Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D

Chapter 2

Chapter 24,058 wordsPublic domain

Robben-eiland was tamelik dichtbij Kaapstad en de reis daarheen heeft menigeen moeten doen zonder een kans om gauw weer terug te komen. Zo lezen we b.v. dat op 9 Des. 1700 een ambtenaar van de Kompanjie werd gevonnist. Hij was blijkbaar het dienen moe geworden en had de vrijheid genomen om het binnenland in te gaan. Daar had hij 9 maanden lang in Draakestein geleefd, alsof hij zelf een burger was. Voor dit uitstapje werd hij gegeseld en moest een jaar lang in de boeien dwangarbeid verrichten[9].

Op 11 Maart 1706 werd besloten om nu en dan eens wat opruiming te houden onder de ongehuwden en luiaards in de stad en daarbuiten. Speciaal zij, die zich ook in andere opzichten misdroegen, zouden dan worden gevangen genomen en om het land te zuiveren, zouden ze per eerste gelegenheid naar Indië worden gezonden als soldaat tegen 9 gld. per maand[9].

Dat de Zeventien volstrekt niet erg kieskeurig waren in de keuze van hun ambtenaren blijkt b.v. ook uit wat we lezen van een vonnis op 28 Febr. 1710.

Jacob Hendriksz., ex-burger van Stellenbosch, werd verbannen naar Robben-eiland, doch slechts tot aan het vertrek der vloot, want, omdat hij vrouw en kind had, zou hij in dienst genomen worden als soldaat en met z'n familie naar Ceylon worden gezonden[9].

Het mooie van deze »medelijdende" daad was, dat natuurlik de Kompanjie er ook door gebaat werd.

Het kan ons dan ook geenszins verwonderen aan de andere kant, dat op 30 Junie 1731 de telling van de ambtenaren der Kompanjie aantoonde, dat er van 1000 man 56 veroordeelden en 20 gekommandeerden op Robbeneiland waren. Dat is ruim 7-1/2 percent. De staat van gezondheid gaf aan dat er 170 man in 't Hospitaal lagen[10].

De telling in 1732 bracht aan 't licht dat van de 1016 ambtenaren er 50 veroordeelden en 17 Gekommandeerden op Robbeneiland waren.

Zo weinig waren zij in tel, die in dienst der Kompanjie stonden, dat men zelfs geen eerbied had voor de heiligheid van de nalatenschap der zeelieden en matrozen.

Als een van hen aan de Kaap stierf, werden zijn bezittingen verkocht om de onkosten van de begrafenis enz. te bestrijden. Dat werd gewoonlik zó gedaan, dat het zelden gebeurde, dat er iets van betekenis aan de bloedverwanten in Europa kon gestuurd worden[11].

Uit deze enkele gegevens heeft men reeds kunnen opmaken, dat mijn oordeel over het bewind der Oost-Indiese Kompanjie niet al te gunstig is. En nu weet ik wel, dat men ze verdedigt door te zeggen, dat ze in geen enkel opzicht slechter was dan andere Handelsmaatschappijen van haar tijd.

Dit mag waar wezen. Het ligt natuurlik buiten het bestek van deze verhandeling om dit te verdedigen of te bestrijden. Daar ik slechts aan te geven heb in hoeverre de daden der Kompanjie het maatschappelik leven der kaapse burgers raakten, wil ik met een aantal feiten duidelik maken, wat die Kompanjie dan wel deed en welke fouten haar aankleefden, zonder daarbij na te gaan of ze slechter of beter was dan andere van haar tijdgenoten.

In de allereerste plaats moet ik wijzen op de eigenbaat, die uit zoveel van haar handelingen blijkt en op het schromelike egoïsme, waarmee ze haar ambtenaren (tot haar eigen voordeel) wenste te doordringen, een egoïsme, dat natuurlijk echter ook zeer sterk tot uiting kwam, waar het de belangen van die ambtenaren _zelf_ gold, zelfs waar die in strijd waren met de belangen van de Kompanjie.

Op de 30ste Desember 1731 was er een schip gestrand in de St. Helena-baai. Zij, die daar op een post dichtbij waren, kregen bevel om alle mogelike hulp te geven aan de schipbreukelingen, maar met de uitdrukkelike bepaling erbij, dat dit alleen mocht geschieden, als het gestrande schip er een van de Kompanjie was.

Waren het vreemdelingen, dan konden ze verdrinken, daar bemoeide de V. O. I.-C. zich niet mee.

De geschiedenis van »De Jonge Thomas" is te bekend, dan dat ik daarover zou behoeven te spreken. En hier gold het nogal haar eigen landgenoten en dienaren. Maar haar koopwaren waren meer waard dan de levens van haar matrozen.

Onder Van der Stel de Oudere werd de tabaksteelt streng verboden aan de kolonisten, omdat zij door die teelt het monopolie der Kompanjie zouden kunnen benadelen. Dat door veranderde omstandigheden die teelt later werd toegestaan, doet natuurlik niets aan het feit af.

Niet alleen het monopolie van de tabak had de Kompanjie, maar ze ontzag zich niet om grof geld te verdienen aan de verkoop van »Dagga"[12] aan de Hottentotten, die daardoor nog dieper zonken.

In 1699 werd de veehandel opengesteld voor de burgers op voorwaarde, dat zij dan trekossen zouden leveren aan de Kompanjie voor 10-1/2 gulden per stuk, een zeer lage prijs.

Toen in 1743 uit Indië bericht kwam, dat de prijs van 't koren, dat aan de Kompanjie werd geleverd, moest verlaagd worden tot zeven gulden, lokte dit natuurlik protesten uit, want de kostprijs was voor de burgers in 't beste seizoen reeds over de zes gulden. Eerst toen men zag, dat men zich een groot nadeel zou berokkenen, door dit besluit te willen doordrijven, werd de prijs weer op acht gulden teruggebracht.

Valentijn vertelt, dat in zijn tijd een mud tarwe van 180 of 190 pond door de Kompanjie werd gekocht voor 8-1/2 gulden en een mud rogge voor 7-1/2 gulden. Maar de bakkers betaalden in dezelfde tijd respektievelik 15 en 12 gulden.

Dat wordt verteld door de grootste verdediger van al wat de Kompanjie aanging, die ooit heeft bestaan.

Daaruit blijkt dus, dat men dit als een zeer gewoon en natuurlik verschijnsel beschouwde.

Dezelfde schrijver verhaalt, dat de Kompanjie ook tienden eiste van 't hooi en dat dit behoorlik aan de stallen van de Maatschappij moest worden afgeleverd.

Ze verhandelde, zegt hij, elk jaar voor 300.000 gulden koopwaren, waarop zij 75 percent won.

Nooit is het misschien openhartiger gezegd dan door d'Ableing, wat het doel der maatschappij was en waartoe haar ambtenaren moesten dienen.

De plicht van de ambtenaren is, zo zegt hij, de profijten der Kompanjie te vermeerderen.

Dat hij dit in de praktijk zeer breed opvatte, blijkt uit het volgende:

Hij had een grote hoeveelheid onverkoopbare tabak en hij schreef nu aan de landdrost van Stellenbosch, dat deze moest trachten, die te ruilen tegen tarwe bij de boeren[13]. Als die maar dom genoeg waren om toe te happen, dan was het geweten van de eerste dienaar van de Kompanjie ruim genoeg om daar tevreden mee te zijn niet alleen, maar zelfs om er behagen in te scheppen.

Op 7 Maart 1699 schreven de Heren Zeventien aan de Goeverneur, dat ze meenden, dat hij wel wol zou kunnen kopen voor 4 stuivers per pond en die zouden zij dan in Europa voor 18 stuivers van de hand doen. Ze wilden ongeveer van 1000 tot 1500 pond hebben[14]. Winsten van 350 percent behaald op produkten van hun eigen landgenoten en kolonisten schenen ze dus niet meer dan natuurlik te vinden.

Maar ze zorgden aan de andere kant wel, dat de burgers geen kans hadden om op hun beurt ook de Kompanjie te plukken, als ze er werk voor te verrichten hadden.

De prijs van alles stond vast. Tot zelfs de betaling voor het zetten van een nieuwe spaak in een wiel was nauwkeurig bepaald.

Geen wagenmaker of smid had ook maar de geringste kans om iets meer te nemen dan de Kompanjie hem wenste te gunnen.

Michiel Otto van Hottentots-Holland vroeg in 1744 om koren te mogen malen met zijn eigen molen voor zijn eigen gebruik, daar hij zover van de molen van de Kompanjie af woonde[15]. Dit werd toegestaan, maar alleen op konditie, dat hij aan de molenaar van Stellenbosch evenveel zou betalen, alsof zijn koren dààr was gemalen. En deze permissie zou niet als precedent mogen dienen.

Het vissen was alleen toegestaan in de Tafelbaai en in de Valse Baai.

Eindelik werd in 1718 ook de visserij toegestaan in de Saldanha-baai, maar op voorwaarde, dat één vijfde deel der gedroogde vis zou betaald worden als belasting. Het spreekt vanzelf, dat niemand ooit van dit »voorrecht" gebruik heeft gemaakt.

Ten laatste deel ik als merkwaardigheid mee, dat het begraven van misdadigers met de ketenen, waaraan ze geklonken waren geweest, door de Kompanjie werd afgeschaft, niet, omdat het als te barbaars of als nutteloos werd beschouwd, maar omdat het te duur was[16].

Een tweede grote fout der Kompanjie was, dat ze haar ambtenaren niet behoorlik betaalde.

En van beide verkeerdheden, zowel van het egoïsme van de Maatschappij tegenover de burgers als tegenover haar eigen ambtenaren, werden de burgers per slot van rekening de dupe, want de ambtenaren hadden Nederland niet verlaten om armoede te lijden, integendeel, en daarom, als de maatschappij hen niet betaalde, dan zouden zij zich zelf wel schadeloos stellen.

Valentijn verhaalt, dat in 1710 de Goeverneur een traktement had van [f] 2400 waarbij kwam [f] 900 kostgeld. En hij voegt er dan bij, dat de Kompanjie hem zoveel verschillende voordelen schonk, dat hij zijn gehele inkomen wel op 9300 gulden schatte.

Maar.... Valentijn was de vriend en verdediger der V. O. I. C. en zijn schatting lijkt wel wat al te ruim.

Te meer, daar volgens Theal het salaris van zulk een hoge ambtenaar als de Fiskaal Independent in 1689 slechts [f] 1200 bedroeg.

Dit was echter zeer zeker veel te weinig, omdat hij daardoor niet vrij genoeg tegenover anderen kon staan. En niet alleen dat, maar het bracht hem voortdurend in de verzoeking om onrechtvaardig te zijn in zijn eigen voordeel. Want hij had het recht om 1/3 der opgelegde boeten als zijn eigendom te beschouwen. Het zou dus slechts een zeer menselik gebrek zijn, als die boeten soms wat hoger werden dan met de billikheid tegenover de burgers strookte. Bovendien mocht hij voor verschillende diensten betaling eisen en had een zeer uitgebreide macht, zodat hij zeer zeker wel een man was, die men door geld of geschenken goedgunstig zou trachten te stemmen.

In 1727 was Jan de La Fontaine het kleingeestige plagen van goeverneur Noodt zo moe geworden, dat hij ontslag vroeg. De Heren Zeventien gaven hem dat echter niet, maar verhoogden zijn salaris van 80 gulden tot 120 gulden per maand[17].

En hij was op dat ogenblik de secunde, de tweede persoon in de kolonie.

Het is voorwaar geen wonder, dat de ambtenaren hun best deden om er met handel wat bij te verdienen. Zo duidelik was dit, dat zelfs de Heren Zeventien het soms moesten merken en nu en dan een oogje toedrukten.

Voor het ogenblik zij het voldoende te zeggen, dat toen eindelik ten gevolge van de drang der burgers de Heren Zeventien genoodzaakt waren het bezit van landerijen en het handelen aan haar dienaren geheel te verbieden, er een andere weg op moest gevonden worden om het tekort in hun salarissen goed te maken.

Als altijd waren natuurlik de burgers degenen, die 't gelag moesten betalen. Ik zal dit hieronder nader aantonen.

Maar eerst wil ik uit de Archieven van de Kaap nog iets aanhalen, dat een levendig licht werpt op de salariskwestie van de ambtenaren.

De maatschappij had in haar dienst 16 jonge klerken, maar eerst geen kosthuishouder, door de maatschappij te hunnen behoeve aangesteld, zoals dit in Indië de gewoonte was.

Deze jongelui moesten dan zelf maar kosthuizen vinden. Doch de som, die hun daartoe werd gegeven, was zo klein, dat ze vaak niets te eten hadden dan droog brood en water. Eindelik werd een kosthuishouder aangesteld, die hun 2 keer per dag een maal moest verschaffen, 's morgens om elf uur en 's avonds om zes uur. Hij moest zijn tafel van goed en voedzaam burgervoedsel voorzien en minstens drie keer per week schape- of rundvlees opdissen.

Dit was al een hele stap vooruit, maar de andere beperkende bepalingen, die omtrent die maaltijden gemaakt werden, waren zodanig, dat zeker al de jongelui liever zelf een keuze zouden gedaan hebben uit de kosthuizen in de stad, dan op kosten van de maatschappij te eten. Maar hun salaris liet hun dat niet toe.

De getrouwde ambtenaren konden van dit kosthuis niet profiteren en daarom werd dit door hen op een andere manier goedgemaakt.

In 1722 werd bepaald, dat de ambtenaren wel tuinen voor eigen gebruik mochten hebben, maar die mochten niet groter zijn dan 2 morgen. Reeds sedert 1668 had men op hetzelfde aambeeld gehamerd, maar het scheen niet veel te helpen, want nieuwe wetten komen telkens om de oude wat te verscherpen of het geheugen van de mensen in dit opzicht weer eens op te frissen.

Doch men deed meer in 1722. De handel, die de ambtenaren in verschillende artikelen hadden mogen drijven, werd nu onwettig verklaard en als schadeloosstelling werden bepaalde sommen vastgesteld, die men van de burgers bij sommige gelegenheden mocht eisen.

Voor iedere legger wijn (± 5-3/4 H.L.) die de burger aan de Kompanjie verkocht, kreeg hij nominaal [f] 96, maar dat bedrag kwam hem nooit in handen.

Om te beginnen ging er 25 gulden af voor de goeverneur en de secunde, die dat in verhouding van 2 tot 1 samen verdeelden. De lagere ambtenaren kregen dan ook hun percenten, zodat de burger eindelik van de nominale [f] 96 maar [f] 63-1/2 gld. in handen kreeg.

Officiële dokumenten kostten de burgers veel geld en elk jaar werden die bedragen hoger.

Omstreeks 1750 kostte een bewijs van ontslag uit de dienst van de Kompagnie b.v. 3 rkd. aan zegelrecht en de sekretaris van de Politieke Raad kreeg 10 rkd. voor het in orde maken van dat dokument.

Dit was tenminste nog geen bedrog. Maar erger werd het, als de ambtenaren op hun eigen houtje middelen gingen vinden om zich te verrijken.

De beambten der graanpakhuizen b.v. hadden een zeer eenvoudig middel bedacht om op alle leveranties 4 percent te verdienen. Ze rekenden bij door hen gedane betalingen 1 kaapse gulden op 16-2/3 stuiver maar bij betaling aan hen door de burgers rekenden ze de kaapse gulden altijd op 16 stuivers.

Dat verschil verdween in hun zakken.

De geautoriseerde wijnverkopers, die een hoge pacht voor die autorisatie aan de Kompanjie betaalden, deden hun best om hun winst groter of om verliezen goed te maken op een manier, die ook niet anders dan bedrog kan genoemd worden.

Ze maakten het regel, 't geld, waarmee men hun betaalde, voor 17 tot 20 percent onder de waarde aan te nemen. Nadat dit een tijd geduurd had, werd de waarde, waarvoor de verschillende munten moesten aangenomen worden, wel vastgesteld, maar vóór die tijd waren zeker reeds velen de dupe van deze praktijken geworden[18].

De grote fout van de ambtenaren aan de Kaap in 't algemeen was, dat ze deze kolonie eenvoudig beschouwden als een doorgangshuis naar een betere betrekking en Simon van der Stel komt de eer toe de eerste te zijn geweest bij wie dat gevoel niet aanwezig was.

Na de uitwerking dezer twee punten, waarbij ik de voornaamste fouten van de Kompanjie heb trachten in het licht te stellen, zal het geen verwondering wekken, dat de burgers niet biezonder tevreden konden wezen over de staat van zaken in de Kolonie.

»De naam »vrije burger" was volkomen verkeerd. De eerste burgers waren inderdaad slechts veranderd van betaalde in onbetaalde dienaren der maatschappij. Zij dachten, dat ze, door hun ontslag te krijgen, hun positie veel verbeterd hadden, maar spoedig ontdekten ze, dat het tegengestelde waar was.

En van deze tijd af aan tot aan het eind der achttiende eeuw vinden we de voortdurend herhaalde en welgegronde klacht, dat de Kompanjie en haar ambtenaren ieder voordeel bezaten, terwijl de vrijheden zelfs niet de vruchten van hun eigen arbeid mochten genieten. Handel met de inboorlingen, eerst toegelaten onder strenge voorwaarden, werd spoedig verboden, opdat daardoor niet de prijzen te hoog zouden worden voor de Kompanjie als zij wenste te kopen"[19].

Een beoordeelaar van de toestand der burgers, zegt in 1672 al:

De hollandse kolonisten dragen de naam vrije mannen, maar zij worden zó in allerlei dingen belemmerd, dat de afwezigheid van vrijheid maar al te duidelik is. De wetten zijn zo streng, dat het onmogelik is, de boeten en straffen, daarin bepaald, toe te passen, zonder de volkomen ondergang der burgers te veroorzaken[20].

Een korte en krachtige karakteristiek geeft Watermeyer t. a. p. waar hij zegt:

»In alle politieke zaken was de V. O. I. C. zuiver despoties; in alle kommerciële zaken zuiver monopolisties".

Reeds in de eenvoudigste zaken was de Kompanjie begonnen monopolisties op te treden. Onder Van Riebeeck b.v. was ze zelfs zo ver gegaan om twee burgers aan te stellen, die 't uitsluitend recht hadden wild te schieten en te verkopen. Eerst toen deze twee een ongeregeld leven begonnen te leiden en daardoor het benoodigde wild niet altijd verkrijgbaar was, werd aan alle vrijburgers het recht gegeven om voor eigen konsumptie te schieten[21].

Toen men in 't jaar 1708 zóveel koren had, dat men er geen raad mee wist, weigerde het goevernement eenvoudig verder tarwe en rogge te ontvangen[22]. De boeren moesten die nu maar gebruiken als voedsel voor de slaven of als veevoeder. Een verzoek om er brandewijn van te mogen stoken, werd niet toegestaan, aangezien dit de belangen der Kompanjie zou kunnen benadelen.

De ellendige laksheid, die zich in de politiek van de Staat zo duidelik toonde in de onderhandelingen met barbarijse zeerovers, vertoonde zich eveneens in de koloniën.

De Bosjesmannen hadden b.v. van 1728 tot 1731 en ook weer in 1738 verschillende rooftochten gedaan. De Politieke Raad, de landdrost en de Raad van Militie trachtten toen...... een vriendelike overeenkomst aan te gaan met de Bosjesmannen en hen door geschenken er toe te brengen hun tochten niet meer te herhalen.

De geschiedenis, van de tochten der Noormannen af tot op de tijd, waarvan ik hier spreek, had hun niets geleerd. Zulke politiek moet schipbreuk lijden, omdat de grondslagen ervan absoluut ondeugdelik zijn.

Het spreekt dan ook wel vanzelf, dat de boeren daarin geen vertrouwen stelden en dat er in 1739 een grote paniek ontstond, die ontaardde in een algemene vlucht naar de Kaap.

Toen eerst begon men handelend op te treden. Maar de wijze van optreden is weer zo echt die van de Kompanjie, die wel wat doen wou voor de kolonisten, als 't maar niet veel kostte.

De deelnemers aan de opstand van Estienne Barbier liepen nog ongestraft rond. Het volk voelde veel sympathie voor deze opstandelingen en dus ging het niet gemakkelik hen in handen te krijgen.

Het Goevernement kreeg tans een gelegenheid om zich uit twee lastige gevallen tegelijkertijd te redden en bovendien nog voor zeer grootmoedig door te gaan.

Aan alle deelnemers aan bovengenoemde opstand werd een volledige vergiffenis geschonken, _als ze dadelik zich aanmeldden om te helpen de Bosjesmannen te bestrijden_. Dit geschiedde en zo was de Kompanjie weer uit de nood.

Als soms de Kompanjie nu en dan inzag, dat er iets moest gedaan worden om de kolonisten te helpen, ging dit helpen zo langzaam, dat het te laat was als de hulp kwam.

Daar er zoveel arme blanken waren in de kolonie tengevolge van de vreselike jaren 1713 tot 1716, vroegen de Burgerraden op 18 Julie 1719 om vrije handel te mogen drijven op Madagascar en de Mascarenen. Zij zouden de fabrieksgoederen van de Kompanjie kopen en die op de eilanden, waarmee ze wilden handelen, ruilen voor slaven, ivoor, stofgoud, enz. Ze wilden eveneens uit- en invoerrechten betalen en meenden niet ten onrechte, dat er op die manier ook nog heel wat voordelen zouden te behalen zijn voor de Kompanjie.

Maar--dat was tornen aan het monopolie. Daarom aarzelden de Heren Zeventien.

Eindelik in 1732, dat was dus 13 jaar, nadat het verzoek gedaan was, werd het toegestaan. Maar 't spreekt vanzelf, dat het nu te laat was. De mensen, die zich voor deze zaak geïnteresseerd hadden, waren òf dood òf ze hadden hun geld op een andere manier belegd.

En nu is 't wel waar, dat de Burgers van de Kaap 't recht hadden om zich op de autoriteiten van Batavia te beroepen en te trachten, ook in geval van vermeende onrechtvaardige behandeling, daar recht te zoeken, maar dat dorsten ze natuurlik niet doen. Want het zou hun ondergang geweest zijn. De Goeverneur en de Grote Politieke Raad hadden de funkties van Uitvoerend en Wetgevend Lichaam te gelijk. Bovendien vormden ze 't Hoogste Gerechtshof. Ze konden dus gemakkelik iedere daad een misdaad noemen en die misdaad straffen zonder enige controle of zonder dat iemand het hun kon beletten.

Het geval met Adam Tas c.s. leert duidelik genoeg, hoe lang iemand onrechtvaardig in de gevangenis kon gehouden worden. Later kon zo'n vonnis herroepen worden, maar dan was vaak het onrecht niet meer te herstellen.

Het is eigenlik een wonder, dat er in 1706 geen hoofden gevallen zijn en wanneer dat gebeurd was, had geen straf aan Van der Stel, hoe zwaar ook, dit kunnen goed maken.

In 1779, dus zelfs nog veel later dan de periode, waarover wij spreken, werd door de burgers een petitie ingezonden, waarin zij vroegen om op de hoogte gesteld te worden van de bestaande wetten of van de indiese statuten en algemene wetten in Holland. Ze vroegen ook om authentieke afschriften van plakkaten en ordonnanties, betrekking hebbende op de Kaap of nog liever zouden ze hebben, dat er een drukker werd aangesteld om de burgers in staat te stellen kopiën te krijgen van bestaande wetten, opdat ze niet langer mochten blootstaan aan de willekeur van Fiskaal en Landdrost[23].

Waar dit zo stond in 1779, hoeft men niet te vragen, hoe de toestand was gedurende de gehele eerste helft van de achttiende eeuw. Natuurlik eerder slechter dan beter. En de Fiskaal Boers, nog wat later, schrijft in zijn verantwoording op pag. 43:

Het zou een grote fout wezen te menen, dat er gelijkheid van rechten kan bestaan tussen de burgers hier en die van de Verenigde Provincieën. _Zij_ hebben gestreden voor hun vrijheid en de burgers hier hebben die eenvoudig ontvangen _als een genadegift_.

De manier, waarop de Kompanjie de burgers behandelde, als 't op de aankoop van hun produkten of op de heffing van belastingen aankwam, was vaak evenmin geschikt om hen tevreden te stellen.

Over de houding van de regering in 1708, toen de korenoogst zo overvloedig was, sprak ik hierboven.

Tot 1709 had men alleen tienden geëist van het koren, dat niet voor eigen onderhoud of voor zaaien nodig was. In dit jaar echter trachtte de regering ook hiervan de tienden te krijgen.

Op 20 Februarie 1710 zond daarom de Burger Raad een petitie in om van die verplichting ontheven te worden.

En 't was niet alleen, dat ze tienden moesten geven, zoals dat in Nederland de gewoonte was, van het koren op 't land, maar de tienden werden genomen van 't koren, dat schoon aan 't Kasteel werd afgeleverd.

De Hoge Kommissaris Joan van Hoorn erkende de billikheid van het verzoek en daarom onthief hij de burgers van deze verplichting.

De Heren Zeventien in hun hoge wijsheid waren het echter hiermee niet eens en de wet bleef bestaan.

Dit bleef zo driekwart eeuw. De verkeerdheid van dit stelsel lag vooral hierin, dat men in 't algemeen afging op de opgaven van de boeren zelf. Hierdoor zette men dus de deur open voor allerlei misbruiken, vooral voor het doen van te lage aangiften zowel van veestapel als van produkten. Zo ver ging dit, dat er soms meer koren naar Java werd gezonden, dan volgens de opgaven der boeren gewonnen was!

Dit was algemeen bekend. Zo verhaalt b.v. Adam Tas in zijn dagboek (13 Jan. 1706) dat zekere Fransman op Draakestein een boete van 60 Rijksdaalders kreeg, omdat hij aan de Gekommitteerden van de Regering had opgegeven, dat hij 50 beesten en 200 schapen bezat. Een verklikker verried, dat dit eigenlik moest zijn vier keer zoveel. En het onderzoek bracht aan 't licht, dat dit werkelik zo was.

Nu zegt Tas, die overigens een eerlik man was, voorzover we kunnen nagaan:

»Dog ik kan niet zien, dat over dit misdrijf, indien men 't zo noemen wil, boete kan worden geeijst en dat erger is 60 Rxdrs."

De belastingen vermeerderden, naarmate de Kompanjie haar dividenden zag krimpen.

In 1714 werd er een nieuwe weidehuur ingevoerd. In datzelfde jaar kwam er een belasting van 1 rkd. op iedere legger wijn, in de kolonie geperst.