Part 10
In vergelijking met de zwartkopmeeuwen is de zilvermeeuw al een echte zeevogel, hij begeeft zich ver op zee, tot boven het diepe water. Toch mogen we niet vergeten, dat hij waarschijnlijk nooit zoover komt, dat hij enkel lucht en water ziet: als hij zich drie- of vier honderd meter hoog in de lucht verheft, en dat schijnt hem weinig moeite te kosten, dan ziet hij altijd wel de Hollandsche of de Engelsche kust en misschien wel beide tegelijk.
Het diepe water heeft voor hem ook niet de allergrootste aantrekkingskracht, hij komt er alleen, wanneer de groote vischscholen zich bewegen langs de oppervlakte of wanneer de aanwezigheid van een visschersvloot hem rijkelijk afval verschaft.
Overigens geeft hij de voorkeur aan ondiep water; hij is zomer en winter algemeen op onze stranden en wie bij eb door de Wadden vaart, kan op elke ondiepe plaats troepen zilvermeeuwen, oude en jonge, aantreffen, die daar op steltloopersmanier rondstappen, om jacht te maken op klein ongedierte.
Gezelschappen van zilvermeeuwen wisselen er af met scholeksters en wulpen en soms kunt ge dan de waadvogels zien zwemmen en de zwemvogels zien waden en gereedelijk legt ge u dan neer bij de beslissingen van de nieuwere systematiek, die uitgemaakt heeft, dat er een zeer nauwe verwantschap bestaat tusschen de families der snip- en plevierachtigen en der meeuwen.
Dit is een der aardigste ontdekkingen op het gebied van vogelkunde—zoo heel nieuw is ze trouwens niet—en wij kunnen daaruit leeren, dat we tot nu toe de levensgeschiedenis van de meeuw juist achterste voren gelezen hebben. Wanneer wij ze behandelen als visschers, die ook achter den ploeg aan den kost komen, dan is dat precies verkeerd; het zijn landbouwers, die van tijd tot tijd uit visschen gaan, de een wat meer, de ander wat minder. De zilvermeeuw nu cumuleert de beroepen van landbouwer en visscher nog met het edele jagersbedrijf.
We hebben hem al ontmoet in den nestenrijken polder, azend op eieren. Maar men kent hem daar en wanneer hij zich vertoont, dan wordt hij door zijn eigen geslachtgenooten, de kokmeeuwen en zijn familiegenooten, de sterntjes, benevens door zijn verre verwanten, de kieviten, scholeksters en kluiten aangeschreeuwd en aangevallen, zoodat hij het veld moet ruimen. Door een vluggen aanval op een uithoek van het broedgebied weet hij toch wel eens iets te bemachtigen.
Het ei of het jong wordt ter plaatse zelve verorberd. Hij jaagt alleen voor eigen gebruik, niet om wijfje of jongen te voeren en daardoor is hij dan minder schadelijk dan de kraaien en roeken, die de eieren meesleepen naar hun nest. Ook zoeken de kraaiachtige vogels in struik en struweel naar nesten, maar dat doet de zilvermeeuw niet, die vergenoegt zich met wat hij op de vlakte vindt.
De sterntjes en pleviertjes hebben het meest van hem te lijden, ook de kieviten, tureluurs en scholeksters, vooral wanneer ze nesten hebben in de buitenste duinvalleien. Eens heb ik een zilvermeeuw verrast, terwijl hij bezig was een sterntje te verscheuren. Het vogeltje was nog warm, hij had het dier zeer waarschijnlijk zelf gedood en was dus opgetreden als een echte roofvogel. De buik was opengehakt en hij was bezig de ingewanden eruit te halen.
Jonge vogeltjes slikt hij in met huid en haar. Dat heb ik gezien op Texel. In de duinen benoorden de Groote Slufter zag ik een paar tureluurs angstig en met veel misbaar rondvliegen om een zilvermeeuw, die op den grond bezig was. Zonder eigenlijk goed te weten waarom, holde ik zoo hard ik kon erheen, (ik had geen verrekijker bij me) en ik had niet beter kunnen doen. De zilvermeeuw ging op de vlucht en nu vond ik in het nest een enkel pas uitgekomen jong tureluurtje. De andere waren opgegeten.
Dit zijn de eenige rooverijen, die ik heb bijgewoond. Ik geloof, dat bij ons de zilvermeeuw niet zoo’n erge nestroover is, als wel verteld wordt. Zijn slachtoffers weten zich veel te goed te verdedigen en hij kan overal en altijd voedsel genoeg vinden, zonder zijn toevlucht te nemen tot roof en moord.
Ongetwijfeld voeden bij ons de zilvermeeuwen zich het meest met strandproducten en wel voornamelijk met schelpdieren en schaaldieren. Een enkel bezoek aan de broedplaatsen in het Hollandsch duin of op de eilanden geeft hieromtrent voldoende zekerheid.
Een dag in een zilvermeeuwenkolonie. Een heelen dag heb ik er nooit in doorgebracht en hoe het er ’s nachts uitziet, weet ik in ’t geheel niet. Ook heb ik het ontwaken er nog niet bijgewoond, maar wel heb ik er uren lang midden in gelegen, onopgemerkt, nadat de eerste consternatie bedaard was.
Het eerste betreden van het broedgebied brengt een onbeschrijfelijke beweging teweeg. Nog lang, voordat we bij de nesten zijn, worden we reeds begeleid door een paar meeuwen, die hoog in de lucht patrouilleerden of boven op een duintop een wacht hadden betrokken. Schreeuwend vliegen ze mee en schreeuwend voegen zich andere bij hen, zoodat het tweetal ras is aangegroeid tot een half dozijn.
Hun geschreeuw varieert sterk. Nu eens zijn het helder uitgestooten kreten, langgerekt en met melodieuzen toonval, dan weer wordt het een kort en toornig: „Kuk, kuk, kuk”, of een soort gemurmel, dat doet denken aan binnensmondsche verwenschingen.
Van verwenschingen komt het tot dreigementen. De schaduwen der groote vogels kruisen ieder oogenblik ons pad, het suizen van de lucht, telkens als er een voorbijvliegt, wordt voortdurend duidelijker, en eindelijk komt er een zóó dichtbij, dat de toppen zijner vleugels haast ons hoofd raken.
Verder hebben ze het bij mij nooit gebracht, hoewel ik vlak bij de nesten heb gezeten, om de eieren en jongen te hanteeren. Het was dan een heele commotie: geschreeuw en schijnaanvallen zonder einde. Drie of vier vogels hielden tegelijk stil in de lucht, een meter of twintig hoog, namen hun richting en schoten dan langs een gebogen lijn op mij af, om rakelings langs mij heen te strijken, dan weer op te stijgen en den aanval te hervatten.
De overigen, bij Bergen soms wel een kleine honderd, vliegen rond, sommigen stil en hoog, andere laag en luidruchtig en gereed om de rol van aanvaller over te nemen, wanneer de eerste zijn uitgeput. Hoeveel uur zoo iets wel zou kunnen duren, dat heb ik nooit geprobeerd, omdat ik er niet gaarne het leven der jonge diertjes aan waag, maar ik geloof, dat als je een heelen dag bij een nest bleef zitten, ook de aanval een heelen dag zou blijven voortduren.
Maar ik ga liever, nadat ik de ligging van een stuk of zes nesten heb vastgesteld, zelf liggen op een gunstige plek, die zoo ver mogelijk van de nesten verwijderd is, maar niet te ver, om met den kijker nog alles duidelijk te zien, wat er in de kolonie voorvalt. Eerst zwermen nu ook nog veel meeuwen om en over mij heen, maar na een groot half uur wordt het wat rustiger en als ik mij nu maar bedaard houd, dan gaat alles goed. Het is wel heerlijk, om naar de vogels te liggen kijken, maar je hebt wel eens moeite, om stil te blijven liggen en je kunt er soms afschuwelijk stijf van worden.
Toch is dit de eenige manier, om in het leven der vogels door te dringen. Op een wandeling kan men ook veel te zien krijgen, maar ge kunt er van op aan, dat het stel waarnemingen, aldus verkregen, altijd beperkt blijft tot de minder schuwe soorten en tot de meest gewone levensverrichtingen.
Doch wie in de gelegenheid is, uren achtereen te observeeren, krijgt andere dingen te zien en bovendien eenig begrip van het vogelleven zelf. Wat doen daar buiten de vogels den heelen dag en den heelen nacht? Hoe reageeren zij op wat er in hun omgeving geschiedt? Hebben zij plannen en herinneringen? Kennen zij leed en vreugd, vriendschap en zelfopoffering?
Op dezen schoonen zomermorgen ziet het er in de kolonie prettig genoeg uit. De meeste nesten binnen mijn bereik worden niet bebroed, alleen op een, waarin reeds kleine jongen liggen, zit een vogel. De andere zweven hoog in de lucht of staan op de duintoppen, soms alleen, maar meestal bij paren.
Prachtige dieren. Groot en flink staan ze daar, den hagelwitten kop flink opgericht, den zilvergrijzen rug zacht blinkend in de blauwe lucht, de zwarte vleugeltoppen gekruist over den reinwitten staart. Ook borst en buik zijn zuiver wit, de geel-grijze pooten steken nauwelijks af op ’t duinzand. Aan den ondersnavel blinkt vooraan een vuurroode plek.
Elk paar bestaat uit een grootere en een kleinere vogel. Het ligt voor de hand, aan te nemen, dat ’t mannetje en wijfje zijn, en inderdaad zijn bij de zilvermeeuwen de mannetjes grooter dan de wijfjes. Maar tegelijk bestaat er bij mannetjes en wijfjes zelf een zeer groot verschil in afmetingen, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat bij een enkel paar het wijfje het grootst is.
Uren kunnen ze zoo naast elkander stilstaan, geruimen tijd zelfs zonder zich te verroeren. Doch van tijd tot tijd pikken ze elkaar eens in de veeren en nu eens wordt de een, dan de ander luidruchtig. Dan gaat de witte kop vooruit, de hals wordt gestrekt tot kop, nek en romp in een lijn liggen, dan gaat de wijde snavel open en dan weerklinkt een krachtig en herhaald geroep van „kliau, kliau, kliau” over duin en strand, en wel mogen wij dan denken, dat zulk een dier dan gelukkig is.
Hoog in de lucht antwoorden de meeuwen, die daar rondzweven op rustende vleugels. Lang en dikwijls heb ik ze in ’t veld van den verrekijker, die krachtig genoeg is, om zelfs op dien afstand de zwart-met-witte details der groote slagpennen zichtbaar te maken. En nu is in die slagpennen, noch in den staart de minste beweging te bespeuren.
Indien er nu wind was, dan zou dat geen verbazing behoeven te wekken, want dan is er natuurlijk een stand van vleugels en staart, waarbij het gewicht van den vogel evenwicht maakt met de kracht van den wind. Doch op het oogenblik is het volkomen stil, zoo stil, dat de lange fijne helmhalmen hun spitsen niet bewegen langs den horizon.
Dit is nu het groote mysterie van de meeuwenvlucht. Men is zelfs zoover gegaan, om te beweren, dat deze en andere vogels de beschikking zouden hebben over een bijzondere stijgkracht, waardoor ze in staat zijn, zich zonder vleugelslag in de lucht te verheffen, op de manier van luchtballons. Ik wil u gaarne bekennen, dat ik daar niet aan geloof.
De groote moeielijkheid is deze, dat wij niet met zekerheid kunnen uitmaken, of het volkomen windstil is, vooral daar, waar de vogels rondzweven. Het is toch zeer goed mogelijk, dat zij door groote inspanning in het begin zulk een vaart krijgen, dat zij daardoor omhoog kunnen zweven tot in luchtlagen, waar wèl stroomingen bestaan.
Ook is het mogelijk, dat zelfs laag bij den grond op warme en windstille plaatsen verticale luchtstroomen ontstaan, zoo constant, dat ze geen wuivende beweging in de grashalmen teweeg brengen, maar toch krachtig genoeg, om den lichten vogel op zijn wijde wieken omhoog te heffen. Want wij mogen nooit vergeten, dat een vogel altijd oneindig veel lichter is, dan hij er uitziet, en dat de vleugels met betrekking tot het lichaam een zeer groot oppervlak hebben. Het gemiddeld gewicht van een zilvermeeuw is weinig meer dan een Kilogram; de uitersten zijn 875 G. en 1375 G.
Doch dit neemt niet weg, dat de meeuwenvlucht een groot wonder blijft. En ge behoeft niet naar de duinen te gaan, om het te aanschouwen, want ieder jaar komen ze in groot aantal in April en Mei een paar weken in onze groote steden naar den zeekant zich vertoonen. ’t Is een zonderlinge gewoonte. De zwartkopmeeuwen zijn alle vertrokken naar hun broedplaatsen, de zomer is begonnen, de winterkwartieren worden verlaten en nu komen opeens een honderdtal van die groote, witkoppige zilvermeeuwen leven brengen in de stad. Ze zweven rond, niet alleen boven het IJ en de dokken, maar zelfs boven het Gebed zonder End en de Weteringdwarsstraat en ze komen uitrusten op het brakke water van den vreedzamen Amstel bij de Magere Brug.
Ze wiegelen in den blauwen hemel in hun reine witheid zoo hoog boven de stad, dat ge een duidelijk besef ervan krijgt, hoe voor hen de heele huizenzee met al de kerken en torens niet anders moet zijn dan een kleine ruigte in het groote stuk wereldoppervlak, dat zij van hun hooge standplaats kunnen overzien. En de stadslucht, waar wij het zoo druk over hebben, is voor hen van even luttel belang als voor ons een droppel water op den grond. Toch is die droppel water een zee voor de infusoriën, die er in wonen.
De zilvermeeuwen in de stad, dat is het mooiste tafereel uit de zoo interessante stadslente. Ze zweven rond in vreugde en opgetogenheid en telkens weergalmt hun lente-roep, die over de stad veel verder en reiner klinkt dan de beursbengel of de sirenen van de fabrieken.
Na een paar weken zijn ze verdwenen en nog altijd vraag ik mij af, wat ze hier eigenlijk komen uitvoeren. Want alles, wat ze hier vinden, dat voor hen van belang kan zijn, kunnen ze elders veel beter en overvloediger aantreffen.
Doch laat ons terugkeeren naar het duin. Een kwartier lang is er niets veranderd, maar nu komt laag langs de toppen in rechte lijn een groote meeuw aanvliegen. Hij strijkt neer bij het wijfje, dat op de jongen zat en nu in eens het nest verlaat. Ze stapt eraf en blijft belangstellend toezien.
De ander strekt zijn nek, alsof hij wil gaan zingen, maar er komt wat anders uit zijn keel. Blinkende vischjes rollen in ’t nest. Na wat beweging zijn ze verdwenen, de jongen zijn gevoerd.
Wat later in den tijd, als in de meeste nesten de jongen zijn uitgekomen, dan wordt dat wekenlang de hoofdbezigheid. Wel is waar groeien de jongen zeer snel, maar er is toch heel wat tijd voor noodig, eer het kleine donsballetje aangegroeid is tot de groote, vlugge jonge zilvermeeuw.
Ze blijven niet al den tijd in ’t nest. Zoodra de donsveertjes vervangen worden door dekveeren en pennen, scharrelen de vogels op rozeroode pootjes weg van de plek, waar hun wieg eens stond en die nu door de vele uitwerpselen, de halfvergane stukken visch en de uitgebraakte graten in ’t geheel niet meer idyllisch mag heeten.
Daar komt weer een meeuw aanvliegen met voedsel. Zou er nog een nest met jongen in de buurt zijn? Neen, hij blijft staan op een duintop, legt zijn buit neer en gaat met vlijt aan ’t pikken. Hij heeft een groot wulkenhuis te pakken, zoo’n groote bruingele „horen”, die je overal op ’t strand vindt en daaruit trekt en scheurt hij nu den bewoner te voorschijn, die in dit geval niet de rechtmatige bezitter, wulk, maar een groote St. Bernardskreeft is.
De zilvermeeuw brengt dus, evenals de scholekster en de bonte kraaien, een massa schelpen het duin in: groote en kleine. Wanneer we nu even rondwandelen, vinden we allerwegen de bewijzen ervan: hier groote buccinums en natica’s, ginds mosselen en overal kleine hoopjes gruis, waarin schelpbrokjes van mossel, kokkel, alikruik, tellina en mactra duidelijk te herkennen zijn.
Ziedaar nu de bewijzen van zijn sterke maag. Want die kleine schelpdieren slikt hij in hun geheel in, zonder ze stuk te pikken en dat wordt dan allemaal tusschen de harde maagwanden door sterke spiercontracties stuk geknepen. ’t Woord „kauwmaag” lijkt voor dit proces te zwak; een „brijzelmaag” zou het moeten wezen. De schelpbrokken doen niet den tocht door ’t heele darmkanaal, maar worden weer uitgebraakt.
De duinen liggen hier vol met schelpen en schervenhoopjes en ’t is haast niet te begrijpen, hoe die flegmatische vogels, die urenlang niets anders doen dan stilstaan en rondzweven, zoo overvloedige maaltijdrestanten hebben kunnen produceeren. Dat komt, doordat we ze nu aantreffen in hun rusturen, straks als ’t ebt, gaan ze aan hun werk.
In de Berger-duinen, op Texel en op Terschelling liggen op de rustplaatsen der meeuwen tusschen de schervenhoopjes en witte uitwerpselen ook nog groote blauwe, amethystkleurige vlekken. Die zijn afkomstig van het plantendieet der vogels, want evenals de wulpen zijn de zilvermeeuwen verzot op de bessen van de kraaiheide. Daar kunnen ze ontzettend gulzig van eten, en dat gaat dan dikwijls niet netjes en nuffig besje voor besje, maar als het een goed kraaiheidejaar is en de vruchtjes in dichte bundeltjes de takken bedekken, dan gaat alles tegelijk, met tak en blad naar binnen. Zoo komt het, dat er tusschen de schelpscherven ook kraaibestakjes te vinden zijn.
Ik heb er ook keverdekschilden tusschen gevonden en rupsenkoppen, zoodat we deze meeuw ook weer gerust mogen rangschikken onder de alleseters.
De jonge zilvermeeuwen krijgen hoogstwaarschijnlijk in het begin niets anders dan visch en krabben en wanneer zij zelfstandig geworden zijn, vertoeven zij ook bij voorkeur aan den zeekant. In Augustus zijn ze al bij troepen op het strand te ontmoeten: groote, gevlekte vogels, die maar bitter weinig gelijken op de prachtige wit-met-zilveren dieren waarvan ze afstammen.
Alleen aan de keel en bovenop aan het begin van den staart hebben zij een weinig wit, overigens is het heele lichaam lichtbruin met donkerder vlekken. De slagpennen zijn ongevlekt, de snavel bijna zwart.
In hun tweede jaar wordt de snavel vuilgeel met zwarte punt, de slagpennen worden donkerder, maar krijgen lichtgrijze vlekken, terwijl de vlekken aan kop en hals minder duidelijk worden.
In het derde jaar trekken ze de kinderschoenen uit en beginnen ze wat meer op de ouden te gelijken. Toch bestaat er nog veel verschil. De dekveeren van de vleugels zijn nog gevlekt, hoewel de mantel reeds meeuwenblauw wordt. De snavel is nu bijna heelemaal geel, de staart wit met alleen nog veel donkere streepjes en slangetjes op de middelste stuurpennen. De groote slagpennen zijn zwart met witte vlekken.
Eerst in het vierde voorjaar worden ze geheel volwassen, dan krijgen ze den sneeuwwitten kop en staart, de oranje vlek aan den ondersnavel, de gele pooten, maar toch zijn al die kleuren nog mat in vergelijking met die van tien- of twaalfjarige vogels.
Maar hoe oud ze ook worden—en we weten met zekerheid dat ze meer dan een kwarteeuw kunnen leven—altijd wordt in den winter de kop en de hals weer overdekt met donkere lengtestrepen.
IV.
IN BOSSCHEN EN TUINEN.
DE WINTERKONING.
Ik wilde wel, dat dit vogeltje een anderen naam had, een anderen naam en een andere traditie. Voor de meeste menschen is hij niet anders dan een zeer klein vogeltje, dat met steil opgerichten staart midden in den winter zit te zingen en indertijd fraude gepleegd heeft, toen de vogels een koning wilden hebben.
Dit is allemaal goed en wel, maar de winterkoning is toch nog veel meer en hij draagt zijn staart niet eens altijd rechtop. Hij is een klein vogeltje, begiftigd met een enorme vitaliteit, in de lente een der allerbeste zangers en nestenbouwers, in den zomer een vlijtig zanger en voorbeeldig opvoeder van zijn jongen, in den herfst een voorbarig zanger en veelzijdig acrobaat en in den winter een avontuurlijke zwerver.
’t Is een bosch- en tuinvogel bij uitnemendheid. Zijn donkere kleur, varieerend van kil aschgrauw tot warm roodbruin en afgewisseld met een paar lichte strepen boven ’t oog, een wit streepje op de vleugeldekveertjes en zwarte, bruine en lichte dwarse blokteekeningetjes op slagpennen, staartveeren en langs de flanken, maken, dat ’t kleine wezentje te midden van dorre bladeren en takkenrommel onmogelijk kan worden opgemerkt, als hij maar geen geluid maakte. En, merkwaardig, wanneer hij wil opgemerkt worden en in ’t zonlicht gaat zitten op een takeinde of bovenop een houtmijt, dan gaat al het bruinrood in zijn veertjes gloeien en stralen, zoodat hij van verre te zien is.
Hij is overal thuis en ’s zomers tenminste overal te vinden: in den tuin, in ’t struweel van de parken en buitenplaatsen, aan den boschrand, in de duinboschjes vlak bij de zee, in de braamstruiken, in den grindput midden in de barre hei, in de wilgen van de grienden langs de groote rivieren, in de elzen van het peilloos moeras.
’s Winters schijnt hij zich meer te concentreeren rondom bewoonde plekken. Dan krijgen wij er om huis wel driemaal zooveel te zien als ’s zomers, maar daar zijn er stellig onder, die van verre komen uit vreemde landen. Er zijn dus twee oorzaken, waardoor het „groote publiek” den winterkoning ’s winters eer opmerkt dan ’s zomers: ten eerste zijn er dan minder andere vogels, die zingen, en ten tweede is het aantal winterkoningen veel grooter.
Hoe brengt de winterkoning den winterdag door? Hij wordt wakker een uur vóór zonsopgang of nog eerder, al naar het weer of naar den stand der maan. Bij volle maan worden de vogels altijd vroeger monter. Bij donker weer worden ze laat wakker en als ze in een donkere ruimte overnachten, waar ’t daglicht niet doordringt, dan komen ze zeer laat te voorschijn.
’s Winters komen de winterkoninkjes nog al eens slapen in de schuur achter de turven. Wij laten ’s avonds de schuurdeur altijd een poosje open en ze zorgen dan wel, dat ze binnen komen. ’s Morgens even voor zonsopgang als de andere winterkoningen al lang monter zijn, dan is het in de schuur nog doodstil. Maar doen we de deur open, dan is het dadelijk: „tèk, tèk, tèk”, en de bruine balletjes gonzen naar buiten. En dan is het eerste, wat ze doen, een liedje te zingen.
Er is over vogelzang al veel getwist en geschreven. Het meest verspreid is de meening, dat de mannetjes zingen, om de wijfjes te behagen, eerst, om ze te veroveren en daarna zeker om ze te behouden of om ze er voor te bedanken, dat ze geaccepteerd zijn.
Dit is natuurlijk moeilijk uit te maken. Het beste van zulke kwesties is misschien ook wel, dat ze nooit uitgemaakt worden, maar dat ze steeds aanleiding geven tot interessante en genotrijke waarnemingen. Zoo ooit, dan bestaat hier het gevaar, dat onze dierkundige waarnemingen lijden onder menschelijke preoccupaties.
Het probleem van vrouwen te behagen neemt in de menschelijke samenleving en in onze kunst en literatuur een belangrijke plaats in, van een vogelkundig standpunt beschouwd, misschien een veel te groote. Bovendien zijn de beschouwingen omtrent deze beminnelijke omstandigheid ’t meest afkomstig van mannen en ’t zijn ook alweer mannen, die de wetenschap der ornithologie hebben gegrondvest. Ik vrees, dat wij daardoor wel wat al te dikwijls eenzijdige en bekrompen opvattingen hebben gekregen omtrent de levensuitingen van de vogels.
Een man maakt een loffelijke uitzondering en dat is—mirabile dictu—Goethe, als hij zegt:
Ich singe wie der Vogel singt Der auf den Zweigen wohnet Der Ton, der aus der Kehle dringt Ist Lohn der reichlich lohnet.
Dus zoo iets als: l’Art pour l’art. En toch weer wat anders. Hoe meer ik de vogels bestudeer, des te sterker gevoel ik, dat zij een leven leiden, zoo intens en gelukkig, dat hun gewone levensuitingen zich telkens verheffen tot een volmaaktheid en harmonie in de uitvoering ervan, die op ons den indruk maken van kunst. Dan worden hun lokkreten tot een lied, hun vleugelbeweging tot een wonderbare luchtgymnastiek, hun zwemmen en duiken tot bewegingen van buitengewone kracht en gratie.
Dat ten slotte, als ’t noodig is, de wijfjes daardoor bekoord worden, spreekt vanzelf. Ook geloof ik wel, dat in bepaalde tijden van het jaar en wellicht vaker dan men meent, de tegenwoordigheid van wijfjes de mannetjes tot kunstvertoon prikkelt. Maar dat neemt niet weg, dat ze in zeer vele gevallen mooie dingen doen, zonder dat op ’t oogenblik de noodzakelijkheid ertoe bestaat en zonder dat er een lid van de andere sekse in de buurt is.
Het is zeer wenschelijk, dat dames-ornithologen eens gaan vertellen van hun waarnemingen. En ook is het van belang, dat wij wat meer gaan letten op het gedrag der wijfjesvogels. Het zou dan blijken, dat die lang niet altijd de passieve en kleurlooze rol spelen, die haar in de boeken wordt toebedeeld.
De winterkoninkjes zingen direct bij ’t ontwaken, juist zooals een gezond kind doet. Eerst komen een paar loktoontjes, maar al heel spoedig gaan die over in ’t welbekende onstuimige liedje. Dat duurt een half uurtje en dan komen de zorgen voor het ontbijt.