Part 15
Het spreekt van zelf, dat zoo’n openbaar nest al heel spoedig verstoord wordt, zoodat ten slotte alleen de goed verborgen nesten overblijven.
Beide vogels werken den heelen dag. In ’t eerst vergenoegen ze zich met een zoo groot mogelijke hoeveelheid mos bijeen te brengen, groen bladmos, dat ze oppikken van den grond. Beurtelings komen ze aandragen, voor zang of spel schijnt geen tijd te wezen, ze kunnen in deze dagen niet anders doen dan bouwen. Het is ten slotte een mosklomp zoo groot als een vuist.
Nu gaat een van de twee daarop zitten draaien met de borst omlaag, de lange staart omhoog; een echte gymnastische beweging. Ook hierin wisselen ze elkander af, totdat er een duidelijk goed begrensd kuiltje is gevormd. Wanneer ze nu weer nieuw materiaal aanbrengen, dan wordt dat niet gewoon bij den hoop gevoegd, doch de brenger gaat in ’t kuiltje zitten en werkt het nieuwe mos in den rand.
Soms is hij daar nog mee bezig, als nummer twee met zijn vrachtje aankomt. Nu kunnen er drie verschillende dingen gebeuren: de eerste kan plaats maken voor de tweede, of hij kan eenvoudig het mosvrachtje overnemen—en gewoon voortwerken of nommer twee kan naast de eerste gaan zitten en dan werken ze allebei tegelijk.
Ik heb alle drie deze mogelijkheden in vervulling zien gaan en ik verzeker u, dat niets mooier is dan een jeugdig staartmeesjespaar eensgezind te zien bouwen aan hun kunstige woning. De witte kopjes gaan op en neer, het korte gele snaveltje schuift en wringt de plantjes en de twee lange staartjes steken omhoog als een aanwijzing, hoever de muren nog moeten worden opgetrokken.
Toch is deze bekoorlijke samenwerking niet de meest gewenschte, want het nest zou daardoor veel te wijd worden. Al heel spoedig wordt dan ook de tweede werkwijze gevolgd: de eene vogel zit in ’t nest en neemt de aangedragen materialen in ontvangst. Voorloopig is dit nog altijd alleen bladmos.
Nog voordat het nest tot de volle hoogte is opgetrokken, komen ook de stukjes korstmos. Het maakt den indruk, dat de vogel bij het inzamelen van bladmos in het voorbijgaan een prachtig stuk korstmos ontdekte en gedacht heeft: „dat moest ik alvast maar meenemen, later zou ik moeite hebben, om zoo’n mooi brokje te ontdekken.”
De verwerker neemt het in ontvangst en plakt het alvast in aan den buitenrand. Zoo raakt langzamerhand het groen van ’t bladmos met grijs korstmos overdekt en zoo’n heel groote grijze korstmosklomp valt soms gemakkelijk in het oog.
Ten slotte komt het mooiste werk: de binnenbekleeding met veertjes. Honderden en honderden en honderden veertjes worden naar binnen gedragen. ’t Is haast niet te begrijpen, waar die allemaal vandaan komen. Leg bij de materialenpartij in ’t voorjaar eens een assortiment veertjes van allerlei kleur en probeer eens te zien, aan welke ze de voorkeur geven. Ik zou denken aan wit.
Nu gebeurt ook het staartwonder, dat in ’t geheel geen wonder is. Wat moet een staartmees in het nest aanvangen met den énormen langen staart? Ge ziet hem naar binnen vliegen en ge denkt, dat minstens de helft van de staart naar buiten moet blijven steken, maar alles gaat gladjes naar binnen. Dikwijls keert de vogel zich in ’t nest geheel om, en dan kunt ge snavel en staart tegelijk in ’t vlieggat zien. Doch wanneer ge even bedenkt, dat de staartveeren verbonden zijn aan den laatsten staartwervel en dat de staartwervels ten opzichte van elkander zeer gemakkelijk kunnen bewegen, dan ziet ge in, dat ’t een staartmees hoegenaamd geen moeite behoeft te kosten, om zijn staart boven ’t hoofd te houden.
Het broeden gebeurt door beide vogels afwisselend; het mooiste, wat daarbij te pas komt, is wel het ventileeren. Dan staat het vogeltje in de lucht te klapwieken, eigenlijk te bidden als een klein valkje en dan maalt hij de warme lucht uit ’t nest, zoodat het tiental jongen weer frisscher kan ademen. Vleugels en staart zijn dan wijd uitgespreid en ge krijgt dan te zien een allerprachtigst figuur van bruin en zwart, rooskleurig en wit, de kleuren van dekveeren en pennen.
DE FITIS.
De fitis zingt in de bloeiende boomen. Dat is nog eens een mooie tijd, de tijd van de bloeiende boomen. De eeuwenoude, ernstige boomen, diep geworteld in den grond, dichte kronen verheffend ten hemel, kronen, gevormd in den strijd tegen wind en weder, op stammen, gescheurd door vorst en bliksem, en door onze grootouders versierd met initialen, die nu nauwelijks herkenbaar zijn.
En nu gaan die eerbiedwaardige monumenten zich tooien met bloesems van allerlei aard. Alles wat aan hen strak en ernstig was, gaat verloren onder franjes en pluimen, kwasten en kaarsjes en sluiers van sneeuwwit en rozerood.
Ze volgen elkander na van half Maart tot ver in Juli: wilgen en populieren, pruim, larix, kers en vogelkers, berk, spar, beuk, eik, den, peer, appel, kastanje en ten slotte de welriekende linde. En in al die bloeiende boomen, die nu zoo jolig zijn en toch zooveel ervaren hebben, zingt de kleine gele fitis. Maar het meest houdt hij van berken en eiken.
Hij komt voor den nachtegaal en voor de zwaluw in ’t laatst van Maart of begin van April. Eerst komt als een boodschapper zijn dubbelganger, de Tjiftjaf, even klein, maar eerder bruingeel dan groengeel en met een liedje, dat als een inleiding een groote bekoorlijkheid bezit, doch een belofte bevat, die niet in vervulling zou treden, wanneer de fitis niet volgde binnen veertien dagen.
Er gebeuren in de lente nog een menigte belangrijke dingen, die wij in ’t geheel niet, of slechts gedeeltelijk beseffen en in ’t geheel niet begrijpen. Er komen in ’t laatst van Maart of in ’t begin van April dagen, waarop de aarde, de boschgrond heerlijker geurt en zachter aanvoelt dan anders, waarop de regendroppels zachter neerdalen en—ik schaam mij voor ’t woord—olieachtig aanvoelen. De lucht maakt een anderen indruk op de huid van handen en gelaat en ook onze geluids- en gezichtsgewaarwordingen zijn, niet krachtiger, maar veel aangenamer dan ooit.
Men noemt het ensemble van die gewaarwordingen wel eens „lentegevoel”. De oorzaken ervan liggen in ’t duister, er komt meer bij te pas dan temperatuur en vochtigheidstoestand. De eene mensch gevoelt dat beter dan de andere; ik geloof, dat de dieren en vooral de vogels het veel eerder en veel sterker gevoelen dan wij, en dat wij misschien door een innigen omgang met hen er ook meer ontvankelijk voor worden.
Ik heb nu al zoovele voorjaren met de vogels bewust meegeleefd, dat ik ook de Aprilmaand min of meer op vogelmanier gevoelen kan en ik voel ’s morgens bij ’t ontwaken, welke vogels in den nacht aangekomen kunnen zijn.
Daar is natuurlijk veel zelfbedrog bij, maar ’t is toch wel aardig, om wanneer je juist de opmerking gemaakt hebt: „’t is net fitisweer vanmorgen,” in ’t eerste ’t beste eikje om den hoek den vogel werkelijk te zien en te hooren. Ik weet daar nu wel weer een heel nuchtere uitlegging voor, maar ik heb nu eens geen zin, om die in verband met het fitisje ten beste te geven.
Als de fitis pas aankomt, is hij mooi groengeel op den rug, geel met wit langs de buikzij en heeft hij een heldergele streep over het oog. Al heel gauw verkleurt hij en dan wordt hij bruinachtig grijs, zoodat hij voor leeken gaat gelijken op de vele grijze vogeltjes, die zingen in de Meimaand.
Maar hij is klein, nauwelijks langer dan het winterkoninkje en veel slanker, het snaveltje is fijn en spits, de pootjes mooi bruin. En zijn voornaamste kenmerk is wel, dat hij onophoudelijk rondvliegt in de boomen en den heelen dag zijn wonderschoon liedje zingt.
Soms vraag ik mij af, of ik die vogelklanken niet verkeerd beoordeel en of ik in eenzijdige vooringenomenheid ze niet te veel prijs. Heel verstandige menschen hebben mij daar wel eens over onderhouden en gezegd, dat ze van al dat moois niets hooren. Dat drukt mij dan wel wat terneer, maar als ik merk, dat zij hun oordeel gevormd hebben in het reisseizoen, in Augustus, dan krijg ik weer wat meer moed.
Daar staat dan weer tegenover, dat ik ook weer anderen ontmoet, die graag door dik en dun, bij nacht en ontij er op uit willen, om iets te zien en te hooren te krijgen van het vogelleven en ondanks teleurstellingen en tegenspoeden daarin toch voldoening genoeg vinden, om iedere lente opnieuw te beginnen.
Voor zulke menschen krijgt ten slotte de eenvoudigste vogelloktoon een wonderschoone beteekenis, hij roept voor de verbeelding op: de schoone Meinacht, de zonsondergang, de morgenstond, de weide vol bloemen, het blinkende meer, den geurigen boschrand, de eindelooze wildernis van hei en duin en zee.
Mijn geleerde vrienden zullen zeggen, dat dit geen ornithologie is. Dus geef ik u onmiddellijk gaarne toe, maar het is veel beter en ik verzeker u, dat er bij onze wandelingen toch ook nog genoeg echte ornithologie beoefend wordt. Doch ten slotte komt het er toch op aan, dat wij door onzen omgang met de vogels betere, gezonder, sterkere en fijner gevoelende menschen trachten te worden.
En daar nu het fitisje met zijn beminnelijke tegenwoordigheid en liefelijk geluid allerwegen de schoonste lentelandschappen opluistert, is hij voor ons geworden het symbool van de heerlijke lentewellust vol uitgelaten vreugd en diepen weemoed. Misschien is het een toeval, misschien hangt het samen met ons nog onbekende verschijnselen: zijn liedje bevat de duidelijke tegenstelling tusschen uitgelaten vreugd en onuitsprekelijk verdriet en eindigt in weemoedige berusting: een volledige levensphilosophie.
O, hij begint zoo blij en dapper met reine klokjesheldere slagtoontjes: een vroolijk handgeklap der boschelfen. Doch juist als de hoogste vreugd nabij schijnt, komt er een wending van zoo zielsroerende droefenis, dat ge luisterend den adem inhoudt, vol angst, wat nu verder zal volgen. Maar dan komt als een glimlach door tranen een decrescendo van zoete toonparen en dan is ’t uit. Ieder jaar voel ik dat dieper en dat is ook alweer geen ornithologie.
Wel, dat niet alle fitisjes even fijn zingen; er zijn stumpers en virtuosen onder. Ook gebeurt het, dat ze slechts de eene of andere helft van hun lied ten gehoore brengen en er schijnen er ook te zijn, die van weemoed niets willen weten en doodeenvoudig besluiten met een Tjiftjafliedje. Maar dat zijn dan toch ook geen echte fitisjes.
Het fitisnest ligt op den grond, wonderveilig verscholen. Nog dezen zomer ontdekte ik er een, terwijl ik in het gras lag aan den waterkant. Ge zult zeggen, dat ik voor iemand van mijn jaren nog al dikwijls in ’t gras of in ’t zand lig. Ik kan ’t niet ontkennen, maar ik beleef er zooveel genoegen van, dat ik het in ’t vervolg eer meer dan minder zal doen, en ik raad u zelfs aan, mijn voorbeeld te volgen. Ook doe ik dat allemaal in mijn trouwens zeer beperkten vrijen tijd.
Nu, ik lag dan in ’t gras aan den waterkant, dicht bij een bruggetje. Ik had al de zekerheid gekregen, dat er een roodstaartjesnest onder ’t bruggetje zat, een eindje verder had ik twee waterhoentjes gezien met vijf jongen, een ijsvogel was voorbij gevlogen met een vischje in den bek en een wielewaal had zitten roepen in een hoogen abeel aan den overkant. Dat was voor een half uurtje tijd al heel wat, maar er zou meer komen.
Een fitis had zitten zingen in een ahorn op mijn oever. Na een poosje kwam hij terug en bleef even zitten op den tak, waar hij zooeven gezongen had. Toen zwierde hij neer over het water, de zon scheen door zijn vleugeltjes heen, en daalde neer op een eikje, wipte van daar op een tweejarig zaailing-ahorntje en toen op den grond, waar nog meer ahorntjes stonden, alle met roode bladluisplekjes op de bladeren.
Ik dacht, „die gaat op de bladluizen af.” Na een poosje vloog hij er weer uit en nu kwam hij driemaal achtereen via ahorn—eik—ahorn weer naar hetzelfde plekje terug en toen wist ik natuurlijk, dat hij daar zijn nest had.
We zijn toen, om het fijne van de zaak te weten, met een schuitje er op los getogen en ofschoon ik precies wist, onder welk ahorntje de vogel telkens verdwenen was, hadden we nog heel veel moeite, om het nest te ontdekken.
Het was heelemaal van dorre grassprietjes en plantenvezels gebouwd, dicht ineengevlochten, met een duidelijke overkapping en de toegang was bijna onzichtbaar. Op onze illustratie is de kap een weinig opgetild, om de mooie witte, bijna ronde, roodgevlekte eitjes te laten zien. De opening is daardoor zoowat tweemaal wijder dan gewoonlijk.
Over ’t algemeen is de fitis nog al gelukkig met zijn broedsels; ze worden niet zoo dikwijls verstoord, als die van andere vogels. Men zou verwachten, dat ze veel te lijden zouden hebben van wezels of hermelijnen, maar dat valt bijzonder mee. Dat komt, doordat deze roovers voornamelijk jagen op den reuk en nu laat de fitis nooit een spoor achter op den grond, om de doodeenvoudige reden, dat hij den grond niet betreedt.
Hij heeft, dat bleek ook bij mijn eschdoornfitis, een vasten, onveranderlijken weg, om bij zijn nest te komen. Dat gaat van boom tot struik, van tak tot tak en met den laatsten sprong is hij in ’t nest. Ik heb wel eens van die takken weggesneden en dan was het vogeltje altijd eventjes de kluts kwijt. Hij keerde terug naar zijn vorige zitplaats, probeerde de reis nog eens en koos dan ten lange laatste een ander steunpunt. Dat gaf verandering in de route.
Ik heb ’t nog nooit gewaagd, om ’t nest te verleggen, maar ik zou het toch wel durven doen, want van al de fitisnesten, die ik bekeken en natuurlijk ook aangeraakt heb, is er nog nooit een verongelukt. Hij is aan ons al evenzeer gewend, als de winterkoning.
Als de jongen uitgekomen zijn, dan circuleeren de ouden onophoudelijk op den toegangsweg naar het nest. Iedere minuut wordt er voedsel gebracht. Maar nu blijkt, dat de fitis van edeler maaksel is dan de vliegenvanger, want zelfs in deze drukke tijden vindt hij nog gelegenheid tot zingen. Telkens, wanneer hij de kronen der boomen afzoekt naar rupsen, blijft hij even op den tak zitten en zingt zijn lied. Wel gaat ’t haastig en vliegt hij nog zingend op, om weer aan ’t werk te gaan, maar zoo hooren wij dan toch het heerlijke lied tot in Augustus.
De jongen zijn allerliefste vogeltjes, veel geler dan de ouden en in de eerste dagen na het uitvliegen zeer geneigd tot gezelligheid, zoodat ge het treffen kunt, ze bij halve dozijnen zij aan zij op de takken der boomen te zien zitten. Daar worden ze nog door de ouden gevoed, maar al na enkele dagen maken zij zelfstandige expedities in de groene boomkronen en veel eerder dan de jonge vliegenvangers kunnen ze in hun eigen onderhoud voorzien.
Toch bestaat er een soort van betrekking tusschen jonge vliegenvangers en jonge fitisjes. Wanneer ze hun ouders verlaten hebben, of wanneer hun ouders hen hebben verlaten, dan zoeken zij elkander op. In ’t laatst van Augustus ontmoet ik telkens gezelschappen van jonge fitissen en jonge vliegenvangers, die in sparrelaantjes en eiken kreupelhout heel luidruchtig met elkander spelen en er gezamenlijk op uitgaan, om aalbessen en vroege vlierbessen te eten.
Inmiddels gaan de ouden ruien. De zeer gehavende veertjes van het bruiloftskleed vallen uit en ze krijgen nu een mooi nieuw dof groengeel gewaad. En dan gaan ze weer zingen, alsof ze de bladeren, die ze in hun lentevreugd aan de boomen hebben zien komen, nu bij ’t vergelen een weemoedig vaarwel willen toeroepen. De laatste fitis, die ik dit jaar gezien heb, zat te zingen in een ahorn met vergelend blad vol brandvlekken. En na elk liedje wipte hij even naar omlaag, om zich te goed te doen aan de mooie, groote, roode glimmende bessen van de wilde kamperfoelie.
DE VLAAMSCHE GAAI.
Het was op een mistigen morgen in Maart; nog al koud, want de krokusjes bleven gesloten. Maar het was toch al lang lente, de hazelaarkatjes hingen lang uit en de katjes van den els waren nog wel niet los, doch de dikke helmknoppen puilden reeds uit tusschen de purperen schubben. Het mos was in volle glorie, sappig en groen en vol urntjes en tonnetjes op roode steeltjes, die soms als een bouquet van vuurwerk met sierlijke bocht ontsprongen uit den top van een enkel plantje.
De meezen riepen helder in het hout en het boomkruipertje draaide zijn dun liedje af. Waar was de zanglijster? Die vond het te koud, om uitgelaten in een boomtop te zitten galmen en zocht wormpjes in ’t gras. Maar toch was het lentegevoel hem te machtig, hij moest zingen, zooals hij daar stond in ’t groene mos en uit half geopenden bek klonken pianissimo zijn blijde tiraden.
Dat alleen maakte de morgenwandeling reeds loonend: een zachtjes zingende zanglijster. Maar er zou meer komen. Op een lagen beukentak, die zich lang uitstrekte over het gazon, zat een prachtige vogel en die zong net zoo mooi als de zanglijster.
Zijn borst was zeer mooi zacht wijnrood, deze tint werd sterker in de harig fijne veeren van nek en mantel. Boven het blauwe oog welfde zich de schedel, versierd met een fraai zwart gestreepte kuif. In de vleugels blonken de mooiste kleuren van kobaltblauw, gitzwart, sneeuwwit en kastanjebruin, een lange zwarte staart voltooide den slanken vorm van het prachtige dier.
Houding, vorm en kleuren alles was even mooi en het groote wonder was wel, dat een zoo schitterend gekleurde vogel zoo fijn kon zingen. Ook hij opende den bek niet wijd, evenals die zanglijster en daardoor klonk zijn lied niet ver. ’t Was, of hij alleen voor zichzelf zong. Maar wat er van te hooren viel, was heel mooi, de meest melodieuze gedeelten werden telkens herhaald en telkens kwamen imitaties van andere geluiden te voorschijn, geluiden van wulp, kievit, koolmees en roodborst: juist zooals bij de zanglijster.
Een tuinknecht kwam met een kruiwagen, en met een woeste angstkreet ging de prachtige vogel op de vlucht. Bij ’t vliegen kwam op de uitgespreide vleugels nog meer blauw en wit en bruin te voorschijn en ook ’t einde van den rug blonk in schitterend sneeuwwit. Als een bonte vlinder verdween hij tusschen de donkere dennen.
Den volgenden morgen leerde ik de mysterieuse prachtvogel met den fluisterzang nog van een andere zijde kennen. Ik werd wakker vroeg in den morgen, een uur voor zonsopgang. Buiten was het helder licht, niet door de morgenschemering maar door de maan, die een paar dagen geleden vol was geweest. De roodborstjes en de winterkoning zaten al te zingen.
Opeens vertoont zich in ’t heldere maanlicht de prachtvogel. Met een mooien sprong komt hij neer op een tak van een klein eikje, vlak bij de geopende balkondeuren. Hij zingt zijn fluisterlied. Nu komt een tweede vogel opdagen, een derde, vierde, vijfde en alle gaan ze zitten in het kleine eikje, druk zwatelend met ingehouden stemmen.
Ze zien elkaar niet aan, schijnen elk verdiept in hun zang, huppelen wat op en neer, kijken verschillende kanten uit. Noord, Oost, Zuid, West en gaan dan den hals rekken, kop buigen, kuif opsteken, wiegelen op de pooten en staarten spreiden en vleugelskleppen.
Om nu eens een oud ezeltje van stal te halen: ik wist niet, of ik waakte of droomde, zoo zonderling en vreemd was deze pantomime. Maar ik hoorde toch ook nog de roodborst en den winterkoning en mijn horloge ook, dus ’t was wel degelijk werkelijkheid.
Het tooneel duurde een minuut of drie, altijd met zacht gezang, totdat ze als bij afspraak een allerafgrijselijkst gekrijsch aanhieven en in volle vaart wegstoven.
Later heb ik nog zoo iets gezien, op klaarlichten dag in het bosch en vele malen zullen mijn lezers in ’t voorjaar het eind van de pantomime hebben bijgewoond: een zwerm gaaien, die met elkander krijschend opvliegen uit het hout. Ze hebben dan daar hun bijeenkomst gehad, hun lente-ontmoeting.
Nu weet ik dat pas een jaar en ’t spreekt van zelf, dat deze bijeenkomsten veel moeilijker te bespieden zijn dan de kemphaantjes-tournooien of de wulpenwals. Gij moet u dus niet erover verwonderen, dat ik met groote bezorgdheid de pogingen aanzie, die sommigen uwer in het werk stellen, om dezen prachtigen zangvogel, waarvan wij de natuurlijke historie nog bij lange na niet kennen, van het aardrijk te verdelgen.
Ik heb graag gaaien om mijn huis. Ook houd ik veel van kleine zangvogeltjes; het eene is niet onvereenigbaar met het andere. Eeuwen aan eeuwen hebben de gaaien en de kleine zangvogeltjes zich zij aan zij vermenigvuldigd en ze zijn er geen van beiden minder op geworden.
Ja, in vroeger tijd hadden de kleine zangvogeltjes nog meer vijanden dan thans; toen was het aantal der roofvogels veel grooter. Thans zijn er in den zomer niet veel sperwers, valken of havikken, die ze bedreigen, de raven zijn in ons land haast uitgestorven en ook het klein viervoetig roofgedierte is sterk in aantal verminderd.
Er bestaat dus geen enkele noodzakelijkheid, om nu ineens zoo tegenover de gaaien van leer te trekken, en het zou zeer te betreuren zijn, wanneer men er in mocht slagen, hen uit te roeien, zooals in sommige streken al met den ekster het geval is.
Den heelen winter liggen voor het raam van mijn studeerkamer de eikels voor hem gereed op den grond in een klein boschje. Ik kan juist op de plek kijken, waar ze liggen en als de gaai van zijn werk opziet, dan kan hij mij bespeuren achter mijn werktafel. Het raam is overdag altijd open.
Ze gaan voor mij niet meer op de vlucht en ze krijschen me ook niet tegen, als ze me zien. Een gaai steekt het niet onder stoelen of banken, als hij het land heeft aan iemand. Mijn buurman schiet er wel eens op, omdat ze zijn doperwtjes opeten en hij krijgt dan ook een behoorlijke dosis verwenschingen naar zijn hoofd, als ze hem maar in de verte zien. Van jagers en geweren zijn ze ook voldoende op de hoogte.
Ook wanneer ze geen mensch zien, dan schijnen ze toch eenig besef te hebben van zijn wandaden. Ik wandelde eens in de vallei van de Trommel, een van de voorste valleien van onze duinen. Zij heeft maar één onaangename eigenschap, nl. dat ze juist ligt in het verlengde van de schietbaan van het Haarlemsche garnizoen.
De Trommel ligt nu wel meer dan een halve kilometer buiten de roode vlag, maar dat belet niet, dat de kogels heel vroolijk langs de vlag heen door de vallei komen fluiten en dat maakt ’t wandelen in die vallei altijd tot een eenigszins martiale ontspanning. Onophoudelijk fluiten er kogels over je heen met een heel merkwaardig crescendo en decrescendo, gepaard aan glijdende rijzingen en dalingen van toon.
Ondanks de verzekering van deskundigen, dat die kogels veel te hoog vliegen, om te deren, ondervind ik toch altijd eenige bezorgdheid en ik zoek dan ook heel dapper de hellingen op, die een beetje aan de lijzij van den kogelregen liggen. Toch wil ik die vallei niet opgeven, want ’t is er veel te mooi.
Nu, ik was daar weer eens „en campagne” en toen sloegen de kogels werkelijk in de berkentoppen van een boschje, waar juist een aantal gaaien iets te doen hadden. Dat geschreeuw was toen de moeite waard, duidelijk waren er de hevigste anti-militairistische vitupiraties uit op te maken en zeer zeker brachten de vogels verband tusschen het knallen van de schoten en het afrukken van de takken.
Ja, er is geen enkele vogel, die in zijn stem en gebaren zooveel haat en verachting kan leggen; hij uit zich ook nog wel scherper dan de kat en de slang. Natuurlijk is er negen tienden angst bij, maar dat verandert niets aan de zaak. Ik kan mij heel goed voorstellen, dat iemand, die met recht zoo door de gaaien wordt uitgekreten, wel eenigszins tot weerwraak wordt geprikkeld.
Tegenover mij bewaren ze een beleefd stilzwijgen en ze eten mijn eikels met goeden appetijt.
Ze komen uit een bosch aan de overzijde van den weg, steken den weg over, zitten even op ’t hek, vliegen dan in een hoog eikje en dalen trapsgewijze neer van tak tot tak, steeds rondziende en telkens met de kuif in de hoogte. Eindelijk is de grond bereikt, vinken, heggemuschjes, koolmeezen, winterkoninkjes, die er bezig zijn, gaan nauwelijks voor hem op zij.