Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D
Chapter 3
Dat zou nu alles misschien te verdragen geweest zijn, als de politiek der Kompanjie ten opzichte der boeren maar wat meer stabiel was geweest. Maar dat was er veraf.
In 1699 was b.v. de ruilhandel met de Hottentotten opengesteld. En daar werd zo'n goed gebruik van gemaakt, dat al gauw enige Fransen meer vee hadden dan de Kompanjie zelf bezat[24]. De veeteelt werd nu een levensbestaan voor de burgers, omdat er zeker evenveel aan te verdienen was als aan de landbouw.
Maar in 1703 werd 't besluit weer ingetrokken. Later werd de handel weer opengesteld, maar toen maakte Van der Stel dit besluit niet in de Kolonie bekend.
Verschillende personen hadden het kontrakt voor de vlees-leverantie aan de Kompanjie gehad, sedert Husing dat in 1700 kreeg. Doch toen in 1722 en '23 er niemand was te vinden, die het kontrakt op de gestelde voorwaarden aandurfde, kregen de burgers _bevel_ levende schapen voor 6 gulden en vlees tegen 2 stuivers per pond te leveren[25].
Ondanks dit feit nu werd in April 1727 weer een veel strenger plakkaat uitgevaardigd, dat _alle_ handel van private personen met inboorlingen verbood. Dit werd nu wel uitgevaardigd als een gevolg van de onmogelikheid om de deelnemers aan de strooptocht van Van der Heijden in 1723 te straffen, maar de burgers hadden er _allen_ door te lijden.
Van wijn was er een chroniese overproduktie. Uitvoer was verboden in 't begin der achttiende eeuw, want misschien zou dit het monopolie van de Kompanjie voor Europeese wijnen benadelen.
De wijnboeren hadden dan ook al lang geklaagd, dat ze ongeveer 2000 leggers wijn over hielden elk jaar, waar ze geen weg mee wisten. Eindelik in 1743 besloten de Heren Zeventien iets voor deze klagers te doen. Ze zouden in 't vervolg op schepen en nederzettingen wijn doen gebruiken in plaats van brandewijn.
En indien een tamelik goed artikel te krijgen was, zouden ze zelfs vrije handel in wijn op Indië aan de burgers toestaan, op voorwaarde, dat ze 4 rkd. aan vracht en 12 rkd. aan belasting per legger betaalden. Deze »weldaad" was weer van zulk een aard, dat de burgers er maar liever voor bedankten, daar dit de toestand niets zou verbeteren.
Toen kwam de goeverneur-generaal Van Imhoff met een ander voorstel in plaats van dit.
De belasting van 1714, die een rijksdaalder per legger bedroeg, zou worden verhoogd tot drie rijksdaalders. Daarna zouden de burgers nog moeten betalen 1 rkd. per legger aan de fiskaal, als de schepelingen de kopers waren, en 5 rkd. per legger aan de wijnpachter, als de kapitein of administrateur van 't schip de kopers waren. Dan zouden ze ook mogen verkopen aan alle bezoekers[26].
De Kompanjie echter zou 63-1/2 gulden per legger betalen. Ze dacht ongeveer 4 leggers voor elk schip nodig te hebben, behalve een deel, dat ze naar Nederland en naar Batavia zou laten sturen voor de schepen, die naar de Kaap kwamen en dan nog een aantal vaten voor haar werkvolk in Indië.
Dit was tenminste een kleine vooruitgang sedert 1698, want toen en vele jaren daarna bestond de bepaling, dat wie wijn verkocht buiten de Kompanjie om, zou beboet worden met 125 rkd. bij de eerste overtreding, gegeseld worden bij de tweede en verbannen worden bij de derde.
De overproduktie werkte dit »smokkelen" echter in de hand. Want vaten waren buitengewoon duur, daar ze alle uit Holland moesten komen, en de boeren konden er dus onmogelik een aantal steeds leeg gereed houden voor de nieuwe oogst.
Wanneer dan ook de nieuwe oogst kwam, verkochten ze dikwijls wijn aan 't publiek, tegen zeer lage prijzen.
Het kon natuurlik niet lang verborgen blijven, dat dit vrij algemeen plaats had. Als een redmiddel stelde men vóór de boeren te veroorloven om azijn en brandewijn te maken.
Maar hoewel dit herhaaldelik werd verzocht, is het nooit toegestaan.
In het voorafgaande heb ik een schets willen geven van de betekenis van de V. O. I. C. voor het leven der burgers aan de Kaap. Na dit alles gelezen te hebben, zal men het met mij eens wezen, dat er alle reden is om te geloven, dat de aanhankelikheid aan Nederland door het optreden der Kompanjie niet groter werd.
»Als ze spraken van getrouwheid aan Nederland en de Staten-Generaal dan was dit uit een soort van plicht gevoel, maar niet een uiting van _persoonlik_ gevoel"[27].
VOETNOTEN:
[8] Deze bepaling gold ook voor de later komende Hugenoten.
[9] Leibbrandt, Journal.
[10] Leibbrandt, Journal.
[11] Thunberg, I. pag. 239.
[12] Mrs. Trotter, Old C. C. pag. 248.
[13] Mrs. Trotter, Old. C. C. pag. 247.
[14] Leibbrandt, Rambles.
[15] Theal, Hist. of S. A. II, pag. 57.
[16] Mrs. Trotter, t. a. p. pag. 218.
[17] De Baas Tuinier had in 1714 een traktement van [f] 60 per maand (Valentijn blz. 20). De Landdrosten van Stellenbosch en Draakestein [f] 24 per maand (Journal 28 Febr. 1710).
[18] Leibbrandt, Rambles.
[19] Watermeyer, Three Lectures pag. 46.
[20] Rapport van Commissaris Verburg 1672.
[21] Theal, I. pag. 117.
[22] Leibbrandt, Journal. 19 Maart 1708.
[23] Watermeyer, Three Lectures.
[24] Leibbrandt, Rambles.
[25] Leibbrandt, Rambles.
[26] Theal, II. pag. 48.
[27] Theal, II. pag. 326.
HOOFDSTUK III.
HET MAATSCHAPPELIK EN HUISELIK LEVEN IN ENGERE ZIN.
Nu ik uiteen gezet heb, uit welke personen de Kaapse maatschappij van de eerste helft der achttiende eeuw bestond en onder welke invloeden van binnen en van buiten ze zich langzamerhand had gewijzigd, wil ik trachten een beeld te scheppen van het huiselik en maatschappelik leven aan de Kaap in die tijd.
In de allereerste plaats dienen we dan onze aandacht te vestigen op de huizen van die tijd.
Een schets van de huizen van Kaapstad in de tweede helft der 18de eeuw zegt het volgende:
»Wanneer men oppervlakkig ziet, heeft geen plaats meer het voorkomen van welvaart dan de Kaap. De huizen zijn niet zonder zwier; zommigen zelfs met pracht gebouwd; van buiten met wit of geel en op enige weinige oude na, alle vierkant; velen met platte daken, waar op men wandelende een aangenaam gezicht over het land of de baai heeft; sommigen hebben twee, andere drie verdiepingen; velen hooge stoepen en alle schuiframen. Van binnen is de bouworde algemeen ingericht naar het klimaat. Eerst heeft men een lange breede gaanderij, aan welker achtereinde vier of zes slavinnen op kleine houten bankjes zitten te naaijen of te breijen. Deze gaanderij waarin men meest zit, eet, ontbijt en leeft, is het gewoon vertrek. Ter wederzijde heeft men kamers, die allen, evenals de gang zelve, met groote vierkante roode steenen, bevloerd zijn, hetwelk, gevoegd bij de hoogte der verdiepingen, veel koelte geeft. Een klein vertrek, dat in de gaanderij uitkomt en waarin eetwaren, tafelgoederen en droge provisiën bewaard worden, noemt men de dispens, en de keuken, die achter in het huis is en overal op een binnenplaats uitkomt, heet de kombuis. In weinige huizen vindt men stookplaatsen, doch dezen beginnen langzamerhand veld te winnen. Boven is het vrij algemeen slechter betimmerd; al het fraaije van het huis en de meubelen vindt men omlaag voor het oog blootgesteld. Dit voorkomen van welvaart in de huizen vertoonen ook de tafels, die met een aantal schotels, aangenaam en kostbaar klaargemaakt, opgevuld, en omringd zijn van slaven van welken sommigen met een groen tak, of wel met een waaijer van paauwen-vederen, de vliegen van de spijzen houden en anderen de aanzittende gasten bedienen. Op een afstand staan weder anderen, die de schotels verruilen of dranken aanreiken, die men niet op tafel vindt; alles zodanig ingericht, dat men bij de voornaamste lieden in de Republiek noch beter eet, noch beter gediend is."
In de loop van een halve of driekwart eeuw was er al aardig wat veranderd in de stad, want in 1714 schrijft Valentijn over de huizen in Kaapstad:
»Zij zijn meest van Kaapze klippen gebouwt en doorgaans daarom maar van eene verdieping."
Meestal zijn ze met riet gedekt. Ze hebben »twee Zaletten aan de straat, en verscheide middel- en agterkamers en ook veeltyds een groote plaats agter"[28].
Toch waren niet alle huizen zo eenvoudig meer, want dezelfde schrijver verhaalt ons, dat het huis van Henning Husing en dat van de Fiskaal Blesius in 1705 reeds twee verdiepingen hadden.
Dat van Husing kan wel een mooi huis geweest zijn, daar het, de voor die tijd enorme som van tien duizend Rijksdaalders, gekost had.
De stoep rond het huis bestond uit rode tegels, helder geschuurd of uit blauwe van Robben-eiland.
Buiten Kaapstad zelf waren de huizen natuurlik niet zo mooi, hoewel ze niettemin op sommige plaatsen er vrij fraai uitzagen.
Sparrman vertelt, dat de meeste huizen wit gepleisterd waren van buiten en sommige groen geschilderd. Want zegt hij: »De geliefkoosde kleur voor kleren, boten, schepen en huizen is groen bij de Hollanders."
Sommige huizen waren toen reeds (1772), met platte leien gedekt in plaats van met stro.
Dit schijnt echter nog slechts sporadies te zijn voorgekomen, want op een andere plaats zegt dezelfde schrijver, dat zeer vele huizen nog met riet gedekt waren en zelfs de kerk, wat hem gelegenheid geeft om te zeggen, dat de Hollanders niet meer zorg besteedden aan Gods huis dan aan hun eigen.
Trouwens de beschrijving van de huizen van Kaapstad, die ik boven aanhaalde, ging niet algemeen door, want mensen van mindere stand moesten zich tevreden stellen met kleinere huizen, die bestonden uit een galerij, een kamer aan iedere kant en de keuken achter[29].
Men ziet echter, dat ze wel volgens hetzelfde plan waren ingericht.
De kosten zelfs van deze huizen waren nog hoog genoeg.
Een rieten dak van een dubbelhuis kostte 300 of 350 Rijksdaalders[30].
Daar stond tegenover, dat een dak vrij lang duurde, wel van 20 tot 30 jaar[31].
Buiten Kaapstad had men natuurlik bij de boerderijen korenhopen staan, zoals men die tegenwoordig nog bij hollandse boerderijen ziet.
Tot 1706 had men die onbedekt gelaten, maar in dat jaar vielen er zeer zware regens en die deden veel schade aan het opgestapelde graan, zodat men toen begon ze van een dak te voorzien, om het koren tegen de regen te beschermen[32].
Bij de boerderij lag ook meestal een soort van kraal, waarin het koren werd gedorst.
Een bepaalde ruimte werd goed effen gemaakt en daarop kwam dan een laag van koeiemest en gehakt stro, die men liet verharden.
Dit werd de dorsvloer. Het koren werd in een cirkel op de grond uitgespreid en dan werden binnen de omheining, die gewoonlik van dorenstruiken was gemaakt, eenige paarden losgelaten. In het midden van de kring stonden een of meer slaven met lange zwepen, die de paarden moesten aanjagen. Door het trappen der paarden werd dan het koren zo ongeveer uitgedorst.
De methode was verre van zindelik, maar ze was vlug en kostte niet veel moeite.
Als men meende, dat het koren bijna allemaal uit de aren was, werd het bijeengeveegd en dan werd het in de wind opgeworpen om zodoende het kaf er uit te doen verdwijnen.
Men ziet, dat het bij dit alles zeer primitief toeging.
Bij de huizen stonden verder de slavewoningen, die, in de tijd toen men nog de zinkplaten van tegenwoordig niet tot zijn beschikking had, vanzelf zeer gebrekkig waren[33].
De gastvrijheid van de bewoners van de Kaapkolonie wordt door alle reizigers om 't zeerst geroemd.
Het was een gastvrijheid, die niet bestond in veel _woorden_, maar die zich uitte in daden.
Woorden verspilde de boer niet veel, vooral ook omdat er zo verbazend weinig onderwerpen waren, waarover hij kon spreken met zijn bezoekers, als dat niet even als hij boeren waren.
Kranten bestonden niet aan de Kaap. Zelfs een postdienst was in 1795 nog onbekend. Boeken waren slechts bij uitzondering aanwezig.
De Bijbel en het gezangboek van Willem Sluyters waren de enige boeken, die men kende.
Een enkele, zoals Adam Tas, mocht daarop een uitzondering maken (zie zijn dagboek), maar die uitzonderingen waren hoogst zeldzaam. Van alles, wat er buiten zijn eigen kringetje gebeurde, wist de boer dus zo goed als niets.
Nu en dan mocht hij eens wat nieuws horen van een andere boer, die een reis naar Kaapstad had gedaan, maar dat was de enige kans, die hij had.
Wanneer dus reizigers uit Europa, 't zij Hollanders, Engelsen of Zweden bij hem kwamen, dan waren zij voor hem als wezens uit een andere wereld.
Om deze reden nu horen we meestal van reizigers, dat ze grote moeite hadden om enkele woorden aan de boeren te ontlokken. Daarom ook juist werden ze meestal voor veel dommer gehouden dan ze waren.
Want inderdaad dom waren ze in 't geheel niet. Ze bezaten geen boeke-kennis, maar als 't op gezond verstand aankwam, hadden ze hun meester niet.
In hun voortdurende strijd met wilde dieren, met ontvluchte slaven of Bosjesmannen werd hun geest gescherpt en door het bestuur der Kompanjie werden ze er ook dikwels toe gebracht om hun natuurlik verstand tot minder eerlike middelen te gebruiken om aan gehele ondergang te ontkomen.
Maar dat was _hun_ schuld niet.
En Bernardin de St. Pierre is voorzeker dichter bij de waarheid, als hij in 1771 schrijft van hen: »Deze mensen, tevreden met huiselik geluk, het zeker gevolg van een deugdzaam leven, zoeken geen verstrooiing in romans of toneelvoorstellingen," dan Captain Percival, die op blz. 204 en 205 van zijn »Account of the Cape of Good Hope" een oordeel neerschrijft over de kaapse boeren en boerinnen, dat te schandelik is om het hier te herhalen, maar dat, helaas, door zeer veel schrijvers van later tijd is overgenomen, zij het dan ook in wat zachter vorm.
Toch moet erkend worden, dat het oordeel van Bernardin de St. Pierre ook niet al te letterlik moet opgevat worden.
Sparrman vertelt b.v. dat, toen hij op een boerderij kwam en daar een en ander vertelde omtrent het land, waar hij vandaan kwam en wat hij aan de Kaap kwam doen, de boerin van verbazing de handen ineen sloeg en uitriep, dat ze niet kon begrijpen, hoe het mogelik was, dat iets anders dan absoluut gebrek aan de allernoodzakelikste levensbehoeften in eigen land iemand er toe kon brengen om naar een land als de Kaap te komen.
Maar laat ik op hun gastvrijheid terugkomen.
De opvatting, die ze daarvan hadden, was zo buitengewoon breed, dat we onwillekeurig terug moeten denken aan de oude Germanen, bij wie ze als de hoofddeugd werd beschouwd.
Als een boer een gast zag aankomen, ging hij hem tegemoet, drukte hem de hand, vroeg hem naar zijn gezondheid en bood hem ogenblikkelik voedsel en verfrissende dranken aan.
Let wel, het was niet eerst een angstvallig vragen, wie de aankomer was, om te weten te komen, of men hem zou ontvangen of niet.
Neen, daarnaar vroeg men niet. Hij was een _gast_ en dat was genoeg. Een breder en schoner opvatting van gastvrijheid is zeker wel niet mogelik!
Dan werd de gast binnengeleid door de voordeur, die dikwels versierd was met een hangslot in de vorm van een of ander dier, welke sloten aan de Kaap vrij algemeen waren en uit China waren ingevoerd[34], en vervolgens maakte hij kennis met de vrouw des huizes, die, als ze gezeten was, niet opstond, maar met een hoofdknik de gast begroette.
Hij werd onthaald op wat er in het huis te krijgen was en men beschouwde dit als iets, dat vanzelf sprak. Het aanbieden van geld voor deze gastvrijheid werd als een belediging beschouwd.
Des avonds werden van het gehele huisgezin de voeten gewassen. Deze gewoonte was wel noodzakelik, daar zelfs de meisjes de gehele dag blootsvoets liepen.
Dit gebruik heeft lang stand gehouden, tot zelfs onder voortrekkers.
Mevrouw Generaal Piet Joubert, nu pas overleden, vertelt in haar herinneringen (in de »Volkstem" verschenen) dat zij voor de eerste maal in haar leven een paar kousen aankreeg op haar trouwdag.
Aan de gast werd eveneens deze eer bewezen en daarna ging men ter ruste.
De mannelike leden van het gezin drukten de gast de hand en de vrouwelike gaven hem een kus.
Daar dit gold voor de oudere zowel als voor de jongere vrouwelike leden van 't gezin, zegt Le Vaillant hiervan zeer guitig »dat dit een voorrecht was, waaraan plichten waren verbonden"[35].
Sparrman is vol lof over de ontvangst bij een boer, die hij Van der Spoei noemt.
Te voren had hij over de ontvangst bij een ander geklaagd, maar hij vertelt er zelf bij, dat daar de baas niet thuis was, zodat hij feitelik gastvrijheid van de slaven genoot. Geen wonder, dat het eten enz. dat men hem aanbood, niet al te goed was.
In 't algemeen was het voedsel, dat de boeren zelf gebruikten, zeer voedzaam, te voedzaam zelfs, zodat zich na hun dertigste jaar steeds een neiging tot zwaarlijvigheid vertoonde.
Daar kwam natuurlik ook bij het gebrek aan beweging. Dit gold vooral voor de vrouwen.
Zij hadden hun slaven en slavinnen en deden de hele dag niet veel anders dan bevelen geven. In koud weer zaten ze met de voeten op een stoof en in elk jaargetijde stond de nooit lege koffiepot onder haar bereik en werd geregeld duchtig aangesproken. Dat in warm weer de niet-noodzakelikheid van arbeid soms tot luiheid werd, is duidelik.
Ik geloof echter niet, dat het algemeen was, dat die luiheid zover ging als in 't geval van de boer in de Karroo, waarvan Sparrman vertelt.
Deze reiziger was ongelukkig genoeg juist bij een boer aan te komen om de weg te vragen, toen deze zich gereed maakte zijn middagdutje te genieten.
Zonder op te staan wees hij met de voet de richting, waarin Sparrman gaan moest en sliep toen weer in, zonder zich met hem verder te bemoeien[36].
De dagverdeling van de boeren was als volgt:
Vroeg in de morgen stond men op en nadat men koffie had gedronken, deed men samen het morgengebed, waarbij dan gewoonlik ook een psalm of een gezang uit het boek van Willem Sluyters werd gezongen.
Dan ging men naar de kralen om te zien of met het vee nog alles goed ging en als het in de oogsttijd was, werd een paar uur voor het ontbijt gewerkt aan het binnenbrengen van 't koren of 't persen van de wijn.
Het ontbijt werd gebruikt om 7 uur. Dan werkte men in de drukke tijd door tot 11 uur en gebruikte het middagmaal. Om vier uur at men weer en om 8 uur werd het avondmaal gebruikt[37].
Daarna had men weer een godsdienstoefening voor het gehele gezin en om 9 uur lag ieder in bed.
Vooral in de zomer was het de gewoonte om na het middagmaal een slaapje te doen. Ieder ging naar een donker gemaakte kamer en vermeed op die manier de ergste hitte van de dag.
Dit was zozeer een algemene gewoonte geworden, dat in de tweede helft der achttiende eeuw zelfs de winkels in Kaapstad van 1 tot 3 uur in de namiddag gesloten waren, omdat de winkeliers evenveel recht hadden op een middagdutje als andere mensen!
We hebben gezien, hoe de huizen er van buiten uitzagen. We willen nu nagaan, hoe 't met de meubelen stond.
Le Vaillant zegt: »Al de meubelen zijn getuigen van eenvoudige en edele smaak. Er zijn geen tapisserieën en enkele schilderijen en spiegels vormen de voornaamste ornamenten."
Veel van de meubelen in de 17de en 18de eeuw waren gelijk aan die in Engeland en Holland gedurende diezelfde eeuwen.
Maar van het metalen vaatwerk kwam er veel uit het Oosten. Zo vinden we b.v. opgetekend een order voor metalen potten, pannen enz. ten behoeve van het hospitaal onder Simon van der Stel.
De woorden van Le Vaillant gelden echter weer alleen hoofdzakelik van Kaapstad. Op de boerderijen was men niet zo goed voorzien, vooral niet op de boerderijen, die ten oosten van Stellenbosch lagen.
Ook waren b.v. de meubelen meestal kostbaarder en rijker in Stellenbosch dan in Fransche Hoek. En dit was geen wonder. De bevolking van Fransche Hoek bestond in 't begin der achttiende eeuw bijna uitsluitend uit Hugenoten, die uit hun land gevlucht waren met achterlating van al hun have en goed.
Daardoor waren zij veel armer dan de bewoners van Stellenbosch en hadden dus geen geld om dure meubelen aan te schaffen.
Zij moesten zich behelpen in velerlei opzichten, zowel als de boeren in het binnenland.
Meestal kwamen de verder af wonende boeren slechts ééns in hun leven in Kaapstad, dat was, wanneer ze voor 't Huwelikshof moesten komen om te trouwen. Geen wonder, dat ze dus vaak hun eigen meubelmakers moesten wezen. Als we bedenken, dat zelfs in Stellenbosch eerst in 1742 de eerste _slagers_winkel werd geopend, dan kan het geen verwondering wekken, dat meubelmakers geheele onbekend waren buiten Kaapstad.
Ruwe houten stoelen met zittingen van riempjes, door de boeren zelf gesneden en tafels, door hen zelf getimmerd, vormden zowat het enige meubilair in de woonkamer, terwijl de slaapkamers voorzien waren van »katels" (ledikanten), die eveneens het werk van de boer zelf waren.
Aardewerk was grotendeels onbekend in de huizen van de boeren. Op de lange en moeilike reis over de ruwe en hobbelige wegen van Kaapstad naar hun boerderij brak het bijna allemaal, als ze nog de moeite deden om het mee te brengen.
Het werd gewoonlik op zeer doelmatige wijze vervangen door houten vaatwerk of door kalebassen, die voor allerlei doeleinden gebruikt werden.
Over de eerste rij bergen was geen enkele winkel van manufakturen, kruideniers-waren of aardewerk.
Alles, wat op dit gebied nodig was, moest dus òf door de boer zelf meegebracht worden, als hij eens per jaar misschien eens een wagen met produkten wat dichter naar de beschaafde wereld bracht, òf het moest verkregen worden van de rondtrekkende »smousen", die echter in die tijd ook nog vrij zelden zich vertoonden ver van Kaapstad.
Het merkwaardige van 't geval was, dat deze lieden, die in zulke armoedige omstandigheden leefden, vaak rijk konden genoemd worden.
»Daar zijn plaatsen van 4000, 5000, 10.000, ja van 20.000 Kaapse guldens ijder tot 16 stuivers gerekend," zegt Valentijn.
En Sparrman deelt mee, dat eigenaars van honderden schapen rondliepen met lappen op hun ellebogen. De kinderen waren vaak in schapevachten gehuld als de Hottentotten[38].
Hij vond maar één man in de gehele kolonie, die wol wist te spinnen.
Ze moesten ook hun eigen schoenen maken natuurlik. Nu, leer hadden ze genoeg, want wild was er nog in overvloed en ossen hadden ze ook veel.
Als merkwaardigheid deel ik mee, dat Sparrman eens een boer ontmoette, die schoenen aan had, welke van leer van een leeuwehuid vervaardigd, gemaakt waren. Het was zeer zacht en buigzaam[39]. Dit zal echter wel een uniek geval zijn geweest.
Voor kleren gebruikte men ook vaak leer, zelfs ongelooid in plaats van geweven stoffen om de veel grotere duurzaamheid.
Doch gewoonlik bezaten de boeren behalve hun gewone werkpak, dat meestal zijn ontstaan aan huisvlijt te danken had, een blauw pak, dat alleen voor de dag kwam, als ze naar een nachtmaal of naar Kaapstad gingen en in 't laatste geval nog eerst, als ze bij de ingang van de stad waren[40]. Dat duurde dan misschien hun gehele leven.
Door de weinige aanraking, die ze hadden met de beschaafde wereld, begonnen vanzelf ook de behoeften der boeren te verminderen. Vaak zelfs vervielen ze tot een zekere mate van slordigheid, die uitkwam in de weinige zorg, die ze aan 't in- en uitwendige van hun woningen besteedden.
Sparrman vertelt, dat hij bij een boer kwam, die slechts één stoel had, waarvan dan nog een paar poten waren afgebroken en die toch zó, als hij was, gebruikt werd, door hem tegen de muur te zetten. Dit is echter een feit, dat niets bewijst. Dergelijke dingen komen nu nog voor. Slordigheid zal wel even goed toen bestaan hebben als nu.
Maar, als hij dan tevens vertelt, dat 2 personen uit dezelfde schotel aten en dat diezelfde schotel dienst deed voor alle gerechten aan 't maal, dat verder elke gast zijn eigen mes meebracht en dat men in plaats van een vork zich vaak van de vingers bediende[41], dan komt het daarin duidelik uit, dat we te doen hebben met mensen, die 't zich niet graag lastig maken en die eenvoudig zich afvragen: »Kan het zó ook niet?" in plaats van de vraag te stellen, die de beschaafde stedeling stelde toen als nu: »Hoort het wel zo?"
Lepels werden vaak gemaakt van de hoorns van hartebeest en gnoe.
De huisindustrie kwam verder alleen tot uiting, als de noodzakelikheid tot het een of ander aanwezig was.
Zo maakten de kolonisten zelf hun zeep en hun kaarsen.