Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D
Chapter 6
Behalve deze verschillende werkkrachten werden volgens Mrs. Trotter ook Chinese veroordeelden, die uit Indië waren gezonden, als metselaars en steenbakkers gebruikt aan de Kaap.
Dat de Hottentotten zeer in trek waren als werkkrachten is niet te verwonderen, als men in aanmerking neemt de goedkoopte van hun arbeid.
Valentijn zegt ervan: De Hottentotten krijgen als loon alle week een stuk tabak »mitsgaders spijs en drank (hoewel sommige van hen vreeselijk veel konnen eeten)". Na verloop van een jaar kregen ze nog een »keten van kopere koralen" en een speenlam[75].
Uit de opmerking over 't eten van de Hottentotten schijnt men te mogen opmaken, dat Valentijn meende, dat ze een biezonder grote weldaad genoten, als ze de kost kregen voor hun werk.
Barrow deelt mee, dat een os of een paar koeien of een dozijn schapen ter waarde van 40/- of 50/- het gewone loon van een heel jaar was, doch dat de boeren dan dikwels een bedrag voor tabak en brandewijn van dezelfde grootte van de Hottentot te vorderen hadden[76].
Maar Barrow is.... Barrow en een zeer grote mate van voorzichtigheid is altijd aan te raden bij het aannemen van zijn mededelingen als die kans hebben de reputatie van de hollandse kolonisten aan de Kaap te benadélen.
Hoe welwillend de regering tegenover de Hottentotten stond, moge ten slotte uit het volgende blijken: In 1701 kreeg een troep soldaten bevel om te trachten de Bosjesmannen te achterhalen en van hen 't gestolen vee terug te krijgen. Daarbij werd uitdrukkelik bepaald, dat dit vee dan aan de eigenaars zou worden teruggegeven, _wie ze ook zijn mochten_.
Blanken en Hottentotten genoten in dit opzicht volkomen gelijke bescherming.
* * * * *
Ten slotte een enkele opmerking over een der middelen van bestaan in Kaapstad.
Vroeger heb ik er op gewezen, dat de Heren Zeventien vreemdelingen volstrekt niet met gunstige ogen zagen aankomen in de Kaap.
Vandaar dan ook, dat het kaapse _Goevernement_ niets wou verkopen aan vreemdelingen, maar zij mochten vrij in herbergen komen en ze konden groenten, varkens en gevogelte kopen van de burgers en soms zelfs sloten de autoriteiten, als de Kompanjie ten volle voorzien was, de ogen voor de verkoop van vee.
Dat deze verkoop nog al wat te betekenen had voor Kaapstad blijkt uit de volgende cijfers:
Tussen 1652 en 1700 kwamen er gemiddeld jaarliks 40 schepen (33 nederlandse, 4 engelse en 3 andere) aan de Kaap.
Gemiddeld hadden die 147 man aan boord en ze bleven van 2 tot 3 weken op de rede liggen. Er kwamen dus jaarliks aan de Kaap meer dan 5000 vreemdelingen, die voedsel nodig hadden gedurende hun verblijf en ook gewoonlik heel wat mee op reis namen.
Het aantal schepen, die in Kaapstad aanlegden, steeg voortdurend, zodat er gedurende de eerste helft van de 18de eeuw jaarliks zelfs 75 schepen (57 hollandse, 15 engelse en 3 andere) het anker uitwierpen.
Ten gevolge van de ongunstige jaren 1714 en volgende werd in 1720 een plakkaat uitgevaardigd, handelende over de verkoop van vlees aan vreemdelingen en in Februarie 1723 kwam er zelfs een uitdrukkelik verbod om vers vlees en groenten te verkopen aan vreemdelingen onder straffe van deportatie naar Europa en een boete van 350 rijksdaalders. Men wist het plakkaat echter zo te verklaren, dat het scheen in te houden, dat er eerst verlof van de Raad moest verkregen worden. Voor de verkoop aan engelse schepen, die de beste klanten waren, kreeg men altijd verlof, zodat het met dit plakkaat ging als met zoveel andere van de Kompanjie: Ze werden eenvoudig behandeld als scheurpapier.
Aan het eind van dit hoofdstuk wil ik spreken over enkele kerkelike zaken aan de Kaap.
Het spreekt vanzelf, dat ik me in dit opzicht ook weer zal moeten beperken. Trouwens de boeken van Spoelstra en Dreyer, die speciaal over dit onderwerp handelen, geven zulke uitvoerige inlichtingen, dat het onmogelik zou zijn veel nieuws te vertellen.
Ik zal ook niet in allerlei biezonderheden treden, maar alleen enkele grepen doen.
In de allereerste plaats dan wijs ik op de positie der predikanten. Ook in dit opzicht kan ik de Kompanjie niet bewonderen.
Ze had zich het recht voorbehouden Predikanten te benoemen en aan te stellen voor de Kaap zonder beroep door Gemeente of Kerkeraad.
Dit had natuurlik bedenkelike zijden, vooral in betrekking tot de geestelike verstandhouding tussen herder en gemeente.
Een andere schaduwzijde van deze wijze van benoeming was, dat de predikanten geheel behandeld werden als dienaren van de Kompanjie niet alleen, maar zich zelf ook in de meeste gevallen als zodanig gedroegen. Dat wil zeggen, dat ze meestal fel tegen de boeren gekant waren, als die de ambtenaren aanvielen, want ze beschouwden dit ook als een aanval op hen. Dit kon natuurlik niet meewerken om een goede verhouding tussen hen en hun gemeentenaren in 't leven te roepen.
Trouwens innigheid bestond tussen predikant en gemeente heel weinig. Als een predikant in Kaapstad een bezoek bracht aan zijn parochianen, dan ging de schoolmeester vooruit om de mensen te waarschuwen[77]. Er moest altijd een kloof blijven gapen tussen herders, die zich zo gedroegen en de schapen, aan hun zorg toevertrouwd.
Mr. J. de Wet zegt[78]:
»De Kerk werd altijd zoo zeer als een deel van het geheel van 's Compagnies bestier alhier beschouwd, dat aan de Predikanten of Leeraars daarvan even als aan alle andere beambten hun standpunt in de toen aangenomen klassen of rangen, onderscheiden in opperkooplieden, kooplieden en onderkooplieden door de wet werd aangewezen!
Ieder Predikant zou gemeten worden naar den rang van onderkoopman en als zoodanig gerechtigd zijn tot de voorrechten aan die rang verbonden."
De geesteliken vatten in veel gevallen hun bediening op, of het een wereldlik ambt was en beschouwden zoals de meeste ambtenaren van de Kompanjie, de Kaap slechts als een doorgangshuis naar een betere betrekking.
Dit had ten gevolge, dat de meesten hier zo kort mogelik bleven. Zo had men eens in één jaar drie keer een nieuwe predikant in Kaapstad[79].
Ik zal niet spreken over de verschillende stichtingsjaren van de kerken in de verschillende plaatsen, evenmin als over de pogingen, die de Hugenoten deden om hun taal te behouden. Ik wil alleen konstateren, dat de mening, dat de Heren Zeventien hun best hebben gedaan om het Frans te doen uitsterven in de kolonie, geheel verkeerd is. Het stierf een natuurlike dood door het feit, dat de Fransen maar één zesde van de totale bevolking uitmaakten. Het Hollands verdrong het Frans zelfs, zó volkomen, dat Le Vaillant opmerkt als een biezonderheid, dat hij op zijn reizen slechts één zeer oude man vond, die nog Frans verstond. Dat was ruim drie kwart eeuw, nadat de Hugenoten in Zuid-Afrika geland waren.
Men weet, dat er zeer weinig kerken aan de Kaap waren en dat het ook lang duurde, eer nieuwe gemeenten gesticht werden. De eerste halve eeuw was bijna om, voordat Roodezand (1743) en Zwartland (1745) hun kerk kregen. Dat betekent dus, dat bijna 100 jaar na de stichting van de volksplanting er in de hele kolonie nog maar 5 kerken waren. En de zesde kwam er niet vóór 1792. Dat was die te Graaff-Reinet.
Het spreekt dus vanzelf, dat de kolonisten in de meer afgelegen streken van de kolonie zo goed als geheel van geestelike hulp verstoken waren.
Daarom ging van tijd tot tijd een der Predikanten »op trek" naar de eenzame boereplaatsen om de daar wonende landlieden te stichten en hun kinderen te dopen.
Als dan de predikant op een boereplaats was, ging het gerucht daarvan gauw in de omtrek rond en de boeren uit de buurt kwamen naar de plaats, waar hij was.
Het is evenwel te begrijpen, dat de afstanden het onmogelik maakten, dit verscheiden keren per jaar te doen.
Ondanks het feit echter, dat er zo weinig kerken waren, werd er, trouwens volkomen in de geest van de tijd, nauwlettend gewaakt, dat geen leer, die afweek van de Nederduits Hervormde, zou gepredikt worden.
De geschiedenis met George Schmit van de moraviese Broeders in de eerste helft van de achttiende eeuw, is bekend.
Het duurde zelfs tot 1792 eer deze stille, vrome werkers een kerk konden krijgen.
Ook de Lutheranen werden zoveel mogelik gehinderd in de uitoefening van hun godsdienst.
In 1742 zonden ze een rekwest in om vrijheid te krijgen tot het aanstellen van een predikant. Dit werd niet toegestaan. Eindelik, na jaren lang gesmeekt te hebben om vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst, kregen ze die, maar men mengde die honing met gal, door te bepalen, dat de lidmaten van die kerk voortaan niet meer zouden mogen bevorderd worden tot de eerste posten van aanzien[80].
De lutherse en moraviese godsdienstoefeningen mochten wel gehouden worden in private huizen, maar zelfs dan mochten geen sakramenten worden toegediend. In die tijd meende men, dat men door zulk een bepaling al buitengewoon verdraagzaam was.
De Lutheranen hadden zich eenvoudig te schikken en trachtten zich te troosten, door telkens, als er een deens schip in Kaapstad kwam, de geestelike te verzoeken aan land te komen om hun de godsdienst van hun vaderen te prediken.
Zonderlinge toestanden werden geboren door de onverdraagzaamheid der mensen, die voor vrijheid van geloof hadden gestreden en geleden.
Zo waren in 1674 enige Katholieken in de kolonie komen wonen. Zij wilden hun kinderen laten dopen. Daar er natuurlik geen katholieke geesteliken in de kolonie waren, moest dit in de hervormde kerk gebeuren. Dit was echter nog niet genoeg, want de doopheffers mochten alleen dàn Katholieken zijn, als de ouders eerst getracht hadden om peten van het ware hervormde geloof te vinden en daarin niet geslaagd waren[81].
Maar zelfs hun eigen geloofsgenoten werden door de predikanten van die tijd met scherpe blik in hun gangen gevolgd.
Zo werd op 8 Okt. 1743 een aanklacht wegens ketterij ingebracht tegen de zieketrooster Van Dijk. Zijn ketterij bestond hierin, dat hij het waagde voor de vuist te preken en niet het »Onze Vader" altijd bad in de dienst.
En hij was ook op vriendschappelike voet met de Hernhutters[82].
Deze drie punten waren reeds voldoende om hem in staat van beschuldiging te stellen.
Ik eindig dit hoofdstuk met een aanhaling uit een rekwest van de kerkeraad van Draakestein in 1719.
Daar de kerk bijna klaar was, vroeg deze kerkeraad verlof om in 1720 te mogen beginnen met begraven binnen en buiten de kerk en hij vroeg ook goedkeuring van het volgende tarief voor begrafenissen:
Een graf in de kerk zou 25 Rijksdaalders kosten en een dubbel graf 50 Rkd. Deze koop gold voor 100 jaar. Men kon ook een graf huren. Dit zou kosten 10 Rkd. voor een volwassene en 5 Rijksd. voor een kind onder 10 jaar.
Op het kerkhof was de prijs van een graf 6 Rijksd. (voor een tijdperk van 100 jaar). Een gehuurd graf kostte 3 Rijksd.
Men rekende 2 Rijksd. voor 't gebruik van 't lijkkleed en 1 Rijksd. voor de baar.
De koster kreeg 2 Rijksd. voor een graf _in_ de kerk en 1 Rijksd. voor een graf _buiten_ de kerk. Als aanspreker of bidder zou hem 1 Rijksd. per dag moeten betaald worden[83].
In het volgende hoofdstuk wens ik te spreken over het Bestuur van de Kaapkolonie en ook met een enkel woord over de belastingen, die er geheven werden.
VOETNOTEN:
[28] François Valentijn, t. a. p. pag. 13.
[29] Thunberg, Travels. Deel I. pag. 125.
[30] Valentijn, pag. 12.
[31] Thunberg, I. pag. 249.
[32] Kolbe.
[33] Vaak hing er ook bij de boerderij een grote scheepsklok, die in tijd van gevaar (Bosjesmannen etc.) werd geluid om de buren te waarschuwen.
[34] Le Vaillant, New Travels. Deel III. pag. 16.
[35] Le Vaillant, Travels. I. pag. 59 en volgende.
[36] Sparrman, Travels. Deel II. pag. 165.
[37] Thunberg, Travels. Deel I. pag. 138.
[38] Sparrman, t. a. p. Deel I. pag. 266.
[39] Sparrman, t. a. p. Deel II. pag. 62.
[40] Le Vaillant, t. a. p. Deel I. pag. 55.
[41] Sparrman, t. a. p. Deel II. pag 166.
[42] Cornelius de Jong, Reizen. Deel II. pag. 112 en 113.
[43] Barrow, Travels.
[44] Leibbrandt, Journal.
[45] Thunberg, I. pag. 247.
[46] Leibbrandt, Journal 19 Des. 1705.
[47] Valentijn, blz. 48. t. a. p.
[48] Thunberg, Deel I. blz. 252.
[49] Thunberg, II. blz. 126.
[50] Thunberg, I. blz. 257.
[51] Valentijn, t. a. p.
[52] Leibbrandt, Journal.
[53] Theal, Chronicles of Cape Comm. pag. 180.
[54] Enkele slechte jaren als 1726, 1727 en 1740 natuurlik buiten rekening gelaten.
[55] Thunberg, Deel II. pag. 20.
[56] Cornelius de Jong, Reizen. Deel I. pag. 122.
[57] Thunberg, I.
[58] Dagboek Adam Tas, 6 Aug. 1705.
[59] Dit bedroeg 2 schellingen voor inwoners van Stellenbosch en een rijksdaalder voor vreemdelingen.
[60] Valentijn.
[61] Kolbe.
[62] Leibbrandt, Journal.
[63] Kolbe.
[64] Thunberg, I. pag. 253.
[65] Leibbrandt, Rambles. pag. 149.
[66] Thunberg, II. pag. 96.
[67] Valentijn, Boek X. pag. 20.
[68] Ian D. Colvin, Romance of Empire.
[69] Thunberg (I. pag. 263) verhaalt, dat de boeren graag een dode hond hadden om in 't gat bij de geplante boom te begraven, daar men meende, dat dit de groei bevorderde.
[70] Volgens Theal werd in 1709 de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger een geseling zou krijgen aan de voet van de galg. De aanbrenger zou 10 rkd. ontvangen.
[71] Leibbrandt, Requesten or Memorials.
[72] Watermeyer, Selections. pag. 52.
[73] Thunberg, I. pag. 115.
[74] Kolbe, pag. 117.
[75] Valentijn, Deel X. pag. 106.
[76] Barrow, Travels. Deel I. pag. 97.
[77] Theal, II. pag. 344.
[78] Mr. J. de Wet, »Beknopte Geschiedenis Hervormde Kerk".
[79] Mr. J. de Wet, t. a. p.
[80] Theal, Belangrijke Hist. Dok. pag. 118.
[81] Theal, Chronicles of Cape Comm.
[82] Leibbrandt, Requesten or Memorials.
[83] Leibbrandt, Requesten or Memorials.
HOOFDSTUK IV.
BESTUURSLICHAMEN EN BELASTINGEN.
Hieronder zal ik enige aanhalingen doen uit schrijvers uit de achttiende eeuw om aan te tonen, hoe het bestuur der kolonie was ingericht, maar eerst wens ik een paar opmerkingen te maken om begripsverwarring te voorkomen.
Het Hof van Justitie, hierna te noemen, behandelde alle zaken met gesloten deuren, er werd nooit mondeling gepleit en de partijen waren volkomen buitengesloten. Alle stukken en bewijzen werden aan twee leden van 't Hof gezonden door de prokureurs, voordat 't Hof bijeenkwam. Die stukken werden dan door alle leden gelezen. De uitspraak geschiedde bij meerderheid van stemmen.
Het vonnis werd door de Griffier (Sekretaris) van 't Hof in 't openbaar voorgelezen, nadat men drie maal op een bel had geslagen om de mensen er kennis van te geven.
De wetten van de Kolonie waren: 1. Het kaapse Plakkaatboek, waarin de wetten stonden, die door Goeverneur en Raden aan de Kaap waren gemaakt; 2. De Statuten van Batavia, een verzameling van wetten, te Batavia uitgevaardigd. 3. De Grote Plakkaatboeken van Holland; 4. Het romeins-hollands recht. Een wet werd na klokgelui bekend gemaakt door de Sekretaris van de Politieke Raad.
Kopieën werden hier en daar aangeplakt. Laat ons nu zien, wat Valentijn van 't bestuur zegt: »Daar is een Polityke Raad, een Raad van Justitie, een vergadering der Weesheeren, een Vergadering van Kleine, een Vergadering van Huwelijkszaaken en een Borgelijke Krijgsraad.
De Polityke Raad, die de aanzienlykste en eerste in rang is, bestaat uit een Heer Landvoogt, Opperkoopman, Fiscaal Independent, Capitein, Pakhuismeester, Dispensier, Soldyboekhouder, en den Geheimschryver, doch in 't jaar 1705 was de Winkelier mede een Lid. Deze Raad vergadert Dynsdags.
De Raad van Justitie bestaat uit die zelve Leden der Compagnies Dienaaren in 't Civiele, doch in Crimineele zaaken is de Fiscaal hier Eisscher, en dan geen Lid; maar buiten de Dienaars der E. Maatschappy, by de welke de Capitein-Lieutenant, Lieutenant, ofte Vaandrig ook wel gevoegt worden, zyn hier ook drie Borgerraaden (anders wel Kaapze Borgermeesters genaamt) Leden van dien, welk Collegie door den Geheimschryver (die eerste Klerk is) gesloten, gelyk die Vergadering doorgaans Donderdags 's morgens gehouden word.
De Weeskamer bestaat hier uit den Tweeden Persoon, drie Dienaars der E. Maatschappy, en drie Leden uit de Borgery (die dit voor 2 jaaren blyven) benevens hunnen Geheimschryver.
Deze bestieren de zaaken der Weezen zoodanig, dat zy niet meer gelden van een Weeze, al bezat hy nog zoo veel, dan hy tot zyn onderhoud van nooden heeft, voor hem, en de rest voor andere Weezen, die niet genoeg hebben om te bestaan, hier uitzetten."
»De Vergadering van Kleine Zaken bestaat uit een Voorzitter (die alle 2 jaren verandert, en die doorgaans de Capitein, Soldyboekhouder, of Capitein-Lieutenant is) drie Dienaars, en drie Borgers, met hunnen Geheimschryver.
En de Vergadering van Huwelykszaaken bestaat uit den Lieutenant, twee Dienaars en twee Borgers met hunnen geheimschryver.
Die van den Polityken Raad vergeven al de mindere Ampten in den dienst der E. Maatschappy, en ook alle de Borgerlyke bedieningen.
Die van den Raad van Justitie oordeelen in 't Civiele en in 't Criminele oppermagtig, doch van 't eerste kan men zich op de Raad van Justitie op Batavia beroepen"[84].
»Uit de voornaamste dezer Borgers worden jaarlijks 2 nieuwe Borgermeesters, by 2 oude, die in dienst blyven, door den Gouverneur en Raad, en uit de zelve doorgaans de 3 Borger Raaden van Justitie, en verder ook 3 leden in de Weeskamer, 3 in de Vergadering van Kleine, en 2 in 't Collegie van Huwelijks-zaaken, gekoozen, die gemeenelyk 2 jaaren dienen, en dan door anderen vervangen worden.
Landwaart in op Stellenbosch heeft men een Landdrost, die daar als President sit, en nevens 4 Heemraaden van die volkplanting en 3 van Draakestein, een vergadering van Heemraaden uitmaakt, welke over een somme van 150 guld., en hooger niet, mogen oordeelen, en van waar men tot den Raad van Justitie aan 't Kasteel appelleeren kan"[85].
De Politieke Raad werd ook genoemd »de Groote Raad."
Behalve die door Valentijn opgenoemd, had men ook nog de Kerkelike Vergadering of Kerkeraad.
In de Politieke Raad was de Goeverneur voorzitter en had twee stemmen.
Deze Raad besliste over vrede of oorlog met de Hottentotten. Hij hield ook rechtstreekse briefwisseling met de Heren Zeventien in Europa en met de regering in Batavia.
De Raad van Justitie behandelde alle burgerlike rechtzaken, die tussen de inwoners voorkwamen en verder alle lijfstraffelike zaken.
Als een der twee partijen een Burger van de Kaap en de ander een beambte van de Maatschappij was, of wanneer beide partijen burgers waren, dan riep men de drie Burgemeesters op om bij 't rechtsgeding tegenwoordig te zijn en om mede te stemmen bij 't opmaken van het vonnis. Daar ze echter steeds door het ledental van de Raad in de minderheid waren, betekende dit natuurlik niet veel.
Van de uitspraak van deze Raad kon men, zoals ik boven uit Valentijn aanhaalde, zich beroepen op de Raad van Justitie te Batavia, maar de afstand was groot tussen de Kaap en Batavia en alles ging vreselik langzaam, zodat het niet te verwonderen valt, dat van dit recht van appèl weinig werd gebruik gemaakt.
»Het is beter" zegt een schrijver hiervan, »een weinig kreupel te gaan, dan zich in gevaar te stellen van beide beenen te verliezen om al te ver de geneezing van den gewonden te gaan zoeken."
Het lagere hof van Justitie of de »Vergadering van Kleine Zaken" bestond uit zeven rechters. De Voorzitter was altijd een van de leden van de Grote Raad. De drie »Borgers" bovengenoemd werden door de Grote Raad verkozen.
Deze kleine Raad hield zich bezig met rechtsgedingen van minder belang, zoals twisten of beledigingen, die niet de aandacht van de Raad van Justitie waard waren.
Evenals de Landdrost en Heemraden van Stellenbosch, bovengenoemd, konden zij alleen oordelen in kwesties, waar het niet ging om een hoger bedrag dan van 150 gld.
Deze Raad was zo zeer ondergeschikt aan de Raad van Justitie, dat zij aan deze verslag moest doen van de allergeringste zaken, die zij behandeld had.
De leden werden om de twee jaar veranderd door verkiezing van de Grote Raad of liever door die van de Goeverneur, aan wie de Burgerraden een dubbeltal van zes medeburgers aanboden. Daarvan werd dan de helft voor 2 jaar benoemd.
Geen huwelik kon gesloten worden, tenzij men eerst voor de kamer van huwelikszaken was geweest. Deze vergadering gaf, na behoorlik onderzoek, de predikant schriftelik verlof om de drie gewone huweliksafkondigingen te doen. Als gedurende deze afkondigingen bezwaren tegen het huwelik werden ingebracht, dan moesten deze ook weer door het huwelikshof worden onderzocht.
Door de weeskamer werden alle zaken betreffende de goederen, het onderhoud en het huwelik van wezen, afgedaan.
Indien een wees wilde trouwen, voordat hij of zij de volle leeftijd van 25 jaar had bereikt, moest de weeskamer daartoe verlof geven. Zonder dit verlof kon het huwelik niet plaats hebben.
Daar de militie in drie troepen was verdeeld, n.l. die van Kaapstad, die van Stellenbosch met Draakestein en die van Swellendam was ook de Krijgsraad verdeeld in drie vergaderingen. Deze krijgsraad nu nam kennis van en beoordeelde alle overtredingen van de krijgstucht.
De vergadering aan de Kaap bestond uit 19, die te Stellenbosch uit 20 en die te Swellendam uit 9 leden.
De voorzitter van de vergadering aan de Kaap was altijd een lid van de Grote Raad en bevelhebber der bezetting en de voorzitters in de twee andere plaatsen waren de Landdrosten.
De overige leden werden genomen uit de oudste Burger-officieren.
De Fiskaal Independent, die ik reeds meermalen heb genoemd, was door de Heren Zeventien naar de Kaap gezonden om, als 't nodig was, krachtig op te komen tegen onrechtvaardige handelingen van de Goeverneur.
Independent heette hij, omdat hij aan niemand dan aan de Heren Zeventien verantwoording schuldig was.
Stedelike zaken werden toevertrouwd aan de bovengenoemde Burgerraden. Deze »Gemeenteraad" bestond uit een President en vier leden en zij zorgden voor het onderhoud van straten, bruggen, wegen enz.
Voor de buitendistrikten had men de Landdrost en Heemraden, die voor deze zaken zorg droegen.
De Landdrost kreeg minstens de helft van alle door hem opgelegde boeten, zodat hier hetzelfde gevaar voor omkoopbaarheid bestond als bij de Fiskaal. Bovendien was zijn salaris zo laag (Zie Hfdst. II), dat de verleiding stellig niet minder was dan bij de Fiskaal.
Hij had 't recht om de burgers te dwingen slaven, wagens en hun eigen diensten beschikbaar te stellen, als hij dat nodig oordeelde.
De heemraden kregen geen salaris. Ze bleven 2 jaar in betrekking en jaarliks traden er 2 af (wat Stellenbosch betreft tenminste). De Raad van Politiek koos dan 2 nieuwe uit een aangeboden viertal.
* * * * *
De belastingen zijn voornamelik te rangschikken onder de volgende hoofden:
1. Tienden van de granen en belasting van 't vee.
2. Aksijns van wijn enz. en andere uit- en invoerrechten.
3. Belastingen geheven van de prijs van verkochte huizen en landerijen.
4. Zegelrecht.
Valentijn zegt, dat een korenmolen, die de regering had, jaarliks 1400 à 1600 gulden opbracht.
De tienden van de granen brachten 14.000 gulden op.
Van een os moesten de Kapenaars, volgens Valentijn, 1 schelling betalen en van elke 100 schapen 1 gulden per jaar en allen in de Tafelbaai gaven 3 Rijksd. klapgeld per jaar, omdat men er een klapwaker of nachtwacht had.
Ik sprak vroeger al over de manier, waarop men de regering bedroog in de opgaven van 't geoogste graan. Tas is naïef genoeg om in zijn dagboek te schrijven op 29 Jan. 1706, dat hij 343 mud rogge had geoogst en er maar 15 aan de Gekommitteerden had opgegeven. En het schijnt, alsof hij meent, dat hij in dit opzicht nog te eerlik is geweest.
Het is dus duidelik, dat de regering niet half de belasting kreeg, waarop ze volgens de wet recht had.
In 1711 waren, zegt Valentijn, voor 't eerst tienden opgelegd door de Heren Zeventien, maar bovendien moesten de burgers jaarliks elf gulden leeuwen- en tijgergeld betalen.