Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D
Chapter 5
Wie de kop er afschoot, kreeg 1 rkd. Voor de rechtervleugel kreeg men 4 schellingen, voor de linkervleugel 3 schellingen, voor de staart 2 schellingen, voor een splinter 1 schelling. Wie de hele vogel eraf schoot kreeg 25 rkd. van de Kompanjie en bovendien de inleggelden.
Verder was er ook een wedstrijd in 't pistoolschieten op een schijf.
Wie de papegaai afschoot, was koning van 't voetvolk en wie 't wit van de schijf raakte, was koning van de ruiterij.
Het volgend jaar mocht de koning eerst schieten, zelfs vóór de Goeverneur. Hij behoefde dan ook nog geen inleg te betalen[60].
De afschaffing van de kermis in Stellenbosch was volstrekt niet naar de zin van de bewoners en een opstootje was er het gevolg van. De afschaffing bleef echter gehandhaafd.
Bij gebrek aan andere amusementen maakte men van een vendutie zooveel mogelik een pretje.
»Bij alle verkopingen, die op 't land geschieden, worden de liefhebbers met eeten en drinken verzien, en zommigen ook voor niet met al gehuisvest, terwijl by degenen, die aan de Kaap voorvallen de kopers enkelijk met een glas wyn en een pyp tabak onthaalt worden, ten einde de kopers door den wyn aangemoedigt wat rykelyker in 't bieden zyn zouden"[61].
Bij verschillende plechtige gelegenheden, zooals de viering van 't Nieuwe jaar, trachtte men wat meer leven te brengen in de kleine maatschappij door schoten te lossen.
Dit werd echter in 1715 verboden wegens 't brandgevaar. Op 17 Mei 1714 kort na aankomst van De Chavonnes was er brand op 't kasteel gekomen dicht bij 't kruitmagazijn. Slechts met moeite had men die brand geblust[62].
Geen wonder ook, dat het streng verboden was op straat een pijp te roken. Zeelieden, vooral, als ze half dronken waren, gingen wel eens wat roekeloos om met hun pijp en een enkele vonk was genoeg om de rieten daken in 't droge seizoen in brand te steken, zoals men in 1710 te Stellenbosch tot zijn schade ondervond.
Op overtreding van dit rookverbod stond zelfs een pak slaag met een dik touw[63]. De politie moest ook opletten, of er ergens brand was.
Des avonds ging de z.g. ratelwacht de stad door. Als er brand was, liet hij zijn ratel klinken en riep luid: »Brand, brand!" door de straten. Dan ging hij naar het Burger-Wachthuis, waar de brandspuiten werden bewaard en op het brandalarm werd de trommel geroerd en de klokken van kerk en kasteel werden geluid.
Om zich aan de eentonigheid van het alledaagse leven te onttrekken, bestond bij de landbewoners de gewoonte, de jaardagen van ouden van dagen in biezonder hoge ere te houden.
Elk jaar gingen ze 4 of 6 weken lang op reis om allerlei familieleden te bezoeken en op die reis werd dan natuurlik heel wat nieuws verteld en gehoord en de tocht maakte een onderwerp van gesprek uit gedurende de rest van 't jaar.
De boeren bij Kaapstad hadden ook veelal enige slaven, die viool speelden. Er werden geregeld op de plaatsen danspartijen georganiseerd, waar menigeen zijn betere helft vond.
Als een jongen 15 jaar oud was, werd hij als volwassen beschouwd. Bij begroetingen enz. werd hij geheel als man behandeld.
Dan werd hij ook ingeschreven om militaire diensten te verrichten. Als een vader twee zonen had, die dienst konden doen, dan was hij zelf vrij[64].
Liefdadigheidsinstellingen voor wezen waren er niet. Arme wezen werden door welgestelde lieden als hun eigen kinderen aangenomen.
Aan de opvoeding der jeugd werd ook nog niet veel zorg besteed.
In 1683 werd te Stellenbosch de eerste school gesticht. Men leerde er lezen, schrijven en de beginselen der cijferkunst. Het voornaamste deel van het onderwijs was dat in de godsdienst. Op 13-jarige leeftijd werden de leerlingen volleerd geacht. Dan deden ze een soort van eksamen voor het consistorie, waardoor ze lidmaten van de Kerk konden worden. Ze moesten daartoe de Bijbel kunnen lezen, de heidelbergse Katechismus opzeggen en een weinig schrijven. Vooral ook moesten ze echter psalmen kunnen zingen.
In 1714 werd te Kaapstad een latijnse school gesticht. Doch buiten deze scholen was er geen gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs door de hele Kolonie.
Maar al deed de Kompanjie niet veel voor het onderwijs aan de kinderen van haar ambtenaren of de vrijboeren, haar jonge ambtenaren echter, die nog geen gezinshoofden waren, werden door haar met de plak geregeerd.
Ik sprak vroeger over het kosthuis, dat de Kompanjie had gesticht voor de jongelui in haar dienst.
De regels, die ze voor hen had gemaakt, waren o.a.: »De tafel mocht niet langer dan een half uur duren. De jongelui moesten precies op tijd aan tafel zijn en als iemand later kwam, dan was de kosthuishouder niet meer verplicht hem eten te geven, maar hij moest wachten tot het volgende maal (Deze maaltijden waren om 11 v.m. en 6 n.m.). Geen ongetrouwde ambtenaar mocht in een kosthuis van eigen keuze zijn, uitgezonderd zij, die familie in de stad hadden.
Er moest voor en na 't maal een gebed uitgesproken worden. Wie aan tafel vocht of vloekte, moest eerst bestraft worden door de kosthuishouder en als dit niet hielp, dan zo nodig door de Politieke Sekretaris gerapporteerd worden aan de Goeverneur"[65].
Misschien was de strenge en ingetogen levenswijze, waaraan men zich aan de Kaap hield ook voor een zeer groot deel te danken aan de Kalvinistiese levensbeschouwing van de oude Hollanders, die allerlei dingen als duivels beschouwden, welke belijders van andere godsdiensten vrij onschuldig achtten.
Daarom betwijfel ik ook, of het kaartspelen wel zo algemeen was als Thunberg ons zou willen doen geloven.
Het feit, dat Adam Tas in zijn dagboek vertelt, dat hij met vrienden en kennissen kaartspeelt, bewijst ook niet veel. Hij was in menig ander opzicht heel wat vrijer in zijn denken en overtuigingen dan de meesten van zijn tijdgenoten.
Eigenaardig is wel, dat de Kalvinisten volgens Thunberg[66] Kerstmis volstrekt niet vierden, maar dat ze dan werkten als gewoonlik. Nieuwjaarsdag werd door hen als vakantiedag gevierd in zoverre, dat ze naar hun buren gingen om hun geluk te wensen.
Bruiloften werden, vooral als de bruid en bruidegom soms dagen en weken moesten reizen voor ze 't Huwelikshof te Kaapstad bereikten, vanzelf niet met veel vertoon gevierd.
Valentijn vertelt alleen, dat men er in zoverre een soort van plechtige tint aan gaf, dat men altijd zwarte ossen gebruikte om de wagen van bruid en bruidegom te trekken. Dit gold echter ook voor 't vervoer van een dode, waar de kleur dan ook meer geschikt was, naar 't mij voorkomt.
Toch ging een trouwplechtigheid, vooral van lieden uit Kaapstad, niet geheel ongemerkt voorbij. Op de avond van de dag, dat men, zoals het heette »voor Commissarissen" geweest was, gaf men gewoonlik een soupee, dat het »Commissaris Maal" heette. Dit soupee werd met een bal besloten. Op deze bals waren de slaven, die vaak zeer muzikaal waren, de muziekanten. De eigenlike huweliksinzegening had meestal plaats op Zondag.
Bij een sterfgeval gaf de koster daarvan gewoonlik kennis aan vrienden en bloedverwanten en nodigde hen tot de begrafenis uit.
Aan de dragers werd een zekere som geld betaald en opdat ze in behoorlik kostuum zouden zijn, kregen ze ook een paar zwarte handschoenen en een lange zijden lamfer.
Als het lijk het huis was uitgedragen, werden door de koster de namen der bloedverwanten en vrienden opgelezen in de volgorde, waarin zij de kist zouden volgen. Hij moest dan nauwkeurig overwegen of die orde wel goed was, want als iemand niet de plaats kreeg, die hem toekwam, was dit een grote belediging. Vóór 1754 werd zeezand gestrooid langs de weg van 't sterfhuis naar 't kerkhof. Na de begrafenis werden allen bedankt voor hun tegenwoordigheid en uitgenodigd naar het sterfhuis te gaan om daar een en ander te gaan gebruiken.
Hier werden wijn, brandewijn, bier, tee, koffie, kaas, gevogelte, tabak, pijpen, enz. aangeboden en men deed zijn best om dit maal zo goed mogelik te doen zijn, omdat het »de laatste eer was, die men aan de dode kon geven."
Bij de begrafenis van Johannes Heufke (1739) werd 20 rkds. uitgegeven voor »geraspbrood, koekies, kraakelinge, eyzerkoek en verder gebak," 2-1/2 rkd. voor »een gros lange pype," 3 rkd. 2 schellingen voor »4000 amandel", 21 gulden voor »Hollands gebak" en 12 gulden voor »Caabs gebak."
Een afleiding voor de Kapenaars was zeker wel een wandeling door de prachtige Kompanjiestuin, waar vele schrijvers van spreken als van een van de wereldwonderen.
Anderen zijn niet zó uitbundig in hun lof, maar dat hij de moeite van het bekijken waard was, is zeker.
Valentijn is er biezonder over verrukt. Hij vond er allerlei gewassen, die hij nooit te voren had gezien en dat er degelik werk werd gedaan, blijkt ook wel uit wat hij vertelt over de arbeid van de baas-tuinier en eveneens uit de lange lijst van planten, die hij opgeeft, die alle door de zorg van die tuinier òf een naam hadden gekregen òf geklassificeerd waren.
Een wandeling door deze tuin nu was zeer aangenaam, omdat men er niet alleen allerlei groenten, maar ook veel bloemen en vruchten zag.
De tuin stond onder scherp toezicht, maar het grote euvel der maatschappij, de omkoopbaarheid van haar ambtenaren, had zich zelfs onder de slaven verspreid.
Ziehier wat Valentijn zegt[67]:
»Maar men mag niet het allerminste afplukken, waar op swaare straffen staan gelijk er ook doorgaans over al zeer veel spions van slaven zyn, die daar net op weten te passen. Ook hoort men zeer zelden daar af en als dat bij ongeluk al eens geschied koopt zulk een onvoorzigtige dit liever met een steekpenning aan die slaaven te geven, af, dan dat hy sich voor de verbolgentheid en gramschap van den Thuinier of van den Heer Gouverneur, bloot zou stellen." Voor druiven was dit verbod niet overal even streng als in de tuin van de Kompanjie naar het schijnt, want hij vervolgt op bladzijde 22 van genoemd werk: »Men mag van de zelve, als men in een wijngaard is, zooveel als men er begeert om niet eten; doch de bossen, die men mede neemt, moet men betaalen."
De zorg voor de bomen en de moeite, die men nam om de aanplant te bevorderen en de vernieling ervan tegen te gaan, blijkt echter overal en steeds even groot te zijn geweest als in de tuin te Kaapstad.
Simon van der Stel had 16.000 eiken op de Tafelberg geplant. En hoewel er 4000 door bavianen vernield werden, groeiden de andere goed, zodat bij het eind van zijn bestuur in 1699 sommige reeds 36 voet hoog waren[68].
W. A. van der Stel volgde in dit opzicht het voetspoor van zijn vader. In 1700 zond hij 12.000 jonge eiken naar Stellenbosch en 8000 naar Draakestein.
Ds. Hercules van Loon zou het oppertoezicht hebben over 't planten. Maar de burgers zorgden er niet goed voor.
Niet alleen, dat ze er weinig zorg aan besteedden, maar de boomen werden opzettelik vernield of voor brandhout gebruikt[69]. Van der Stel zag zich daardoor genoodzaakt weer de oude strafbepaling van 40 jaar te voren in 't leven te roepen, waarbij aan iemand, die een tuin of boom beschadigde, 12 maanden dwangarbeid werd opgelegd.
De boomaanplant bleef echter zeer langzaam gaan. De boeren verontschuldigden zich door te zeggen, dat er zoveel vogels in de bomen woonden, die veel schade aan 't koren deden.
De straffen bleven daarom steeds zwaar, want men moest hout hebben en wilde dus de burgers dwingen om, als ze dan zelf geen bomen plantten, tenminste die aanplanting niet te doen mislukken[70].
Het gebeurde eens zelfs, dat men zo weinig hout had, dat er niet genoeg was om de kruiwagens van de Kompanjie te herstellen, die daaraan dringend behoefte hadden.
Van Mauritius had men lange tijd veel hout gekregen, maar in 't begin der achttiende eeuw had men daar met allerlei tegenspoeden te kampen.
Orkanen vernielden veel bomen en ontsnapte slaven staken vaak de gebouwen van de Kompanjie in brand.
Het valt dus niet te verwonderen, dat het aankweken van bomen een levenskwestie werd.
Kolbe verhaalt, dat een rijk burger een dienaar van de Kompanjie had weten over te halen hem wat eikenloof te bezorgen.
Deze burger moest zelf een boete van 125 rijksd. betalen en de dienaar werd levenslang naar Robben-eiland verbannen.
In 1740 werd zelfs de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger twee jaar als veroordeelde in ketenen op de openbare werken zou moeten arbeiden.
De aanbrenger, wiens naam geheim werd gehouden, kreeg een beloning van 20 rkds.
Deze straffen zijn buitensporig zwaar in onze ogen, maar we moeten niet uit het oog verliezen, dat de manier van straffen van die dagen in het algemeen heel wat verschilde van die van onze tijd.
Sommige van die straffen zijn trouwens ook heel zonderling.
Zo lezen we, dat in 1739 een bootsman had gevloekt. Waarschijnlik stond dit feit niet op zich zelf. Ten minste de zeelieden van die tijd moeten dan wel veel deugdzamer geweest zijn dan de tegenwoordige. Maar in elk geval deze vloeker werd gehoord door iemand, die daar dadelik een aanklacht over indiende. Nu werd hij veroordeeld om drie achtereenvolgende Zondagen bij de ingang van de kerk te staan met een bord met het opschrift »Godslasteraar" op zijn borst.
Ik ben geneigd aan te nemen, dat, als de kerkgangers de woorden hadden kunnen verstaan, die hij onderwijl dacht, maar niet uitsprak, het getal van drie Zondagen met verscheidene zou vermeerderd zijn.
Zodra men zich vergreep aan de goederen van de Kompanjie zelf, werden natuurlik de strengste straffen toegepast.
Toen b.v. in 1737 verscheidene schepen van de Kompanjie strandden en bijgevolg veel wrakgoed aanspoelde, werd ieder, die men betrapte op het meenemen van die goederen van het strand, zonder enige vorm van proces opgehangen. Voor dit doel had men opzettelik enige galgen op het strand opgericht.
Voor de onhandelbare jeugd had men eveneens een paardemiddel.
Zo werd op 15 Oktober 1720 door Jan Nel, diaken van Stellenbosch, aan de overheid een rekwest gezonden, waarin hij klaagde over de stoutheid van een jongen van 12 jaar, die door de schoenmaker, bij wie hij in de leer was, niet getemd kon worden. Hij vroeg dan ook eerbiedig om dit jongmens voor enige tijd aan boord van een schip te brengen[71].
Nu geloof ik niet, dat men uit het bovenstaande mag afleiden, dat er van de zeelieden van die tijd zulk een uitstekende invloed uitging, maar het dikke pektouw zal waarschijnlik de grote deugdvormer zijn geweest.
Deze aanvraag staat volstrekt niet op zich zelf. Ik heb ook op andere plaatsen voorbeelden gevonden van toepassingen van soortgelijke vonnissen.
Men moest echter wel trachten goed te maken door overmatig strenge straffen, wat men aan politie-kontrôle te kort kwam.
Onder Simon van der Stel had men reeds een burgerwacht gehad, die 's nachts de stad patroeljeerde en op 't eind der 17de eeuw werden ook in Stellenbosch en Draakestein veldwachters aangesteld, maar de uitgestrektheid van de kolonie was te groot om een behoorlik toezicht uit te oefenen.
De ongelukkigen, die in handen der Justitie vielen, moesten daarom boeten voor degenen, welke ontsnapten.
Een merkwaardig kenmerk van de straffen van die tijd is hetzelfde, dat helaas nog zoveel hedendaagse straffen dragen, n.l. dat ze zo weinig het karakter hebben van een goedmaken door arbeid voor de gemeenschap, wat de misdadiger tegen die gemeenschap heeft misdreven.
Het brute uitblussen van het leven van het individu of het verminken, waardoor het in het eerste geval geheel en in het tweede geval vaak gedeeltelik voor arbeid ten behoeve van de gemeenschap werd ongeschikt gemaakt, was zeer algemeen.
Een uitzondering hierop maakten de verbanningen naar Robben-eiland, waar de dwangarbeiders b.v. een zeer nuttig werk deden door het branden van kalk uit de zeeschelpen (Valentijn).
Stavorinus zegt, dat op datzelfde eiland veel kalksteen werd gehakt voor Kaapstad.
Nu we ons bezighouden met de straffen, die op misdadigers werden toegepast, zal het zeker niet ondienstig zijn een paar woorden te wijden aan het stelsel van slavernij, dat voor veel van de misdaden verantwoordelik was.
Wij zijn in de twintigste eeuw allen te zeer overtuigd van het schandelike van slavernij en van de slechte invloed, die hij op de maatschappij heeft, dan dat het nodig zou zijn, dit hier in den brede te betogen.
Ik zal me dus bepalen tot enkele grepen uit het leven der slaven aan de Kaap in die tijd.
De maatschappelike positie van de slaven was in de eerste tijd van de nederlandse volksplanting ver van slecht. Integendeel.
De kolonie was eigenlik bijna zonder slaven begonnen. In 1657 bestond de hele bevolking uit 134 personen, vrouwen en kinderen meegerekend en er waren maar 8 slaven. In 1658 echter nam een hollands schip »de Amersfoort" een portugees slaveschip en bracht de overlevende slaven van dat schip aan de Kaap.
Van Riebeeck had reeds de Heren Zeventien gevraagd om slaven, maar de eerste troep kwam er op bovengenoemde manier.
Er werd in die tijd geen onderscheid gemaakt tussen mensen en mensen om de kleur alleen. Huweliken tussen Europeanen en vrijgemaakte slaven van zuiver ras waren verboden, maar blanken mochten wel trouwen met vrijen van gekruist ras. Dit bracht natuurlik, vooral in de eerste tijden, toen het getal der kolonisten nog zo klein was, grote voordelen mee. Bij het bouwen van het fort en in 't algemeen ten opzichte van de verdediging tegen de inboorlingen voornamelik was het gewenst zich zo sterk mogelik te maken. Men legde daarom in die tijd een heel andere maatstaf aan dan honderd jaar later. In Van Riebeecks tijd plaatste het Kristen-zijn blank en zwart op dezelfde lijn.
Andere maatregelen uit die tijd wijzen er eveneens op, hoe bang men was voor de inboorlingen.
In 1677 werd b.v. de doodstraf gesteld op 't verkopen van geweren of ammunitie aan Hottentotten. Zelfs was het een strafbaar feit de Hottentotten in geld te betalen voor hun werk, zogenaamd omdat ze er de waarde niet van kenden, maar eigenlik, omdat ze met geld zich misschien gemakkeliker geweren enz. konden aanschaffen. Het was eveneens verboden om ze te betalen in halfbloed schapen, omdat men dan niet kon nagaan, welke dieren van hun kudden door hen waren gestolen en welke niet.
Dit laatste is volkomen te begrijpen.
In 1691 waren er ongeveer 50 vrije negers in de kolonie en zij hadden dezelfde politieke vrijheden als de Europeanen.
Watermeyer zegt ook: »In het grootste deel van de eerste eeuw van het hollandse bewind was het leven van de zwarte even heilig als dat van de blanke en de wreedheden, waarvan wij huiveren, van mensen, die op Bosjesmannen jacht maakten als op wilde beesten, kwamen niet voor dan in het einde van de achttiende en in het begin van de 19de eeuw.
Van de stichting van de kolonie tot 1750 waren zulke enormiteiten nauweliks bekend."[72]
Thunberg verhaalt, dat een slaaf over zijn meester kon klagen tegen de Fiskaal en dat dan de meester vaak boete moest betalen. Een slaaf kon echter overigens geen getuigenis geven en was altijd te onderscheiden van een vrijgelatene, doordat de laatste kousen, schoenen en een hoed droeg, terwijl de slaven dit niet mochten doen[73].
Kinderen, die in 't slavehuis der maatschappij geboren waren, moesten volgens de wet van 1721 gedoopt worden. De opzichter en bij diens afwezigheid de zieketrooster moest peet staan en de kinderen moesten naar school en kerk worden gezonden. Op die manier werd hun de weg naar vrijheid opengesteld. Want één der voorwaarden daarvoor was ook, dat ze Kristenen moesten zijn.
Natuurlik betekende dit niet, dat ze in elk opzicht, ook voordat ze vrij waren, behandeld werden, zoals een werkgever tegenwoordig zijn arbeiders behandelt.
Zo vind ik b.v. in het »Journal" opgetekend op 19 Des. 1705, dat het ondeugdelike vlees zou worden afgekeurd en aan de slaven zou worden gegeven.
Die konden er zich dus ziek aan eten, maar toch zal deze maatregel, al was 't alleen maar uit eigenbelang, niet altijd toegepast zijn. Men waagde een te grote som geld door het leven van een slaaf in gevaar te brengen.
In 1698 kostten, volgens Leguat, negerslaven van 60 tot 80 rkds.
Drie kwart eeuw later schijnen ze al enorm in prijs te zijn gestegen. Want Sparrman zegt, dat een slaaf die goed mennen en rijden kon 500 Rkds. kostte. Een, die pas van Madagascar kwam, kostte van 100 tot 150 Rkds.
Het gewone voedsel der slaven bestond uit rijst en vooral uit veel vis. Dat was een zeer goedkoop voedingsmiddel, daar b.v. onder W. A. van der Stel steeds een gedeelte der slaven bezig was om vis te vangen voor hun lotgenoten. Dit kostte de eigenaar niets.
Het schijnt, dat men gedurende de eerste halve eeuw wel wat al te gereed is geweest om slaven de vrijheid te geven, wat echter geen gunstige gevolgen had. Meestal waren het mensen, die uit zich zelf nooit aan 't werk gingen dan in de uiterste nood en voor wie vrijheid synoniem was met nietsdoen.
Toen men dit inzag, moest men tegen de vagebondérende vrijgemaakten natuurlik maatregelen nemen.
In 1708 trad Cornelis Joan Simons, officier van de vloot, op als hoge kommissaris. Hij paste aan de Kaap toe het indiese gewoonterecht, dat geen volbloed negerslaaf mocht vrijgemaakt worden, zonder dat de eigenaar de zekerheid gaf, dat de vrijgemaakte persoon niet binnen 10 jaar ten laste van 't armefonds zou komen.
Was dit het geval toch, dan geraakten ze ipso facto weer in slavernij.
Een eigenaardige manier van vrijwording, die de trots der Nederlanders op hun vrijheid aan 't licht brengt, was deze: Als een slaaf als bediende meekwam naar Nederland, was hij vrij, zodra hij landde. Het feit alleen, dat hij op de vrije bodem van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was geweest, was genoeg om hem van alle banden der slavernij te verlossen.
De invloed van de slavernij op de bevolking aan de Kaap is niet gunstig geweest en dit is al vroeg, doch niet vroeg genoeg, ingezien.
Op 25 Februarie 1743 betreurde Van Imhoff het in zijn memorandum, dat in 't begin niet meer blanken waren uitgezonden. Zij, die er waren, hadden een afkeer van handearbeid gekregen. De invoer van slaven had hen steeds in hun luiheid gestijfd.
Blanke handwerkslieden eisten buitensporige prijzen voor hun werk. Metselaars en timmerlui kregen dikwels een rijksd. of 9 schellingen per dag boven de kost en werkten dan nog zo langzaam, dat ze in een bepaalde tijd slechts de helft van het werk deden, dat hun Europese kollega's in die tijd afmaakten.
Op de boerderijen waren blanke arbeiders eenvoudig niet te krijgen, hoeveel geld men ook bood.
In 1716 reeds schijnen de Heren Zeventien min of meer gevoeld te hebben, dat er iets niet in orde was, ten opzichte van de werkkrachten, want ze vroegen uitdrukkelik aan de Politieke Raad, wat hij beter achtte, de invoer van Europese arbeiders of die van slaven.
Er was, helaas, echter maar één lid, dat toen toonde helder genoeg van blik te zijn om te zien, dat alleen europese arbeiders een kolonie konden vormen. Aan de kortzichtigheid van de andere leden is het te wijten, dat de toestand toen niet verbeterd is.
Behalve de slaven speelden de Hottentotten een grote rol als werkkrachten.
Op de boerderijen gebruikte men meestal rondtrekkende Hottentotten. Ze gingen van plaats tot plaats om 't koren zo spoedig mogelik te maaien. Kolbe zegt, dat dit nodig was, daar de Z.O. wind anders daaraan veel schade kon toebrengen[74].
Daar deze Hottentotten dus veel met de boeren omgingen, leerden ze spoedig Hollands. Leguat verhaalt, dat in 1698 alle Hottentotten, die hij ontmoette, reeds Hollands spraken.
Behalve voor het werk op de boerderijen, werden de Hottentotten verder voor allerlei huiswerk gebruikt.
Na de eerste pokke-epidemie in 1713 werd dit echter geheel anders. Daar deze ziekte in 't slavehuis van de Kompanjie was ontstaan, meenden de Hottentotten, dat de Hollanders hen betoverd hadden en de weinigen, die niet ten prooi vielen aan de ziekte, trokken weg. Daardoor was er plotseling een groot gebrek aan bedienden ontstaan en de prijs der slaven steeg aanmerkelik.
Gelukkig kregen in 1714 van 150 tot 200 soldaten van 't garnizoen verlof om bij de boeren in dienst te treden. Dat maakte het gebrek aan Hottentotten enigszins goed.