Het intieme leven der vogels

Part 16

Chapter 161,803 wordsPublic domain

Met een paar logge sprongen, ietwat herinnerend aan die van de groote lijsters, maar minder flink, bereikt hij den eikelhoop en pikt er de mooiste uit. Nu vliegt hij op, naar een tak, ongeveer twee meter hoog, neemt den eikel onder beide pooten en gaat hem schillen. Hij pikt een gat in de vruchthuid en trekt die bij enden eraf. Ten slotte wordt de blanke eikel bij stukjes opgepeuzeld.

Dat ziet er heel genoeglijk en eekhoornachtig uit. Nu haalt hij er nog een en daarmee gaat het op dezelfde manier, doch daarna is zijn honger gestild en nu begint de zorg voor den winter.

Weer staat hij bij den eikelhoop, maar nu wat wakkerder dan daareven. Snel achtereen verdwijnen een tiental eikels met schil en al door zijn keelgat, de krop zwelt merkbaar. Eindelijk heeft hij genoeg en topzwaar vliegt hij heen naar ’t boschje, waar hij zijn schuilhoeken heeft, en daar gaat hij zijn eikels begraven, in de hoop, dat hij ze later, als hij honger heeft, zal terugvinden.

Hij begraaft ze niet alle op één plek, maar hier een en daar een. Ik heb er eens een bezig gezien in een dennenbosch en dat leek net alsof er iemand bezig was, om aardappelen te poten. Hij stootte met zijn snavel een gat in den grond, stopte den eikel erin en woelde de dennennaalden er weer over heen. Dat ging zoo zes keer achter elkander.

Een andermaal zag ik boven op Duin en Daal een gaai heel nieuwsgierig doen. Hij was zoo vol belangstelling voor wat er onder hem gebeurde, dat hij mij in ’t geheel niet opmerkte, of hij kende mij, althans hij bleef voortgaan met zijne bezigheden, alsof er geen wolkje aan de lucht was.

Ik kon mijn kijker voor den dag halen en wat was het nu? Een tweede gaai was ook weer tusschen dennetjes bezig met eikels poten en daar zat die eene, wellicht met zelfzuchtige bedoelingen naar te kijken: een en al aandacht.

Met dat begraafinstinct hangt samen dat zij, wanneer ze honger hebben, den grond gaan omwoelen. Ze zijn dan druk bezig op den boschbodem, gooien de stukken blad opzij op de manier van zwarte lijsters en plukken evenals de kraaien heele stukken mos uit den grond.

Zoo’n bosch kan er dan uitzien alsof er een regiment wieders aan den gang is geweest. Onder dat mos vinden ze dan niet alleen begraven vruchten, maar vooral veel insecten, poppen, eieren en volwassen insecten. Denk er om, dat zij op zoo’n oogenblik nuttig zijn. Het mos groeit wel weer aan, zelfs wordt ’t nog weliger dan voorheen en de insecten zijn opgeruimd.

Strijk en zet komen ze hier ook eten aan den voederbak en dan nemen ze bij voorkeur brood. Trouwens brood is een echt universeelvoeder. Alle vogels eten bij mij brood, merels en koolmeezen niet het minst en zoo is het dan volkomen waar, dat ge de vogels gedurende den winter volkomen kunt voeden met de kruimkens van uw tafel.

Merkwaardig is het, dat de vogels in den winter niet den minsten angst voor de gaai aan den dag leggen. Ze zien wel wat tegen hem op om zijn grootte en gaan voor hem uit den weg, als hij meenens met de zaak maakt, maar geen van allen laat de alarmkreten hooren, die het pad van de gaai begeleiden gedurende den broedtijd. Hieruit zou men mogen afleiden, dat hij zich althans ’s winters niet vergrijpt aan volwassen vogels.

Zomer en winter komen ze baden in het heldere water in een groote roodaarden schotel in mijn grasperk. Er zat dezen zomer een nest van bruine mieren onder en dan gingen ze vaak voor of na het bad een klein mierenversnaperingetje gebruiken. Die mieren leveren voedsel aan alle vogels.

Eens, ’t was in Augustus, had een gaai geplast en geplast, alsof er geen eind aan zou komen. Een kauw of een merel zou het hem niet hebben kunnen verbeteren, maar nu was hij dan ook door en door druipnat. Toen huppelde hij naar een open plekje in ’t grasveld, heetgebakken door de zon en ging daar languit op zijn buik liggen met den staart en de vleugels zoo wijd mogelijk uitgespreid.

O, wat was dat mooi! Ik had op dezelfde plek merels ook wel zoo zien doen, en dat was ook de moeite waard, maar het haalde niet bij de pracht en schittering van deze gaai, met al zijn kleuren wijd uitgespreid in de felle zomerzon.

De vleugels waren zoo wijd uitgespreid, dat de bovendekveeren van de slagpennen in hun geheel te zien waren, zoodat bleek, dat de duimvleugelveertjes geheel en al de zwart met blauwe blokteekening vertoonen, terwijl de dekveertjes maar voor de helft zoo mooi zijn, de andere helft is zwart.

Dat blauw met zwart zit nog op andere plaatsen, de kleine slagpennen, die voor het grootste gedeelte wit zijn, hebben aan de buitenvlag ook de zwart met blauwe blokjes, bij sommige gaaien meer, bij andere minder. De mooie kastanjebruine veeren zitten aan den elleboog.

O, het is wel heerlijk, die mooie vogelveertjes te zien, en als ik een dooden vogel in handen kan krijgen, al is het ook een gewone musch, dan kijk ik altijd met veel belangstelling naar de mooie kleuren en lijnen, die het vogelkleed vertoont. Ook heb ik een paar gaaienveeren in een doos met naphtaline van een vogel, wiens dood ik op mijn geweten heb.

Dat is zoo gegaan. Ik had in ’t boschje voor mijn studeerkamer een hoop takkenbossen gelegd als schuilplaats voor de wintervogeltjes. Daar voerde ik ook voornamelijk de winterkoninkjes, roodborstjes en heggemuschjes, die aan den grooten voederbak geen beurt konden krijgen. Ik strooide Sluis’ universeelvoer bij volle handen in ’t binnenste van de takkenbossen en ’t was een lust, hoe den heelen dag de kleine kruip- en sluipvogeltjes door de takken scharrelden.

In ’t voorjaar waren die takken al aardig vermolmd en ik besloot ze te laten liggen, in de hoop er een nest van winterkoning of heggemusch in te krijgen, en dan rekende ik erop, dat er zich in den loop van ’t jaar allerlei ongedierte in zou ontwikkelen, insecten meen ik.

Er kwam ook ongedierte, maar in plaats van insecten, vestigde zich daar een familie van de groote, vieze, moorddadige, bruine rat. Er zat niet anders op, dan de takkenbossen op te ruimen en de ratten dood te slaan, wat dan ook gebeurde, maar er ontsnapten twee kleine ratjes en die hebben ons den heelen zomer veel te doen gegeven.

We hebben ze achtervolgd op allerlei manieren en zoo heb ik dan ook eenige dagen achtereen een rattenval in mijn tuin gehad. Tot mijn zeer grooten spijt hebben we daarin een gaai gevangen. Die gaai was afgekomen op het brood in een tijd dat hij zich volgens de boeken uitsluitend en alleen moet voeden met jonge vogeltjes. Hij was morsdood en ik heb toen van ’t cadaver zooveel mogelijk trachten te profiteeren en de mooie vleugels mee naar Amsterdam genomen, om aan mijn leerlingen te vertoonen.

Onmiddellijk ben ik toen begonnen met zomervoeding op groote schaal. Ik zag opeens in, dat niet alleen de gaai, maar de meeste vogels in den broedtijd misschien meer moeite hebben, om het noodige voedsel te krijgen dan in den winter. In den winter hebben zij alleen voor zichzelf te zorgen, maar ’s zomers zijn de jongen en het broedende wijfje er ook.

Nu is het misschien niet altijd mogelijk om geschikt voedsel voor de jongen te geven, maar wij kunnen in elk geval ervoor zorgen, dat de oude vogels snel en zonder moeite hun honger kunnen stillen. Wij hebben dan ook op groote schaal met brood gevoerd en hadden de voldoening dat gaaien, lijsters, vinken, meezen en roodstaartjes dankbaar van de geboden gelegenheid gebruik maakten.

Mijn gaaien hadden hun nest in laag eikenhout, niet ver van ons huis: een mooi nest van takjes en stengeltjes en van binnen heel mooi bekleed met worteltjes, meest boomworteltjes, die ze uit den grond plukten. Er waren vier grijze heel fijn bruin gespikkelde eieren in en wat een groot wonder is, de vier jongen zijn alle groot geworden. Dat kan niet gezegd worden van het hongerig vijftal van onze foto, want de jager van Jachtlust is verplicht, om iedere gaai te dooden, elk gaaiennest te vernielen.

Ze waren al op het punt, om uit te vliegen, de middelste gaper vertoont al duidelijk de mooie duimvleugel.

Zeer zeker worden de jonge gaaien voornamelijk gevoed met jonge vogeltjes. Iederen morgen strijk en zet kort voor zonsopgang was er groot alarm onder de musschen op mijn dak: de gaai kwam zijn prooi halen. Wanneer hij zich nu maar wilde beperken tot musschen, dan was het nog zoo erg niet, dan zou zijn optreden wellicht met sympathie worden begroet.

Hij vraagt echter niet naar ons voordeel of onze voorkeur, maar neemt wat ’t makkelijkst te bereiken is, zoodat hij het schrikbeeld wordt van elken broedenden vogel. Zoodra hij zich vertoont, gaan allerwegen alarmkreten op en de oude vogels wagen het zelfs, om hem aan te vallen. De groote lijster vreest hem niet en ook de merel, of liever het merelpaar weet haar broedsel te verdedigen.

Maar aandoenlijk is het, om de kleine vogeltjes, de meesjes, roodborstjes, winterkoninkjes in angst en verslagenheid te zien. Nu eens lijken ze te schelden, dan te smeeken en altijd vliegen ze in de grootste opgewondenheid om den roover, die in onze lichte bosschen en goed onderhouden tuinen gemakkelijk zijn slag kan slaan.

Daarin zit het grootste gevaar. De woeste plekjes verdwijnen. Waar vindt men nog ondoordringbaar struweel van bramen en rozen, van dorens en kamperfoelie? De woeste boschranden, de breede hagen, alles wordt weggeruimd en opgeknapt en daardoor missen de kleine vogeltjes hun schuilplaatsen en toevluchtsoorden. In de duinen geeft de nooit volprezen duindoorn nog veiligheid aan duizenden vogels, maar daarbuiten is het treurig gesteld.

Het is te hopen, dat een welbegrepen vogelbescherming leiden moge tot het aanleggen van vogelschuilplaatsen. Die kunnen, uit een aesthetisch oogpunt beschouwd, ook zeer mooi zijn, eigenlijk vind ik een tuin zonder vogels in ’t geheel niet mooi, al groeien er de prachtigste en zeldzaamste gewassen.

Zeer stellig zal in dien vogeltuin ook een plaats toekomen aan de Vlaamsche gaai en dan moeten wij hem er dankbaar voor zijn, wanneer hij naar behooren zijn wreede taak uitvoert: het beperken van de vogelsoorten, die zich te snel vermenigvuldigen.

EINDE.

INHOUD.

Pag.

I. In den Polder 1

Sterntjes en Meeuwen 3 De Scholekster 48 De Kievit 60

II. In ’t Naardermeer 75

De Lepelaar 77 De Zwarte Stern 89

III. In de Duinen 97

De Wulp 99 De Nachtzwaluw of Geitenmelker 112 De Griel 128 De Zilvermeeuw 139

IV. In Bosschen en Tuinen 151

De Winterkoning 153 Het Waterhoentje 164 De Merel 178 De groote Lijster 192 De Vliegenvanger 202 Het Staartmeesje 214 De Fitis 220 De Vlaamsche Gaai 228