Part 12
Het aantal der jongen is zeer verschillend en wisselt af van twee tot twaalf. In de Levende Natuur heb ik de aandacht gevestigd op de waarneming van Selous, dat ’t oude waterhoentje moedwillig eenige van zijn eigen eieren zou vernietigen, om het aantal jongen te beperken. Hij zag tot driemaal toe, dat een zelfde waterhoen een ei uit zijn nest pakte, ermee wandelde naar diep water en het daar liet zinken.
Nu ken ik Selous persoonlijk van zeer nabij. Ik heb een paar dagen en nachten met hem gewerkt op Texel en weet, dat zijn waarnemingen en mededeelingen volkomen te vertrouwen zijn. Daarom heb ik mijn best gedaan, om bij onze Hollandsche waterhoentjes hieromtrent ook iets te weten te komen, maar ze hebben zich alle volkomen normaal gedragen.
Wel vonden we veel nesten met vier of vijf eieren, doch nimmer was er een spoor te ontdekken, dat daar ooit meer in waren geweest. En alle eieren leverden jongen op, op een paar na, die bedorven in ’t nest bleven liggen.
Verscheidene malen woonden wij het uitkomen der jongen bij, al konden we ook lang niet altijd wachten, tot ze te voorschijn kwamen. Die jonge waterhoentjes hebben weinig haast om ter wereld te komen, of zoo ge liever wilt, ze beginnen al heel vroeg in den dop te piepen.
De eieren van ons rietgrasnest waren alle aangepikt, toen de foto genomen werd en de vogels piepten dat ’t een aard had, maar twee uur later was nog niet een der doppen gebroken. Ze piepten soms wel een heelen dag en zijn er den volgenden avond nog niet eens uit.
Als wij naar het uitkomen lagen te kijken, dan waren de ouden van ’t nest gevlucht. Heel zachtjes gleden ze te water en zwommen dan een heel eind ver weg; wel honderd meter. Maar ’t duurde niet lang, of ze waren, al sluipend en kruipend ongezien weer naderbij gekomen en dan zaten ze tusschen de biezen of onder de bramen, onophoudelijk „duk, duk—duk, duk” te roepen.
Het had er dan alles van, alsof de ouden hun kindertjes, die ze nog nooit gezien hadden en die hen zelf natuurlijk ook in ’t geheel niet kenden, wilden waarschuwen voor ’t gevaar. Er wordt dan ook wel beweerd, dat de jongen het wonderbaarlijk instinct bezitten, om op ’t hooren van die waarschuwingskreten dadelijk zoo stil als muisjes te zijn.
Onze jonge waterhoentjes evenwel misten blijkbaar dat instinct, want ze piepten er even lustig op los. Eens lag ik met mijn neus vlak op zoo’n nest toen een jong uit den dop kwam. Dat is altijd een mooi moment. Ik slaagde erin geen spier te verroeren en toen bleef dat kleine beest nat en hijgend stilletjes liggen tusschen de doppen, terwijl de ouden zich heesch dukdukkerden tusschen het riet.
Maar toen ik even het hoofd ophief, werd het kleintje bevangen door een grooten schrik en scharrelde hij haastig naar den rand van ’t nest. Ik ging toen maar gauw weg, want ze mogen niet zoo gauw zonder hulp in ’t water.
Het is een aardig gezicht, dat jonge dier zwart en nat uit ’t ei te zien komen, zwart met een paar roode kale vleeschstreepjes op den schedel en—wonderlijk genoeg—den snavel ook al versierd met rood evenals bij de ouden. En vóór het rood zit de spierwitte eitand, die den volgenden dag reeds afvalt.
Dat roode biesje blijven de jongen een week of drie houden. Als zij grooter worden en veeren en pennen krijgen, dan verdwijnt het. De snavel wordt dan groenachtig met een heel smal voorhoofdplaatje. De veeren aan borst en buik zijn grijsachtig wit en al wat bij de ouden aan vleugels, flanken en staart spierwit is, wordt bij deze jonge vogels mooi heel licht bruingeel. De pooten zijn grijsachtig en kousebanden hebben ze in ’t geheel niet.
Nu moeten ze zelf zien, dat ze aan den kost komen, want de ouden gaan beginnen aan hun tweede broedsel. Ze zien naar hun eerste stel kinderen nu niet meer om en als die soms nog om hulp en raad komen vragen, dan kunnen ze een houw met den snavel oploopen. Toch blijven ze in de buurt en dikwijls staan ze zich eenzaam in de veeren te pikken in een speelnest.
Dezelfde schrijver, die dat vertelt heeft van het zwijginstinct der zich in den dop bevindende kleintjes, de auteur van The Naturalist in La Plata, W. H. Hudson, zegt ook, dat in de parken van Londen de jongen van het eerste stel meehelpen, om het tweede legsel uit te broeden. Ook hierop heb ik veel gelet, doch tot nu toe altijd zonder resultaat; nooit heb ik een jongen vogel op eieren zien zitten.
Toch geloof ik Hudson wel, want hij is ook maar niet de eerste de beste, ofschoon ik wel vrees, dat bij hem de literateur den waarnemer wel eens verschalkt.
Dat na het uitkomen van het tweede broedsel de heele familie weer wordt hereenigd, is intusschen onbetwistbaar waar. Dat gaat natuurlijk doodgewoon zonder eenige scène of plechtigheid. De eerste jongen zijn in de buurt van ’t nest gebleven en nu de ouden met het tweede stel op de vlakte verschijnen, voegen ze zich natuurlijk en ongezocht bij ’t troepje.
Naumann geeft daar een nog al sterk gekleurd verhaal van en dat is in latere boeken natuurlijk „verbeterd en vermeerderd” naverteld. Daardoor is men langzamerhand de jongste waterhoentjes gaan beschouwen als bovenmatig vertroetelde Benjaminnetjes, terwijl de oude jongen gelden als voorbeelden van broedermin en zusterliefde. Dat is allemaal erg overdreven.
Ziehier, wat ik daarvan op 20 Augustus 1906 zag aan de Zanderijvaart onder Overveen. Twee oude waterhoentjes zwemmen rond en wandelen over de waterleliebladeren. Nu eens pikken ze in het water, dan in de lucht. Drie jonge vogeltjes, nog geheel in ’t zwarte dons en met rood op de snavels, zwemmen achter de ouden aan en pogen hun op zij te komen.
Dat gelukt gemakkelijk genoeg, want de ouden gaan in allerlei richtingen door de vaart, en eigenlijk zou het voor de jongen de verstandigste taktiek zijn, wanneer ze stil bleven liggen. Dat doen ze ook soms, maar dan sturen ze toch weer opeens op het witte lokstaartje der ouden af.
Slagen ze erin, een oude opzij te komen, dan piepen ze even en dan stopt de oude vogel voedsel in het geopende snaveltje. Beurt wordt niet gehouden, wie het dichtste bij het vuur is, warmt zich het beste.
In een groene nis tusschen de oeverbiezen staat een jong van ’t eerste broedsel toilet te maken en een eindje verder zwemt er een vlak aan den kant. Een derde en een vierde zwemmen midden in de vaart. Eén van de drie kleine jongen komt in de buurt van deze laatste en piept om voedsel. Broer heeft blijkbaar niets bij zich, maar pikt even in ’t water en geeft dan iets aan de kleine. Ik kan niet nalaten te denken, dat dit een zuiver instinctmatige handeling is, en dat hij misschien niets geeft, alleen maar voerbeweging maakt.
De toiletmaker gaat nu ook te water en zoekt op zijn eentje voedsel voor zichzelf. Het eene kleine jong zwemt nu voortdurend tusschen de vier oude jongen heen en weer en doet nu stellig telkens wat op. De beide andere blijven bij de volwassen ouders, die nu wel vijf en twintig meter weg zijn. Later keeren ze terug en dan sluit het kleintje zich ook weer bij hen aan. Van de vier oude jongen staat er dan een te dutten op een driehoekig modderplekje onder den els, de anderen zitten heel ver weg tusschen de oevergrassen.
De Zanderijvaart bevatte op dien dag zeven volwassen waterhoentjes, elf oude jongen en negen jonge jongen. Er waren dus stellig kinderlooze ouden in ’t vaartje. Geen wonder trouwens, want snoeken en ratten houden geweldig huis onder de jongen.
In September komen er groote veranderingen in de waterhoentjes-wereld. Langzamerhand verdwijnen de meeste jongen, niet, doordat ze opgegeten worden, maar ze reizen in den vreemde. Sommige ouden trekken ook weg, maar vele blijven hier; dat zijn dus echte standvogels. Het paar, dat den vijver van Duin en Daal bewoont, is nu—15 November—nog present en blijft den heelen winter. Op ’t meertje van Caprera zijn behalve de zes vogels van dezen zomer nog een twintigtal ouden verschenen. Bovendien zijn er zeven jongen, maar of die blijven weet ik niet. In de Zanderij zijn er nu eens meer, dan minder, dat is daar een soort van passantenhuis. Op de Liede en ’t Spaarne, in de kreken langs den IJdijk vertoonen ze zich in groot aantal. We hebben ’s winters in Holland een zeer sterke waterhoentjesbevolking.
Nu worden ze hoe langer hoe meer landvogels. Groote troepen loopen er in de weiden te pikken tusschen het gras en ik vind ze ook tusschen de esschen en berkjes van het kreupelbosch, waar ze op de manier van merels rondwoelen in de dorre bladeren.
Op allerlei ongewone plaatsen kunt ge gedurende zomer en voorjaar waterhoentjes ontmoeten. Niet licht zal ik vergeten, hoe ik op een Maartmorgen er een ontmoette bovenop de ruïne van Brederode. Die zat vlak bij den hoogsten trans te smullen in de klimopbessen. En toen ik naar beneden keek, zaten daar tusschen hemel en aarde op verschillende hoogte nog zes van die roodblessen, alle op dezelfde manier bezig. Ze klauterden met het grootste gemak langs den hoogen klimopmuur, zich met de lange groene teenen vastklemmend in de twijgen.
Toch blijft het water altijd hun hoofdverblijf en wanneer in de wintermaanden het insectenleven aan de oppervlakte minder rijk wordt, dan duiken zij vaak onder, om in de modder naar voedsel te zoeken. Naarmate het voorjaar opschiet, worden ze hoe langer hoe luidruchtiger, vooral in den laten avond en in den vroegen morgen en lang, voordat de nachtegaal zich laat hooren, zijn de vechtpartijen tusschen de waterhoentjesmannen weer in vollen gang.
DE MEREL.
In het laatst van October en het begin van November komen zeer veel merels op den trek door ons land. Wel verschijnen ze niet in zoo talrijke zwermen als de koperwieken of zanglijsters, maar troepen van twintig of dertig stuks zijn toch in ’t geheel niet zeldzaam. Het komt er slechts op aan, ze op de goede plaatsen te observeeren.
Nu is dat in ons land gemakkelijk genoeg, want de ontelbare legioenen van lijsterachtige vogels, die in ’t najaar zich westwaarts bewegen door de Midden-Europeesche laagvlakte, bereiken hier een belangrijk keerpunt. Een groote massa strijkt over naar Engeland, maar verreweg de meeste maken halt bij de Zuiderzee of bij de Noordzee en gaan dan van Texel of van Gaasterland zuidwaarts.
De honderdduizenden vogels, die op Texel en in Gaasterland in de strikken gevangen worden, zijn slechts een onnoemelijk klein deel van wat nog verder gaat. Op een mooien morgen in October heb ik in onze duinen gedurende een enkel uur niet minder dan dertigduizend lijsters van verschillende soorten zien voorbijtrekken.
Voor vele schijnt het keerpunt meteen eindpunt te zijn, of liever voor hen gaat hier het trekken over in zwerven. Soms wemelt het een week lang in een bepaalde streek van merels en zanglijsters, dan is er een paar dagen lang geen enkele meer te zien en een poosje later komen weer nieuwe opdagen.
Op Texel is dat den heelen winter door met groot gemak te constateeren. Ook hebben waarnemingen over een tijdperk van vier jaren mij geleerd, dat in Bloemendaal van den straatweg tot de zee de lijsterbevolking van half October tot half Januari zeer veranderlijk is en dat van de lijsters, die hier broeden, of die hier uitgebroed zijn, geen enkele hier blijft overwinteren.
Voor de stad is het waarschijnlijk iets anders. Ik geloof werkelijk, dat de steden in de ornithologie een bijzondere plaats gaan innemen en dat we hoe langer hoe meer aandacht zullen moeten schenken aan de „stadsfauna”. ’s Winters neemt ook wel ’t aantal merels in Amsterdam toe; er is dus toevloed van trekvogels, maar ik heb toch ook de zekerheid, dat vele van de merels, die in de stad broeden, er ook den winter blijven doorbrengen.
Dat geeft te denken. Er zijn dus merels, die jaar in jaar uit niets anders te zien krijgen, dan een paar stadstuinen, omgeven door huizenblokken. Ik ken er een, die nu al drie jaar lang ontsnapt is aan de katten van het Werkhuis en overigens een vrij gemakkelijk leven leidt in een drietal tuinen, die met elkander kunnen bogen op wat appel- en pereboomen, een paar ahorns, wat iepen en kastanjes en verder allerhande kleingoed.
Voor een stadsvogel is dat lang zoo kwaad niet. Wormen zijn er in overvloed te vinden, slakken bij de vleet en als ’s winters de grond bevroren is, dan neemt hij zijn deel van het brood, dat voor de musschen wordt uitgestrooid. Gelegenheid tot drinken en baden vindt hij altijd in de plassen van den Werkhuistuin en in het kunstmatig vijvertje van den kweekschooltuin.
Eigenlijk leeft zoo’n vogel in een soort van groote kooi. Van de mooie wereld daar buiten weet hij natuurlijk niets en het lijkt wel, alsof door den invloed van de gunstige condities, waaronder hij verkeert, het trekinstinct geheel bij hem is uitgedoofd.
Zijn zang is maar zoo zoo. Doch buiten zijn er ook merels, die slecht zingen. Ik twijfel er evenwel niet aan, of deze stadsvogels zullen in den loop der tijden alle anders gaan zingen en zich anders gaan gedragen, dan de vogels van het vrije veld. De stadsornithologen zullen hierover binnenkort interessante dingen te vertellen hebben.
De merels van het Vondelpark en zelfs die van Artis zijn al meer „buitenvogels” en doen dan ook behoorlijk mee in de wisseling der jaargetijden.
Buiten de steden houdt de merel zich ook veel op in de nabijheid van menschelijke woningen, maar dat neemt niet weg, dat hij toch een echte boschvogel is en zich midden op de Veluwe of in een duinvallei aan den zeekant volkomen gelukkig gevoelt.
Hij is de echte pierenvreter, om nu maar eens niet ineens te beginnen met zijn deftigheid. Er is geen vogel, wiens bemoeiingen zoo rechtstreeks gericht zijn op den aardworm, al moge de zanglijster hem zeer nabij komen. Deze laatste moet toch nog altijd afwachten, hij luistert, tot hij zijn worm hoort en gaat dan op ’t geluid af. Maar een merel gaat verder: die kent de natuurlijke historie van den aardworm op een prik, ziet aan den grond, waar de worm te verwachten is en slaat bladeren en aarde opzij, om zijn prooi te bereiken.
’t Is een echt herfsttafereel: de merel, stoer werkend in de afgevallen bladeren. Licht huppelt hij over den grond, staat even stil op hooggestrekte zwarte pooten, bukt opeens en dan vliegen onder de krachtige slagen van den snavel de bladeren rechts en links. En eer de worm, die in zijn hol aan de bladeren zat te knagen, tijd gehad heeft, om zich diep genoeg terug te trekken, heeft de merel hem aan zijn kop te pakken en nu begint het worstelspel, dat in negen van de tien gevallen voor den worm slecht afloopt.
Meestal gaat de vogel, nadat hij zijn pièce de résistance verorberd heeft, nog eens nasnuffelen tusschen het omgekeerde blad. Dan pikt hij daar vlugjes de kleinere organismen uit en gaat dan verder. Over bebladerden grond, onder struikgewas, huppelt hij met fiksche sprongen, ook in de wei, als ’t gras er hoog is, maar wanneer hij over vlakken grond zich uit de voeten wil maken en geen gelegenheid vindt, om op te vliegen, dan rent hij zoo vlug als een kievit. Doordat hij bij het loopen meer het hielgewricht dan het kniegewricht gebruikt, ziet die renpartij er meestal nog al komiek uit. Ze doen ’t ook bijna altijd, wanneer ze van grasveld tot grasveld een pad moeten oversteken.
Soms zijn een dozijn van de vogels tegelijk bezig. In den voorherfst zijn dat meestal vogels van eenerlei geslacht en leeftijd: oude mannetjes, zwart met gelen snavel, oude wijfjes, dof donkerbruin met lichte keel en lichtgrijzen of gelen snavel, jonge vogels, zwart met donkeren snavel en soms nog met bruingevlekte veeren aan kop of onderkant.
Het zijn vooral de jonge vogels, die in den herfst zingen, niet het volle merellied, dat wijd klinkt over gaard en bosch, maar een zacht neuriën, waarin de accoorden en arpeggio’s van later reeds doorklinken. In ’t laatst van September hoor ik ’t het meest.
Gedurende den winter zijn de merels ook nog luidruchtig genoeg. Ze hebben allerlei discussiën met koolmeezen, winterkoninkjes en bastaardnachtegalen en vinken, die ook in de bladeren onder het struikgewas hun zaken hebben. De vink en het heggemuschje leggen het gauw tegen hen af, maar koolmees en klein Jantje zijn niet op hun mondje gevallen en bestoken hem van alle kanten met „terrrt, terrrt, terrt” en „tjegge, tjegge, tjeggetjek.”
Hij antwoordt met „tjak, tjak, tjak” of, als hij niet nijdig is, met een binnensmonds gesproken, „koek”, „koek”, doet af en toe een aanval, maar moet het in den regel toch opgeven en vliegt dan weg onder het uitroepen van een lang uitgehaalde tirade beginnend met „tjak, tjak,” dan overgaand in helder „ting, tjing, tjing”, dat al sneller en sneller wordt en ten slotte den welbekenden hoogen alarmtriller vormt.
Het heldere „tjing, tjing” is ook zijn avondgeluid, de vaste begeleiding van het vallen van den winteravond. Zwart staan de kale stammen en takken tegen het avondrood, in ’t onderhout blinken nog een paar dorre bladeren rood en geel op uit de duisternis. ’t Is doodstil, geen twijgje verroert, alleen een roodborstje zit te zingen op een hoog uitstekenden tak, het mooie silhouet scherp afgeteekend tegen de avondlucht. Zijn liedje eindigt in liefelijk gemurmel en dan is de stilte volkomen.
Opeens klinkt in ’t lage hout een helder „tsjing, tsing” en van alle kanten komt antwoord. Als koperen bekkenslag klinkt het in ’t rond. De roodborst komt ook meedoen, nu niet met zijn welluidend gezang, maar met een krakend, ratelend roepje en de winterkoning gooit er zijn uitdagings-triller doorheen.
Dit is heel wat anders dan de avondzang in April of Mei, maar toch o, zoo mooi, helder, sterk en rein. Ik hoor dat altijd met groote blijdschap: de taptoe van de stoere wintergasten.
Welke beteekenis die geluiden voor de vogels zelf hebben, weet ik niet. Misschien is het een tijdverdrijf. Het is te donker, om naar voedsel te zoeken en de dag is te kort geweest, om nu al dadelijk behoefte aan slaap te hebben. Wellicht ook zijn het verzamelkreten, want bij de meeste vogels bestaat een sterke neiging, om gezellig te overnachten. En misschien, maar dat is nog slechts een vaag vermoeden bij mij, misschien gaan ze dikwijls na dat geroep niet eens te rust, doch begeven ze zich op reis.
Ik hoor tenminste op November-avonden dikwijls lang na zonsondergang in de lucht een ander lijstergeluid, het „srie, srie” van den trek. Deze roep is met meer of minder wijziging aan alle lijsters eigen en wanneer ge dien hoort—overdag kan dat ook—zie dan omhoog even in ’t rond en ge zult ongetwijfeld de troepen der reizigers ontwaren. Soms zijn ’t er niet meer dan een stuk of zes, een andermaal zijn ’t duizenden.
Reeds in Januari kunnen wij wat te zien krijgen van ’t liefdeleven der merels; meest ’s morgens tusschen tienen en twaalven. Een mannetje zit in de grootste opgewondenheid te roepen. ’t Is onophoudelijk „tsjieng, tsjieng, tsjieng” afgewisseld met dol heen en weer vliegen onder ’t uiten van den langen alarmkreet.
Op den grond in ’t natte mos zijn twee wijfjes aan ’t vechten als straatmusschen. Ze vliegen en springen tegen elkander op, bijten elkaar in den nek en rollen soms over elkander heen. En ’t mannetje vliegt maar schreeuwend heen en weer, alsof hij de wijfjes aanhitst. De wijfjes zelf zijn ook niet stil, maar roepen telkens „tak, tak” en zelfs klinkt daar wel eens een gezangtoon tusschen door.
Eindelijk vliegt het edele drietal schreeuwend weg.
Deze gevechten tusschen wijfjes duren eenige weken lang en bewijzen voldoende, dat zij niet geheel en al onverschillig blijven bij de stichting van het huishouden. Misschien hangt het met de groote energie samen, dat zij soms zingen, een enkelen keer zelfs zoo, dat ge meenen zoudt een mannetje voor u te hebben.
Een maand later is de beurt aan de mannetjes. Dat zijn prachtige vechtpartijen of liever stijlvolle duels. De wijfjes in Januari stellen zich onwaardig aan, verblind als ze waren door passie en jaloezie. Het schijnt, dat de mannetjes meer meester van zichzelf blijven: ze breken ten minste hun vechtpartij dikwijls af, door ieder in zijn eigen boom heerlijk en rustig te gaan zitten zingen.
De ontmoeting krijgt daardoor, zooals dat ook bij andere vogels het geval is, meer het karakter van een tournooi dan van een strijd. Niet zelden ook komen op drukke plaatsen veel merelparen bijeen en daar kan het dan zeer luidruchtig toegaan. Zoo iets heb ik gezien op 10 April 1898 in het lage Middachter bosch.
Het bouwen van het nest geschiedt in de morgenuren en bijna uitsluitend door het wijfje. Het mannetje zit dan te zingen of vliegt met zijn wijfje mee, stapt om haar heen en dan gebeurt het wel eens, dat hij een takje of een grassprietje van den grond raapt en haar dat aanbiedt. Ook oefent hij in den allereersten tijd eenigen invloed uit op de keuze eener nestplaats door bouwstoffen naar de plek zijner voorkeur te dragen.
Merels bouwen overal: van vlak op den grond tot tien meter hoog in de boomen. Er wordt wel eens beweerd, dat merels, die voor het eerst van hun leven bouwen, altijd een nest op den grond maken en dat ze dan later, door schade en schande wijs geworden, het hoogerop gaan zoeken.
Dit is beslist onjuist. Het nest met eieren van onze foto lag aan den voet van een dikken den, nagenoeg op den grond: het zat bekneld tusschen het duinroosje en den dennenstam. De man, die bij het nest hoorde, had een snavel, oranje bij rood af. Dat was dus wel een heel oud mannetje, dat misschien wel zijn twaalfde huishouden groot bracht.
Ook is het nog zeer de vraag, of de grond een zoo onveilige plaats is voor een nest. Ik voor mij geloof, dat het een der veiligste nestgelegenheden is, en dat de nesten die een meter hoog boven den beganen grond liggen, in hagen of conifeertjes, in veel ongunstiger conditie zijn. Die mogen door wezels of katten niet worden opgemerkt, voor menschen, eksters en gaaien liggen ze als ’t ware voor ’t grijpen.
Nu zouden we de onderstelling kunnen wijzigen en zeggen: onervaren merels bouwen ter hoogte van een tot anderhalve meter en als ze ouder en wijzer worden, gaan ze hooger of lager, maar nu heb ik dezen zomer weer juist een heel oud en heel wijs wijfje leeren kennen, die haar nest precies op neushoogte had gebouwd in een houtmijt. Ze was zoo oud, dat ze een gelen snavel en een bijna witte borst had. Ook was ze ongewoon groot.
Het materiaal van ’t nest is zeer verschillend en regelt zich geheel naar de plaatselijke omstandigheden. De grondnesten zijn voornamelijk gevlochten van grassprietjes en mos, met een bodem van kleine takjes en verdorde stengels van voorjarige planten. Die zijn dan door klei of mest aan elkander verbonden, maar ook in den aard en hoeveelheid van dit bindmiddel bestaat groot verschil.
De binnenbekleeding bestaat uit fijne plantenvezels en haren, maar kan een enkele maal bijna geheel ontbreken. Het nest in de houtmijt bestond bijna geheel uit takjes; in thuja’s en cypressen heb ik nesten gevonden, waarin de groene levende takjes van den heester als bouwmateriaal waren gebruikt.
De merels broeden altijd minstens tweemaal per jaar, dikwijls driemaal, een enkelen keer viermaal, zoodat jonge vogels in het eerste kleed (roodbruin met donkere vlekken) aangetroffen kunnen worden tot in October. In den regel wordt voor elk nieuw broedsel een nieuw nest gebouwd, echter komt het ook wel voor, dat een heel hecht nest tweemaal achtereen wordt gebruikt. Een dood enkele maal gebeurt het, dat een merelpaar een verlaten zanglijsternest in beslag neemt en er eieren in legt, zelfs zonder het binnenste op merelmanier te stoffeeren.
Het is te wenschen, dat men wat meer op deze dingen gaat letten, we behooren omtrent het gedrag van een zoo algemeenen en vertrouwelijken vogel niet in het onzekere te verkeeren.