Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D

Chapter 1

Chapter 13,674 wordsPublic domain

+--------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | De voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind | | van het hoofdstuk. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". | | | | De in het origineel als cursief weergegeven tekst is in dit | | e-boek weergegeven als _cursief_. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +--------------------------------------------------------------+

HET HUISELIK EN MAATSCHAPPELIK LEVEN

VAN DE

ZUID-AFRIKANER

IN DE EERSTE HELFT DER 18de EEUW

DOOR

F. C. DOMINICUS ST. ANDREWS KOLLEGE, GRAHAMSTAD

'S-GRAVENHAGE MARTINUS NIJHOFF 1919

DIT WERK WERD IN 1917 BEKROOND DOOR DE ZUID-AFRIKAANSCHE AKADEMIE

INHOUD.

Blz.

HOOFDSTUK I. De Kolonie en zijn bewoners 1

HOOFDSTUK II. De Oostindiese Kompanjie en de maatschappelike rechten der bewoners van de Kaap 13

HOOFDSTUK III. Het maatschappelik en huiselik leven in engere zin 36

HOOFDSTUK IV. Bestuurslichamen en belastingen 93 Lijst van geraadpleegde werken 105 Register 107

HOOFDSTUK I.

DE KOLONIE EN ZIJN BEWONERS.

Quidquid delirant reges, plectuntur Achivi.

Wanneer ik in de volgende bladzijden een en ander over het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner in de eerste helft der 18de eeuw wens neer te schrijven, dan zal het zeker in de allereerste plaats wenselik mogen geacht worden om duidelik te maken, wat men onder de term »Zuid-Afrikaner in de eerste helft van de 18de eeuw" verstaan moet.

Ik begin dan met uit te sluiten de niet-blanke bewoners, daar zeker omtrent het merendeel van hen zeer weinig over hun huiselik en nog minder over hun maatschappelik leven zou kunnen gezegd worden.

Wat we over hen beschreven vinden is zo vaak doorweven met allerlei fantastiese verhalen, dat het weinige, dat we er over zouden kunnen zeggen, zeer zeker volstrekt niet als histories kan beschouwd worden.

Kolbe heeft ons zeer veel verhaald, maar aangezien zijn autoriteit wel wat wankel staat, zouden we bij andere schrijvers als Valentijn en Sparrman of bij de romantiese Le Vaillant ons licht moeten opsteken en op hun wijsheid is zo vaak volkomen toepasselik het woord van De Genestet:

»Wat ons de wijzen als waarheid verkonden, Straks komt een wijzer, die 't wegredeneert."

We zullen ons dus moeten bepalen tot een bespreking van de blanke bevolking van Zuid-Afrika in de eerste helft der achttiende eeuw.

En dan moeten we tot recht begrip teruggaan tot de stichting van de volksplanting aan de Kaap.

Toen de Heren Zeventien hadden ingezien, welk een uitstekende verversingsplaats de Tafelbaai zou kunnen worden en Van Riebeeck dientengevolge hier voet aan wal had gezet, werd de grond gelegd tot een zuiver hollandse kolonie. Maar dat stichten van een kolonie lag volstrekt niet in de bedoeling der Bewindhebbers.

Hun maatschappij was een _handels_maatschappij in de eerste plaats en bij alles, wat ze ondernamen, hielden ze dat in 't oog. Vandaar dan ook, dat hier een kolonie is ontstaan, meer door de energie van mannen als Simon van der Stel en anderen, dan door de wil van de Heren Zeventien.

Zolang de maatschappij voor haar schepen de nodige levensmiddelen en verversingen kon bekomen, kon het haar bitter weinig schelen, wat er verder gebeurde, als maar die gebeurtenissen haar niet dadelik of in afzienbare tijd enige verantwoordelikheid oplegden.

Want de Verenigde Oost-Indiese Kompanjie had zich als voornaamste doel gesteld de grootst mogelike dividenden uit te keren onder het aanvaarden van de kleinst mogelike verantwoordelikheid.

In dit licht nu moeten al haar handelingen, haar bepalingen, wetten en plakkaten beschouwd worden.

De kolonisten zijn voor haar een noodzakelik kwaad. Zij heeft ze nodig als producenten, maar wenst ze dan ook niet veel hoger te stellen dan menselike machines, die juist zoveel brandstof mogen verbruiken als nodig is om aan den gang te blijven, doch ook niets meer.

Als we dit in het oog houden, dan kan het ons niet verwonderen, dat, zooals rechter Watermeyer het uitdrukt, de Kaap door dit tirannieke systeem anderhalve eeuw van vooruitgang moest derven.

Maar ook kan het dan geen verwondering wekken, dat de kolonisatie niet biezonder vlug ging. Er waren zo weinig redenen om Holland te verlaten bovendien.

Holland was in die tijd in zijn grootste bloei-periode. Er was geen overbevolking en men kwam handen te kort. Waarom dan zou iemand de zekerheid van een goed bestaan laten varen om zich in een onzekere toekomst te wagen?

Andere natieën wilde men zoveel mogelik uitsluiten, vooral de zeevarende en dus was er weinig kans voor de jonge kolonie om tot bloei te geraken.

Een grote en machtige faktor moest wel aanwezig zijn om toch eindelik die kolonisatie te doen plaats hebben.

De herroeping van het edikt van Nantes werd die beslissende faktor.

De Heren Zeventien hebben voorzeker die stroom van franse vluchtelingen niet met genoegen Nederland zien binnenkomen, want het was duidelijk, dat voor hen allen geen plaats zou kunnen gevonden binnen de grenzen van het kleine Holland en dan zou natuurlik de eerste, die raad moest schaffen, de V. O. I. C. zijn.

Want ze begrepen wel, dat ze aan de drang van het volksgeweten geen weerstand zouden kunnen bieden en dus hun bezittingen zouden moeten openstellen voor hen, die in korte tijd wellicht tot een gevaar voor de Kompanjie zouden worden.

Het was dan ook slechts schoorvoetend, dat ze het besluit namen om de franse réfugiés een nieuw vaderland aan te bieden aan de Kaap.

En omtrent twintig jaren later, toen er geen gevaar meer was van openbare afkeuring, trachtten ze goed te maken, wat zij misschien door hun vrijgevigheid in vroeger jaren mochten bedorven hebben.

Op 22 Junie 1700 namelik besloten ze om wèl kolonisten naar de Kaap te sturen maar met de bijvoeging »mitsgaders zorg dragende en lettende dat het soo veel doenlijk is mogen zijn Nederlanders of onderdaanen van dese Staat of van Hoogduijtsche natien geen traficq ter zee doende, mitsgaders van de gereformeerde of Luyterse godsdienst, hun op de lantbouw of culture der wijnen verstaende, dogh geen franschen, de selve om redenen in voorn. als anders in 't geheel excuserende"[1].

Maar ook dit besluit scheen hun nog te veel ruimte te laten voor 't insluipen van gevaarlike elementen, want dit werd ingetrokken op 26 Okt. 1706, merkwaardig genoeg op dezelfde dag, waarop het besluit werd genomen tot de terugroeping van Van der Stel c. s.

Begon de zucht naar vrijheid, die uit de petitie der burgers van de Kaap sprak, hen bevreesd te maken en dachten ze, dat een groeiend aantal kolonisten het steeds moeiliker zou maken de oude banden zo nauw te houden, als ze waren aangelegd?

Het leek er wel veel op.

Ofschoon door het toedoen van de Kamer van Middelburg het besluit op de volgende dag weer werd aangehouden, toch kon dit niet beletten, dat op 15 Juli 1707 de permissie tot het zenden van vrijlieden geheel werd ingetrokken.

En terwijl de deur voor kolonisatie open was, had men steeds er voor gezorgd, dat men allen goed aan de band had, want van vrije kolonisatie in de zin, die wij tegenwoordig aan dat woord hechten, was allerminst sprake.

Ieder, die wenste burger te worden aan de Kaap, moest de volgende eed afleggen:

»Ick belove en sweere dat ick de Ho: Mo: Heeren Staten Generael der Vereenichte Nederlanden als onse hooghste en souvereijne overheyt, de Bewinthebberen van de Generale Geoctroyeerde Oost Indische Comp: in deselve landen, mitsgaders den Gouverneur Generael en de Raden in Indië en voorts alle Gouverneurs, Commandeurs, en Bevelhebberen, die geduyrende dese reyse te water, en voort te lande over ons sullen wesen gestelt, gehouw en getrouw sal wesen, dat ick alle wetten, placcaten, en ordonnantiën bij de Bewinthebberen voorn: ofte den Gouverneur Generael ende de Raden alrede gemaeckt off noch te maken getrouwelijck in alle pointen nae mijn vermogen sal onderhouden en naekomen en voort mij in alles soodaenich draegen en quijten als een goet en getrouw onderdaen schuldich en gehouden is te doen."

Zij waren dus _onderdanen_ van de V. O. I. C. en dat was waarlik geen blote formule, zoals ik verder zal trachten duidelik te maken.

In de School-Regulaties voor Slave-kinderen vinden we de volgende zinsnede:

»De Heere God en het welvaren van de Hoog Edele Groot Achtbare Heeren Bewinthebberen van de Oost Indische Compagnie zij de hoogste wet"[2].

Er wordt niet gesproken over het welvaren van het land of van de kolonisten. Geen woord ervan. Maar de Bewinthebberen zijn de personen aan wier welvaren als hoogste wet moet worden gedacht.

Daar zou geen bezwaar tegen hebben kunnen bestaan, als maar altijd de belangen van de Kompanjie identiek waren geweest met die van de burgers.

Dat was er echter verre vandaan. En de hele geschiedenis van de Kaap in hollandse handen, kan samengevat worden in de formule, die aan de slavenkinderen moest worden ingeprent: »Het welvaren der Compagnie zij de hoogste wet."

Het is dan ook niet te verwonderen, dat de getallen van kolonisten, die van 1700 tot 1750 zich aan de Kaap vestigden zo buitengewoon laag zijn.

Sedert 1707 was het uitzenden van vrije boeren afgeschaft, zoals we boven zagen en de vermeerdering van het getal der kolonisten geschiedde dan ook slechts door het uitgeven van brieven van burgerschap aan hen, die hun diensttijd als soldaat hadden voleindigd.

Op deze manier kwamen de kolonisten a. h. w. druppelsgewijze in de kolonie. In de halve eeuw van 1700 tot 1750 vinden we behalve door geboorten, het aantal der kolonisten vermeerderd met 255 Duitsers, 166 Nederlanders en 11 Fransen. Van onbekende nationaliteit kwamen er 65 personen in die tijd en van verschillende andere nationaliteiten dan de drie bovengenoemde 38, zodat het gehele aantal der personen, die in een halve eeuw aankwamen, slechts 535 bedroeg[3]. Bij deze getallen moet verder nog in 't oog gehouden worden, dat in 1710 Mauritius door de Hollanders verlaten werd. De kolonisten van dat eiland kregen de keuze om naar Java of naar de Kaap te gaan. Negen gezinshoofden kozen toen de Kaap. Zij kwamen dus volstrekt niet aan de Kaap onder dezelfde omstandigheden als de anderen.

Volgens een berekening van Theal uit de kerk-registers bestond in 1691 de kaapse bevolking voor 2/3 uit Hollanders, voor 1/6 uit Fransen, voor 1/7 uit Duitsers en de rest van hen waren Zweden, Denen en anderen. En nooit in de gehele eerste helft van de achttiende eeuw of daarna hebben de Fransen meer dan 1/6 der bevolking uitgemaakt, de ambtenaren der V. O. I. C. inbegrepen. In 1700 bestond de bevolking uit 418 mannen, 222 vrouwen, 310 dochters en 295 zonen[4].

Men ziet hieruit dus, dat de Heren Zeventien hun maatregelen zó hadden genomen, dat de réfugiés nooit een gevaar voor »het welvaren der Bewinthebberen" zouden worden.

Om nog duideliker te maken, hoe de Kompanjie stond tegenover kolonisatie en hoe angstvallig ze haar rechten trachtte te verdedigen tegen elke vreemde inmenging, haal ik aan een brief, die de Zeventien op 20 November 1667 zonden aan de Commandeur. Het schijnt wel, zo zegt de missive, dat ze aan de Kaap de vreemdelingen eerder aanlokten dan afstootten. Ze behoorden een voorbeeld te nemen aan Portugal in Brazilië, dat zijn gasten een zeer onwelkome ontvangst gaf.

Tegelijkertijd moest dan steeds, of het waar was of niet, opgegeven worden, dat schaarsheid en onvoldoende voorraad beletselen waren om vreemde schepen, die in de Baai kwamen, van wat dan ook te voorzien.

Om aan te tonen, hoe ze tegenover de belangen der burgers stonden, haal ik uit een brief van Wagenaar het volgende aan: »Met betrekking tot de vrij-landbouwers of kaapse kolonisten moet ik opmerken, dat tot hier toe hun vrijheid en hun woonplaatsen hun geschonken werden _met geen andere bedoeling_ dan om te helpen in 't bebouwen van de grond en het vruchtbaar maken daarvan."

Het schijnt wel, dat de eerste kolonisten met deze opvatting vrijwel tevreden waren, want al mocht al eens tegen van Riebeeck gezegd worden, dat ze niet »'s Compagnies slaven" waren, dit was toch nog geen teken van een algemeene geest van verzet.

Dit werd echter anders, toen andere standen in de kolonie kwamen. En in dit opzicht brachten de Hugenoten een grote verandering. Zij waren niet aan de tyrannie van de franse koning ontvlucht om zich gewillig te begeven in die van de Heren Zeventien.

Doch hun aantal was te gering om zich met veel sukses te kunnen verzetten, want het despotisme had te diep wortel geschoten en ofschoon het mooie woord vrij-landbouwers bleef bestaan, dat woord had absoluut de beteekenis verloren, die het in Europa had en de vrijheid was ver te zoeken.

Wat hielp het echter of men murmureerde? Het trachten naar politieke rechten of het verzet tegen afpersingen bracht mee verbeurdverklaring van eigendommen, scheiding en verbanning naar Mauritius of een andere strafplaats[5].

* * * * *

Nadat we nu in algemeene trekken die we in 't vervolg van deze verhandeling nader zullen uitwerken, hebben aangeduid, wie de kolonisten waren in 't begin der achttiende eeuw en in welke omstandigheden ze zich bevonden, willen we ook even nagaan wat we onder de Kaap-kolonie van die tijd moeten verstaan.

Langzamerhand waren de pioniers uitgetrokken, de wildernis in, van het Kasteel weg. Maar vóór de komst der Hugenoten betekende dit vanzelf niet zo veel als daarna.

De aankomst van zulk een aantal personen opeens moest natuurlik leiden tot het openen van nieuwe wegen en ontginnen van nieuwe landstreken.

In 1657 waren reeds aan sommige van de ontslagen ambtenaren der Kompanjie kleine plaatsen bij Rondebos ter bebouwing gegeven. Zij werden de eerste kolonisten[6].

Voor 't eind van 1679 had de eerste boer de ploeg in de grond gezet in Stellenbosch en in Mei 1680 volgden 8 families.

In 1684 werd, volgens Valentijn, Draakestein met 80 gezinnen bevolkt. Het kreeg zijn naam naar de Heer Van Rheede, die toen juist op de komst was en bij wie Simon van der Stel klaarblijkelik in een goed blaadje wenste te komen.

Theal geeft echter op, dat dit eerst in 1687 plaats had en niet door 80 gezinnen, maar door 23 mensen, die na de kermis te Stellenbosch zich in Draakestein vestigden.

Daar Valentijn niet altijd even juist is in zijn jaartallen, kunnen we veilig aannemen, dat 1687 het juiste jaar is.

In Julie 1700 trokken enige kolonisten naar 't land van Waveren en werd daar een militaire post gevestigd, bestaande uit 1 korporaal en zes soldaten ter bescherming van die kolonisten tegen de Bosjesmannen. Gedurende 43 jaar is die post daar gebleven, wat wel bewijst, dat de kolonisatie, die kant uit tenminste, geen al te groote vorderingen maakte.

In Des. 1711 werden de grenzen van het Kaap-distrikt bepaald als zijnde de Mosselbank- en Kuilsrivieren. Aan de andere zijde oefende de landdrost van Stellenbosch gezag uit, tot zoover als zich Europeanen hadden gevestigd. De stichting van Fransche Hoek en de Paarl vallen mede in de tijd van de komst der Hugenoten[7].

Hier en daar waren militaire posten en enige kolonisten waren zelfs tot in Hottentots-Holland doorgedrongen.

Vóór het jaar 1750 had de kolonie zich nog wat verder uitgebreid en we denken dan natuurlik allereerst aan de stichting van Swellendam, Zwartlandskerk en Roodezandskerk.

Maar toch bestond de kolonie honderd jaar na de stichting slechts uit drie distrikten, die van de Kaap, Stellenbosch en Swellendam.

Doch het sprak eigenlik vanzelf, dat dit zo moest wezen.

De Zeventien waren zeer beslist gekant tegen uitbreiding der grenzen. Zo zelfs, dat in 1724 een wet werd gemaakt, waarbij werd bepaald, dat niemand zijn distrikt mocht verlaten zonder verlof van gouverneur of landdrost en heemraden en zelfs dan nog 50 rkd. moest betalen in de schatkist van het distrikt.

Doch toen reeds zat de trekkersgeest de kolonisten in 't bloed. Want ze trokken zich er niets van aan, zodat in 1727 die wet maar weer werd herroepen, daar men ze toch niet kon toepassen.

Kaapstad was vrij hard vooruitgegaan in huizenaantal.

Valentijn zegt er van: »Wanneer ik in 't jaar 1685 hier quam, stonden er de huizen vrij ijdel en in vergelijking van nu (1714) zeer weinig.

Ik heb er in de Tafelbaai in 't jaar 1714 omtrent 254, zoo groote als kleine zelf geteld, zonder deze en gene openbare gebouwen (gelijk het touwpakhuis en meer andere huizen der E. Maatschappij) hierbij te rekenen."

Dampier verhaalt in zijn »Reizen" (Deel I) Hoofdstuk 19, dat er in 1691 nog maar 50 of 60 huizen stonden in Kaapstad. Ze waren gebouwd van steen, die in een steengroeve er dichtbij werd gehakt.

De stad was in 1700 nog niet zeer uitgestrekt. Aan de ene kant kwam ze maar tot aan de tegenwoordige Burgstraat en aan de andere kant tot de Pleinstraat. De tuinen van de Compagnie strekten zich uit tot aan de Kortmarkt Straat.

De voornaamste straten waren toen de Herengracht (tans Adderley straat), de Keizersgracht (tans Darling straat), de Burgstraat en de Bergstraat (tans St. George straat).

Deze 4 brede rechte straten waren volgens Valentijn (blz. 13) »112 treden lang en 15 treden breedt."

Van de dwarsstraten was er één »350 treden lang en 25 treden breedt". De andere waren de helft smaller.

Hij spreekt echter nog steeds van het »vlek" in 1714.

Van Stellenbosch deelt dezelfde schrijver ons mee, dat er in 1705 nog maar 13 of 14 huizen stonden in het dorp zelf.

In deze vrij oppervlakkige beschouwingen heb ik trachten duidelik te maken wie de Zuid-Afrikaners in het begin der achttiende eeuw waren en wat de term Kaap-kolonie, toegepast op die tijd, beteekent.

In een volgend hoofdstuk wens ik na te gaan, wat we te verstaan hebben door de »Oost-Indische Compagnie" en hoe zij het land bestuurde.

VOETNOTEN:

[1] Theal, Bel. Hist. Dok. III.

[2] Theal, Chronicles of Cape Comm. pag. 331.

[3] Theal, Hist. of S. A. II pag. 325.

[4] Mrs. Trotter, Old Cape-Colony.

[5] E. B. Watermeyer, Three lectures.

[6] Theal, Gesch. v. Z. A. pag. 31.

[7] In 1697 zond Van der Stel ongeveer 30 personen uit Stellenbosch en Draakestein naar de Wagenmakers-vallei ten N. van Paarl. Zij vormden de kern van het tegenwoordige Wellington.

HOOFDSTUK II.

DE OOSTINDIESE KOMPANJIE EN DE MAATSCHAPPELIKE RECHTEN DER BEWONERS VAN DE KAAP.

Het oktrooi, dat in 1602 aan de Oost-Indiese Kompanjie werd gegeven, hield o. a. in, dat zij het recht zou hebben traktaten te sluiten met de indiese regeringen, forten te bouwen en civiele en militaire beambten aan te stellen. Ze was dus een soort van staat in de Staat. Een kleine republiek in de Republiek der Verenigde Provincieën.

Daarin lag haar kracht en haar zwakheid. Maar ondanks de grote gebreken, die het stelsel aankleefden, is zij tot schade der bewoners van de Kaap blijven bestaan tot aan de eerste inbezitneming door de Engelsen in 1795.

Zij, die hier met Van Riebeeck aankwamen, waren allen ambtenaren van de Kompanjie. Zij hadden een kontrakt aangegaan voor de tijd van vijf jaar[8]. Na die tijd konden ze door middel van een »vrijbrief" hun ontslag krijgen. Dan waren zij ook vrij om handel te gaan drijven, voor zover de wetten en plakkaten der Kompanjie dat toelieten.

Maar die vrijheid was slechts voorwaardelik. Want de Kompanjie behield zich het recht voor »omme hun ten allen tijden wanneer benodigt ofte zijn gedrag niet betamelijk weesen mogen wederom in dienst te nemen." Ook mochten de vrijlieden een handwerk kiezen, maar geen ander nemen, voor ze daartoe verlof hadden gekregen van de Raad. (Antwoord op petitie van Johan Hendrik Gans 5 Sept. 1780).

Het recht van terugneming in haar dienst strekte zich zelfs uit over de kinderen van zo'n man.

De lagere ambtenaren van de maatschappij werden op de volgende wijze uitbetaald: 1/4 van hun loon kregen ze in handen in Indië, 1/4 werd hun uitbetaald in klederen en de andere helft werd hun eerst gegeven, als ze weer in Nederland terug kwamen.

Volgens de »Artikel Brief", een wet, waaraan de ambtenaren zich hadden te houden, was het hun verboden dobbelstenen of speelkaarten mede aan boord te brengen of die daar zelf te maken.

Het was dan ook wel nodig om strenge bepalingen te maken ten opzichte van haar ambtenaren, in 't biezonder met betrekking tot haar schepelingen. Want de manier, waarop ze verkregen werden, strekte er vaak niet toe om ze onderdanig of gewillig te maken. Men had in de grote steden, vooral Amsterdam, de z.g. »zielverkopers", die trachtten op allerlei manieren manschappen voor de Kompanjie te krijgen. Een van de meest gewone manieren was het pressen van vreemdelingen.

Wanneer één van deze ongelukkigen in Amsterdam kwam, belandde hij vaak bij gebrek aan geld in een van de mindere soorten zeemansherbergen.

Zeer vaak gebeurde het, dat men hem hier dronken maakte of op andere manier hem overweldigde en hem dan zonder verwijl op een gereedliggend schip bracht. Op deze manier zijn honderden vreemdelingen geprest in de dienst van de Kompanjie.

Sparrman vertelt, dat dit zelfs soms gebeurde met zonen van hooggeplaatste lieden, welke dan als gewoon soldaat tegen een loon van 9 gulden 's maands op de vloot terecht kwamen.

Zelden of nooit kwamen de bloedverwanten dezer jongelui daarvan iets te weten. Want een brievepost bestond niet, evenmin in de Kolonie zelf als overzee. Als men een brief wilde verzenden, kon men trachten goede vrienden te worden met een schipper, die dan de brief meenam, maar ook dat was niet gemakkelik, want niemand mocht brieven schrijven naar Holland over oorlog, handel en andere belangrijke zaken dan aan de Heren Zeventien.

Onder die belangrijke zaken kon de regering van de Kaap natuurlik zo ongeveer rekenen, wat ze zelf wilde en daarom was het voor een schipper altijd min of meer gewaagd een brief van een vreemdeling mee te nemen. Te meer, daar de Kompanjie geheel volgens de manieren van haar tijd niet karig was met straffen. Als men het »Journal" van Leibbrandt doorleest (1699-1732) staat men verbaasd, hoe op de duur nog iemand zonder brandmerk in Kaapstad rondliep. Het getal straffen is eenvoudig legio. En ofschoon de slaven er gewoonlik het slechtst afkwamen, is het aantal straffen, die aan blanken werden voltrokken, ook reusachtig groot.