schedel uitsteken. De schedel zelf heeft geelachtig witte dekveeren, een zwarte vlek voor ’t oog, een zwarte vlek in de oorstreek en een donkere streep dwars over den kop heen. De veertjes van den bovenrug, de vleugeldekveeren en de schouderveeren zijn bruin met roestgele randen; keel en zijden zijn vuil wit. Het prachtige meeuwenblauw en ’t reine wit, dat den volwassen vogel zal kenmerken, wordt in dit tijdperk alleen aangetroffen aan ’t onderste deel van den rug en aan ’t achterdeel van de buikzijde. De staart is wit met een zwarten zoom, maar buiten aan den zwarten zoom is weer een smal wit randje. De snavel is vleeschkleurig en de pooten roodachtig grijs.

Na een dag of veertien komt in dit kleed weer verandering doordat de donsveertjes aan den kop geheel verdwijnen en de bruin gevlekte veeren van bovenrug en schouders vervangen worden door meeuwenblauw. Maar de vleugeldekveeren blijven bruingevlekt. De onderzijde wordt zoo goed als wit en de snavel en pooten trekken beslist in ’t roodachtige.

Zoo blijven ze den heelen winter. De oudere meeuwen krijgen soms reeds in Januari zwarte of liever bruine koppen en met Maart zijn die allen gereed om naar de broedplaatsen te trekken. Die kleurverandering van den kokmeeuwkop werd langen tijd beschouwd een der meest raadselachtige voorvallen uit het vogelleven. Thans echter weten wij, dat het niets anders is dan een zeer langzame rui. Een voor een vallen de witte veertjes uit, om vervangen te worden door donkerbruine.

Bij de jonge meeuwen geschiedt deze kleurverandering pas in Juni of zelfs in Juli. De staart heeft nog den zwarten zoom en daaraan zijn ze dan in dit kleed te herkennen.

Ze mogen zich echter niet lang verheugen in hun chocola-bruinen hoofdtooi, want reeds in Augustus, een maand, voordat de ouden verkleuren, vallen de bruine veertjes uit, om vervangen te worden door witte. Ook de met zwart omzoomde staartveeren worden door geheel witte vervangen en zoo heeft dan onze jonge vriend zijn eerste volkomen winterkleed gekregen. Alleen de donkere streep, die over den schedel heen de beide zwarte oorvlekken met elkander verbindt, kenmerkt hem nog als een melkmuil.

Ik houd er van, om in ’t laatst van Augustus of begin van September op een drukke meeuwenplek te staan aan de De Ruyterkade te Amsterdam en ben er dan tamelijk zeker van, kokmeeuwtjes te zien in allerlei kleedage. Ik zal even opsommen, zooals ik ze zag op 3 September 1906.

1o. Enkele jonge vogels, afkomstig van late broedsels, nog in het eerste jeugdkleed. (Onzuiver gekleurde kop en keel, snavel met zwarte punt, bruingevlekte rug en schouderveeren), waarschijnlijk geboren Juli 1906.

2o. Zeer veel jonge vogels in ’t tweede jeugdkleed (kop en keel wit, snavel met zwarte punt, rug en schouders blauwgrijs, vleugeldekveeren bruingevlekt, staart met zwarten zoom); geboren Juni 1906.

3o. Een enkele jonge vogel nog in ’t eerste zomerkleed (chocola-bruine kop, zwarten staartzoom) geboren 1905.

4o. Eenige oude vogels, nog in ’t volkomen zomerkleed (kop bruin, staart geheel wit) geboren 1904 of eerder.

5o. Jonge vogels, reeds in ’t eerste volwassen winterkleed (kop wit met donkeren achterhoofdsband, staart geheel wit) geboren 1904.

6o. Een enkele oude vogel in volkomen winterkleed, (als 5 maar de kop geheel zuiver wit, behalve natuurlijk de zwarte oorvlek).

Het is mij meer dan eens gelukt, om al deze vormen in den loop van een enkele wandeling te ontmoeten. Het is in ’t najaar gemakkelijk genoeg, om de vogels van dichtbij te zien, want zoo driest en haatdragend ze in den broedtijd waren, zoo onverschillig zijn ze nu. Dezelfde vogels, die in het voorjaar door de aanwezigheid van den mensch geprikkeld werden tot de heftigste gemoedsuitingen, bewegen zich in het najaar en in den winter kalm te midden van het gedruisch eener wereldstad en komen zelfs onbevreesd voedsel aannemen uit de handen van hun aartsvijand.

De gewoonte van de kokmeeuwen, om te overwinteren in of nabij de groòte steden, is nog van jongen datum. Amsterdam bezoeken ze sinds betrekkelijk vrij langen tijd, want Schlegel maakt er reeds melding van in 1862. In Hamburg vertoonden zij zich eerst in 1891 in groot aantal, in Luzern en Genève daarentegen overwinteren zij sinds eeuwen.

De sterntjes trekken nog altijd in het najaar naar ’t zuiden, maar ’t schijnt, alsof zij den datum van hun vertrek al meer en meer verschuiven en alsof sommige stoute geesten onder hen ’t willen probeeren, den winter hier door te brengen. Ik heb tenminste sterntjes gezien tot in November.

De trek der sterntjes begint al in Juli. Dan verlaten de jonge vogels hun broedterrein en ze vereenigen zich aan het strand tot groote vluchten. Dan zitten sommige vogels nog te broeden, vooral in noordelijker en oostelijker streken. Op Terschelling vonden wij op 18 Augustus nog een sterntjesnest met 3 eieren.

Nu is het een regel, dat vreemde jonge vogels door hun broedende soortgenooten niet geduld worden. Vooral de meeuwen zijn daar zeer streng in. De jonge rondzwervende vogels worden dus als ’t ware vanzelf genoodzaakt, om naar ’t zuiden en westen te trekken en zoo zien we dan ook gedurende de maanden Juli en Augustus groote troepen jonge sterntjes langs onze kust langzaam afzakken naar het Zuiden. Dat gaat zoo langzaam en geleidelijk, dat een liefhebber zich bij hen zou kunnen aansluiten.

Soms houden ze zich dagen lang op een plaats op en dan komen er steeds nieuwe bij, zoodat het leger aangroeit tot duizenden. In Augustus 1902 bezocht ik drie dagen achtereen de zuidelijkste uithoek van Texel, de groote vlakte aan De Hors bij Onrust. Het was daar een echt hoofdkwartier van sterntjes, die als een witte wolk in de lucht zweefden of als een wit laken het strand bedekten, rij aan rij, alle met den kop naar de zee.

Deze armee bestond uit verschillende afdeelingen, alle soorten waren vertegenwoordigd; groote, zilvergrijze, gewone, kleine en zelfs een weinig talrijke afdeeling van zwarte sterntjes. Tijdens de rusturen zaten ze soort bij soort. Den derden dag waren ze alle verdwenen, ongetwijfeld hadden ze den overtocht over het Marsdiep—een peulschilletje voor de stern—gewaagd en koersten ze nu langs de badplaatsen verder naar Frankrijk en Spanje en de keerkringsgewesten.

De trek der zwartkopmeeuwen is minder eenvoudig, maar juist daardoor de moeite van het bestudeeren overwaard. Het schijnbaar onoplosbaar probleem van den vogeltrek houdt reeds sedert eeuwen de menschheid bezig en vooral in den laatsten tijd zijn tal van theorieën opgesteld, die echter geen van alle een bevredigende algemeene oplossing geven.

Wij zijn eigenlijk ook nog veel te onwetend, om eenig oordeel te kunnen vormen omtrent den aard en oorsprong van een zoo complex verschijnsel als het migratie-instinct. Wij weten nog bij lange na niet, wat de vogels uitvoeren bij dag en bij nacht, in hun zomer- en winterverblijven, op de aarde, in het water en in de lucht, en hoe daarbij hun gedrag bepaald wordt door de innerlijke aandrift of door wat er buiten hen geschiedt.

Gätke heeft vijftig jaar lang dag en nacht gewerkt op het zoo gunstig gelegen Helgoland en moest ten laatste erkennen, dat hij er geen raad mee weet. In ’t Britsche rijk en ook in Duitschland zijn op uitgebreide schaal stelselmatige waarnemingen gedaan vooral op vuurtorens en lichtschepen, maar ook deze hebben niets anders uitgewerkt, dan de reeds bestaande theorieën en aangenomen regelen te ondermijnen en omver te werpen.

En gaat ge nu al die uitgebreide rapporten nasnuffelen, dan blijken die in al hun veelheid nog maar zeer magere gegevens op te leveren, zoodat we gerust mogen zeggen, dat we nog maar heel in ’t begin zijn met de kennis van aard en wezen van den vogeltrek. Je moest eigenlijk duizend Gätke’s op verschillende punten van onze aarde ieder een halve eeuw aan ’t werk kunnen zetten.