Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D

Chapter 4

Chapter 44,083 wordsPublic domain

Van de as van het ganna-bosje maakten ze loog. Deze werd met allerlei dierlike vetten vermengd en dan liet men het mengsel vier of vijf dagen en nachten lang doorkoken, terwijl men van tijd tot tijd roerde en nieuwe loog toevoegde[42].

De zeep, die niet voor eigen gebruik nodig was, werd soms naar Kaapstad gezonden en daar ingeruild voor tee en suiker[43].

Inkt vervaardigde men ook en wel door bruine suiker met roet en water te vermengen[43].

Hiermee is alles opgenoemd, wat in die tijd onder de naam van Zuidafrikaanse industrie kon doorgaan.

Daaruit volgt natuurlik ook, dat een reiziger uit Kaapstad des te liever gezien werd, naarmate hij meerdere artikelen bij zich had, waar men op de boereplaatsen verlegen om was.

Om in 't binnenland te verkopen nam Sparrman b.v. op zijn tocht mee koffie, sjokolade en suiker, omdat die artikelen lang niet overal gemakkelik te krijgen waren. Daar kon een mooie winst op gemaakt worden, maar bovendien deed men er de boeren een groot genoegen mee. Ook nam hij naalden mee.

Die werden tegen buitensporige prijzen verkocht.

Wijlen Mevrouw Joubert, wier herinneringen ik hierboven aanhaalde, vertelt immers ook nog, hoe ze soms uren lang naar één verloren naald moest zoeken als kind en hoe ze zelfs aan een gebroken naald op een steentje weer een nieuwe punt moest slijpen, omdat dit artikel zo schaars te krijgen was.

Opmerkelik is ook, dat men een pas moest meenemen, daar de boeren last hadden gekregen om ieder, die zonder pas reisde, naar de Kaap te zenden.

In Kaapstad en Stellenbosch kwam het natuurlik niet voor, dat rijke mensen zich zo moesten behelpen. Zij waren daar in kontakt met de europese beschaving en daarom is het ook geen wonder, dat zij meer geld besteedden aan sieraden en meubelen dan de boeren, die in 't binnenland woonden.

Op 25 Junie 1709 werd een slaaf gehangen wegens diefstal, omdat hij in Stellenbosch in een huis was binnengedrongen en daar had gestolen: 139 Rijksdaalders, een zilveren beurs met 8 diamanten, een met zilver gemonteerde gordel, een vest met 24 zilveren knopen, 16 andere zilveren knopen en een zilveren broekknoop[44].

In de boedel van de Weduwe van Michiel Ley, die in 1719 te Kaapstad stierf waren: »een swart ebbenhoute rustbank met een chitse sprey; stinkhoute ledikant met blaeuw behangsel, bed en verder toebehoren; Oost Indis kisje met koper beslag; spiegels met swart ebbenhoute lijsten; verkeerbort; paar bever vrouwe handschoenen; handmofjes; vaderlandse servetten; fluwele bonet; fijne Suratse combaars; damaste samaren; roode citse samaar", enz.

Bij de allerrijkste mensen vond men soms de hoorn van een jonge rhinoceros, gezet in goud en zilver en zó tot een beker gevormd. Die waren zeer veel geld waard, soms wel 50 Rijksdaalders en werden zelfs als geschenken aan koningen gegeven. Dit kwam, doordat men meende, dat ze de eigenschap hadden, om vergif aan te tonen in dranken, die men er ingoot[45].

Wanneer men over deze periode spreekt en dan woorden als armoede en rijkdom gebruikt, dan dient men natuurlik goed te weten, wat daar in die tijd mee bedoeld werd.

Over de salarissen der ambtenaren sprak ik vroeger. Daarmee heb ik aangetoond, met hoe weinig de Kompanjie meende, dat men kon toekomen.

Als voor deze mening enige grond aanwezig was, dan moet die natuurlik kunnen gevonden in de zeer lage prijzen voor de noodzakelikste levensbehoeften en klederen in die tijd.

Laten we daarom even nagaan, hoe 't met deze prijzen stond.

Henning Husing had in 't begin der eeuw een kontrakt voor vijf jaren voor de leverantie van vlees aan de Kompanjie en de burgers. Dit kontrakt bepaalde, dat hij aan de Kompanjie vlees zou leveren voor 1 st. en 6 duiten per pond en aan de burgers voor 2 st. per pond. Volgende kontrakten werden op dezelfde voorwaarden gesloten[46].

In 1698 waren, zegt Leguat, de levensmiddelen zeer goedkoop, want het brood kostte maar 1 st. per pond.

Het schapevlees ging van 1705 tot 1713 nog belangrijk in prijs achteruit, want Valentijn verhaalt, dat het in het laatstgenoemde jaar voor de burgers maar 13 duiten per pond kostte.

Hij vertelt er tevens bij, dat de leverantie aan de Kompanjie per jaar 20 à 30.000 gulden bedroeg. Er werd dus aardig wat vlees gebruikt door de Kompanjie.

Het is best mogelik, dat sommige reizigers veel onzindelike mensen hebben aangetroffen; de prijs van de zeep was daar dan stellig de oorzaak van.

Leguat zegt tenminste, dat die in 1698 drie schellingen per pond kostte. Ik heb hiervan geen nadere bevestiging kunnen vinden, zodat ik geneigd ben, dit voor een vergissing te houden.

Het schapevlees rees nu en dan zeer in prijs, tengevolge van ziekten en droogte. In 1714 rees het b.v. tot 3 st. en 2 duiten per pond, een voor die tijd buitengewoon hoge prijs.

Het koren, dat in die tijd in Nederland slechts 4 gulden per mud kostte, was aan de Kaap steeds 7-1/2 gulden op zijn minst en gewoonlik veel meer.

Vooral was dit natuurlik het geval in tijden van schaarste.

Zo schrijft Tas in zijn dagboek op 14 Aug. 1705, dat Hans Kasper bij hem om koren kwam vragen en »hij wilde graag 15 guldens voor de mudde betalen." Maar hij kreeg het niet.

Want Tas schrijft er verder bij:

»Men verteld my dat d'E. Comp. voor 't koorn tegenwoordig à 14 guldens de mudde betaald, dan den Gouverneur is genoeg bekend als datter geene der burgers jegenwoordig koorn heeft." »De ordinary prijs" was 8-1/2 guldens zegt hij dan.

In 1714 kwam er een onbekende ziekte onder 't vee en zó moeilik was het in 1718 om slachtvee te krijgen, dat voor het kontrakt voor levering van vlees aan de Kompanjie geen enkele inschrijving kwam.

De prijs van schapen steeg tot 6 à 9 gulden, en trekossen kostten 50 gulden.

Daar staat nu weer tegenover, dat het vlees omstreeks 1750 zeer goedkoop was, zodat men het voor 6 duiten per pond verkocht.

Uit Leibbrandt's »Journal" 15 Julie 1711 en 15 Des. 1711 blijkt, dat men de prijs van een brood dezelfde liet, maar dat men eenvoudig het gewicht naar gelang van de prijs van 't koren veranderde.

Op 15 Julie werd bepaald, dat men 7/8 pond voor 1 st. zou krijgen. Dit werd op 15 Des. 1-1/8 pond voor 1 st.

In 1716 zegt het »Journal" werden van alle kanten klachten gehoord over de sterfte onder 't vee.

Op 14 Sept. vinden we opgetekend, dat het schapevlees 1 st. per pond in prijs _steeg_ en zo een prijs werd, waar nooit bij menseheugenis van gehoord was.

Valentijn geeft ons een heel overzicht van de prijzen van verschillende zaken in 1714[47]. Hij zegt, dat de schepen soms 3, 4 of 5 weken in de Tafelbaai bleven liggen. Dan gingen de passagiers een kosthuis zoeken in de stad. Ze betaalden 1 Rijksdaalder per dag en kregen daarvoor 3 maaltijden.

Dienstboden en kinderen betaalden maar 1/2 Rijksdaalder per dag.

Arme mensen konden ook per maal bediend worden. Dit kostte dan 12 stuivers. Kaaps bier werd gratis geschonken als bij het maal behorende, maar franse wijn of hollands bier moesten zeer duur betaald worden.

De vaten voor de wijn der boeren moesten alle in Holland gemaakt worden en waren, zoals ik vroeger opmerkte, daardoor zeer duur.

Een legger (± 5-3/4 H.L.) kostte 6 Rijksd. of soms zelfs het dubbele. Een half aam kostte 1-1/2 Rijksd.

Vaak namen schepelingen ingelegde groenten of vruchten mee en behalve de prijs voor 't vat betaalde men dan: voor een half aam ingelegde kool 4 Rijksd. voor een half aam kweeperen 2 of 3 Rijksd. en voor 100 kolen 4 Rijksd.

Boter kostte in 't land 12 stuivers maar in Kaapstad 16 stuivers.

Appels waren 1 st. per stuk. Mooie peren zoals de »bon Chrétien" 2 st. per stuk; een pond druiven 2 st. Smeerkaarsen kostten een schelling, soms zelfs 2 schellingen per pond.

Hout was natuurlik altijd zeer duur aan de Kaap.

Thunberg zegt, dat de planken 2 schellingen per voet kostten[48].

En Sparrman deelt mee, dat een spar van 20 voet lang en 1 voet in diameter 5 Rijksd. kostte.

Er werd in 't algemeen weinig aanmoediging aan de handwerkslieden gegeven. De houtskool, die de smeden van de Kompanjie moesten kopen, was b.v. ook zeer duur. Ze kochten nominaal 36 schepels, maar kregen er nooit meer dan 32 en betaalden daarvoor de enorme som van 18 Rijksd.

Voor 100 pond ijzer betaalden ze 8 Rijksd.[49].

Geen wonder dan ook, dat zelfs de ploegscharen uit Europa moesten gezonden worden[50].

Tas vertelt in zijn dagboek, dat hij voor 20 paar kousen 10-1/2 Rijksd. betaalt; voor 30 ellen baai 15 Rijksd. Maar dit waren artikelen, die aan hem uit Nederland waren gezonden.

Als zijn knecht Ary verdronken is (17 Des. 1705), dan betaalt hij »voor 't doodkleed en 't aanspreeken" 7 Rijksd. »zijnde 't geen daartoe staat."

Op 25 Des. 1705 betaalt hij voor 4 pond koffiebonen 1 schelling per pond en verkoopt 200 mudden tarwe à 9 gulden per mud.

De daglonen schijnen niet zo laag geweest te zijn als men zou verwachten.

Tas schrijft op 29 Jun. 1706 dat Willem Nel voor hem heeft gewerkt 15-1/2 dag à 1 gld. »Voor een vragt door hem voor ons na de Caab gereden" [f] 12.--.

2 mudden Erten verkoopt hij op die dag voor 16 Rijksd.

Een legger kaapse wijn kostte 40 Rijksd. Die van Constantia kostte echter 80 Rijksd. voor vreemdelingen. Maar de Kompanjie gaf niet meer dan 25 Rijksd.[51]

Aan de Kaap kostte de Constantia, in 't klein verkocht, 2 Spaanse dollars ([f] 6.60) per fles.

Ten slotte dit: Op 26 Julie 1703 vroeg Ds. Bek om een som als schadeloosstelling voor het gemis van een woning. Hem werd 6 Rijksd. per maand toegestaan[52]. Dit zal dus waarschijnlik in die tijd ongeveer de huur van een fatsoenlik huis hebben vertegenwoordigd.

Op 26 Febr. 1710 kreeg dezelfde Ds. Bek 3 Rijksd. voor het aanschaffen van 2 ladingen hout. Die ladingen waren stellig niet groot of de Kompanjie heeft er zich goedkoop af gemaakt, want Valentijn zegt, dat als iemand 't hout kopen moest om te branden, hem dit wel 5 of 6 gulden per week zou kosten.

De duurte van dit hout was misschien de reden, waarom men naar andere brandstoffen uitzag. Valentijn ten minste zegt: »Bij Draakestein ligt de plaats van den Borgermeester Abraham Villiers, daar men alleen zeer goede steenkoolen uitgraaft." Later heeft men daar niet meer van gehoord, zodat het wel schijnt of de exploitatie van de mijn geen voldoende resultaten heeft opgeleverd.

Misschien ook is het met de mijn gegaan als met zovele andere ondernemingen uit die tijd. Men ving met iets aan, maar had vaak òf niet de bekwaamheid òf niet het geduld de aangevangen taak voort te zetten.

Bij landbouwprodukten was het klimaat ook vaak een beletsel.

Zo adviseerde Rijklof van Goens, toen hij in Stellenbosch was, de bewoners van die plaats om vlas, hennep en indigo te planten, maar de proeven met deze teelt mislukten.

In 1726 kwam François Guillaumet als ekspert voor de zijdeteelt uit Europa om te trachten hier een bloeiende zijde-industrie te doen ontstaan. Maar ook dat mislukte. Het eerste jaar kreeg men 8 pond zijde. Maar nooit heeft men het verder gebracht dan 10 pond per jaar.

Zó graag had men die teelt hier zien gelukken, dat men zelfs eieren van de zijderups aan de burgers uitreikte. In hoever dit later het monopolie van de Kompanjie zou getroffen hebben, is natuurlik niet te zeggen, maar ze zou er wel weer een middel op gevonden hebben.

In 1735 moest men echter de proef opgeven als mislukt.

De teelt van Angora-geiten werd in 1724 begonnen, maar ook in 1735 opgegeven, daar ze als niet lonend genoeg werd beschouwd.

In 1705 wendden de Heren Zeventien pogingen aan om de boeren er toe te brengen zich op de teelt van wolschapen toe te leggen.

De vrees voor schurft bij de schapen was echter groot en het schaap, dat men wilde invoeren, scheen daar meer vatbaar voor te zijn dan de soort, die men had en die men voor 't vlees hield.

W. A. van der Stel begon echter met de proef in ernst en het scheen wel, of hij die zou doen gelukken ook; maar juist toen werd hij teruggeroepen.

Isaac Taillefer, een Hugenoot, was begonnen met hoeden te maken van Kaapse wol, maar toen hij stierf, hield deze industrie op.

Met de wijn-produktie ging het ook al niet naar wens.

In 1672 was de eerste brandewijn aan de Kaap gestookt[53]. Maar de algemene opinie hierover was nog minder gunstig dan die over de wijn.

In 1719 vroegen de Heren Zeventien om monsters van wijn. Zes halve amen werden gezonden, maar toen die in Amsterdam aankwamen, werd de wijn ongeschikt voor 't gebruik bevonden.

Men probeerde later nog de verzending in grotere vaten en in flessen. Maar de uitkomst was telkens dezelfde.

Alleen in de produktie van koren had men eindelik zijn doel bereikt, namelik om de Kaap te maken tot een land, dat meer zou doen dan in zijn eigen behoeften voorzien.

Men was eerst verplicht geweest rijst van Java in te voeren en de mensen waren daar langzamerhand zó aan gewoon geraakt, dat men geen energieke pogingen deed om de koren-produktie te vermeerderen.

In 1676 onder Isbrand Goske had men zelfs gevraagd om de prijs van de rijst te verminderen. Gelukkig was dit geweigerd.

Vooral Simon van der Stel heeft zijn best gedaan om het voorgestelde doel te bereiken en bij het begin der achttiende eeuw was men zover, dat geregeld koren werd uitgevoerd.

Een enkele maal, zoals in 1700, was men nog verplicht, wegens misgewas, rijst in te voeren, maar in 1706, na een zeer regenachtig oogstseizoen, dat veel schade had gedaan aan 't koren, kon men toch nog 1400 mudden naar Batavia zenden.

Van die tijd af was de strijd gewonnen[54]. De enige strijd, die er nog voortdurend op dit gebied bleef bestaan, was die over de prijzen, die de Kompanjie zou betalen. Het koren, dat uit Bengalen en Surate werd ingevoerd op Java, kon daar goedkoper verkocht worden en dit gaf vaak aanleiding tot pogingen om de prijzen van 't kaapse graan te verminderen.

Deze pogingen leden echter steeds schipbreuk, wat ik boven vermeldde.

Hoewel de boeren te kampen hadden met allerlei ziekten van 't vee, zoals het mond- en klauwzeer, dat in 1723 voor de eerste maal verscheen, de paardeziekte, die in 1719 in Zuid-Afrika kwam enz., is de eerste helft der achttiende eeuw bijna geheel vrij geweest van de sprinkhaneplaag.

In 1695 hadden ze hun verschijning gemaakt aan de Kaap en niet meer vóór het jaar 1746 keerden ze weer. Dit was dus een groot voordeel voor de landbouw en dientengevolge ook voor de veeteelt.

De wilde-dieren-plaag, die soms de veeteelt zoveel schade had gedaan, was nog niet geheel uitgeroeid, maar in elk geval lang niet zo algemeen meer als het geval was geweest.

Op 29 Julie 1705 schrijft Tas in zijn dagboek: »Wij vinden op ons land dicht na 't land van Botma vers leeuw of tijgerspoor."

Op 4 Februarie 1706 vermeldt hij, dat er 7 wilde honden onder de schapen waren gekomen en daar schade hadden aangericht. Maar het feit, dat hij dit zo uitdrukkelik vermeldt, bewijst wel, dat het een niet zo algemeen voorkomend geval meer was.

Toch, zodra men van de dorpen verwijderd was, schijnt men nog al wat gevaar te hebben gelopen, tenminste Valentijn verhaalt op blz. 113 van zijn werk over verschillende gevallen van ontmoetingen met leeuwen op weg van de Kaap naar Stellenbosch en Draakestein.

De premies voor het doden van wilde dieren werden in 1739 verminderd, wat ook bewijst, dat er niet meer zó'n last van ondervonden werd.

Voor 't doden van een leeuw werd in plaats van 17 rkd. tans 10 rkd.; voor het doden van een luipaard 6 rkd. in plaats van 10 rkd. en voor 't doden van een hyena 2 rkd. in plaats van 3 rkd. betaald.

Bovendien moesten de gedode dieren zelf aan 't Kasteel of aan de Drostdij te Stellenbosch worden vertoond. Deze maatregel was nodig geworden, doordat slimme boeren een vrij voordelige handel hadden weten te drijven in huiden van de bovengenoemde dieren met de Hottentotten, die het wild soms dagreizen ver van het distrikt, waar de huid werd afgeleverd, hadden gedood.

Wat Thunberg en Stavorinus vertellen, dat namelik de leeuwen enz. _levend_ moesten afgeleverd worden om de premie te krijgen, is natuurlik een sprookje[55].

Deze premies werden betaald uit een belasting, die bekend is onder de naam van leeuw- en tijgergeld. Stavorinus vertelt, dat dit voor iedere burger 4 rijksdaalders voor leeuwegeld en 2 gulden voor tijgergeld bedroeg.

Kolbe noemt ook nog de wilde olifanten, elanden en bokken, die soms veel schade konden doen aan 't koren.

Heel wat moed en behendigheid moet er toe nodig geweest zijn om deze wilde dieren zover uit te roeien, als we de middelen in aanmerking nemen, die de Kapenaars van die tijd ten dienste stonden tot dat doel.

Want zelfs in 1792 nog spreekt Cornelius de Jong zijn verbazing er over uit, dat men toen zulke uitstekende geweren had aan de Kaap, dat het mogelik was een bok op 80, 90, ja zelfs op 100 passen te doden.

Als dat in die tijd nog zo'n verbazing kon wekken, behoeven we niet te vragen, hoe de wapens een kleine honderd jaar vroeger waren.

Toch dorst men met zulke middelen op de olifantsjacht gaan.

Thunberg ontmoette in 1773 een zekere Jacobus Botha, die toen 81 jaar was. Hij had veel geld verdiend met de verkoop van olifantstanden, die de Kompanjie tegen 1 gulden per pond opkocht.

De moed, waarvan ik zo even sprak, was een hoofdtrek van het karakter van de Kolonisten. Door hun voortdurend leven in de openlucht, omringd door gevaren van wilde dieren en Bosjesmannen, werden hun zenuwen gestaald en zij werden de beste pioniers, die men zich denken kon.

De Voortrekkers van Bloedrivier en Vechtkop hadden hetzelfde onbuigzame en taaie karakter van de achttiende-eeuwers nog, dat hen in staat stelde daden te volbrengen, die door alle eeuwen heen met bewondering zullen worden aangehoord en ons gewone stervelingen zullen doen uitroepen: »En in die dagen waren er reuzen op aarde."

Door hun trekken kregen de kolonisten een hekel aan alles, wat naar dwang zweemde. Ze wilden liefst maar zo ver mogelik af zijn van de stad, waar de handelaars woonden, die altijd trachtten misbruik te maken van hun lichtgelovigheid en onwetendheid.

Wat ze nodig hadden, werd dus door hen niet in de eerste plaats in Kaapstad gekocht of zelfs maar uit Kaapstad verkregen.

Als ze samenkwamen in de dorpen tot het vieren van het nachtmaal, dan was daar allicht te krijgen, wat ze nodig hadden.

Kolbe verhaalt, dat bij de kerk van Draakestein een soort markt was, waar de boeren kruidenierswaren enz. kochten, als ze daar kwamen.

Verder had men de rondtrekkende kooplieden, die natuurlik de boeren even hard beet namen, maar deze voelden zich, ook al werden ze beet genomen, niet zo hulpeloos overgeleverd aan de listen en lagen van geldgierige kooplui, zolang ze maar op hun eigen grond en in hun eigen omgeving waren.

Hierboven deelde ik met een enkel woord mee, dat in 1742 de eerste slagerswinkel te Stellenbosch werd geopend. De primitieve toestand van het winkelwezen komt ook duidelik uit, wanneer men de bepalingen leest, die daarbij werden gemaakt.

Pieter Wium was de slager, die in de winkel zou wonen. Hij moest twee keer per week op Woensdag en Zaterdag, gezond, vers schapevlees te koop aanbieden tegen 2 st. per pond en een schelling voor 4 pond en hij zou voor die prijs aan niemand mogen weigeren vlees te verkopen. Vier keer per jaar zou hij op dezelfde kondities ook rundvlees moeten verkopen.

Indien hij zich niet aan deze voorwaarden hield, zou hij 25 rkd. boete moeten betalen aan de armekas.

Maar niet alleen Stellenbosch was nog in zijn eerste ontwikkelingsperiode, Kaapstad was ook bij lange na nog niet, wat men een »stad" kon noemen.

Valentijn spreekt nog steeds, zoals ik vroeger opmerkte, over het »vlek".

En hoe de toestanden er waren, blijkt b.v. ook uit het »Journal", waar we aangetekend vinden, dat er in 1710 besloten werd een behoorlike muur om de begraafplaats te bouwen, daar deze open lag en men varkens en andere dieren wilde beletten de grond om te wroeten en zo de lijken te schenden.

En zelfs in 1792 zegt Cornelius de Jong nog: »De Kaap, niet bestraat zijnde, is in den regentijd een algemeene dijk, hetwelk de laarzen zeer noodzakelijk maakt. De goten, die wijd zijn, midden door de straten loopen en meesttijds het water niet kunnen verzwelgen moet men bij sterken regen overspringen"[56].

Toch volgde men in het huiselik leven de hoofse zeden van de Europese steden.

Voor dat men aan tafel ging, bracht een slavin bij ieder der gasten een bekken water en een handdoek en datzelfde gebeurde, als ze opstonden. In de huizen van de rijken stond zelfs achter iedere stoel een slaaf met een palmblad om koelte toe te wuiven of om de vliegen te verdrijven, die plaag, waarover zo vele reizigers aan de Kaap al geklaagd hebben[57].

De gastvrijheid der buitenlieden, waarover ik vroeger gesproken heb, bestond echter in Kaapstad niet. Men kon er onderdak krijgen, maar tegen betaling.

Velen in Kaapstad leefden zelfs van dit houden van kosthuizen en konden dus onmogelijk zo vrijgevig zijn met hun gastvrijheid als de lieden buiten de stad.

Het gebrek aan winkels van allerlei waren werd aan de Kaap goed gemaakt door verkopingen, die vaak door de zeelieden werden gehouden. Officieren waren gewoon te hunnen eigen bate allerlei dingen te koop aan te bieden.

Als ze uit Holland kwamen, hadden ze gewoonlik wijn, bier, hammen, kazen, tabakspijpen enz. te koop en wanneer ze uit Indië kwamen, verkochten ze vaak katoen, sits, rijst, tee enz.

Niet alleen hollandse, maar ook engelse officieren deden dit. Deze laatsten boden meestal fijn en grof ijzerwerk, vooral matrozemessen en scharen te koop aan.

Dit werd door de Kompanjie toegelaten op voorwaarde, dat ze 5 percent van de verkoopsprijzen aan de fiskaal betaalden.

Vermakelikheden waren er ook nog niet veel. Als de kanonnen van Robben-eiland de komst van een schip aankondigden, liep jong en oud uit om te zien, welk schip het was en als het voor anker kwam, dan was iedereen nieuwsgierig om het nieuws te horen, dat door de van boord komenden zou worden meegedeeld.

Maar als er geen schepen kwamen, was het leven vrij eentonig.

Onder Van Assenburg werd het de gewoonte, dat de burgers met hun vrouwen een bezoek aan 't kasteel brachten op Nieuwjaarsdag en op zijn verjaardag tussen 10 en 11 's morgens. Ze werden dan uitgenodigd daar het middagmaal te gebruiken en bleven de gehele dag tot 's avonds 9 uur.

Eens zelfs gaf hij bij een dezer gelegenheden een stieregevecht te zien op 't plein van het Kasteel. Dit viel echter bij de vreedzame Kapenaars niet biezonder in de smaak en werd daarom nooit herhaald.

Onder de huiselike vermaken waren vooral bekend het schaak-, kaart-[58] en damspel. 's Avonds, als men z'n vrienden ging bezoeken, werd er muziek gemaakt en vaak ook werd er gedanst. Maar men maakte er geen nachtwerk van, zoals tegenwoordig.

Want om negen uur begon ieder zich gereed te maken om naar huis te gaan. De slaven stonden met brandende lantarens gereed om de heren en dames naar huis te geleiden, daar straatverlichting nog onbekend was.

In Stellenbosch had men van 1 tot 14 Oktober kermis. Die was in 1686 ingesteld. Van alle kanten kwamen de mensen dan toegestroomd. Uit Kaapstad kwamen niet alleen de stedelingen maar ook de schepelingen van de in de Tafelbaai liggende schepen. Het was dan een tijd van grote vreugde en vrijheid. Ieder mocht gedurende deze tijd kopen en verkopen zonder enige beperking.

In 1706 werd echter deze kermis voor goed afgeschaft.

De regering in Indië had namelik verboden verder bij te dragen aan de schietwedstrijden en ook was het niet meer veroorloofd wijn of bier uit te delen op kosten van de Kompanjie, zoals tot dusver de gewoonte was geweest.

Vooral het schijfschieten of papegaaischieten was een belangrijk punt van 't programma.

Men zette een houten vogel (papegaai) op een stang en dan moest door de personen, die hun inleggeld[59] hadden betaald, getracht worden, die vogel eraf te schieten.

Verschillende prijzen werden daarbij uitgeloofd.