Het Huiselik En Maatschappelik Leven Van De Zuid Afrikaner In D

Chapter 7

Chapter 72,649 wordsPublic domain

Op 13 April 1711 werd aan de Heren Zeventien gemeld, dat het niet aanbevelenswaardig werd geacht ook tienden van vee te heffen. »De bewoners van Stellenbosch en Draakestein", zo lezen we, »betalen al hoorngeld, dit is 1 gulden voor 100 schapen en 5 gulden voor groot vee[86]. Dit geld, dat gebruikt wordt voor het herstellen van wegen en bruggen en ook voor 't geven van premies voor 't doden van wilde dieren, kunnen velen niet eens betalen."

Datzelfde jaar protesteerden de boeren tegen de toepassing in Zuid-Afrika van de hollandse tiendwet. Want dààr werden de tienden gerekend van 't gemaaide koren op 't land. Maar hier werden de tienden geheven van 't graan dat schoon aan de magazijnen van de Kompanjie werd afgeleverd. Dit verschil in de manier van uitvoeren van de wet maakte de lasten in Zuid-Afrika natuurlik veel groter dan in Holland.

Toen werd in 1712 ook getracht de tienden te verpachten van 't graan op 't land. Maar hier kwam geen bod voor. De pachter zou 't ook duur genoeg gehad hebben voor de moeite van 't inzamelen op zo ver uiteen gelegen plaatsen.

Over de aksijns en de belasting op de wijn heb ik gesproken in hoofdstuk II. Ik heb hier alleen bij te voegen, dat het verpachten van het uitsluitend recht om te tappen elk jaar duizenden guldens opbracht.

Dit was natuurlik ook een belasting, die de Kapenaars en gedeeltelik de vreemdelingen betaalden, daar de pachter wel zorg droeg, zijn pacht plus een mooie winst te maken uit de verkoop van de wijn.

Wat nu de belasting op de verkoop van land betreft, dit:

In 1685 was een nieuwe belasting ingevoerd, die 2 percent bedroeg van de verkoopprijs van land. Als het land echter verkocht werd binnen drie jaar nadat de Kompanjie het had geschonken, moest er 10 percent worden betaald en 5 percent, als dit binnen 10 jaar plaats had.

Over de zegelbelasting, die steeds hoger werd, sprak ik reeds vroeger.

Soms werden behalve deze belastingen ook nog speciale geheven zoals b.v. in 1743, toen men een havendam trachtte op te werpen in de Tafelbaai.

Daarvoor hief men een ekstra belasting van alle Europeanen in Zuid-Afrika.

In ruwe trekken heb ik getracht mijn laatste punt te behandelen.

Voor ik nu deze schets eindig wil ik nagaan, hoe de toestand van de kolonie was aan 't eind van de eerste helft der 18de eeuw.

Jammer genoeg kan die toestand niet als heel gunstig worden beschreven.

Ook in Nederland doorleefde men toen een tijdperk, dat voor de burgerman en de boer alles behalve gunstig was.

In Amsterdam was omstreeks 1730 haast geen huis te krijgen. In 1740 stonden er meer dan 400 leeg en in 1743 bijna 900. Hongersnood en duurte maakten het bestaan zeer moeilik.

De strenge winter en de doorbraken van 1740 deed de ellende ten top stijgen. Men had de handen vol om de behoeftigen te helpen[87].

Hulp uit Nederland was dus aan de Kaap niet te verwachten. Eerder zou men in Nederland hulp nodig hebben gehad.

Tot het midden der 18de eeuw had men zoveel mogelik vreemde schepen uit de kaapse havens (Kaapstad en Simonsstad) geweerd, maar toen veranderde dit. Men begon te trachten ze aan te lokken wegens het geldgebrek, dat men had. Men wilde ervan halen, wat er van te halen viel.

De opstand van Estienne Barbier was in 1739 en daarna een argument geweest in Europa om geen kolonisten meer te sturen. Men was bang, dat de kolonie zich onafhankelik zou verklaren.

Maar in 1750, niet het minst door de slechte tijden, die men toen in Nederland beleefde, vroegen de Heren Zeventien, of het niet mogelik zou zijn meerdere kolonisten aan de Kaap te brengen. Doch op 11 Jan. 1751 antwoordden Heemraden van Stellenbosch en Draakestein aan de Politieke Raad, die hun advies in deze zaak vroeg, alvorens de Heren Zeventien te antwoorden, dat er reeds veel te veel europese families in 't land waren en dat ze niet wisten, wat er van hen en hun kinderen zou moeten worden.

Ze voegden hier verder bij, dat uitvoer van produkten van de Kaap behoorde toegestaan te worden, daar dit het enige redmiddel was.

Deze raad werd echter in de wind geslagen.

Zo stond de toestand in 1750. En 25 jaar later, in 1775, na het uitstekende bestuur van Rijk Tulbagh, schreef Sparrman:

»Hoe groot de kolonie ook is, ze kan op 't oogenblik niet anders beschouwd worden dan als een vrij groot, maar zwak en teringachtig lichaam, waarin de cirkulatie van de handel zeer langzaam is; tussen de verder afgelegen delen en het hart of tussen het binnenland en de Kaap is er maar eens per jaar verbinding door middel van gewone wagens."

De kolonisten plukten nu de wrange vruchten van een honderdjarig wanbestuur. De Kompagnie bediende zich van een stelsel, dat alleen draaglik was onder uitstekende goeverneurs als Tulbagh, maar dat totaal ondraaglik werd als de goeverneur een slecht mens was of geen hart had voor zijn werk.

Had men een reeks van mannen als goeverneurs aan de Kaap gehad in de eerste helft der 18de eeuw zoals Vader Tulbagh, dan zou de toestand in 1750 die geweest zijn van een der bloeiendste kolonies van de wereld waarschijnlik.

Maar nu was het te laat.

De gouden tijd, die twintig jaar lang het hart van de kolonisten mocht verheugen, was voor goed voorbij, toen de burgers in duizenden samenstroomden om de Landsvader naar zijn laatste rustplaats te geleiden.

En de oude misbruiken, die onder Van Plettenberg weer snel voortwoekerden, waren slechts een herhaling van wat altijd aan de Kaap was vertoond.

Het was duidelik, dat de oude worm nog steeds aan het hart van de boom vrat.

Omstreeks 1770 was de Kompanjie eigenlik al uitgeleefd, maar ze sleepte haar bestaan nog een vijf en twintig jaar voort als een stramme, afgeleefde grijsaard. En toen eindelik de franse troepen Nederland overstroomden, verdween ze en »ging heen, zonder begeerd te zijn."

VOETNOTEN:

[84] Valentijn, Deel X. pag. 39.

[85] Valentijn, Deel X. pag. 50.

[86] Valentijn was dus verkeerd ingelicht, toen hij sprak over een schelling per os.

[87] Blok, Gesch. Ned. Volk. VI. pag. 139.

LIJST VAN WERKEN BIJ HET SAMENSTELLEN VAN DEZE STUDIE GERAADPLEEGD.

LEO FOUCHÉ, Dagboek van Adam Tas.

LEIBBRANDT, Defence of W. A. van der Stel.

-- Journal 1699-1732.

-- Letters despatched.

-- Letters received.

-- Requesten or Memorials. Vol. I en II.

-- Rambles through the Archives. I.

KOLBE, Caput Bonae Spei Hodiernum.

THEAL, History of South-Africa. I en II.

-- Chronicles of Cape Commanders.

-- Belangrijke Historische Dokumenten. III. (Important Historical Documents). I en II.

MRS. A. F. TROTTER, Old Cape Colony.

IAN COLVIN, The Romance of South-Africa.

S. MENDELSSOHN, South-African Bibliography. 2 dln. London 1910.

DR. G. BESSELAAR, Zuid-Afrika in de Letterkunde.

F. VALENTIJN, Oud- en Nieuw Oost Indiën. Boek X.

LEGUAT, Travels (Hackluyt uitgave).

CAPT. ROB. PERCIVAL, An account of the Cape of Good Hope. London 1804.

ANDREW SPARRMAN M. D., A voyage to the Cape of Good Hope (2 dln.). London 1786.

SIR JOHN BARROW, Travels into the interior of Southern Africa (2 dln.). London 1806.

_Auteur?_ Nederlandsch Afrika of Historisch en Staatkundig Tafereel van den oorspronkelijken staat der Volksplantinge aan de Kaap de Goede Hoop enz. Uit het Fransch vertaald. 1783.

WILMOT EN CENTLIVRES, History of South-Africa.

WILMOT, The story of the Expansion of South-Africa.

HOPE, Our place in History.

DS. KOCK, De Kaap als een nieuw land.

J. DE WET, Beknopte Geschiedenis van de Nederduytsche Hervormde kerk aan de Kaap de Goede Hoop enz. (volgens nagelaten manuscript bezorgd door Dr. J. J. Kotzé). 1888.

CORNELIUS DE JONG, Reizen naar Kaap de Goede Hoop enz. Haarlem. 1802.

WATERMEYER, Selections from the Writings of the late Judge. Cape Town 1877.

CHARLES PETER THUNBERG M. D., Travels in Europe, Africa and Asia made between the years 1770-1773 (wat de Kaap betreft) (4 dln.). 3rd Edition London 1795.

DAMPIER, Voyages Vol. I Chapter XIX.

LE VAILLANT, Travels (2 dln.).

-- New Travels (3 dln.).

BLOK, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk. Deel V en VI.

REGISTER.

Ableing, D'. 19.

Artikel Brief. 14.

Assenburg, van. 65.

Barbier, Estienne. 28.

Barrow. 50 (n.), 85, 85 (n.).

Batavia. 29, 59.

Begrafenis. 72, 92.

Bek, Ds. 56.

Belastingen. 24, 31, 43, 65, 99. Zie ook: leeuwengeld, tienden, zegelrecht, hoorngeld.

Bestuur. 29, 30, 93 vv.

Bevolking. 7, 79.

Blesius. 38.

Bloedrivier. 62.

Blok, P. J. 102.

Boeten. Zie straffen.

Bosjesmannen. 10, 27, 28, 40 (n.), 41, 62, 80.

Botha, Jacobus. 62.

Bouworde. Zie huizen.

Burger, vrije. 26, 30.

Burgerraden. 29, 31, 94.

Chavonnes, De. 68.

Chinezen. 84.

Colvin, Ian D. 74 (n.).

Dagga. 18.

Dampier. 11.

Dienstplicht. 69.

Districten. 11.

Dispens. 37.

Draakestein. 9, 10, 16, 32, 57, 60, 74, 77, 91, 95, 100.

Dijk, van. (Ziekentrooster) 91.

Eed, Burger --. 5.

Feestdagen. Zie vermakelikheden.

Fontaine, Jan de la, 22.

Fransche Hoek. 10, 46.

Fransen. 3, 4, 6, 7, 31, 32, 89. Zie ook: Hugenoten.

Gans, Johan Hendrik. 14.

Ganna. 49.

Gastvrijheid. 40, 42, 44, 64. Zie ook: kosthuizen.

Gezondheid. 17.

Godsdienst 38, 45, 70, 71, 81, 87-91. Zie ook: Bek, Hernhutters, Kalvinisten, Katholieken, Luthers, Moraviërs.

Goens, Rijklof van. 57.

Goske, Isbrand. 59.

Graaff-Reinet. 89.

Guillaumet, François. 57.

Handel (buiten de kompanjie). 19, 47, 50, 55, 62, 65, 89, 103. Zie verder: monopolies, prijzen, koren, vee, wijn, wol, winkels.

Hendriksz., Jacob, 16.

Heren-Zeventien. 2, 3, 7, 8, 58, 83, 89, 98, 103.

Hernhutters. 91.

Heufke, Johannes. 72.

Hoorn, Joan van. 31.

Hoorngeld. 100. Zie ook vee.

Hottentots-Holland. 10, 20.

Hottentotten. 32, 48, 61, 79, 83, 84, 85, 96.

Hout (prijzen en aanplanten). 55, 56, 74, 75, 76.

Hugenoten. 9, 10, 13 (n.), 46, 89. Zie ook: Fransen.

Huiselik leven. 36 vv., 41, 43, 44, 45, 64, 65.

Huisindustrie. 49.

Huisraad. 36, 37, 43, 45, 46, 47, 48, 49, 51.

Huizen (bouw, inrichting). 36-40, 48, 49.

Husing, Henning, 38, 52.

Huwelik (hof, plechtigheid, raad). 46, 71, 95, 97, 98.

Imhoff, van. 34, 82.

Indië. 19.

Industrie. Zie ook: huis-, zijde-, kalk-.

Java. 7, 31, 50.

Jong, Cornelius de. 49 (n.) 61, 64.

Joubert, Mevrouw. 43, 50.

Journal. Zie Leibbrandt.

Kaapstad. 11, 36-38, 45-50, 62-66, 90, 102.

Kalkindustrie. 78.

Kalvinisten. 71.

Karroo, De. 44.

Kasper, Hans. 53.

Katholieken. 91.

Kleeding. 47, 48, 80.

Kolbe. 1, 39 (n.), 61, 62, 67 (n.), 68 (n.), 75, 83 (n.).

Kombuis. 37.

Kompanjie-tuin. 73, 74.

Kooplieden. Zie handel.

Koren (-bouw, -handel). 19, 27, 31, 39, 45, 53, 58-61.

Kosthuizen. 23, 54, 64, 71.

Kranten. 40.

Kuilsrivier. 10.

Landbouwers, vrij --. 8.

Leeuwengeld. 61, 100. Zie ook: Wilde dieren.

Leguat. 52, 81, 84.

Leibbrandt. 15, 16-17 (n.), 20 (n.), 25 (n.), 27 (n.), 32-33 (n.), 51-52 (n.), 53, 56 (n.), 63, 68 (n.), 70 (n.), 77 (n.), 81, 91-92 (n.).

Loon, Ds. Hercules v. 74.

Loonen. Zie salarissen.

Luthers. 4, 90.

Maatschappelik leven. 36 vv.

Madagascar. 29, 81.

Mauritius. 7, 75.

Michiel Otto van Hottentots-Holland. 20.

Middelburg, Kamer v. 5.

Monopolies, Alg. 29, tabak 18, visch 21, wild 27, zijde 57.

Moraviese broeders. 90.

Mosselbank. 10.

Muntwaarde. 25.

Mijnbouw. 57.

Nationaliteiten der kolonisten. 7.

Negers. Zie slaven.

Nel, Jan. 77.

Nel, Willem. 56.

Omgang. Zie verkeer.

Ongehuwden. 16, 23, 69, 70.

Opstand. Zie Barbier.

Opvoeding en onderwijs. 6, 69, 70, 77, 80, 81.

Paarl, De. 10.

Percival, Captain. 41.

Plettenberg, van. 104.

Politie. 77.

Post (brieven-). 15, 40.

Pressen (zielverkopers). 14.

Prijzen. 19-21, 24, 25, 33, 34, 52-56, 63.

Rechten der bewoners. 13 vv.

Rechtspraak. 29, 93 vv.

Reizigers, (vreemdelingen). 41, 50, 86, 103.

Rheede, Heer van. 10.

Riebeeck, van. 2, 8, 13, 79.

Robben-eiland. 15, 38, 65, 79.

Rondebos. 9.

Roodezand. 11, 89.

Ruilhandel. 29, 32, 33.

Rijst. Zie koren.

St. Pierre, Bernardin de. 41.

Salarissen. 14, 21-25, 56, 83, 84.

Saldanha-baai. 21.

Schepen. 86.

Schmit, George. 90.

Simons, Cornelis Joan. 82.

Simonsstad. 103.

Sint Helena-baai. 18.

Slaven. 6, 37, 40, 51, 64-84.

Sparrman. 1, 15, 42, 44, (n.), 47, 48 (n.), 49, 50, 55, 81, 103.

Sprinkhanenplaag. 60.

Stavorinus. 61.

Stel, S. en W. A. van der. 2, 4, 10, 25, 32, 46, 58, 59, 74, 81.

Stellenbosch. 9, 10, 11, 12, 16, 21, 46, 50, 51, 60, 61, 63, 66, 67, 69, 74, 77, 95, 97, 100.

Stichting der kolonie. 2.

Straffen. 15, 16, 21, 34, 51, 68, 70, 74-78, 99.

Swellendam. 11.

Tabaksteelt. 18.

Tafelbaai. 11, 21, 54, 66, 100, 101.

Taillefer, Isaac. 58.

Tas, Adam. 29, 31, 40, 53, 55, 60, 65 (n.), 71, 100.

Theal. 4 (n.), 6-7 (n.), 9 (n.), 10, 21-22 (n.), 27 (n.), 34-35 (n.), 58 (n.), 75 (n.), 88 (n.), 90-91 (n.).

Thomas, de jonge --. 18.

Thunberg. 17 (n.), 39 (n.), 45 (n.), 51 (n.), 55, 61 (n.), 62, 64 (n.), 69 (n.), 71 (n.), 80.

Tienden. 19, 31, 99, 100.

Trotter, Mrs. 7 (n.), 18 (n.), 20 (n.), 21 (n.), 84.

Tulbagh, Rijk. 103, 104.

Vaillant, Le. 43 (n.), 45, 48 (n.), 89.

Valentijn. 1, 9, 11, 19, 37, 38-39 (n.), 52, 54 (n.), 56 (n.), 60, 63, 67 (n.), 73, 84, 94, 95 (n.), 96, 99, 100 (n.).

Valsche Baai. 21.

Vechtkop. 62.

Vee (-handel, -stapel, -teelt). 19, 32, 45, 53, 60, 80, 99, 100.

Verbanning. 16.

Verburg, Commissaris. 26 (n.).

Verhouding tot Nederland. 35.

Verkeer, onderling. 62, 65, 89, 90, 103. Zie ook: vermakelikheden.

Vermakelikheden. 65, 66, 67, 68, 71, 72.

Villiers, Abraham. 57.

Voortrekkers. 11, 62.

Wagenaar. 8.

Wapenen. 61, 79.

Watermeyer. 3, 9 (n.), 26, 30 (n.), 80.

Waveren, land van --. 10.

Weeskamer, wezen. 69, 94 vv., 98.

Werkkrachten. Zie Slaven, salarissen, Chinezen.

Wet, Mr. J. de. 88.

Wetten. 93 vv.

Winkels. 45, 46, 47, 63, 64. Zie ook: Handel.

Wium, Pieter. 63.

Wolhandel. 20, 58.

Woningnood. Zie huizen.

Wilde dieren. 60, 61, 62.

Wijn (-bouw, -handel). 24, 32 vv., 54, 58, 99.

Zegelrecht. 25, 99.

Zijde-industrie. 57.

+-------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: »Ich belove en sweere | | C: »Ick belove en sweere | | B: als belasting Het spreekt vanzelf, | | C: als belasting. Het spreekt vanzelf, | | B: maatschappij te kunnen behoeve aangesteld, | | C: maatschappij te hunnen behoeve aangesteld, | | B: boeren kon den er dus onmogelik | | C: boeren konden er dus onmogelik | | B: zonder zwier; zomigen zelfs | | C: zonder zwier; zommigen zelfs | | B: Le Vaillant zegt: Al de meubelen | | C: Le Vaillant zegt: »Al de meubelen | | B: stierf waren: een swart ebbenhout | | C: stierf waren: »een swart ebbenhout | | B: gereden" [f] 12.-- | | C: gereden" [f] 12.--. | | B: ook al niet naar wens | | C: ook al niet naar wens. | | B: nauweliks bekend." | | C: nauweliks bekend."[72] | | B: een keten van kopere koralen" | | C: een »keten van kopere koralen" | | B: Kolbe. | | C: [61] Kolbe. | | B: Justitie op Batavia beroepen[84]. | | C: Justitie op Batavia beroepen"[84]. | | B: die onder van Plettenberg | | C: die onder Van Plettenberg | | B: S. MENDELSOHN, South-African Bibliography. | | C: S. MENDELSSOHN, South-African Bibliography. | | B: Barrow. 50 (n.), 85, 86 (n.). | | C: Barrow. 50 (n.), 85, 85 (n.). | | B: Bestuur. 29, 30, 93. vv. | | C: Bestuur. 29, 30, 93 vv. | | B: Dijk, Van. (Ziekentrooster) 91. | | C: Dijk, van. (Ziekentrooster) 91. | | B: Hendriksz. Jacob, 16. | | C: Hendriksz., Jacob, 16. | | B: Hugenoten. 9, 10, 12 (n.), | | C: Hugenoten. 9, 10, 13 (n.), | | B: Landbouwers, vrij -- 8. | | C: Landbouwers, vrij --. 8. | | B: 25 (n.), 27 (n.), 33-34 (n.), | | C: 25 (n.), 27 (n.), 32-33 (n.), | | B: Plettenberg. 104. | | C: Plettenberg, van. 104. | | B: 15, 42, 44, (n.) 47, 48 (n.), | | C: 15, 42, 44, (n.), 47, 48 (n.), | | B: Stichting der kolonie. 2 | | C: Stichting der kolonie. 2. | | B: 58 (n.), 75 (n.), 90-91 (n.). | | C: 58 (n.), 75 (n.), 88 (n.), 90-91 (n.). | | B: 18 (n.), 20 (n.), 21 (n.) | | C: 18 (n.), 20 (n.), 21 (n.), 84. | | B: Vee (handel-, -stapel, -teelt). | | C: Vee (-handel, -stapel, -teelt). | | B: Vermakelikheden. 65, 66, 67, 68, 71 72. | | C: Vermakelikheden. 65, 66, 67, 68, 71, 72. | | B: [Niet in Bron.] | | C: Wijn (-bouw, -handel). 24, 32 vv., 54, 58, 99. | | B: [Niet in Bron.] | | C: Zegelrecht. 25, 99. | | B: [Niet in Bron.] | | C: Zijde-industrie. 57. | | | +-------------------------------------------------------+