Het intieme leven der vogels

Part 11

Chapter 113,915 wordsPublic domain

Dat gaat weer met de noodige drukte en opgewektheid. Takkenbossen worden doorsnuffeld, boomstronken afgezocht, en onder elk blad van kruip- of klimplanten schijnen verborgen schatten te liggen. En wanneer een gedeelte van de taak is afgewerkt, dan wordt daar melding van gemaakt door een paar parmantige roepjes, „terrt, terrt”, die bij de minste aanleiding zich weer uitbreiden tot het welbekende ratelliedje.

Wat vindt hij daar? Zoo ge ’t weten wilt, dan moet ge zelf maar eens een boomstronk afzoeken, desnoods gewapend met een vergrootglas. Ge vindt natuurlijk niet het tiende deel van wat de vogel weet te ontdekken, maar toch genoeg, om u de zekerheid te verschaffen, dat het montere vogeltje zonder veel moeite aan den kost kan komen.

Daar zitten achter mooie webjes en gordijntjes in kleine zakjes van fijn spinsel, eitjes en larfjes van allerlei soort: rupsjes, spinnetjes en zelfs mooie blinkende volwassen kevertjes, heele plekken volgeplakt met vlindereieren en oranje urntjes vol met eitjes van spinnen. Als ’t niet al te guur weer is, zijn tusschen de dorre bladeren ook slakkeneieren te vinden en kleine mugjes, met mooie parelmoeren vlerkjes, die ze haast nooit gebruiken. Uit de halfvergane eikenbladgallen komen zwarte wespjes te voorschijn, die traag voortloopen en op de eikenknoppen gaan zitten, om er hun eieren te leggen.

Zoo is er den heelen winter genoeg te vinden, zelfs voor een insecteneter en geen wonder is het, dat onze winterkoning voor tienen al weer tijd en lust heeft, om door de sparretjes te huppelen, al roepend om gezelschap of schermutselend met zijn tijd- en plaatsgenooten, de meezen, goudhaantjes of boomkruipertjes. Merkwaardig is het, hoe hij geheel op boomkruipertjesmanier tegen de stammen kan opklauteren, echter altijd min of meer overdwars en op hooge pooten.

En hij slaat weer aan ’t zingen ook. Het is de moeite waard, hem nu van zeer nabij op te nemen. Als hij goeden zin heeft, dan laat hij u wel naderen tot op twee meter, maar ’t makkelijkst is wel, den kijker erbij te halen.

Het komt er op aan, om te zien, of we te doen hebben met een jongen vogel of met een ouden. Wie nu voor ’t eerst naar winterkoninkjes uitkijkt, kan in dezen niet meespreken, want het onderscheid is nog al subtiel. Bij de oude vogels is de borst en keel minder, vleugels en staart daarentegen meer van dwarsstrepen voorzien. De jonge vogels zijn aan borst en keel rossig, soms echt roodbruin, de ouden aschgrauw. De vogel op onze foto is een oud mannetje.

Nu heb ik in de heerlijke Octobermaand 1906 heel veel winterkoninkjes hooren en zien zingen en ik kan u vertellen, dat bijna de helft (42%) jonge vogels waren, geboren in 1906, dus jongelui van een maand of vier oud. Ik kan zelfs aan ’t liedje wel hooren, of ’t een oude of een jonge is, de jongen zingen veel korter, veel zachter, geheel zonder snerpende fortissimo’s. Een enkelen keer vergis ik mij nog wel eens, maar in acht van de tien gevallen heb ik toch wel gelijk.

Heel veel jonge vogels zingen in den herfst, niet alleen de zoogenaamde standvogels, zooals roodborst, winterkoning en bastaardnachtegaal, maar ook trekkers, zooals de fitis, de tjiftjaf, het roodstaartje en zelfs nachtegaaltjes.

Ik heb een vermoeden, dat de wijfjes van de winterkoninkjes ook zingen. In Augustus van het vorig jaar trof ik in Beverwijk een heele winterkoninkjesfamilie aan, die in een verwaarloosd boomgaardje zoekend en etend rondscharrelden. Er waren vijf jongen en twee ouden en beide ouden zongen, de een luid en flink, de andere aarzelend en zachtjes, als aanhangsel van lok en angstkreten. Nu zou ik, om zekerheid te hebben, zoo’n vogeltje moeten doodschieten en dan anatomisch het geslacht vaststellen, maar ge begrijpt, dat ik in zoo’n geval de waarschijnlijkheid verkies boven de zekerheid.

Intusschen is het een zaak, waarop gelet kan worden en wij mogen dan meteen de andere winterzangers, roodborstje en bastaardnachtegaal, ook in het onderzoek betrekken.

In den namiddag schijnen mijn winterkoninkjes even te dutten, niet langer dan een uur, want tegen de avondschemering beginnen ze weer overal te roepen en te zingen en dan gaan zij ter ruste. Ik loop ze wat na, om hun slaapplaatsen te vinden, want er is een aardig boekenverhaaltje, dat ik nog nooit bewaarheid heb gezien.

Er wordt namelijk beweerd, dat de winterkoninkjes bij guur weer een winterverblijf bouwen, eigenlijk niet anders dan een groot nest en dat ze dan daarin ten getale van zes of zelfs meer overnachten om van elkanders warmte te profiteeren. Dat is erg mooi en aandoenlijk en ik zou het dolgraag eens willen zien, maar het is me nog niet mogen gelukken, zoodat ik, onder ons gezegd, wel een weinig begin te twijfelen.

Ik geloof wel, dat de winterkoninkjes nesten bouwen in den winter, maar dat houd ik voor een uiting van het broedinstinct, dat zich bij dezen vogel onder andere zeer sterk uit in een zucht, om nesten te bouwen. Den heelen dag is het echtpaar bezig, mannetje zoowel als wijfje, het eene „speelnest” is nog niet klaar, of er wordt al aan een ander begonnen en dat alles onder onophoudelijk gelok en gezang.

Dat gezang is een echte weerklank van de groote activiteit, van het groote geluksgevoel van het vogeltje. Het klinkt wel eens zoo luid en duurt wel eens zoo lang als ’t herfst- en winterlied. Het begint met een aantal snelle staccato-toontjes, dan komt een lange triller, dan wisselen telkens eenige staccato-tonen met korte trillertjes af, totdat een laatste onstuimige tonen-cascade het lied besluit. Het is beslist een origineel lied, geheel opgebouwd uit eigen geluiden en het valt niet moeilijk, er de gewone lok- en alarmkreten in te herkennen.

Er zingen in de lente zooveel winterkoninkjes en ze zingen zoo zonder ophouden van voor zonsondergang tot het invallen van de duisternis, dat een groot deel van het duizendstemmig vogelkoor op hun rekening moet worden gebracht. Liefst zingen ze op duidelijk zichtbare plaatsen en zeer dikwijls slingeren ze zich onder het zingen de lucht in, om al zingende een heel eind verder neer te dalen.

De korte vleugeltjes gaan zoo snel, dat ze niet te zien zijn en het valt inderdaad moeilijk, om in dat geraasmakend bruine dingetje een vogel te herkennen.

Veelal huizen winterkoninggezinnen in elkanders nabijheid en dan hebben de mannetjes er groot genoegen in, om met elkander een beurtzang te houden. De een wacht behoorlijk tot de ander zijn liedje uitheeft en begint dan het zijne. Een kwartier lang kunnen ze dat volhouden, de volmaakte afwisseling bewijst, dat ze naar elkander luisteren. In den herfst en winter doen ze dat ook wel en in de allermeeste gevallen is er dan niets te bespeuren van wedstrijd of afgunst.

Toch heb ik ook wel gezien, dat de zangers hoe langer hoe dichter bij elkander kwamen en dat zij ten slotte al zingende handgemeen raakten.

Wanneer het echte nest kant en klaar is met zijn buitenlaag van dor blad, zijn binnenmuur van mos, de binnenkleeding van haren en veertjes en ’t wijfje zit te broeden op het tiental roodgespikkelde eitjes, dan doolt het mannetje voortdurend rond in de omgeving van het nest en zoodra er onraad dreigt, begint hij te ketsen. Het geluid, dat hij nu laat hooren, lijkt precies op het op elkaar ketsen van een paar kiezelsteentjes: „tèk, tèk, tèk.”

Een kat sluipt door het onderhout. „Tèk, tèk, tèk,” gaat onophoudelijk om hem heen en het waakzame vogeltje snort den ellendigen roover om de ooren.

Als wij tusschenbeide komen en de kat door een goedgemikten steen op de vlucht drijven, dan gaat de angst van ’t vogeltje in vreugde over en hij zingt zoo, waar hij zit, midden op den grond een daverend vreugdelied.

Het nest van een zoo expansief diertje is natuurlijk gemakkelijk te vinden. Het komt er maar op aan, hem een half uurtje na te gaan en te letten op alle dichte en donkere plekken in de lage heestertjes en klimplanten. Zelden ligt het nest hoog, heel dikwijls zelfs vlak bij den grond, maar in den regel is het goed verborgen door de dichtheid van de struiken, of doordat de buitenzijde gemaakt is van ’t zelfde materiaal als de omgeving.

Er gaat een verhaal, dat de winterkoning zijn nest voor goed verlaat, eieren of jongen in den steek latend, wanneer een mensch het aangeraakt heeft, of wanneer zijn adem erover is gegaan. Nu, hiervan is niets waar, ge kunt gerust winterkoningsnesten zoeken en bekijken, zooveel ge wilt.

En ligt het nest op een gevaarlijke plaats, waar katten of kwajongens het zouden kunnen verstoren, dan moogt ge het gerust naar een veiliger standplaats verleggen, of er een beschermend prikkeldraad om vlechten.

Mij is een geval bekend, dat een winterkoninkje een nest had gemaakt in een stuk boomstronk dat gebruikt moest worden voor de omheining van een rustieke bank. Het ding moest in orde worden gemaakt. De stronk moest weggeruimd, de schoonmaaktijd kent geen mededoogen. Men pakte dus kort en goed het houtblok op en bracht het, waar het wezen moest, met nest en al een meter of tien verder. Natuurlijk gebeurde dit onder groot protest van de winterkoninkjes, maar toen ’t ding eenmaal stil lag, ging het wijfje het nest opzoeken, bebroedde de eieren even trouw als te voren en dat is toen nog een heel gelukkig winterkoningengezin geworden.

Een andermaal had een Junistorm een heel winterkoningennest met jongen en al uit zijn kruisbessenstruik gerukt en een meter of drie verder tegen den grond gesmakt. De oude vogels waren radeloos. Een medelijdende hand heeft toen ’t nest met jongen opgenomen, rafels en flarden erin gewerkt en het weer in den oorspronkelijken stand in den struik gezet. Ook na dit ongeval gingen de ouden gewoon voort met de verzorging.

De jongen worden gevoerd met kleine insecten en miereneieren, hoogstwaarschijnlijk wel met mieren zelf ook, want ik heb in mijn tuin een mierennest gehad, waar den heelen dag de winterkoninkjes kwamen schuimen. De poppenkamers lagen gewoonlijk vlak onder de graszoden, gemakkelijk voor het lange snaveltje te bereiken, maar bij droog weer en op den middag een paar centimeters dieper. Toch kwamen de koninkjes dan evengoed hun schatting halen. Het diertje op de foto heeft het achterlijf van een kleine kakkerlak in zijn bek.

De jongen worden niet heel lang in het nest gevoerd. Al heel gauw komen zij er uit en dan begint voor de oude vogels een tijd van veel onrust en spanning. Hun „tèk, tèk, tèk”, klinkt onophoudelijk den heelen dag, terwijl zij de jongen rondleiden door de lage struiken en het kreupelhout. Hoe vlugger de jongen worden, des te moeilijker zijn ze bij elkander te houden. Alles moet tegelijk gebeuren: de bende bijeenroepen, uitkijken, om voedsel te vinden, voeren, uitkijken, of er gevaar dreigt, en zoo de nood aan den man komt, redden, wat er te redden valt.

Ze schijnen dag aan dag dezelfde tournée te maken. Ik had dezen zomer twee families in mijn tuin, de eene met zes jongen kwam ’s morgens, de andere met acht in den namiddag. Dat wil zeggen, er waren er zes en acht, toen de bezoeken begonnen, maar na een week was dat aantal al verminderd tot twee en vijf. Meer dan eens ben ik van mijn boek of mijn werk opgestaan, om ze te helpen tegen de groote erfvijanden van de jonge vogeltjes: de katten en de gaaien. De katten zijn niet anders van mij gewoon, maar de gaaien keken eerst raar op, toen ik hun met steenen naar het hoofd gooide. Daarover later.

HET WATERHOENTJE.

Als het waterhoentje eens niet zulk donkergekleurd en taai vleesch had, dan zouden onze vijvers en vaarten een bekoorlijkheid minder bezitten. Zooals de zaken nu staan, worden zij weinig of niet gevangen of geschoten en ook wordt er niet buitengewoon veel acht geslagen op hun eieren. Dit heeft het verblijdend gevolg, dat de waterhoentjes hoe langer hoe meer algemeen worden en op buitenplaatsen met waterpartijen van eenige beteekenis zelden ontbreken.

Ook in singels en oude vestinggrachten ontbreken ze niet, doode rivierarmen wemelen ervan, in ’t voorbijrijden telde ik er op 1 September 1906 in den dooden Rijnarm aan de Grebbe niet minder dan acht en twintig, oude en jonge. De plassen, die langs onze zee- en rivierdijken herinneren aan oude doorbraken, herbergen alle een of meer waterhoentjes-paren; ze zwemmen op alle vaarten en het is een groote schande voor Amsterdam, dat er op al de vijvers en in al de parken geen enkel waterhoentjes-paar huist.

Dan is het in de boschstreek langs den binnenkant der duinen anders! Het is het ware land voor waterhoentjes: weiland, water en geboomte. Geen wonder, dat ze hier ’s zomers bij honderden te zien zijn en ’s winters in nog grooter aantal, want die uit Noordelijker en Oostelijker streken komen hier overwinteren. Het geeft zoo’n Spaansch of Egyptisch gevoel, als je ’s winters al de vogels ziet, voor wie hier het „warme Zuiden” is: bonte kraaien, koperwieken, zwarte zee-eenden, goudhaantjes, waterhoentjes, bastaardnachtegalen, boomleeuweriken en eigenlijk ook de meerderheid der kieviten, roodborstjes en winterkoninkjes. Dat zijn allemaal trekvogels, die van de bevroren Oostzeelanden hierheen komen en voor een groot deel onze eigen vogels vervangen, die weggetrokken zijn.

Voor de waterhoentjes is gemakkelijk uit te maken, hoe het eigenlijk met hun reizen en trekken gesteld is. Men behoeft slechts de bevolking van een bepaald waterhoentjes-terrein gedurende een heel jaar na te gaan. Vroeger was de omgeving van de ruïne van Brederode daarvoor bijzonder geschikt, maar die buurt is minder prettig geworden, sedert er veel stinkend rioolwater door wordt geleid. Er komen nog wel waterhoentjes voor, maar lang niet zooveel als vroeger en het is nu niet meer prettig, om daar op ze te letten.

Maar er is geen gebrek aan goede terreinen. We hebben hier een meertje, dat wel het waterhoentjes-paradijs mag heeten, want alle gelukzaligheden, die de meest levendige waterhoentjes-fantasie zich zou kunnen voortooveren, zijn daar vereenigd.

Het is een paar honderd meter lang en op zijn breedste gedeelte een veertig meter breed. Daar ligt ook een eilandje, begroeid met wilgen en elzen. De oevers vertoonen een groote verscheidenheid: langs den noordelijken oever ligt een mooie tuin, de westelijke oever is voor een deel een rietgrasmoeras, vol zeggeklompen en duistere waterkuilen, overschaduwd door donkere elzen, voor een ander deel rietkraag en voor de rest weiland. Ook langs de andere oevers ligt weiland, maar de rand van ’t meertje zelf is begroeid met zeggen, eppe, zwanebloemen en dotterbloemen. Aan de zuidpunt mondt een beekje uit, dat in zijn bovenloop nimmer bevriest.

Het meertje is vischrijk, maar voor de waterhoentjes is het van meer belang, dat alle mooie waterplanten er groeien: waterlelies, kikkerbeet, waterpest, hoornblad, duizendblad en vooral niet te vergeten de waterranonkel, die in den zomer het water bedekt met bloesemsneeuw, waarvan de fijne geur wedijvert met die der linden.

Is aldus het meertje een lustoord voor de vogels; voor den waterhoentjesvriend kon het ook niet beter, want langs de heele westzijde is weide en meer omgeven door hakhout met een dichten rand van meidoorns, zoodat de achterdochtige steltloopertjes gemakkelijk genoeg te bespieden zijn.

Die waterhoentjes toch zijn bij ons nog altijd niet geheel en al aan den mensch gewend. Soms loopen ze over den weg en wijken ze nauwelijks uit voor een fiets, maar als ze merken, dat ze worden nagegaan, dan komt hun schuwe rallenaard boven en dan sluipen ze met veel gegluur en kopgeduik naar den meest nabijzijnden schuilhoek. Verrast ge ze, terwijl ze in ’t water rondzwemmen, dan zullen ze al naar omstandigheden kalmpjes wegzwemmen naar den verst verwijderden oever, opvliegen en een heel eind verder neerstrijken of, als ’t gevaar heel groot lijkt, neerduiken en schijnbaar nimmermeer boven komen.

Zij zijn dan een heel eind voortgezwommen onder water naar een begroeide plek, die ze in de gauwigheid even hebben uitgekozen en daar komen ze dan met den snavel even boven water terwijl ze zich met hun lange teenen aan stengels en bladeren vasthouden.

Vliegen ze uit het water op, dan is de houding van ’t lichaam bijna verticaal; den kop omhoog, het achterlijf afhangend en de pooten nasleepend over het water. Naarmate ze meer vaart krijgen wordt de houding meer horizontaal, de pooten worden tegen den staart gedrukt, maar de kop blijft toch altijd het hoogst. Zoo kunnen ze vrij lang en vrij snel vliegen; ik heb ze wel stukken van driehonderd meter zien afleggen en twijfel er niet aan, of ze kunnen in den trektijd hun reis voor het grootste deel vliegend verrichten.

Ons meertje herbergde dezen zomer drie waterhoentjes-gezinnen: een op het eiland en twee in de zeggeklompen van het moeras. Ze konden elkander nog al goed verdragen, d. w. z. ze hebben alle drie een dubbel broedsel grootgebracht. Maar aan vechtpartijen heeft het niet ontbroken, vooral in den eersten tijd van het broeden.

Daar ze hun voedsel in de onmiddellijke omgeving hunner nesten zochten, op het water, op het weiland en in het bosch, kon het niet uitblijven, of ze moesten elkander telkens ontmoeten en iedere ontmoeting werd een gevecht of een demonstratie.

Neer ging de kop, omhoog de staart en met groote stappen draaiden ze om elkaar heen in hevige opwinding. Bij iederen stap wordt de opgetilde poot een poosje omhoog gehouden als wilde de vogel ermee dreigen of afweren. Maar dan spreidt hij toch de lange teenen uit en zet met een schokje het groene been neer. De staart wipt bij iederen stap op en neer en wanneer de vogel stilstaat, klapt hij de witte zijdelingsche onder-staartdekveeren uit, met een gebaar, dat wel wat herinnert aan de vertooning van den korhaan.

Ook wipt hij met de vleugels, zoodat de witte vleugelrand te zien komt en de halfwitte dekveeren onder de vleugels worden ook even opgetild zoodat de witte partij veel grooter wordt. De broekveertjes trillen mee en maken, dat de rood met oranje hielbanden prachtig te zien komen. De tegenpartij blijft in zulk vertoon niet achter en ’t voornaamste is nog, dat ze elkander den puntigen snavel voorhouden, waarboven de groote roode voorhoofdsbles gloort.

Nu eens doet de een, dan de ander met dien snavel een vinnigen uitval, een zijdelingsche greep, maar ’t is altijd mis. Ten slotte rennen ze op elkander in met opengesperden snavel, springen tegen elkander op, al krabbend met de lange teenen. Dan vallen ze beide neer en maken als bij afspraak plotseling rechtsomkeerd met den rug hoog in de lucht en den achtersteven uitgespreid op zijn allerbreedst; een echt onbehouwen straatmeiden-gebaar van allerdiepste verachting.

En dan gaan ze doodgewoon, alsof er niets gebeurd is, heel braaf voedsel zoeken voor hun broedende ega. De storm is ineens en volkomen uitgeraasd, maar alleen, om een half uur later met vernieuwde woede op te steken.

Tijdens den broedtijd zoeken de waterhoentjes hun voedsel voornamelijk op het water, waarschijnlijk wel, omdat er dan ’t meest te vinden is. In de allereerste plaats hebben ze het dan op de muggen voorzien en daar kunnen wij hun niet dankbaar genoeg voor zijn.

De muggenlarven hangen met hun staarteind aan de oppervlakte van het water, den kop naar omlaag. In ondiep water, waarin veel rottend blad ligt, komen zij voor bij duizenden en duizenden en daaruit wordt dan later de muggenplaag geboren. Nu komen de waterhoentjes zwemmend of wadend die plekken afzoeken en met onbegrijpelijke vlugheid weten ze larf bij larf te pakken, nog eer deze het wateroppervlak kunnen loslaten, om zich te redden door neer te zinken.

Nog mooier is het, wanneer het waterhoentje de muggen zelf vangt, wanneer zij over het water dansen, om er eieren te leggen. Er zijn verscheidene soorten van vliegjes en muggen, die hun eieren leggen in ’t water; dat gebeurt zeer veel op warme zomeravonden. Langs alle oevers en slooten en vijvers dansen de eierleggende diertjes, sommige leggen hier of daar een enkel eitje, andere leggen ze aan groepjes of snoeren.

En als dat nu in vollen gang is, dan komt het waterhoentje sierlijkjes aanzwemmen over het blinkende water, bij iedere roeibeweging knikkend met het kopje en wippend met de staart, langzaam, ordelijk en regelmatig. Maar zoodra hij aangekomen is bij de muggen, gaat het sierlijke scheepje wenden en draaien naar alle kanten en de vlugge snavel hapt rechts en links, omhoog, omlaag, totdat hij een heele prop muggen heeft bijeenverzameld. Die wordt gebracht naar de broedende ega en dan begint de uitval opnieuw.

Een andermaal geldt het de vlugge schaatsenloopers, die gaarne in troepen bijeen op ’t gladde water staan. Het waterhoentje blijft nagenoeg stationnair maar hapt naar alle zijden, naarmate de schaatsenloopers of de draaikevertjes binnen zijn radius komen. De groene larven van de kleinere libellensoorten haalt hij tusschen wier en kroos te voorschijn en als hij dit laatste zelf eet, dan is het misschien toch wel in de eerste plaats om al het gedierte, dat aan de kroosworteltjes leeft.

Nog vlijtiger werken ze, wanneer de jongen zijn uitgekomen. Die blijven de eerste uren nog in ’t nest, al naar de omstandigheid, of dat dicht bij het water ligt, of ver er van daan.

Evenals de meeste vogels, die succes hebben, is het waterhoentje ook zeer veelzijdig in ’t bouwen van zijn nest. Het traditioneele nest wordt gebouwd in en van rietgrassen, in de onmiddellijke nabijheid van het water. Een van onze foto’s geeft een dergelijk nest te zien. Het andere is van riet en ligt in ’t water.

Maar er zijn vele andere mogelijkheden. Waar geen rietgras is, maar kreupelhout het water omgeeft, daar nestelen ze op de stoven der elzen, wilgen of esschen, maken een ruw nest van weinig stengels en takken en bevloeren dit met dorre bladeren. In zulke nesten is dikwijls geen grassprietje aanwezig. Het hindert niet, al zijn de stoven wat hoog en zoo kan het nest dan soms meters hoog terecht komen en ten slotte het karakter krijgen van een echt boomennest. Wij hebben er gevonden meer dan drie meter hoog in een beukenhaag en ook boven in een ouden meidoorn. En vlak daarbij had een excentriek waterhoentje een nest gemaakt onder de kruipende klimop, bijna geheel zonder eenige bekleeding.

Dat was op een oud buiten. Gelukkig, dat er nog oude buitens zijn met dicht kreupelhout, met vijvers waarin alle Hollandsche wilde waterplanten mogen groeien en vaarten, waarlangs eeuwenoude elzenstronken hun dikke takken omhoog zenden door dicht struweel van bramen, netels, koninginnekruid en biezen. Aardige bruggetjes en goed onderhouden paden verschaffen aangename gelegenheid tot gemakkelijke wandeling en een paar meter buiten het pad lokt de bekoorlijke wildernis een dichte vogelbevolking.

Op zulk een plaats konden wij dezen zomer het leven der waterhoentjes van nabij bestudeeren. De meesten hadden een bladernest op een elzenstoof. Dat was hun broednest, maar behalve dat hoofdkwartier verrezen in den loop van den broedtijd nog allerlei kleinere bouwsels langs den oever; vloertjes van takken en bladeren, minder hoog boven het water dan het eigenlijke nest.

Evenals bij den winterkoning noemen we die nesten „speelnesten”. Zij hebben hun ontstaan te danken aan een sterk ontwikkelde nestbouwdrift. Toch bleven de meeste niet ongebruikt liggen, ze dienden na het uitkomen der jongen als zitplaatsen.

Het broednest lag in den regel zoo hoog boven het water en de kanten der elzenstoven zijn zoo steil of zelfs overhangend, dat de jonge waterhoentjes, wanneer ze eenmaal het nest verlaten hebben, er onmogelijk zelf weer in kunnen terugkeeren. De ouden hebben dan te kiezen tusschen de moeite van telkens de jongen in ’t nest te tillen of een nieuwe zitplaats te zoeken. Ze nemen daarvoor de speelnesten.

Één huishouding gebruikt op die manier wel een half dozijn nesten. De jonge waterhoentjes zoeken die zelfs nog op, lang nadat ze door de ouden zijn verlaten.