Het intieme leven der vogels

Part 14

Chapter 143,981 wordsPublic domain

Een andermaal kwamen wij bij een nest met jongen. De vogel ging van het nest, eer wij hem konden zien en zat in het hout zoo te razen en te schreeuwen, dat wij eerst meenden met een gaai te doen te hebben. Hij durft het tegen een gaai gerust op te nemen, een ekster jaagt hij ook nog wel op de vlucht, zoodat er altijd kans genoeg is, dat zijn broedsels gelukken.

Bij ons broedt de groote lijster tweemaal; den eersten keer meestal op vijf, de tweede maal doorgaans op drie eieren. De foto uit Wijk aan Zee is een goed voorbeeld van een tweede broedsel.

DE VLIEGENVANGER.

Hij heeft geen tijd om te zingen. Alleen in de eerste weken van Mei, den allerschoonsten tijd van het heele jaar, zingt hij vroeg in den morgen. Later dan half acht en half Mei heb ik hem nooit gehoord.

Ook heeft dat liedje niets bijzonders. Het is zilverrein, maar zonder timbre, tempo of toonval, herinnerend aan menschelijke muziek of menschenstemmen. De gewone wandelaars toch beoordeelen de vogelmuziek van hun menschelijk standpunt, zij „begrijpen” de hartstochtelijkheid van een nachtegaal, den „jubel” van den leeuwerik, het serene altgeluid van de merel, den levenslustigen roep van den vink.

Maar het fijne korte liedje van het stilzittende grijze vogeltje blijft onopgemerkt en alleen de geoefende waarnemer geniet van de zekerheid, dat ook deze kleine, eenvoudige, vlijtige arbeider zijn verrukkingsmomenten heeft. Hij zit meestal hoog in de boomen, wanneer hij zingt.

Al zingt hij weinig, toch gevoelen wij in voldoende mate zijn aanwezigheid. Waar ge ook in den zomer loopt, in tuinen, parken, bosschen en langs de wegen, overal zit de stille gezel, hier op een paal, daar op een telegraafdraad, op een hek, een boonenstaak of een dorren tak.

De donkere vleugeltjes liggen saamgevouwen over den staart, ze zijn iets donkerder dan de grijze rug; keel, borst en buik zijn lichtgrijs met mooie bruine lengte-streepjes. Een eenvoudig, maar zeer mooi vogeltje met heel eventjes bedrukt-domme gelaatsuitdrukking, doordat snavellijn en schedellijn bijna onmerkbaar in elkander overgaan. Minutenlang zit hij doodstil.

Opeens springt hij op, slaat de vleugels uit, vliegt een paar meter ver en keert weer naar zijn standplaats terug: hij heeft een vlieg gevangen. Dat gaat met veel gratie en vlugheid, het opspringen, het rondfladderen, het terugzwieren, het is alles even bekoorlijk van beweging en uiterst mooi is het opvouwen en neerkleppen van de vleugels op het oogenblik dat hij weer zitten gaat.

Soms behoeft hij niet eens te vliegen, hij snapt ’t insect op in ’t voorbijgaan, juist zooals wij wulp en lepelaar hebben zien doen. Maar dat waren dilettanten, hier is de artist aan ’t werk. En zelf wordt hij dilettant, wanneer hij probeert een vlugge zweefvlieg of een snelvliegenden vlinder te verschalken. Dat kost hem veel inspanning en vertoon van vliegkunst; dat is dan ook zwaluwenwerk.

Deze vogel kan ons weer veel leeren. Er is geen klasse van dieren, die zooveel gegeten wordt, als de insecten, en daarmee staat in verband, dat hun voornaamste zorg is, om niet gegeten te worden. Sommige beschikken over geduchte verdedigingsmiddelen, zooals bijen en wespen, andere schijnen een afschuwelijken smaak te hebben, nog andere weten zich te redden door een grillige vlucht en weer andere vinden hun heil erin, dat zij gelijken op gevaarlijke of onsmakelijke klassegenooten, of op de omgeving, waarin zij verkeeren, zoodat zij als het ware onzichtbaar zijn.

Hoe gedraagt zich nu de vliegenvanger? Durft hij bijen en wespen aanvallen, doorziet hij de vermomming van hommelvliegen, blinde bijen, wespvlinders en zweefvliegen? Lust hij Sint Jacobsvlinders of Sint Jansvlinders? Reageert hij op schrikkleuren?

Ziehier een aantal vragen, die ik mij altijd stel, wanneer ik in de gelegenheid ben een vliegenvanger waar te nemen. Zijn handelingen vormen een doorloopende critiek op de beweringen der entomologen en wel een heel gunstige.

Slechts eens heb ik een vliegenvanger een wesp zien pakken en dat beviel hem heel slecht, want hij zat nog wel een kwartier lang zijn snavel af te vegen en dat is altijd een bewijs, dat het niet lekker was. Toen drie jaar geleden de Sint Jacobsvlinders hier vlogen bij duizenden, was er niet een vliegenvanger die er naar hapte, maar de groene motjes van den eikenbladroller verslonden ze bij honderden. Aan Mei- en Julikevers waagden ze zich niet, de kleine kortschildkevertjes en mestkevers waren een welkome buit. Doch het hoofdvoedsel bestond voortdurend in muggen en vliegen. Omtrent zweefvliegen heb ik nog geen enkele beslissende waarneming.

Men heeft van dezen vliegenvanger ook weer evenals van de nachtzwaluw verteld, dat hij op walvisschenmanier met wijdgeopenden bek zou rondvliegen. Er is weer niets van waar. Doordat hij dikwijls binnen een zeer kleine ruimte zijn prooi bemachtigt, is het zeer gemakkelijk, hem daarbij in het veld van een goeden kijker te houden en dan is duidelijk waar te nemen, wat trouwens met het ongewapend oog ook wel te zien is, dat hij rondvliegt met gesloten snavel en alleen op het laatste oogenblik bliksemsnel toehapt.

Hij verstaat een nog veel moeilijker kunst. Wanneer er jongen zijn, dan worden die voornamelijk gevoed met kleine insecten, liefst muggen. Maar nu kun je als vliegenvanger niet voor elke mug de reis heen en weer naar het nest maken. De vogel vangt daarom een aantal muggen na elkander en nu lijkt het mij zeer moeilijk, om met den snavel een nieuwe mug te grijpen zonder de reeds gevangene te verliezen. Toch doet de vliegenvanger dit met de grootste zekerheid en ik geloof dat hij daarbij profiteert van de stijve borstelharen in de mondhoeken, die volgens de walvischtheorie dienen om zijn vangbek te vergrooten.

Dit kunststuk kan hij zelfs volbrengen in den schemeravond, want hij arbeidt nog na zonsondergang. Op kille en donkere dagen, wanneer er weinig in de lucht rondvliegt, zoekt hij zijn prooi in ’t grasveld en dan laat hij de musschen zien, hoe ze dat eigenlijk doen moeten. De musschen hebben daarin reeds een zekere ervaring verworven: ge kunt ze dikwijls als kleine valkjes boven het gras zien bidden en dan opeens neerschieten om hun prooi te pakken.

Dat is dan de helft van het aantal malen mis en met onverstoorbaar goed musschen-humeur beginnen ze dan weer van voren af aan. Zoodra de vliegenvanger zich op dat grasland vertoont, ziet ge, dat een meester aan ’t werk is. Zijn bidden duurt niet half zoo lang als dat van de musschen, maar in dien tijd heeft hij met onfeilbare juistheid zijn doel gemerkt en niets ontgaat hem.

Hij is bij dergelijk koud weer wel het meest op zijn kracht. Zie hem dan vliegen vangen langs een boomstam of een schutting. De vliegen zitten daar warmpjes buiten den wind te wachten op beter weer en nu komt het vogeltje in zwevende vlucht daarvoor. Loodrecht rijst en daalt hij, voortdurend biddend en hij slaagt er telkens in, iets te vermeesteren.

Het oppikken van de prooi geschiedt dan meestal in de vlucht, maar ook klemt hij zich wel een enkel oogenblik aan de boomschors vast, zoodat men zou kunnen meenen dat daar een boomkruipertje aan ’t werk was. Hij heeft zoo naast zijn eigen manieren ook nog die der zwaluwen en spechten.

Een des te grooter wonder is het, dat hij niet meer tijd heeft. Dat ligt hoogstwaarschijnlijk wel aan de omstandigheid, dat hij loerend jaagt, het stilzitten doet het hem. Indien hij kort en goed geheel en al de methode der zwaluwen ging volgen, dan zat hij niet den heelen dag in angst en arbeid en dan zou ook bij hem het schoone kunstleven tot rijker bloei kunnen komen.

Doch laat ons niet vergeten, dat hij in den nestbouw mag gelden voor een echt virtuoos, en dat hij nog maar een kleine aanmoediging noodig heeft, om de vrees voor de menschen af te leggen, ook hierin zijn verwantschap toonend met de zwaluwen.

Onze foto van den broedenden vliegenvanger vertoont een nest, dat gebouwd was in het spalier van een klimroos tegen het café Klein Velserend onder Santpoort, een klein druk bier- en theehuisje op den weg van het station Santpoort naar de ruïne van Brederode.

Het wordt gehouden door een jager en oud-vinker en dezelfde man, die door zijn beroep genoodzaakt was, ieder jaar duizenden vogels om het leven te brengen, heeft de omgeving van zijn woning gemaakt tot een toevluchtsoord voor allerlei gevogelte, dat door zijn talrijke kinderen nimmer wordt geschonden.

De vliegenvanger in de klimroos heeft dan ook tweemaal een broedsel gelukkig grootgebracht. Het is de moeite waard, deze foto goed te bezien. Deze vogel heeft het nest gebouwd op een kruispunt in het spalier juist door het vorkpunt van twee dikke takken en door nu zoo met mos en vezels te werken, dat de kleuren in het geheel niet afsteken, heeft hij weten te bereiken, dat het grauwe nestklompje daar volkomen op zijn plaats lijkt en geheel past in het systeem der lijnen van de omgeving.

Dit, laat ik maar zeggen, architectonisch en coloristisch talent is bij den vliegenvanger buitengewoon ontwikkeld en bij elk nest opnieuw op te merken.

Op Elswout staat een tuinhuisje, van buiten bekleed met boomschors. De voorgevel is van eenvoudig balkwerk, staande balken met een dwarsbalk die de kap draagt, er over heen.

Nu heeft dit jaar een vliegenvanger zijn nest gebouwd op den dwarsbalk en wel precies in het verlengde van den verticalen steunbalk en zoo in de kleur, dat het eenvoudig leek, alsof de staande balk even boven den dwarsbalk was voortgezet. Wij komen daar dikwijls, maar het nest had al eieren, eer wij het ontdekten.

Het zal u niet moeilijk vallen, ook in dit opzicht aardige vondsten te doen; ik houd mij altijd aanbevolen voor een foto; daar is steeds veel uit te leeren.

Op onze illustratie zijn nog een paar aardige dingen te zien. De bladeren van de klimroos vormen natuurlijk een belangrijk element in de omgeving. Dat behoorde ook in het nest vertegenwoordigd te worden. Daarom heeft onze vliegenvanger een rozenblad luchtigjes over zijn nest gehecht.

Had hij het botweg erin gevlochten, dan zou daardoor het nest meer in ’t oog vallen, maar nu heeft hij door een enkel draadje het blad over ’t nest heen gehaald. ’t Is op de reproductie niet zoo heel duidelijk te zien, maar op de foto zelf zeer goed en in de werkelijkheid was het frappant. Het draadje zit tusschen het eerste en tweede bladpaar van het samengestelde blad.

Een feit als dit is van het allergrootste gewicht, want we staan hier weer voor de vraag: In hoeverre handelt de vogel bij deze gelegenheden met oordeel? In den laatsten tijd openbaart zich een sterke neiging, om de handelwijze der dieren te beschouwen als een uitvloeisel van oordeel en overleg en het is bijna een regel geworden, om te spreken van opvoeding en onderwijs van jonge vogeltjes.

Daar staat weer tegenover, dat anderen alles toeschrijven aan blind instinct en toeval. In dit geval kan men ook met zeer veel succes beweren, dat het rozenblad bij het invlechten van een draad toevallig in die gunstige positie is gekomen. De draad hing toevallig over het blad heen en toen heeft het ordelievend vogeltje het wapperend eind beetgepakt en in den nestwand gewerkt. Daardoor werd het blad dan vastgehecht.

Nu zouden we al een heelen stap verder zijn, wanneer we dat werkelijk gezien hadden. Het komt dus weer aan op het doen van waarnemingen, nog eens waarnemingen en weer waarnemingen, niet alleen letten op bijzonderheden, maar ook nota nemen van de meest gewone diertjes, de meest alledaagsche gebeurtenissen, want daarin schuilt veelal de meeste leering.

Langdurige waarnemingen aan jonge vogels en vooral aan graafwespen (die zijn veel gemakkelijker te bestudeeren) hebben bij mij het vermoeden gewekt, dat gedurende jeugd en lente bij de handelingen wel degelijk sprake kan zijn van overleg, gesteund door ervaring, maar dat zeer spoedig de routine het geheele gedrag gaat bepalen.

Nog even een blik op ons „huistype” eer we het „boomentype” van het vliegenvangersnest gaan bezien. Links van het aangenaaide rozenblad, ter plaatse waar het nest in een punt afloopt op den dwarsbalk, ziet ge eenige lussen van wit garen. Dit ter verklaring van den naam „garendiefje”, die wel aan het vogeltje wordt gegeven.

Wij leeren daaruit, dat de vliegenvanger—en trouwens de meeste vogels—niet ver gaat, om bouwmateriaal te zoeken, zoodat aan een geïsoleerd nest al te zien is, uit wat voor buurt het afkomstig moet zijn. En waar ge een vogel bezig ziet met het verzamelen van bouwmateriaal, daar is ’t nest niet ver te zoeken.

Ook kunt ge de vogels tot bouwen aanmoedigen, door hun nestmateriaal ter beschikking te stellen: draden, veertjes, watten, vezels, linten. Ik heb daar al heel veel plezier van beleefd. Doch geef nooit te lange draden, want dan kunnen de vogels erin verward raken en verworgd stikken in uw weldaden.

Het boomennest, onze volgende illustratie, vertoont ook zeer duidelijk de toepassing van het beginsel: nestmateriaal uit de omgeving. De binnenbekleeding bestaat geheel uit wortelvezels en vaatbundels, de taaie overblijfsels van afgestorven planten van het vorige jaar, die den heelen winter op den grond hebben liggen te vergaan. Daaronder zijn draden van groote fijnheid, die de vergelijking met een vrouwenhaar met de allergrootste gerustheid kunnen doorstaan.

De buitenbekleeding is van korstmos en daardoor gaat dan in oude vruchtboomen het nest weer zoo op de omgeving gelijken, dat het onopgemerkt blijft. Hier in het jonge beukengroen is van gelijkenis echter geen sprake, alleen de algemeene indruk redt de positie.

In een stamroos vonden we een vliegenvangernest, dat bijna in ’t geheel geen korstmosbekleeding had, dat was dan ook in de keurig onderhouden rozengaarde nagenoeg niet voorhanden. Maar hier was de buitenbekleeding van fijne bladmossen, zooals die tusschen het gras groeien en daardoor was het nest, dat zich in een onbebladerde vork bevond, minder opvallend, dan het geweest zou zijn, indien het bekleed was geweest met het witgrijze korstmos.

Dit nest werd uitgehaald. Een kind of een kinderachtig mensch had geen weerstand kunnen bieden aan de zucht, om de mooie, licht roodbruine eitjes met de donkere vlekken te bezitten. Een paar dagen later was ook het nest verdwenen, doch hierbij was geen baldadigheid in ’t spel. De beroofde vogels zelf hadden hun oude woning afgebroken en met hetzelfde materiaal in een veilige klimop een nieuw huis gebouwd.

De eitjes van den vliegenvanger varieeren sterk in kleur, de grondkleur gaat van lichtgroen tot bruinrood, de vlekken zijn bruin en zeer dikwijls, zooals ook op onze illustratie, in een krans om de breede pool. Ze zijn buikiger dan de grasmuscheieren, waar ze anders veel op gelijken.

De jongen zijn alleraardigste, drukke hongerlijders. Ze hebben een meelachtig bleeke grondkleur met veel vlekken en strepen en mooie blauwe oogjes. In de eerste dagen is hun voornaamste werk stilzitten, geeuwen, honger hebben en veeren krijgen, maar na een dag of tien vliegen ze uit en dan begint in de boomen en struiken de opvoeding der jonge vliegenvangers.

Alweer doet zich de vraag voor: in hoever handelt de oude hier met opzet en overleg. Ik geloof, dat hier het initiatief in hoofdzaak uitgaat van de jongen. De jongen worden niet uit het nest gejaagd of gelokt, maar op een mooien morgen voelt haantje de voorste dat hij sterk genoeg is, om zich vrij te maken uit het benauwde gedrang in het warme nest, waar voor een dik jong vogeltje geen plaats genoeg meer is te vinden en waar het krioelt van ongedierte.

Al dikwijls is hij tot op den rand gescharreld en daar heeft hij ook wel zijn vleugels bewogen, dat was zoo lekker koel, maar hij had er nog altijd geen besef van, dat je nog ergens anders kunt wezen dan in zoo’n nest. Nu tuimelt hij over den rand en merkt dat hij vliegen kan.

De ouden hebben het zien aankomen en zitten opgewonden toe te zien. Ze vliegen heen en weer en roepen onophoudelijk „tak, tak, tak.” Ik geloof, dat ze dat doen uit ongerustheid, andere beweren dat ze de jongen aanmoedigen en voorlichten; wie zal ’t uitmaken?

Intusschen is de held aangekomen op een boomtak. De algemeene agitatie heeft zich nu ook uitgebreid in het nest en zelfs tot belangstellende buren. Het eene jong volgt nu ’t andere, maar er blijven er altijd nog een of zelfs twee, uren lang in ’t nest.

Dan hebben de ouden een druk leven: ze moeten voeren op den tak en voeren in ’t nest. De uitgevlogenen zijn ’t drukst, ’t talrijkst en schreeuwen het hardst, zoodat het jong in ’t nest hoe langer hoe minder krijgt en ten laatste uit puren honger op het hongergeschreeuw der anderen afgaat en zijn plaats inneemt in de rij.

En nu gaat het dag aan dag van boom tot boom. Zoo stil de ouden zijn, zoo luidruchtig gedragen zich de jongen, als ze voer zien naderen. ’t Is „tsie, tsie,” zonder ophouden, het hongergeluid der jonge vliegenvangers is een van de meest gewone Juli- en Augustusgeluiden.

Terwijl de ouden op jacht zijn, zitten ze stil op hun tak en nu begint hun eigenlijke opvoeding. Daar heb ik al wat dikwijls met genoegen naar liggen kijken en dat is haast net zoo aardig, alsof je een zuigeling voor ’t eerst ziet lachen.

Ze zitten in ’t eerst doodstil, op hun hielen neergezakt en ze worden alleen actief, als de oude vogel voor hen komt fladderen met voedsel. Dan gaan de oogen en de bekken open en de brutaalste krijgt ’t meest.

Na een poosje kijken ze wat fermer en nu zie je het gebeuren, dat er een een voorbijvliegend insect nakijkt. Het snaveltje, dat tot nog toe vlak rechtuit wees, beschrijft een boog in de richting van het voorbijvliegend motje. Dat gebeurt al vaker en vaker en eindelijk beginnen ze—na de tweede of derde keer zelfs met succes—naar de insecten te happen.

Intusschen komen de ouden nog telkens met voer, dat steeds met ongeduld verbeid wordt en niet lang duurt het, of het sterkste jong vliegt de ouden tegemoet en krijgt in de lucht fladderend zijn voedsel. Nu gaat hij ook al heel gauw voorbijvliegende insecten tegemoet vliegen en dan is verder de heele zaak niets anders dan een kwestie van tijd en oefening.

Door bestudeering van ouderlooze vogels kunnen wij meer zekerheid krijgen. Daar is reeds aan gedaan, maar nog veel te weinig en niet altijd even zuiver.

Nu nog even een heel kleine idylle. Op een zeer heeten Augustusmiddag tegen één uur kwam ik terug van mijn graafwespenduin door de lindelaan van Lindenheuvel. Op een rechte zwarte lindetak zat een mooi grijs vliegenvangertje, een jong vliegenvangertje, die de paden der onafhankelijkheid bewandelde, want hij was heelemaal alleen. Ik stond natuurlijk dadelijk stil, want het was groote vacantie en ik had den tijd en als ik doorgeloopen had, dan was de vogel weggevlogen.

Op eens doet hij ’t zwarte snaveltje wijd open. Hij geeuwt van de warmte, dacht ik. Weer en weer ging de bek open, in heftige beweging. „Pang” zei ’t opeens en een klein zwart kogeltje kwam uit zijn keel, ketste tegen een blad en viel neer in ’t mos.

Het was een dicht ineengedrongen massa van pooten en dekschilden, borststukken en koppen van torretjes, de harde onverteerbare deelen van ’t voedsel, die in dien vorm en op die manier het lichaam verlaten.

HET STAARTMEESJE.

Er heetten vroeger in ons land twee soorten van staartmeesjes voor te komen; de gewone zwartgevlekte staartmees en de witkopstaartmees, die in de boeken eenvoudig kortweg staartmees genoemd wordt. Beide soorten geleken in leefwijze volkomen op elkander, ik heb tenminste nooit eenig verschil kunnen waarnemen.

De witkoppige zou iets grooter zijn dan de gewone gevlekte, deze laatste heeft aan weerszijden van den kop een breede roodbruine streep, bij de eerste is de kop geheel wit. Die wordt daarom ook wel doodskopje of ossekopje genoemd. De jongen zijn niet te onderscheiden, ze hebben bij beide soorten de donkere wangenstreep.

Toen men nu overal telkens broedende paren aantrof, gevormd door witkoppige individu’s, gepaard met zwartgestreepte is men teruggekeerd tot een nog andere meening, n.l. dat we slechts met één soort te doen hebben en dat de witkoppen eenvoudig oude vogels zijn. Ook bij enkele andere vogelsoorten komt het voor, dat exemplaren in ’t jeugdkleed reeds broeden. De troepen der staartmeezen, die ge in ’t winter halfjaar ontmoet, bevatten ook alle vormen door elkander.

Wanneer een troep rondzwerft door het eiken kreupelhout, dan trekken ze in ’t allereerst de aandacht, niet zoozeer door hun sierlijke figuurtjes of den langen staart, dan wel door hun lokroep. Dat is een zeer bijzonder geluid, volmaakt karakteristiek voor de staartmeezen. Geen andere mees, geen andere vogel laat zulk een roep hooren: een trillend, weinig klinkend, vochtig geluid: „srrirrrt, srirrrt.”

Indien ge dit hoort op een windstillen middag in de kerstvacantie, luister dan nog even zonder op te zien. Dan hoort ge ook het kletteren van de kleine klauwtjes tegen de eiketwijgen, het snorren van de kleine vleugeltjes en telkens ook een geritsel in de dorre bladeren, ten teeken, dat deze meesjes ook op den grond rondhuppelen om voedsel.

Eensgezind gaat de troep door het hout. Van leiding of commando geen sprake. Nu eens is de een vooraan, dan de ander. Alleen wanneer er een enkele afgezonderd raakt, dan komt niet de troep tot hem, maar hij moet al roepend en naar antwoord luisterend den troep opzoeken.

’t Is een van de meest aandoenlijke herfst- en wintertooneeltjes: de vogel, die zijn gezelschap is kwijtgeraakt. Hoog in ’t hout gaat hij zitten, al roepend en rondziend, luider en luider worden zijn kreten. Telkens houdt hij even op, om naar antwoord te hooren en als hij dat niet verneemt, dan gaat hij na een laatste wanhoopskreet de lucht in, om een eind verder zijn jeremiade opnieuw te beginnen.

Zoo kan men ’s winters dikwijls een ongelukkig meesje vinden of een goudhaantje en dat kan dan zeer scherpe kreten uitstooten vol angst en verlangen. Vindt hij zijn eigen troep niet terug, dan sluit hij zich aan bij een andere en zoo ontstaan langzamerhand de gemengde gezelschappen van meezen, boomkruipertjes, klevers, goudhaantjes, die gedurende den winter rondzwerven.

Het schijnt, dat de staartmeezen door hun typischen lokroep in staat zijn, om hun gezelschap beter bij elkander te houden, dan de andere meezen, want ze worden niet zoo heel dikwijls in gemengd gezelschap aangetroffen.

Zijn ze eenmaal in een buurt, waar ’t hun naar den zin is, dan blijven ze daar weken lang en dan houden ze altijd vaste ommegangen op bepaalde tijden. Het vorig jaar had ik een paar weken achtereen dag aan dag het genoegen, dat mijn morgenwandeling naar de tram samenviel met een staartmeezen-traject, wat een zeer mooi begin van den dag was.

Ik houd ervan, om ’s avonds met een troep mee te wandelen, want ik ben er altijd benieuwd naar, hoe en waar de dieren den nacht doorbrengen. In negen van de tien gevallen lukt het niet, de troep te vergezellen, want ze leiden je op allerlei onbegaanbaar en verboden terrein. Eens brachten ze me naar een sparrelaantje, waar ze hun nachtkwartier hadden, zoo wat ter halver hoogte tusschen den grond en de toppen, een andermaal naar een houtmijt, maar ik weet nog niet, of ze daar toen wel ingekropen zijn.

Al vroeg in ’t voorjaar wordt na de verzamelkreet ook het klokjesheldere vreugdelied gehoord. ’t Heeft wel wat van den tertsenroep van den koolmees, maar ’t is minder scherp en beslist, voor een mees haast droomerig langzaam. De paren zijn nu gevormd of bestendigd, maar doordat zoo’n staartmeezengezelschap nooit even stilzit, is daar weinig van te zien.

Nog eenige weken en de troep is ontbonden; elk paar heeft zijn lievelingsplekje gevonden. Nu worden de grondslagen gelegd voor een nest en ieder jaar kunt ge u tegelijk verbazen over de geslepenheid, waarmee sommige gebruik weten te maken van verborgen hoekjes en over de verregaande domheid en zorgeloosheid, die andere aan den dag leggen, door hun nest op grijphoogte te bouwen tegen den kalen stam van een boom aan een drukbetreden wandelweg.