Het intieme leven der vogels

Part 13

Chapter 133,992 wordsPublic domain

Het broeden komt weer voornamelijk voor rekening van het wijfje, al onthoudt het mannetje zich niet geheel en al. De vogel begint al te zitten, wanneer er twee eieren in het nest zijn. In den regel wordt er iederen dag een ei bij gelegd, maar er wordt wel eens een dag overgeslagen. Dit alles heeft tengevolge, dat de eieren niet te gelijk uitkomen en dat de jongen van hetzelfde broedsel heel wat in ontwikkeling kunnen verschillen, zooals ook op onze foto duidelijk te zien is.

En nu krijgen mannetje en wijfje druk werk. De jongen moeten worden gevoed, gekoesterd, gekoeld, gereinigd. Het reinigen bestaat in het wegbrengen van de uitwerpselen. Ieder keer dat een oude vogel voedsel brengt, wacht hij tot een jong zijn darm leegt—’t is bijna een reflex op ’t eten—raapt het uitwerpsel op en verzwelgt het.

Het koesteren geschiedt ’s nachts geregeld en in den eersten tijd op donkere dagen dikwijls. Op heete dagen hebben de jongen het ontzettend warm. In het enge nest liggen die vier of vijf heete vogellijfjes vlak tegen elkander, hun vederkleed wordt ieder uur dichter. Geen wonder, dat ze als in doodsnood liggen te hijgen en de koppen aemechtig over den rand van het nest laten hangen.

Dan komt de oude vogel, naar mijn waarnemingen steeds het wijfje, voor het nest zitten en brengt met wijd gespreide holle vleugels de lucht in beweging, de mooiste punkah, die men kan bedenken. Dit is een wonderlijk mooi instinct, eigenlijk veel wonderlijker dan het broeden en koesteren.

Het voedsel, dat de ouden brengen, is, zooals dat bij de zangvogels regel mag heeten, voornamelijk dierlijk voedsel en wel in hoofdzaak rupsen, andere larven en bladluizen. Wormen worden niet dadelijk gevoerd.

Eens zag ik, dat een merel zijn jongen voerde met groote roodachtige brokken en ik kon maar niet uitmaken, wat dat voor groote sappige dieren waren. Het leken wel stukjes vleesch. Iedere minuut kwam een oude vogel met zoo’n brokje aandragen en ik zat al te bedenken, uit welke slagerij in de buurt die voorraad afkomstig kon zijn, toen ik zag, dat er bij ’t nest zoo’n brokje op den grond viel. Onmiddellijk snelde ik er heen tot grooten schrik van jong en oud. Het was een aardbeitje, stel u gerust: een wild aardbeitje.

Dol zijn de vogels op aardbeien. Ze groeien in onze duinen bij duizenden en duizenden, maar de wandelaar kan lang zoeken, eer hij er een handjevol van bijeenverzameld heeft. Alle vogels eten ervan en nu gaan de merels er ook al hun jongen mee voeren!

Mij dunkt, het moet voor die diertjes wel heerlijk wezen, om op een heeten zomerdag getracteerd te worden op de heerlijke frissche vruchten, spijs en drank tegelijk. Dit brengt mij meteen tot de vraag: krijgen de jonge vogeltjes in ’t nest wel ooit te drinken?

De jongen, die meteen het nest kunnen verlaten, zooals de kievitten en waterhoentjes, drinken reeds in hun eerste levensuur. Ze hebben het instinct, om te pikken naar het bewegende water, naar de dauwdroppel aan een grassprietje, naar het water, waarin zij rondzwemmen. Maar hoe gaat dat nu bij winterkoning, koolmees en lijsters? Ik weet er niets van, alleen vermoed ik, dat ook nog wel andere vogels dan de merel hun jongen op fruit zullen onthalen.

Ieder aardbeienkweeker weet ook, dat de oude vogels hun jongen geleiden naar de aardbeibedden en dat ze daar zeer beslist het beste deel kiezen, dat ik ze gaarne gun. Maar de beroepskweeker denkt daar anders over.

Mereltje, mereltje, het ziet er slecht met je uit. Je eet aardbeien, kersen, aalbessen, druiven, peren, perziken, abrikozen en je bederft soms nog meer, dan je opeet. Het nut, dat je sticht, valt niet zoo onmiddellijk in het oog, want al het kleine goed heeft weinig naam. Het eten van wormen behoeft je niet als een verdienste te worden aangerekend, want de wormen zijn nuttige dieren en verrichten jaarlijks in de wereld voor ik weet niet hoeveel millioen gulden aan nuttigen veldarbeid. Ook haal je wel eens een vogelnest uit.

Er zijn dan ook menschen, die de lijstervangst in het najaar zoo al niet toejuichen, dan toch zonder het minste bezwaar tolereeren en wel op twee onomstootelijke gronden, waar niets op valt aan te merken nl. 1o er komen ondanks het wegvangen toch hoe langer hoe meer merels en andere lijsters en 2o de merels richten schade aan als fruitdieven, misschien ook als knoppenvreters en nestverstoorders, terwijl hun hoofd voedsel bestaat uit de zoo nuttige wormen.

Nu kunnen we de zoo nuttige wormen gerust buiten rekening laten, want die vermenigvuldigen zich zoo snel en regenereeren zich zoo gemakkelijk, dat al de merels van de wereld het voordeel, dat wij van de wormen hebben, niet kunnen doen verminderen.

Alles met alles is het met de merel hoogstwaarschijnlijk als met zooveel andere vogels: hij is soms nuttig, soms schadelijk, zoodat het voor onze rechtstreeksche stoffelijke belangen misschien onverschillig is, of hij leeft of niet. Ik zeg „misschien” want ik geloof, dat ten slotte alle dieren nuttig zijn.

Bij een dergelijk onverschillig evenwicht geeft de minste aanraking den doorslag. Die wordt in dit geval gegeven door de omstandigheid, dat jongens plezier hebben in ’t lijstervangen en dat arme arbeiders er een kleine extra-verdienste mee kunnen verwerven.

Maar er is ook een doorslag mogelijk in een andere richting. De merel is een vogel vol gratie en activiteit, een sieraad van onze bosschen en velden. De merel is een zangvogel van buitengewone begaafdheid, een solist van den allereersten rang en een onmisbare steun in het groote vogelorkest.

Als je van zoo’n vogel nu nog vergt, dat hij op den koop toe ons nog tastbare voordeelen verschaft, dan staat dat ongeveer gelijk met den eisch, dat onze groote virtuozen onder de menschen den kost zouden moeten verdienen met kousen stoppen of schoenlappen.

Over de merel als solist is al genoeg gezegd en geschreven, als lid van het orkest is hij nog weinig geroemd. Ga op een morgen in Mei een uur voor zonsopgang wandelen in een streek met veel bosch en water. Dan wordt er gezongen, zooals op geen ander oogenblik van nacht of dag: de groote algemeene morgenhymne.

Wie dat hoort en goed hoort, begrijpt dat de vogelzang toch nog iets anders is dan verliefd gekweel om wijfjesgunst. Alle vogels, die nu zingen, hebben reeds hun nesten kant en klaar, hebben hun rivaliteiten al lang uitgevochten. Doch iederen morgen tot ver in Juni en Juli en weer opnieuw in September, geraken de vogels in verrukking bij het wederkeeren van het daglicht.

Ze zijn zoo gezond en sterk, die dieren, zoo vol activiteit, met zooveel voorgevoel van al het goede, dat de dag kan brengen, dat zij het aanbreken ervan reeds meer dan een uur te voren begroeten met hun blijdsten jubel.

En nu hoort ge ze alle: de reine boomleeuwerik, de vurige nachtegaal, de woudduif, de koekoek, het roodborstje, roodstaart, winterkoning, fitis, vink, zanglijster en merel, ieder met zijn bijzondere strofe beurtelings de aandacht vergend. En achter al die muziek hoort ge een geluid, zoo groot en imposant als nooit en nergens anders te hooren is, noch in kerken noch in concertzalen. Het is krachtig, als de storm en als de zee, maar veel rijker van toon.

Wanneer ge er in slaagt, uw aandacht af te trekken van de solisten vlak bij, dan ontdekt ge, dat die grootsche achtergrond van geluid alleen afkomstig is van de merels.

Ge ziet nu, hoe onmogelijk het is, om zulke dieren een heelen nacht den doodsstrijd te doen ondergaan in een paardeharen strik, hoe kannibaalsch het is, om ze te eten. De ornithologie of de tuinbouwbelangen hebben hiermede niets uit te staan, maar iets, dat veel beter en hooger is: ons gevoel voor de onbegrijpelijke en onnaspeurlijke grootheid en schoonheid van de schepping.

DE GROOTE LIJSTER.

De voorspoed van het lijstergeslacht in deze dagen uit zich ook in de omstandigheid, dat de groote lijster zich tegenwoordig niet alleen in groot aantal vertoont op den najaars- en voorjaarstrek, maar ook doordat zij al meer en meer bij ons gaat nestelen. Een jaar of tien geleden gold het nog als een ornithologisch buitenkansje, een nest van de groote lijster te vinden, thans worden ze, althans in de duinstreek, vrij talrijk aangetroffen.

Deze vogel heeft in de boeken alweer een reputatie van schuwheid en hij heet alleen te broeden op afgelegen plaatsen. Hier in Bloemendaal evenwel wordt hij al in de tuinen gezien en dezen zomer broedde een paar in de onmiddellijke nabijheid van een vogelvrienden-woning. Ik twijfel er niet aan, of wie er op let, vindt wel overal in boschachtige streken nesten van deze lijster. Doorgaans verwart men ’t nest met ’t nest van de merel en den vogel zelf met de zanglijster.

Voor deze verwarring bestaat geen enkele reden, want de groote lijster is van de zanglijster gemakkelijk te onderscheiden. Bij de zanglijster trekken alle kleuren in ’t goudgele, bij de groote lijster is aschgrauw de hoofdkleur. Schedel en rug zijn aschgrauw, de vleugeldekveeren zijn wat donkerder bruin en hebben witte eindpunten en randen, die twee lichte strepen over den vleugel vormen, wat bij de zanglijsters in ’t geheel niet het geval is.

Ook de stuurpennen, behalve de middelste, hebben witte eindvlekken, maar alleen op de binnenvlag, zoodat bij den saamgevouwen staart niets van dat wit te zien is. Zoodra hij echter even wordt uitgespreid, komen vooral aan de buitenzijde de witte vlekken te voorschijn.

De onderzijde is evenals bij de zanglijster licht van kleur met donkere vlekken; de zanglijster is daar lichtgeel, de groote lijster bijna wit, wat in ’t zonlicht wel tien meter ver te onderscheiden is. Verder zijn de pooten bij de zanglijster heel licht van kleur, een zacht hoornachtig tintje, de groote lijster heeft gele pooten, ja ik heb er wel gezien, die oranje waren, bij rood af.

Het allerduidelijkst zijn de vogels te onderscheiden, wanneer ze vliegen. De zanglijster heeft de onderdekveeren van de vleugels mooi oranje, ook de okselveeren en de zijveeren van den romp vertoonen die kleur en dat is bij de groote lijster allemaal wit, zuiver wit, zoodat het schittert in de zon.

Het verschil in grootte is wel aanzienlijk, maar niet gemakkelijk te constateeren; de groote lijster is een kop grooter dan de zanglijster, een zesde deel van de lichaamslengte, maar het is heel moeilijk, om in de vrije natuur uit te maken, of een vogel groot of klein is; het oordeel wordt door allerlei bijomstandigheden onzuiver gemaakt. Bij mistig weer lijken spreeuwen zoo groot als kraaien en bij zeer heldere lucht zien alle vogels er weer veel kleiner uit, dan ze zijn.

Wie evenwel gewoon is, uit te kijken, behoeft zich niet lang te bedenken, als hij een groote lijster ontmoet. In de laatste weken zijn er zeer vele doorgetrokken; de eerste vertoonde zich op 10 September. Ze waren zoo gelukkig en tevreden, als een groote lijster maar zijn kan en telkens zat er in een sparretop een te roepen.

Ze zitten dan nagenoeg loodrecht rechtop. Zanglijsters hebben ook een opgerichte houding, maar de lijn, die snavel met staart verbindt, heeft bij hen toch zelden een helling van meer dan vijftig graden. De groote lijster echter doet het niet minder dan tachtig graden; wanneer men hem van voren beziet, dan zijn keel en borst en buik in hun geheel duidelijk te zien met al hun vlekken.

Deze herfstroep lijkt zeer veel op een lied, vooral doordat de vogel tijdens het roepen stil blijft zitten en er geen enkele oorzaak tot ongerustheid bestaat. Luid en snel achtereenvolgens roept hij „trè, trè, trè,” als een kwajongen, die een trompet nadoet. Hij zit in den hoogsten top van een zilverspar, maar daardoor juist achter de breed uitstaande zijtakken verborgen. Als ik nu om den boom ga heendraaien, om een beter gezichtspunt te vinden, krijgt hij mij in ’t oog en na een laatste „trè” springt hij in de lucht, om bijna loodrecht langs den boom neer te dalen. Dan buigt hij weer omhoog en verdwijnt met den familieroep van „tjak, tjak” tusschen het hout.

Dat was een toevallige ontmoeting, maar ik weet ze in October en November ook wel met zekerheid te treffen. In het najaar staan langs de wegen der vogels de prachtigste wegwijzers voor den vogelvriend, dat zijn de heesters met hun kleurrijke vruchten.

Een van de allerbelangrijkste is het kardinaalsmutsje. In lange rijen groeit het, vooral in lange duinvalleien, die zich uitstrekken in de richting Noord-Zuid. Wanneer het herfst wordt, krijgen hun millioenen en millioenen vruchten een heerlijk karmijnroode kleur, die prachtig afsteekt bij het donkergroen der bladeren. Later worden de bladeren zelf ook rood, of ze vallen af en dan gaan de roode vruchten openbarsten, zoodat de oranje zaden te voorschijn komen. Deze bungelen dan meest bij viertallen aan dunne spierwitte draden buiten de roode vrucht.

Het zijn de mooiste heesters van het duin, na de Geldersche roos of wilde sneeuwbal, die dichte trossen van glanzig roode bessen vertoont temidden van fraai gevormd purperrood gebladerte. Maar de vogels willen in October van die Geldersche roos nog niets weten, het kardinaalsmutsje lokt hen des te meer aan. De lijsterbessen zijn al zes weken geleden opgegeten door de inlandsche lijsters en de jonge spreeuwen, de duindoornbessen behooren aan de bonte kraaien.

Laat ons nu gaan zitten op een beschut plekje in ’t duin, niet te ver van de glorende kardinaalsmutsjes. Zie, een halven kilometer ver strekt de heesterrij zich uit, op enkele plaatsen zijn het dichte partijen, op andere vormen kleine heestertjes een dun rijtje, dat de grootere boschjes verbindt. Maar alle zitten vol vruchtjes.

„Srrie, srrie,” daar komt de lijsterzwerm uit het Noorden. Ze vliegen in een breede colonne, vijftig vogels breed, zes rijen hoog, acht of tien gelederen diep; dat is dus een sterkte van tusschen de twee- en drieduizend. Nauwelijks in de vallei aangekomen verdeelt de troep zich, benden van honderd stuks slieren op zij; een groote troep valt vlak bij ons neer in ’t boschje van Evonymus.

Dit is geen fantastisch vogelpraatje, maar echte reëele waarneming. Ieder jaar zie ik eenige malen die lijstertroepen. Wie zijn dagen doorbrengt in de duinen, halfweg tusschen het strand en de weide, kan niet missen op Octobermorgens deze prachtige vluchten te zien. Ge moet maar geduldig zitten te wachten, bij Zuidoostenwind en helder weer is de kans, om iets te beleven, het grootst.

Nu kunt ge ook zien, hoe het mogelijk is, dat zooveel lijsters in de strikken gevangen worden. Met onbegrijpelijke gulzigheid vallen ze op de oranje zaadjes aan. ’t Is een rukken en trekken zonder ophouden, vier, vijf vogels in een enkel heestertje, dat staat te trillen en te schudden onder de heftige bewegingen der forsche dieren.

De partij bestaat in hoofdzaak uit koperwieken, maar er zijn ook zanglijsters bij en een twintigtal groote lijsters. Nu komt het goed uit, dat ze veel grooter zijn; wanneer hun lichaam niet den typischen lijstervorm vertoonde, zoudt ge ze op een afstand kunnen aanzien voor gaaien of duiven, zoo groot zijn ze.

„Tjak, tjak, trè,” zegt er een, „tjak, tjak” roepen de anderen en weg sliert de heele troep. Ondanks het woest gevreet zitten de kardinaalsmutsjes nog vol zaden, maar de vele roode vruchthulsels op den grond toonen voldoende aan, hoe hier huisgehouden is. Eenige weken houden de heesters den aanval uit, maar dan zijn alle zaadjes verdwenen en alleen eenige roode vruchtdoozen verbleeken gedurende den winter aan de vierkante twijgen.

De groote lijster wordt ook wel mistellijster genoemd, omdat hij zich zou voeden met de witte bessen van de mistelplant, maretakken of vogellijm. In ons land gaat dat niet op, daar die plant alleen in Zuid-Limburg groeit, terwijl de groote lijstertrek hoofdzakelijk plaats heeft langs den zeekant.

Beslist moet voor de wintermaanden het kardinaalsmutsje hier gelden als voornaamste voederplant voor de groote lijster, zoowel als voor koperwieken en roodborstjes. En geen wonder is het, dat die mooie heester langs den lijsterheerbaan in groote hoeveelheden opschiet uit het zaad, dat de lijsters zelve in hun uitwerpsels uitstrooien.

Ook zie ik in den winter de groote lijster veel op weilandjes en braakveldjes langs den binnenkant der duinen, en weer meer in den voormiddag dan tegen den avond. Het weiland van Duin en Daal is een der meest vruchtbare waarnemingsterreinen en nooit verzuim ik, daar gedurende de drie laatste maanden van het jaar minstens één morgenuur per week door te brengen.

In het dicht geboomte van een steile duinhelling van de Zuidzijde van de wei vinden de vogels altijd een veilige toevlucht; alleen loopen er een paar katten, maar die kunnen misschien nog wel afgeschaft worden. ’s Morgens is het daar doodstil en eenzaam en nu is het heerlijk, om te zien, hoe de vogels komen aanzetten uit het Noorden, dan neervallen in de boomen van Duinhoeve en Dennenhoek, om bij kleine partijtjes zich langzamerhand te verspreiden over het weiland.

De meezen en merels blijven aan den boomenrand, maar de zanglijsters, koperwieken, groote lijsters en later in ’t jaar de kramsvogels, bezetten tirailleursgewijze de wei. Alleraardigst is het, om te zien, hoe verschillend die lijstersoorten zich gedragen; de zanglijster altijd luisterend naar zijn worm en dan plotseling toeschietend, om hem te grijpen, de koperwiek bedrijvig rondstappend op de manier der spreeuwen en de groote lijster, groot, geweldig, in wijde sprongen zich bewegend om de versche molshoopen.

Met zijn sterken snavel woelt hij in den lossen grond. Het is echter wel zeker, dat hij daar niet zulke vette hapjes opdoet, als de zanglijster aan zijn worm heeft. Al heel spoedig springt hij dan ook weer verder, overal zoekt en snuffelt hij, hier vindt hij een naakte slak, daar een laatste luie langpootmug of een larve, die zich te dicht aan de oppervlakte gewaagd heeft.

Daar ratelt een slagersjongen voorbij op zijn fiets. Verschrikt vliegt de heele lijstertroep naar het beschermend houtgewas en de onderkant hunner vleugels weerkaatst het lage zonlicht rood, oranje of wit, al naardat het koperwieken, zanglijsters of groote lijsters zijn.

Het is in Januari altijd de vraag, wie het eerst zingen zal, de zanglijster of de groote lijster. De meeste menschen hooren de zanglijster het eerst, maar dat heeft zijn reden. Dikwijls wint de groote lijster het en heerlijk is het, om hem in ’t laatst van Januari te zien zingen boven in een sparretop in een hagelbui of een sneeuwstorm.

Je moet met dien vogel altijd oppassen, dat je hem geen eigenschappen toedicht, die hij niet bezit. Natuurlijk is het een gewone blijde vogel, die precies weet, wat goed voor hem is, en zijn vroolijkheid uit, wanneer hij zich prettig gevoelt en de zaken naar zijn zin gaan.

Maar nu heeft hij wel iets aparts, ook dat zingen in den regen en storm en dat maakt dan, dat je hem gaat houden voor een trotsche en overmoedige persoonlijkheid, die net anders wil, dan het gewone gros der vogels, die maling heeft aan zonneschijn en liefelijkheden en in het woeste, ongebaande, vermetele zijn hoogste voldoening vindt. En dat alles, omdat hij niet bang is voor een nat pak!

Wanneer ge nu wat meer op de vogels let, dan ziet ge, dat ze zoowat allemaal niets geven om een beetje regen of om wat storm. Alle leden van de lijsterfamilie vroolijken heelemaal op, wanneer het gaat regenen: de booze wereld zegt, omdat ze dan een voorgevoel ervan hebben, dat de wormen uit den grond zullen komen. Wulpen, kieviten, scholeksters zijn dan ook veel drukker—ook wormeters.

Ik aarzel haast, om te bekennen, dat ook ik in ’t voorjaar bij regenachtig weer mij buitengewoon gelukkig gevoel en dat hagelslag en stormgeloei mij zeer opgewekt maken. Nu eet ik geen wormen en ik heb op zoo’n oogenblik ook geen voorgevoel ervan, dat de radijsjes gauw goedkoop zullen worden.

Maar het is dan een lust, na dagen van schralen Oostenwind de heerlijke vochtige lucht in te ademen en als de wind de boomen buigt en de hagelslag de ruiten dreigt te verbrijzelen, dan voel ik, dat ik desnoods ook nog wel wat zou kunnen uitrichten en dat maakt me dan zoo in mijn schik, dat ik met een nat pak kan loopen te fluiten.

En, let er eens op, alle menschen vinden zulk weer eigenlijk prettig. Ze komen kletsnat en vuurrood binnen en constateeren dat met een zeer vergenoegd gezicht, dat het een hondenweer is. Er komt nog wel eens een tijd, dat ze meer getrouw aan de waarheid zullen zeggen: „wat een prachtig weer, wat een heerlijke storm.” De vogels leeren ons dat.

Daarom moeten wij de groote lijsters dankbaar zijn, dat hij ons zoo brengt tot erkentenis der waarheid. Ook zingt hij dikwijls genoeg bij idyllisch mooi Februari-weer of op onvergelijkelijke April-dagen. Zijn lied houdt het midden tusschen het lied van merel en zanglijster, het heeft de lage fluittonen van de eerste en de herhalingen en onstuimigheid van de laatste.

Het nest lijkt zeer veel op dat van de merel, onze foto geeft er een voortreffelijk denkbeeld van. Vindt ge dus een grijze, aan de onderzijde duidelijk gevlekte lijster bij een nest, dat gelijkt op een merelnest, dan hebt ge te doen met de groote lijster. De eieren zijn licht rossig, met roodbruine vlekken, de mereleieren daarentegen blauwachtig groen met vele, tamelijk onduidelijke vlekken. Op de foto kunt ge zien, dat de eieren van de groote lijster heel flink en duidelijk gevlekt zijn.

In de buitenlandsche literatuur wordt aan dezen vogel weer een list en overleg toegedicht, die ver gaat boven de verstandelijke vermogens der vogels. Ik zou daar niet over spreken, als niet het gevaar bestond, dat vroeg of laat het werk van den bedoelden schrijver in een min of meer goede vertaling zijn intree doet in ons land. Want ’t is een heel goed schrijver en er wordt in den laatsten tijd in ons land heel wat vertaald natuurgenot genoten.

Kay Robinson vertelt dan, dat de mistellijster zijn nest niet compleet vindt, wanneer er niet een lange vlok schaapswol aan sliert. Je zoudt meenen, zegt Kay, dat daardoor het nest juist in ’t oog zal vallen en dat is ook wel zoo. Maar die lange slordige wolsliert wekt bij den beschouwer het idee, dat het een heel oud verlaten nest is, waar de binnenbekleeding uitgewaaid is en dan ziet hij er niet verder naar om.

Ge ziet, dat ik er wel over had kunnen zwijgen, want alles is ongerijmd aan dat verhaal en ’t mooiste is, dat hier in onze duinen, waar de groote lijster bij dozijnen nestelt, voor geen geld of goede woorden een vlok schaapswol te krijgen zou zijn.

Geen enkel van al de groote-lijsternesten, die ik tot nu toe gezien heb, was dan ook van zulk een ornament voorzien. Nu wil ik volstrekt niet beweren, dat Kay Robinson ons wat op den mouw wil spelden, ik wil graag gelooven, dat hij nesten heeft gevonden met schaapswol, maar zijn „uitlegging”, daar wil ik heelemaal niets van weten.

Hoe meer nesten men vindt, des te meer afwijkingen van den regel vallen te constateeren. De nesten op onze foto’s zijn beide gebouwd in den vork van een tamelijk zwaren eik. Ook heb ik nesten gezien in een laag berkje, in een spar, in een groven den aan ’t eind van een langen zijtak, in een meidoorn en één zoo goed als op den grond in een zeer ouden duindoorn.

De groote lijster bewaakt en verdedigt zijn nest met veel moed en trouw. Hij duldt geen enkelen vogel in de nabijheid, den ganschen dag kunt ge hem bezig zien met het verjagen van vijanden of voorbijgangers. Daarbij legt hij niet altijd veel onderscheidingsvermogen aan den dag en daarom heb ik hem dan ook geen „beleid” kunnen toekennen.

Ik heb gezien, dat een groote lijster een houtduif verjoeg en wel een kilometer ver hoog in de lucht het onschuldige dier bleef jakkeren en jagen. De duif repte zich wat zij kon, maar de dappere lijster bleef haar opzij en ik had het genoegen, tegen de blinkend witte onderdekveeren aan te kijken, terwijl ik eigenlijk boven op een duin bezig was aan de studie der graafwespen.